Kwartierstaat Brouwer – Generatie 19

Generatie 18 <   Namenlijst   > Generatie 20


276480  Dirck Dircksz van der Specke, bezitter van Ter Specke, Leids poorter (1378-1410), schout van Lisse (1394), schepen van Leiden (1394-1396), burgemeester van Leiden (1398-1399), kerkmeester van de St Pieterskerk te Leiden (1400-1401), boter- en kaaskoper in de Friese oorlog (1398), rentmeester van Kennemerland en Westfriesland, veehandelaar (1396, 1402, 1404), zoon van Dirck van der Specke en Bartrarde Arnts van Waterlant, geboren ca. 1350, overleden 1429-1430

Op 24 oktober 1372 is Dirk van der Spek Dirksz beleend met 9 morgen land Ter Speck en 2 morgen land in Lisse. Hij koopt van de graaf van Holland 2 hond land gelegen aan de Horenbrugge en 2 hond land genaamd Butterscamptgen, beide gelegen te Lisse aan het Haarlemmermeer. In 1390 Dirk van der Spek met ledige hand. Op 10 december 1400 ontvangt Dirk van der Spek Ter Specke als onversterfelijk erfleen en mag hij de 2 morgen in Lisse verkopen als eigen voor 100 nieuwe dordse guldens aan de proost van Bergen, tresorier. Op 8 mei 1418 Ter Specke Dirk van der Spek. Op 13 juni 1430 Jacob van der Spek bij dode van Dirk, zijn vader, die hield van hertog Albert.

Dirck ontvangt op 4 juli 1378 het poorterschap van Leiden, met Gheret Heerman als borg. Hij wordt in 1410 ontpoort omdat hij buiten de stad woont.

Op 12 januari 1386 staat Dirk borg voor Wendelmoet Gherit Wissenweduwe, op 6 februari 1395 met IJsbrant van der Laen voor Herman Willemsz en Willem Sijmonsz en in 1398 voor Vranc Poes. Op 27 februari 1395 koopt hij een gedeelte van het veenland tussen Zegwaard en Zevenhuizen dat Floris Gijsbrechts verbeurt. In 1395 moet Dirk land afstaan voor de aanleg van de nieuwe weg van Leiden naar Oegstgeest (de huidige Steenstraat). Hij verkoopt op 15 juni 1410 zijn huis te Leiden voor 275 nobel. Van de opbrengst wordt een aantal hoge pandrentes ingelost. Hij verkoopt op 16 maart 1413 een huis en erf aan de Breestraat in Leiden aan Jonge Heinric Harmanszn voor een jaarlijkse rente van 10 Schellingen met de houde.

Dirk pacht in 1398-1399 de Leidse hopaccijns. Hij leent Leiden geld voor de krijgstocht tegen de Friezen. Hij levert in 1403-1404 kalk aan de St Pieterskerk samen met Dirk van den Bossche.

Dirck is betrokken bij de onregeldheden in de stad in 1419 aan Kabeljauwse zijde. De oorsprong van de twisten dateren al uit de helft van de 14e eeuw en gaan over de vraag wie de kinderloos overleden graaf Willem IV van Holland moet opvolgen. Vanaf 1417 gaat de strijd tussen de voor- (Kabeljauwen) en tegenstanders (Hoeken) van Bourgondië. In dat jaar volgt Jacoba van Beieren haar vader Willem VI op, maar zij maakt de fout te eenzijdig op de Hoekse partij te steunen. Haar oom, de niet-ingewijde bisschop van Luik, Jan van Beieren, laat dan ook zijn aanspraken op de macht in Holland gelden en kiest partij voor de Kabeljauwen, die in drommen naar hem overlopen. In 1418 verovert Jan van Beieren Rotterdam met Kabeljauwse hulp en in 1420 Leiden, welks burggraaf Filips van Wassenaar aan de Hoekse kant staat. Dirk maakt als man van Jan van Beieren met andere edelen op 11 september 1420 deel uit van de vierschaar van Kennemerland die te Haarlem vonnissen.

Dirck is genoemd in 1424 onder de welboren luijden in de 100e penning rekening van de bede in Rijnland. Op 3 augustus 1429 wordt een lijftocht gesloten op 5 morgen land aan de Groenedijk te Hazerswoude van Bertrada, dochter van Dirk van der Spek, gehuwd met Pieter van Leiden, op de mindere helft.

Kinderen:

Florijs van der Specke

2  Baertraet Dircks van der Speck, overleden > 19 december 1433. Gehuwd met Pieter Jansz van Leijden, overleden < 2 juli 1447

3  Jacob Dircksz van der Specke, eigenaar van Ter Specke (1430-1477), beleend met die Specken (1430), baljuw van Noordwijk en rentmeester van Teijlingen (1428), Leids poorter (1457), lid van het ridderschap en edelen door wie Karel de Stoute is ingehuldigd (21 juli 1468), oprichter van het Onse Vrouwe Gilde in de parochie van Lisse (1461), overleden < 18 juni 1477. Gehuwd met Kerstijne Willems van Oegstgeest

4  Sijmon Dircksz van der Speck, pastoor van Edam (sinds 1445), kapelaan van de St Pieterskerk te Leiden, stichter van een vicarie op het St Catharina altaar in de St Pancreaskerk te Leiden (1475), beleend met Ter Specke (1477-1479), overleden 15 augustus 1478

5  (?) Sijmkijn Dircks van der Speck, overleden 1398, begraven in de St. Pieterskerk te Leiden

6  (?) Yeve Dircks van der Speck, overleden > 24 oktober 1475. Gehuwd met Vranck Pietersz Timmerman, overleden > 18 juni 1477

7  (?) Jonge Dirk van der Specke

8  NN van der Speck. Gehuwd met Andries Bal, poorter van Leiden (1401-1410)


276736  Clais Ghijs Gherit Dijcksz, geboren ca. 1380

Kinderen:

Dirck Claesz van Dijck


276744  Jan Casusz, overleden < 17 januari 1414

Gehuwd met

276745  Aernt Kalle, overleden < 10 november 1429. Gehuwd met Jan Hugensz, schout van Delft

Het klooster St. Agatha, het grootste der kloosters binnen Delft, is gesticht door Jacob Jan, vice-cureit van de Oude Kerk te Delft, om de vroomheid onder de parochianen te bevorderen. Omstreeks 1380 koopt hij samen met Jan Casus een houten huisje aan de Geerweg in Delft, waarin zij een aantal maagden laten wonen onder toezicht van de Vlaamse weduwe Lodewijk Jansdochter als ‘maerte’. Door het toenemen van het aantal bewoners, is het noodzakelijk een nieuw huis te kopen. Het huis wordt bekend als het Heilige Huis. Jacob Jan overlijdt op een terugtocht naar zijn bedevaart naar Rome in 1390 en draagt de verantwoordelijkheid voor zijn zusters over aan zijn neef en reisgezel Martijn Gijsbrechtszoon. Met het achtergelaten geld van Jacob Jan, heeft Jan Casus een huis gekocht ‘achter den toirn’, bij de Oude Kerk. Martijn Gijsbrechtszoon, pastoor van de Oude Kerk, wordt de geestelijk leidsman van de zuster.

Op 17 januari 1414 is Aernt Kalle, gehuwd met Jan Hugensz, schout van Delft, behoudens de lijftocht van haar moeder, beleend met de helft van een zate land, groot 22 morgen, genaamd Kallengeerd, waarvan pachter is Alijt Kerstants weduwe. Op 10 november 1429 gaat het leen naar Lijsbeth Jan Casusdochter, gehuwd met Pieter Aernt Woutersz, bij dode van haar moeder Aernt Kallen. Op 12 april 1432 Dirck Jan Casusz na koop, nadat het leen was afgestorven bij dode van Peter Aernt Woutersz.

Uit dit huwelijk:

1  Lijsbeth Jan Casus. Gehuwd met Pieter Aernt Woutersz, overleden 1429-1432

Dirck Jan Casusz


276864  Claes Toude Aerntsz, zoon van Oude Arent Toude, overleden > 14 februari 1392, begraven in de Oude Kerk te Delft (vermeld 1420-1470)

Gehuwd met

276865  Ane Heijn Allerts, dochter van Heijn Allertsz, geboren te Maasland, overleden > 1392

Claes is samen Jan Doude vermeld als pachter van grafelijke goederen te Dixhorne (Dijkshoorn) en op Woutharnas (1354-1356). Hij wordt tussen 1367 en 1372 genoemd als inwoner van ‘t Woudt / Harnas.

In 1367 betaalt hij als Claijs Toude voor een graf in de Grote Kerk van Delft. Op 10 januari 1385 oorkonden Buekel Arndsz en Jan Hughe Starkenz, schepenen te Delft, dat Heijnric Buekel en Heijnric Beijn Splintersz een rente uit 1349 ten behoeve van het gasthuis aldaar verkopen aan Clais Toude. Op 14 januari 1388 oorkonden Kerstant van Alcmade en Louwerijs Jansz, schepenen te Delft, dan Clais Toude Aerndsz, koopt van Zibrant Post een rente uit 1383.

Claes is beleend in 1392.

Uit dit huwelijk:

Aernt Touwe Claes Touwensz

2  Adam Claes Touwensz, geboren 1350-1360, overleden 20 oktober 1431, begraven ’t Woudt. Gehuwd met Margriet Willems van Foreest

3  Doe Claes Touwensz


276928  Kerstant Coppaertsz, heilige geestmeester te Naaldwijk (1402), zoon van Coppaert Meijnsensz en Lijsbeth NN, geboren ca. 1380 te De Lier, overleden > 1424 te De Lier

Hij betaalt in 1424 als welgeborene in De Lier 1 gulden 100e penning.

Kinderen:

Jan Kerstantsz

2  Jacob Kerstantsz


276944  Thijeman Bertolomeusz van Dorp, leenman van de hofstad Binckhorst, geboren ca. 1330, overleden > 1376

Gehuwd met

276945  Katerijn NN, overleden > 15 mei 1376

Thijeman is op 27 juli 1364 beleend met 1½ morgen land te Rijswijk, leenroerig aan de hofstad Binckhorst. Het goed gaat later over op zijn kleinzoon Henric Bartholomeusz. Op 10 juli 1434 Dirc Claesz na overdracht door Henric Berthelmeusz.

Uit dit huwelijk:

Bertelmeus Tijmansz van Dorp


276946  Heijnric Kerstantsz

Kinderen:

Pieternelle Heijnric Kerstants


278912  Wouter Lieven

In 1394 is vermeld Johannes de Beerse filius Wouter Lieven.

Kinderen:

Jan Bersseman


323584  Bernard Jansz Gael, leenman van de Abt van Egmond (1465), zoon van Jan Gael

In 1465 is Bernard Jan Galenz beleend met een zaat met huizing en geboomte, groot 11 morgen, in Wassenaar. In 147? Jan Bernard Jan Galenz.

Kinderen:

Jan Bernardsz Gael


327904  Jan Dircksz die Cruve, zoon van Dirck Johansz die Cruve en Meeus NN, geboren ca. 1440, overleden < 1512

Gehuwd met

327905  Alijt NN, overleden > 1512

Op 2 mei 1475 Johan die Cruve op die Semele verklaart schuldig te wezen Willem die Bouknecht tot Duerstede. Op 30 mei 1475 Johan die Cruve Dirckx verklaart schuldig te wezen aan Herman Wijnken.

In 1484 tienden van de Dom te Cothen: Johan die Cruve Dircss 15½ scilden.

Op 27 september 1486 Johan de Cruve Derickx verklaart schuldig te wezen aan Henric Gijsbertss. Op 20 november 1486 Herman Wijkens geeigent op Johan die Cruve optie Zeml zijn tilbare waar. Op 4 december 1486 Johan de Cruve verklaart schuldig te wezen aan Wouter Andriess.

Op 12 maart 1487 voor bisschop David van Bourgondie compareren Johan de Cruve en Meuss Derick de Cruven wedue zijn moeder, verplagen voor hen zelf en voor Luijtken, Nelleken ende Aleijt, onmondige kinderen Derickx de Cruven schuldig te zijn 252 Rijnsche gulden aen de Dom. Over waren Johan van Zulen van Natewisch, Johan van Hemerten en Engbert van Zuijlen, onse dingweerder.

Op 22 april 1490 Johan die Cruve optie Zemell verplach Zweer van Culembroch bastert en Willem Dreijne. Op 18 mei 1491 Johan die Cruve op die Zemele verplach Gijsbert van Lantscroene. Op 9 februari 1492 Jan die Cruve op die Zemele verklaren schuldig te wezen aan Eernst van Meerten. Op 9 februari 1492 verklaren Jan die Cruve en Willem die Cruve, gebroeders, schuldig te wezen aan Mr. Peter van Amerongen.

Op 24 januari 1493 Gijsbert van Lantscroen versus Johan die Cruve opde Zemele over panding. Johan die Cruve opde Zemele verklaart schuldig te wezen aan Oudmunster. Op 26 januari 1493 Jan de Cruve verklaart schuldig te wezen aan het St. Katherinen convent. Op 26 januari 1493 Jan de Cruve opde Zemele verklaart schuldig te wezen aan her Floris de Vlieger. Jan die Cruve optie Zemele, Willem Cruve en Henric Gerijtss verklaren schuldig te wezen aan Mr. Peter van Amerongen. Op 17 mei 1493 Jan die Cruve opde Zemelen verklaart schuldig te wezen aan Gerijt ten Brijnck 6 scepel etc., en Henric Ottenss en Gelijs Philipss 17 Rijnsche Guldens. Op 12 december 1493 Jan die Cruve opdie Semel verklaart schuldig te wezen aan her Jan van Nijevelt.

Op 26 januari 1494 Jan de Cruve Derickx verplach Hans Wittesteijn. Op 20 september 1494 Jan die Cruve op die Zemele verklaart schuldig te wezen aan Adriaen Vranckenss. Op 17 april 1494 verklaart Jan die Cruve Derijckx schuldig te wezen aan Ariaen Vranckenss.

In 1512 worden de huwelijkse voorwaarden opgesteld van Willem die Cruijff Janss en Aerntgen Baltasarsdr van Rijnensteijn. Over waren Alijt Jans Cruven wedue, zijn moeder, Jan van Zijll, Dirck die Cruijff de Jonge en Jacob die Cruijff hoer soenen, Dirck die Cruijff den Ouden, Willem die Cruijff den Ouden, Gerijt die Cruijff, Jan van RIjnensteijn hoer broeder en Baltasar van Rijnesteijn hoer vader.

Uit dit huwelijk:

Dirck Jansz de Cruijff

2  Jan Jansz de Cruijff

3  Jacob de Cruijf

4   Dirck de Cruijff de jonge

5  Willem Jansz de Cruijff. Gehuwd in 1512 met Aerntgen Baltasars van Rijnesteijn


328356  Jan Schonauen Hoevenaarsz, overleden < 12 oktober 1454

Gehuwd met

328357  Armgard NN

Op 23 februari 1430 is Jan Schonauwen Hoevenaarsz, beleend met 3½ morgen land boven de stad Vianen in de Haag in het land van Hagestein, strekkend van de Haagwetering over de dijk tot de Kil, na overdracht door Hendrik, bastaard van Vianen, met lijftocht van Armgard zijn vrouw. Op 12 oktober 1454 Nikolaas Hoevenaar bij overdracht door mr. Dirk Crol.

In 1439 op ‘S. Odulfsdach’ beleent Reijnout heer van Brederode, Godschalck van Winssen ‘onse neven’ met 1 hoeve te Jutfaas geheten die Heemstede. Na zijn dood is het voor zijn recht leenvolger bij Jfr Gherijt Vrederickxdr van Draeckenbroch zijn wijve. Over als mannen van leen: Jan Schonauwe, Hoevenaer sijn soen, etc.

Op 21 februari 1440 is Jan Schonauen beleend met 9 morgen uit 18 in ver Bijenkamp, waarvan Nikolaas Hoevenaar Jansz de andere helft heeft, bij overdracht door heer Reinout van Oij, met lijftocht van Janne, dochter van Timan van den Gein, zijn vrouw, op verzoek van Nikolaas Hoevenaar.

Uit dit huwelijk:

Nikolaas Jansz Hoevenaar

2  Jan Schonauen. Gehuwd met Janne Timans van den Gein


328642  Hendrick Goertsz Botter, schepen (1433-1461), schout (1435), burgemeester (1444) en cameraar (1463) van Amersfoort, zoon van Godert Botter en Margaretha Gerrit Zoes, geboren ca. 1400, overleden > 15 februari 1464

Gehuwd met

328643  Korstine NN

Op 1 september 1426 is Johan Botter beleend met het halve goed Middelaar wild en tam en de nieuwe hofstede, waarna overdracht aan Hendrik Botter Govertsz.

In 1439 staat Henric Botter Goertsz borg voor de betaling van 4 Wilhelmus scilden door Jan van Wamel voor het verkrijgen van het burgerrecht.

Op 6 oktober 1445 ‘des woensdages na zante Remigius dach’ oorkonden Evert van Stoutenburch, schout, Willam Smit, Gerijt Borre, Steven Maes soen, Roelof Taetse, Meijnse Poijt, Gerijt Everts soen en Jacob Neninc Rutgers soen, schepenen tot Amersfoort, dat Goert van der Mathe, Thomas en Herman, zijn zoons, en Jan Goerts soen en met Goert voorschreven zijn vader en voogd, met Thomas en Herman, broers, Evert Taetse en Henric Botter, als vier mannen van de magen van vaders- en moederszijde hebben overgedragen aan Reijner Egberts soen van der Riit en Geertruut, zijn vrouw, de erfpacht van een hof in de Pothof, op voorwaarden gesteld in de brief waardoor deze is gestoken.

Op 31 december 1446 ‘op den Heilighen Jaersavont’ oorkonden schepenen in Hoirn dat Heijnrijc Botter Goertz, zijn broeder Jan heeft geschonken een schepenbrief op Jan van Loenen, van 200 gouden Aernoldusguldens.

Op 29 januari 1454 ‘des dijnxdages na Sinte Pauwelsdach conventio’ verklaren schout en schepenen van Amersfoort dat Heinric Botter en zijn vrouw Korstijn, Aernt Botter en zijn vrouw Jutte, Jan Botter en zijn vrouw Bijatrijs, Huge Bulle en zijn vrouw Ghertrudt, Weijm Wouter Bottersdochter, Weijm Heinric Bottersdochter met hun momber Jacob van Bijlair, Peter Willamszoon en Willam zijn vrouw, de nalatenschap hebben gescheiden en gedeeld van hun moei Goude, in leven vrouw van Jan Camp.

Uit dit huwelijk:

Grietje Hendricks Botter

2  Hendrik Hendricksz Botter, raad van Amersfoort (1481), overleden < 9 juli 1492


328644  Pieter Gerritsz, orgelmaker, geboren te Hoorn, overleden ca. 1481

Pieter vestigt zich voor 1456 in Utrecht en verwerft het burgerrecht op 30 januari 1478. Hij heeft binnen een Utrecht een goede reputatie als orgelmaker door de vervaardiging van het grote orgel in de Buurkerk (1466) en het grote orgel in de Nicolaikerk (1479).

Links het Peter Gerritsz-orgel of Nicolai-orgel uit 1479. Het is daarmee het oudste nog bestaande orgel in Nederland. Het orgel is gebouwd voor de Nicolaikerk in Utrecht maar bevindt zich sinds 1952 in de Koorkerk in Middelburg. Het orgel is gebouwd tussen 1478 en 1481 met een blokwerk en in 1560 uitgebreid met springladen en een uitstekend rugwerk met sleepladen, gedecoreerd met de hoofden van de twaalf apostelen. In 1885 is het orgel in de Nicolaikerk vervangen door een moderner orgel en is het aangekocht door de Nederlandse staat en ondergebracht in de collectie van het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst, later opgegaan in het Rijksmuseum.

Buiten Utrecht verwerft hij roem door het indrukwekkende orgel in de St. Bavokerk te Haarlem (1463-1465, 1471).

Kinderen:

Gerrit Pietersz Stam


328646  Jan Claesz van Zijl, cameraar van Utrecht (1481-1483) zoon van Claes Roelofsz van Zijl en Wendelmoet Vrederick Crommen, geboren 1445-1446, overleden < 1522

Gehuwd met

328647  Alita Zael, dochter van Willem Zael, overleden > 1523

Op 12 augustus 1468 is Jan van Zijl Claesz beleend met f 10 rijns op een hoeve binnen- en buitendijks in Cortenover, zoals zijn vader. Op 12 juli 1493 Loef van Turnout bij overdracht door Jan van Zijl, die overkwam van Claes Roelofsz, diens vader.

In 1470 ‘donderdach na St. Jan’ Jan Claesz van Zijl x Alijt, Harman Claesz van Zijl x Tijman, Claes Claesz van Zijl, Vrederick Claes van Zijl, Anthonis Claesz van Zijl, Gijsbert Claesz van Zijl, Jfr Wendelmoet en Erckenraet Claesdrs van Zijl, al Claes van Zijl Roelofs kinderen die hi heeft bi Wendelmoet, transporteren aan Henric Borre de husinghe geheten Blijdensteijn te Utrecht.

In 1490 verklaren Jan van Zijll 44 jaar, Tijman van Zijll 68 jaar en Rijckout Gerritsz 82 jaar, burgers van Utrecht, ten verzoeke van Dirck Vogelaer van Mekerens nagelaten kinderen, dat zij een neef in Ghendt hebben gehad geheten Cornelis Jan Evertsz die hem dede heten Van Ruwele daer zij naest magen af waren. Na dode van deselve Cornelis deelden zij de erfenis. Zij kenden ook Cornelis’ ouders Jan Evertsz tripmaker x Mechtelt en Dirck Vogelaer van Mekeren x Elsabe met als kinderen Herman Vogelaer, Jan Vogelaer, Delijaen Vogelaer x Arijaen van Wesel en Margriet Vogelaer x Rijckout Evertsz. Jan Evertsz en Dirck Vogelaer waren magen van elkaar, maar hoe weten zij niet.

In 1522-1523 en in 1523-1524 wordt Jfr Alijt Jan van Zijls weduwe ingeschreven als nieuwe burger te Utrecht.

Uit dit huwelijk:

Wendelmoet van Zijl

2  Roelof Jansz van Zijll


328656  Johan Uijttenbogaert, zoon van Wouter Uijttenbogaert en Margaretha Mattheus de Vroede, geboren ca. 1440, overleden > 1489

Gehuwd met

328657  Duve Tijmans d’Edell, dochter van Tijdeman d’Edell en Wendelmoet van Oostrum

Uit dit huwelijk:

Wouter Jansz Uijttenbogaert


328660  Johan de Coninck, heer van Emmeklaar en Langenoorde, schepen van Amersfoort (1458-1472), zoon van Godert de Coninck en Beatrix Over de Vecht, geboren ca. 1435, overleden < 19 februari 1496

Gehuwd met

328661  Johanna Fredericks van Draeckenborch, dochter van Frederick van Draeckenborch en Cornelia Taets van Oudaen

Wapen zilver met 3 rode markiezenkronen.

In 14.. is Johan de Coninck beleent met veen en bos in Amerongen, belast met 2 penning. Hij is in 1437 als getuige vermeld.

Op 3 september 1454 is Jan Over de Vecht voor Jan de Coninck beleend met het goed Emmeklaar en Langenoorde, gerecht, tijns en tienden, wild en tam en toebehoren, bij dode van Goedert de Coninck diens vader. Op 19 februari 1496 Godert de Coninck bij dode van Jan, zijn vader.

Op 12 december 1459 ‘woensdages op sunte Lucien avont’ transporteren Claes Bot, zijn vrouw Belij en zijn moeder Fije, aan Jan de Coninck, te behoeve van het fraterhuis van Sint Jan, de eigendom van een hof op de Kamp, grenzend aan de stadwal en aan het fraterhuis, ter bekostiging van een mis op het Sint Pietersaltaar, eertijds bij testamentaire beschikking gesticht door Ermgaert van Lewen.

In 1465 tienden van de Dom in Langbroek: 25-1 Johan Coninck.

In 1476 op Hemelvaertsavont Johan die Coninc en Gerrit Mulert enerzijds, Johan van Draeckenborch, kanunnik ten Dom, en Vrederick Utenhamme anderzijds, als hijlicxlieden van Jacob Overdievecht en Jfr Geertruijt, met Erst van Draekenborch haar vader. Jacob brengt onder andere aan een erf en goet geheten ter Hulle in Wijk bij Duurstede, groot 20 morgen 4 hont thins- en tientvrij, noch 6 morgen aldaar, drie delen van de Rodenweert daer de Nonnen van Wijck ¼e deel af hebben, houdende de drie delen samen 31 morgen 5 hont wezende leen van de Proest van Oudmunster, twee ackers van ½ hont aen de Groenecrom, een kamp in dat Middellant 3 morgen 2 hont, 6 morgen 2 hont in Wegemaet, 4 hont in Wijckerweert, uijt Jan van Zijls huijs te Wijck 2 oude scilden, uijt Willem van Cleefs huijs 1 oude scilt, uijt een hof te Wijck 33 vlaems jaarlijks etc – al van zijn vaders en moeders erfenis. Johan Overdevecht zal zijn deel van de erfenis aan Jacob opdragen. Jfr Geertuijt, dochter van Erst van Draeckenborch, geeft o.a. ½ hoeve te Bunnick mee, tafelgoed geldende 9 beijerse gulden jaarlijks.

Uit dit huwelijk:

1  Godert de Coninck, baljuw van Abcoude, burgemeester en schout van Utrecht, overleden > 18 oktober 1523 (onthoofd in 1525 op het Neude ?). Gehuwd < 1489 met Mechteld Utenham, overleden < 18 oktober 1523. Gehuwd met Johanna Gijsberts van Nijenrode

Frederick de Coninck


342560  Gerrit Zoudenbalch, zoon van Tijdeman Zoudenbalch en Petronella van Langerack, huismeester van het St Bartholomeus Gasthuis te Utrecht (1416), lid van de Kleine Kalende broederschap, geboren ca. 1350, overleden 26 april 1418, begraven in de St. Marie te Utrecht

Gehuwd met

342561  Hadewich Florens van Pallaes, dochter van Floris van Pallaes en Engeltje Huberts van Wulven, overleden > 1436

Gerrit Zoudenbalch, zijn vader, zijn oom en verschillende van zijn nakomelingen komen met overlijdensdatum voor op de lijst van de leden der Kleine Kalende-broederschap. Op de afbeelding links het wapen van de Zoudenbalchs als onderdeel van de anonieme tekening van de afbeelding van de wapens van de leden van de Kleine Kalende broederschap in een venster aan de noorzijde van de Buurkerk te Utrecht. Het doel van de broederschap was de bediening van kapellen en altaren (welke kaland of kalend kapellen wrden genoemd), het houden van missen voor de zielen van de gestorven leden, het uitdelen van aalmoezen en het houden feesttijden. De kalende broederschap had statuten die voor alle leden bindend waren.

Op 13 mei 1394 is de zoon van Timan van den Massche beleend met een hofstede aan de nederzijde van de steeg, gaande van de nieuwe straat in de Oudelle te Utrecht, zoals zijn vader. Op 1… Gerard Zoudenbalch. Op 7 juni 1418 Timan Zoudenbalch zoals Gerard, zijn vader, waarna overdracht aan Hubert Zoudenbalch Gerardsz.

Op 5 april 1397 Herboert van Pallaes en Enghel van Pallaes (voor wie zegelt Gherijd Zoudenbalch) transporteren aan Dirc den Keijser 1 morgen op Leghe Raven. Op 30 april 1398 voor Korsten Walichssoen, scout in sheren gerecht van Vianen, compareren Florens van Pallaes, Herboert zijn zoon, Gherijt Zoudenbalch sine swagher ziinre dochters man met wittaftige geboerte, transporteren op Johan van Jutfaes ten behoeve van Jfr Enghele Willams wijf van Boechout te haren medegave van haren moeders weghen erven, 4 morgen.

In 1398 donderdach na St. Jansdach Midsomer int gerecht van Utrecht compareert Herboert van Pallaes en Jfr Hase zijn zuster Gerijt Soudenbalchs wijff, Jfr Engel zijn zuster Willams wijf van Boechout, Jonge Braem uter Coernmerckt en Jfr Engel zijn zuster, Braemskinderen uter Corenmarckt, met Gerijt van Voorn, Herboert van Pallaes, Jan van Jutfaes en Peter Mechelem die zij voortijts als mombers kozen – en zij melden dat Jfr Margriete Dirc Pijls wijf die Oude Huberts wijf was van Wulven, met haar man transporteren op Herboert van Pallaes en Gherijt Soudenbalch alsulcke goede als hoir aenbestorven zijn van Wouters’ doot van Wulven hoer soens …. 3½ morgen dat 7e deel min te Odijk, wat Aelbert van Strimaet en Willam Scive nu gebruiken, 2 morgen min 1/7e deel an Houtenrewetering dat Dirc van Muden gebruikt, 3½ morgen min 1/7e deel te Houten dat Claes Goessens gebruikt, 3 morgen min 1/7e deel in Houten dat Gijsbert Speijaert gebruikt en de helft van een hofstede min 1/7e deel dat Lambert Sanderss gebruijkt. In 1400 St. Jans avont ante Portam een brief van 9 morgen 2 hont 20 roeden en nog 5 hont 20 roeden en 3½ hont 14 oeden vertegen bij Braem uter Coornmerckt, Braem en Jfr Engel sine kinderen, Herbert van Pallaes, Gerijt Soudenbalch en Willam van Boechout ten behoeve van convent van den Dael.

Op 27 oktober 1405 op St. Sijmon en St. Judenavont Apost verkoopt Gherijt Zoudenbalch aan de Buerkerck de helft van een halve hoeve te Jutfaas in Florens gerecht van Jutfaes, daer Lijsbet Johan Eerstsoenwijf was en Claes van Jutfaes hoer soen de wederhelft af toebehoert.

Morgengeld in Oudenwulven en Wulvenrebroeck in 1434/1436: Hase Gerijt Soudenbalch wedue 14 morgen.

Uit dit huwelijk:

Hubert Zoudenbalch

2  Gerrit Zoudenbalch, tinsgenoot van de abt van Oostbroek (1424), geboren < 1400, overleden 1462

3  Tijdeman Zoudenbalch, vicaris van de St. Marie te Utrecht (1445)

4  Hadewich Zoudenbalch, overleden 1453


342562  Evert Schouten van de Kelder, schepen van Amersfoort (1386-1408), zoon van Gijsbert Schouten en Geertrudis NN, geboren ca. 1355, overleden 1423-1425

Gehuwd met

342563  Beatrijs Stevens van Colenberg, dochter van Steven van Colenberg

In 13.. is Evert Scout beleend met een stuk land, genaamd Rodenwaard onder Amerongen, belast met 6 penning. In 13.. zijn Evert Scout en Geertruida, zijn vrouw, beleend met een halve hoeve op de Hoeven te Amerongen, belast met 5 schelling. Tijnslijst te Amerongen (na 1367 ?): Evert Scout en Geertrudis sijn vrou ½ hoeve opte Hoeven, 5 sol. Evert Scout en Gertrudis zijn vrou ½ hoeve die was van Elisabeth en Bertradis, dochters van Marcelis van den Hoeven, 5 solidos. Evert Scout van goeden inde Roedenweert 7 sol. 6 den.

Op 13 februari 1389 Evert Scoute ontving 2½ hoeve met tiend en hofstede op Maerschalkerweert.

In 1395 Evert Scout x Jfr Bate Stevensdr van Colen houden 2 morgen op Rijtsaert en 8 hont op Langeslach, noch 7 hont op Noederweert, noch 4 hont op de Wegesceijdingh, 5½ hont op die Wegesceijdinghe, met land van de proesdij en nog een hofstede aen de Hogestraet die Agathe Gheben nu bouwet.

Op 25 oktober 1396 is Beatrijs dochter van Steven van Colenberg, gehuwd met Evert Schouten van den Kelnaer, beleend met 6 morgen met hofstede in het kerspel Wijk en 18 morgen tiendvrij, genaamd goed ten Hul, zijnde 20 en 4 hont, tijns- en tiendvrij in diverse stukken namelijk 6 morgen in de Meer, strekkend van de Middelbroek tot de Lek, 8 hont aan het overpad in drie stukken waarvan het eerste strekkend van de olmen tot het Korte land, 3 orgen 1 hont op de Hul, een akker tegen Kleinmaat groot 1½ hont, twee akkers groot 5½ hont tegen Kleinmaat bij de wegscheiding, een akker groot ½ morgen in Noordeweerd, een akker groot 2 hont beneden de vierwegscheiding, een akker groot 7 hont voor de Noorde, twee akkers groot 3 morgen op de Oude wetering, twee akkers groot 14 hont in de Eng, een akker in Wijkerweer groot 1 morgen, een akker aan de proosts dam groot 3 hont, 6 morgen ½ hont met hofstede, niet tiendvrij, waarvan 2 morgen op Resert, 8 hont op Langslag, 7 hont aan Noorderweerd, 4 hont op de wegescheiding, en 5½ hont op de wegscheiding. Bij overdracht door Hadewig dochter van Gijsbet Hak van Tuil, weduwe Gijsbert van Colenberg, haar moeder, die lijftocht behoudt.

Op 10 december 1398 een pachtbrief voor Evert Scout van 19 morgen op Nijendijck onder Werkhoven. Nijendijksgoederen van de Dom, 1399: Evert Scout 19 morgen, 1401: Evert Scout 19 morgen.

Op 7 december 1407 ‘op onser vrouwen avont concepcio’ oorkonden Gherijt Zoes, schout, Johan Jordens soen, Claes Ghele en Heinric de Vrese, schepenen te Amersfoerde, dat Evert Scoute van den Kelre aan Evert Jacobs soen en diens vrouw Alijd in erfpacht heeft gegeven een hof, gelegen op de Glashorst, tegen betaling van 11 Dordtse plakken per jaar.

Op 19 september 1414 voor Heijnric van Lewen, richter, Gherijt van Wamel en Henric Bor Aerntss, scepenen, compareren Steven van Boechout en Mechtelt welke transporteren op Jacob van der Kwl ten behoeve van Jfr Steven Evert Scoutendr van der Kelre, Johans wijf Overdievecht, 2 hont.

Op 16 november 1416 oorkondt Dirc de Coninc dat hij aan deken en kapittel van St. Joris bij testament vermaakt een stuk land buiten de St. Jorispoort, gelegen naast het land ‘die Brede’, om met de inkomsten daaruit memoriediensten te houden voor hem, zijn vrouw Bate, zijn ouders, Mechtelt de vrouw van Gijsbert Scoutensoen, en haar zoon Evert, Belij Scouten, Evert Scouten op den Kelre, Lambert van den Velde, Dirc Coninc, en zijn moeder Geertruijt, Mabelien Scouten en Lijsbeth en Mechtelt, de dochters van Dirc Coninc.

In 1423 Evert Scoute een halve hoeve van 10 morgen die Evert van Catwijck tot nu in pacht had in Werconden.

Uit dit huwelijk:

1  Steventje Everts Schouten van de Kelder

Waltera Everts Schouten van de Kelder


342564  Gerrit van Zuijlen van Natewisch, heer van Zuijlensteijn en Natewisch, zoon van Jan Wouterz van Zuijlen van Natewisch en Oeda Floris van Broekhuizen, geboren ca. 1380, overleden 1436-1438

Gehuwd met

342565  Foijse Matheus Poth, dochter van Mattheus Pott van Pottenburch en Elsaba Mouwer

Links een afbeelding van kasteel Natewisch in de 17e eeuw, liggend tussen Wijk bij Duurstede en Amerongen. Het kasteel wordt in 1270 voor het eerst vermeld. De eerste leenheer is Gijsbert van Zuijlen. De Natewisch is tot 1689 in bezit van de familie Van Zuijlen van Natewisch. In 1663 sterft David III van Zuijlen van Natewisch en zijn dochter Emerentia erft Natewisch. Zij trouwt met Joost Taets van Amerongen, waarmee Natewisch in bezit komt van deze familie.

Op 14 juli 1419 meldt Gerrit van Zulen verkocht te hebben aan Bernt Utenengh 20 morgen te Amerongen opte Corenweert, 12 morgen achter het huijs Natewisch te Amerongen, de helft van 12 morgen in Amerongen onderdeijlt met Steven Claes Ruwensoenssoen en nog land in Nederlangbroek (½ hoeve strekkende van Broekwetering tot de landscheiding) en 4 morgen te Cothen strekkende van de Spijck tot aen der Mate. Gerrit van Zulen mag het binnen 4 jaar lossen.

Op 26 februari 1424 is Gerrit van Zuilen van Natewisch beleend met 8 morgen land bij het huis te Nesse, met lijftocht van Foijse dochter van Matthijs Pot op de helft, en hij belooft de leenheer Jan van Montfoort ‘te dienste te comen, als ‘t nodich is, met 4 peerden ende drie knechten’. Op 7 januari 1435 Gerrit van Zuilen van Natewisch draagt over aan de leenheer, bevestigd door Jan van Zuilen, zijn zoon.

Op 27 februari 1424 wordt Gerrit van Zuilen van Natewisch beleend 6 morgen land op IJsselveld en met een hoeve land in Kattenbroek, met lijftocht van Foijse dochter van Matthijs Pot, zijn vrouw. Op 14 september 1438 Jan van Zuilen bij dode van Gerard zijn vader.

Op 23 apil 1426 belooft Danijel van Loenresloet om Peter jonker van Culenborch, schadeloos te zullen houden voor diens borgtocht tegenover Gherijt van Zulen van Natewissche. Op 3 september 1426 wijzen de burgemeesters van Wijk bij Duurstede gerechtelijk toe aan Jacob Wonder, jaarlijks 15 hoenders uit 6 hofsteden in de Oeverstraat bij de Arkpoort te Wijk als beslaglegging wegens een vordering op Gerit van Zuijlen van Natewisch van een hoofdsom van 26 rijnse gulden.

Op 11 oktober 1431 is de uitspraak van Jacob van Gaesbeeck, Johan borchgrave van Montfoirde, heer Lodewick van Montfoird, Johan van Vleuten, Johan van Meerten bast. van Abcoude en Matheus Pot over het geschil tussen Melis Utenenghe en zijn magen enerzijds en Gerrit van Zulen van Natewisch anderzijds, roerende van de nederslach Bernts Uten Enghe, van alsoe veel scult als Gerit van Zulen voorschreven, Wouter van Westrenen en Lubbert Sasse daeraen hadden, noch Johan van Sande, Willem van Sande en Gerit van Welije.

Op 7 januari 1435 verklaart Gerijt van Zuijlen van Natewisse, ten overstaan van Gelmair van der Toll, IJewin Gijsbrechtszoen en Jan Airntszoen, leenmannen van Montfoirde, en met goedvinden van zijn oudsten zoon Jan van Zuijlen, over te dragen aan Jan heer van Montfoirde, de leenweer van 8 morgen land en van 12 morgen land, beide gelegen op die Velthusen.

Op 31 maart 1436 is Gherijt van Zulen van Natewische medezegelaar als de prelaten en kapittels van de kerken van de Doeme, Oudemunster, Sanct Peters, Sanct Johan en Sancte Marijen te Utrecht, de gemene ridders en knapen van het land en burgemeesters, schepenen, raden en gemene meente van de steden Utrecht en Amersfoerde oorkonden dat paus Eugenius, Sweder van Culenborch van Utrecht naar Cesarien heeft overgeplaatst en Roedolph van Diepholt tot bisschop van Utrecht heeft gemaakt, dat een kleine groep personen in strijd met het pauselijk gezag Walraven van Moerse heeft gekozen tot bisschop, die vervolgens steun heeft gekregen van het concilie van Baesel en dat zij zich verbinden om Roedolph van Diepholt in het bezit van het Utrechtse bisdom te handhaven.

Uit dit huwelijk:

Jan van Zuijlen van Natewisch


342566  Gerrit Gerritsz van Culenborch, heer van Maurik, zoon van Gerrit van Culenborch en Baerte van Egmond, geboren ca. 1385, overleden 1460-1466. Gehuwd met Gijsberta van Zuijlen van Nijevelt, overleden > 16 maart 1466

Gehuwd met

342567  Arnolda Oem van Bockhoven, vrouwe van Renswoude en Akersloot (1417-1423), dochter van Claes Oem van Zevender van Bochoven en Machtelt Wouters van Isendoorn, overleden < februari 1423

Op 5 juni 1403 is Gerrit van Culemborch, knape, voor zijn erfdeel beleend met:

1) 67 morgen in de maalschap Maurik op Hornixveld, gebruikt door Dirck Vrent. In 1423 Gerrit van Culemborch. In 1453 Gerrit van Culemborch, oom van de leenheer. Op 9 augustus 1458 Gerrit van Culemborch, oom van de leenheer. Op 3 april 1459 Hubert van Culemborch, neef van de leenheer, bij overdracht door Gerrit zijn vader, die lijftocht behoudt,

2) 13 morgen 85 roeden in Maurik in het NIeuwe Slag. In 14.. Willem Wtenweerde bij overdracht door Gerrit van Culemborch met lijftocht van Machteld, zijn moeder. In 14.. gaat 10 morgen in de Huismaten, strekkend van de gemeente tot het Nieuwe Slag naar Gerrit Wtenweerde Gerritsz bij overdracht door Gerrit van Culemborch,

3) 4 morgen in Maurik in de Meente, gebruikt door Jan Frankensz. In 1423 Gerrit van Culemborch,

4) het goed Muijswinkel, groot 56 morgen in de maalschap Ravenswaaij. Op 30 maart 1459 sluit hij hierover een akkoord met zijn zoon Hendrick na een geschil. Op 18 november 1460 gaat het leen volgens uitspraak van Reinout heer van Brederode, en de leenheer, naar Hendrick van Culemborch, neef van de leenheer, bij overdracht door Gerrit zijn vader, die lijftocht behoudt.

In 14.. is Gerrit van Culemborch beleend met een hofstede in Maurik op de Slage met 18 morgen bij overdracht door Allar Wtenweerde, Dirck Doijs Wtenweerde Gerritsz en Willem Wtenweerde Roelofsz. In 1423 Gerrit van Culemborch. In 1453 Gerrit van Culemborch, oom van de leenheer, zoals Floris Engelsz. Op 9 augustus 1458 Gerrit van Culemborch, oom. Op 3 april 1459 Hubert van Culemborch, neef van de leenheer, bij overdracht door Gerrit zijn vader, die lijftoch behoudt.

In 14.. is Gerrit van Culemborch beleend met 13 morgen in Maurik op Harnixveld. In 14.. gaat de noordelijke helft van het leen naar Doijs Wtenweerde en de andere helft naar Willem Wtenweerde bij overdracht door Gerrit van Culemborch.

Op 14 oktober 1433 doen Peter en Gerrit van Culemborch afstand van hun rechten, herkomstig van hun broeder Sweder, op het land van de Leck.

In 1444 een akte van kwijtschelding van Gerrit van Culemborch voor zijn broeder Johan, heer van Culemborch, wegens een legaat van Jolenthe van Gaesbeeck.

In 1453 is Gerrit van Culemborch, oom van de leenheer, beleend met:

1) de bouwing strekkend van de Meente tot de Homoetse dijk. Op 9 augustus 1458 Gerrit van Culemborch. Op 3 april 1459 Hubert van Culemborch, neef van de leenheer, bij overdracht door Gerrit, zijn vader, die lijftocht behoudt.

2) twee akkers in Maurik in Wijkermaat, strekkend van de bandijk met de hoofdgraaf tot Herman Schakel. Op 9 augustus 1458 Gerrit van Culemborch met het eerste perceel,

3) de bouwing in Ravenswaaij genaamd Pepercoeck, groot 12 morgen. Op 25 januari 1458 Hendrick van Culemborch, neef van de leenheer.

Op 28 oktober 1454 is Gerrit van Culemborch, oom van de leenheer, voor Gijsbert van Nijeveld, zijn vrouw, beleend met:

1) 12 morgen dijkvrij in de Winkel, strekkend van de straat tot Otto en Willem’s Kempen, te komen op Hendrick, hun zoon. Op 9 augustus 1458 Gerrit van Culemborch voor zijn vrouw. Op 18 november 1460 Hendrick van Culemborch, neef van de leenheer, bij overdracht door Gerrit, zijn vader.

2) 3 morgen in Maurik in de Huismatenkamp, te komen op Hubert, hun zoon. Op 9 augustus 1458 Gerrit van Culemborch voor Gijsbert, zijn vrouw. Op 3 april 1459 Hubert van Culemborch, neef van de leenheer, bij overdracht door Gijsbert van Nijeveld en Culemborch, zijn moeder, die lijftocht behoudt.

3) 2 margen in de Oude Weide, strekkend van de Homaatse weg tot de gemene straat

Uit dit huwelijk:

1  Gerrit Gerritsz van Culemborg, heer van Renswoude en Akersloot (1423-1459) en leenopvolger van zijn moeder, geboren ca. 1410, overleden 27 februari 1459. Gehuwd ca. 1440 met Margriet (Mabilia) Taets van Amerongen, geboren ca. 1410, overleden > juni 1481

Jutte van Culemborg

3  Sweder van Culemborg, geboren < 1425


342568  Jan Engelbrechtsz van Brienen, gerichtsman van de Veluwe (1383), zoon van (?)  Engelbrecht van Harselo, geboren ca. 1350, overleden < 8 juni 1410

Gehuwd met

342569  Geertruijt Dirx van Aller, dochter van Diderick van Aller en Christine NN, overleden > 11 december 1416

Op 29 november 1383 ‘op Sinte Andriesavont’ oorkondt Willem van Steijnbergen, richter in Veluwen, dat voor hem en zijn gerichtslieden Johan van Lawijc, Johan van Brienen Engelbertszoon en Aernt te Bocop, door Henric van Aller Servaeszoon, Gherselis zijn zoon en Diste zijn dochter, aan Wijnolt, commandeur van Callenbroeck, ten behoeve van het godshuis van Sint Johan aldaar, overgedragen zijn 8 morgen turfveen in Grawettveett, gelegen tusschen het land van Fonck van der Weijden en van Gherijt van Vloewijc, en strekkende van Henric”s land tot aan de Laeck tot Hoeflaeck.

Ca. 1390 is Geertruijt Dirx dochter van Aller, Johans wijf van Brienen, beleend met dat goed tot Bijssel, gelegen in de Veluwe in den kerspel van Doornspijk. Op 12 april 1394 Jan Engelbrechtsz van Brienen. Op 8 juli 1410 Henric van Brienen, door afstandt sijnre moeder Geertruden Dirc dochter van Aller, Jans wijf van Brienen, mit Arent van der Lawijc, haren gecoren momber.

Op 11 december 1416 ‘des Vriedages na onser Liever Vrouwendach Concepcio’ draagt Jonkvrouwe Geertruijd van Brenen over aan haar zoon Henric van Brenen haar huis en hofstede in de Vijestraat te Harderwijk, met het houten huis, aangekocht van den rademaker. Ten overstaan van schepenen van Harderwijk.

Uit dit huwelijk:

Henrick Jansz van Brienen


342576  Wessel van den Boetzelaer, heer van den Boetzelaer (1397), opperschenker van Kleef, zoon van Rutger van den Boetzelaer en Elisabeth van Bijlant, geboren ca. 1360, overleden 1437-1439. Gehuwd in 1390 met Beatrix (Bata) van Ghemen

Gehuwd met

342577  Lutgard van Heeckeren genaamd van Rechteren, dochter van Sweder van Heeckeren en Sophia van Groesbeek, geboren ca. 1390, overleden < 1451

Op 8 juli 1376 moet Johan van Grieth namens de graaf van Kleef oerveede zweren aan de aartsbisschop van Keulen, aan het aartsstift, aan de ambtman van Aspel Rutger van den Boetzelaer en diens zoon Wessel, en aan de stad Rees.

In 1395 heeft Wessel een twist met zijn vader. De uitspraak van de graaf van Kleef luidt dat Wessel en zijn moeder de goederen in de Betuwe zullen houden, de drie hoeven aan de Clapheck bij Roederbroek, alles wat ligt aan gene zijde van het wald, dat Udem is, de tienden van Keijst en goed Langendonck dat Sander van Eijl gewonnen heeft. Wanneer de zoon op den Boetzelaer komt, zal de vader hem eten en drinken geven met twee knechten en drie paartden. Zij zullen elkaar geen schade toebrengen. Als Wessels’ vader Rutger ook met de graaf van Kleef in onmin raakt, wordt hem den Boetzelaer ontnomen. De graaf schenkt het kasteel in 1397 aan Wessel, onder de nadrukkelijke bepaling dat dit slechts uit genade van den hertog is. Wessel verkrijgt van de graaf van Kleef het ambt van opperschenker van Cleve, waarvoor hij in 1417 de helft van twee hoeven land in leen krijgt. Dit ambt blijft nadien erfelijk in de familie. Dat Wessel het ook niet goed met de graaf kan vinden, blijkt uit een notitie waar wordt meegedeeld dat Wessel het ambt wel (in naam) verkregen heeft, maar dat hij uit onwil nooit daarvan in possessie gekomen is.

Op 26 oktober 1412 maakt Wolterus de Keldunck, kanunnik van het kapittel van Sint Andreas te Keulen, zijn testament. Hij laat zijn goederen in het land van Kleef na aan Wesselonus de Boetzeler en Elbertus de Alpen. Hij legateert de inkomsten van zijn goederen, met name van de hof ther Weije in de parochie Kalkar, gedurende het eerste jaar na zijn overlijden aan de nieuwbouw van de kerk te Kalkar en aan de broederschap van Onze Lieve Vrouwe aldaar en gedurende het tweede jaar aan de bouw van de kerk van het Maria-kapittel te Kleef. Op 19 november 1412 ‘up sunte Elizabeth dach beate virginis’ oorkondt Bertolt Evertsz, richter in het kerspel Pannerden, dat Wessel van den Boitzeler en zijn vrouw Lutgard recht van wederinkoop verleenen aan heer Frederick, heer van den Berg en Bijland, en heer Otte van der Lecke, heer to Hedel, voor de Duenen in het kerspel Pannerden en 4 morgen tusschen de meent aldaar en de Rijndijk.

Wessel erft van zijn overgrootvader Robbert van Appeltern de kerkegift van Winssen. Tussen 1409 en 1423 krijgt Wessel van den Boetzelaer een brief van zijn zwager Frederik van Heeckeren van Rechteren, bisschop van Utrecht, met het verzoek de kerk in Winssen, nu in handen van Willem van Wije, te begeven aan Gerrit Stuurman, kanunnik te Xanten, en na diens afstand aan Johannes van Wije, zoon van Willem.

In 1439 wordt een magescheid opgemaakt tussen Lutgard van Rechteren genaamd van Heeckeren en haar kinderen. In het magescheid is vermeld dat de Hertog het slot Boetzelaer van wijlen Heer Rutger gewonnen heeft en hetzelve uit genade aan diens zoon Wessel heeft gegeven, maar dewijl Wessel verscheidene kinders heeft, zo vergunt hij dit magescheid op te maken en zal hij het zelf mede bezegelen. Tevens verklaart de Hertog dat hij ieder der gebroeders Rutger, Sweder, Johan en Diderik met de hun toegedachte goederen in het bijzonder beleent, tot een achtermanleen en met mansleenrechten. Rutger verkrijgt den Boetzelaer.

Uit dit huwelijk:

Rutger van den Boetzelaer

2  Elisabeth van den Boetzelaer. Gehuwd ca. 1427 met Godert van der Reck

3  Sophija van den Boetzelaer, overleden > 1500

4  Agnes van den Boetzelaer, overleden < 1480

5  Sweder van den Boetzelaer, overleden 1442

6  Johan van den Boetzelaer, overleden 1442

7  Diderick van den Boetzelaer, overleden 1486

8  Hendrik van den Boetzelaer, kannunik van Xanten, proost van Kraneburg, overleden 1480

9  Frederik van den Boetzelaer, overleden > 1439

10  Zeger van den Boetzelaer, kannunik, overleden > 1481


342578  Johan Gijsbertsz van Langerak, ridder, heer van Langerak en Nijpoort, dijkgraaf van de Alblasserwaard (1409), drost van Altena (1410), kastelein van Loevestein (1418), baljuw van Schoonoven (1422), zoon van Gijsbrecht van Langerak en Bertha van Bloijs, geboren ca. 1375, overleden 1433-1439. Gehuwd met Agnes van Steinfurt, overleden 28 december 1467

Gehuwd met

342579  Elburg van Polanen van Asperen, dochter van Otto van Asperen en Johanna van Voorst en Keppel, overleden < 1430

Op 13 juni 1400 beloken Pinksteren  wordt Johan door zijn neef, de heer van Arkel, beleend met het huis en hofstede Langestein met 24 morgen land en 5 morgen land in Coppekertsweer, alsmede half Nijpoort, die zijn vader van hem hield. In maart 1405 wordt hij beloond met het huis Langerak en in 1409 met de tienden van Ammers na transport door zijn zuster Johanna. Op 16 maart 1420 Jan van Langerak. Op 6 april 1439 Rutger van den Boetzelaer voor Elburg van Langerak, zijn vrouw, bij dode van heer Jan haar vader.

Op 10 april 1410 komen Arent van Leijenberg, Jan van Langeraeck en Philips van der Lecke, bastaert, overeen zo er aan enig goed, dat zij onderling gedeeld hebben een gebrek blijkt te kleven, de schade daaruit gezamenlijk te dragen en ook overigens ongedeelde goederen of opbrengsten gelijk te verdelen.

Op 13 mei 1413 wordt Johan het drossaardschap en rentmeesterschap van de kleine tol te Woudrichem en de slootvoogdij van Loevestein door Willem van Beieren bevolen. Op 18 oktober 1415 bezit Johan nog steeds de kleine tol te Woudrichem, als de andere tollen in het openbaar verpacht worden. Johan bezit met Arend van Leijenburg de heerlijkheden en goederen van Giessen in leen, die zij op 25 juli 1413 aan de hertog overgeven, die vervolgens de heren en ambachtsheren in de Alblasserwaard, die de dijk hebben gemaakt, er mee beleent.

Op 15 augustus 1416 belooft Johan met andere edelen en steden van Zuid-Holland vrouwe Jacoba na de dood van haar vader als erfdochter en leenvervolgster te zullen ontvangen en huldigen. Zij geeft hem op 20 juli 1417 namens haar het bestuur over de goederen van de heren Jan en Willem van Egmond. In 1418 wordt Johan aangesteld als kastelein van Loevestein, waarover hij in 1419 een verschil heeft met Jacob bastaard van de Leck.

In 1420 wordt Johan van Langerak met Langestein, met half Nieuwpoort en met de goederen van zijn vader beleend. In 1424 verzoekt hij Walraven van Meurs om neutraliteit in de oorlog tussen Gelre en het Sticht. Hij strijdt in de veldslag bij Alphen aan de zijde van Jacoba en is daar tot ridder geslagen.

In 1430 tocht Johan zijn tweede vrouw Agnes aan tienden en aan de molen te Langerak en maakt in 1433 een magescheid met zijn schoonzoon en dochter over de nalatenschap van zijn eerste vrouw. Daarbij ontvangt zijn dochter 100 rijnsche guldens en wordt getocht. Voor het overige wordt zijn dochter Elburg zijn erfgename, alles voorbehoudens de tocht aan zijn moeder, vrouwe Bertha en aan zijn zusters Bertha, de abdis van Rijnsburg, en Johanna.

Op 27 maart 1433 ‘op den vrijdag na den sonendage als men in der heijligen kirchen ten inganck van der misse singt Letare’ verklaren Willem, zoon tot Egmonde en broer tot Gelre, en Frederik van Rechteren, heer van Voirst, van Asperen en van Keppel, dat zij een verbond hebben gesloten over de stad Asperen. Willem zal Frederich helpen stad en slot Asperen te verkrijgen. Frederich zal als dit gelukt aan Willem binnen een jaar 500 Rijnse guldens betalen en binnen het volgende jaar 550 Rijnse guldens. Willem zal Fredrich binnen Lederdame bescherming bieden. Willem zal op verzoek van Frederich de vijand worden van heer Johan van Langerack en diens bondgenoten, uitgezonderd de hertog van Bourgonnijngen, zijn broer de hertog van Gelre en de vrouwe van Hollant. Frederich verbindt zich tot vrijwillige gijzeling binnen Arnhem bij het niet nakomen van zijn geldelijke verplichtingen. Op 22 april 1433 ‘in onser stede van Rotterdam’ beslist Philips, hertog van Boirgondien etc, in de geschillen ontstaan na den dood van den heer van Voorst en van Asperen, tusschen Vrederic van Rechteren namens zijn vrouw, en heer Jan van Langeraeck namens zijn dochter, dat zijn raden en kamerlingen heer Roeland van Uutkercke, heer van Meestert en Heemsrode, en heer Huge van Lannoij, heer van Santis, een uitspraak zullen doen. Aansluitend sluiten Jan, heer van Langerak, Rutgeer van Boetzelaer en Frederic van Rechteren, een overeenkomst om zich in zake de scheiding der nalatenschap van Jan, heer van Asperen en van Voorst, te onderwerpen aan de uitspraak van met name genoemde scheidslieden. In 1433 regelen Johan, heer van Langerak, en zijn dochter Elburg, vrouw van Rutger van den Boetzelaer, de terugbetaling van een bedrag van 600 bourgondische schilden en 1130 gelderse guldens dat Johan van Rutger geleend had onder verband van de heerlijkheid Asperen.

Uit dit huwelijk:

Elburg van Langerak


342580  Iwain de Mol, burgemeester van Brussel (B), zoon van Dierick de Mol van Ledebergen en Elisabeth Goddeijns, geboren ca. 1370

Gehuwd met

342581  Marie van Pede, dochter van Arnoud van Pede en Maria van St. Guerick

Uit dit huwelijk:

1  Arnold de Moll. Gehuwd met Anna ‘t Serclaes van Kruikenberg

Ywaen de Mol van Ledebergen

3  Hendrik de Moll. Gehuwd met Alijde van Keldere

4  Jeanne de Moll ter Kameren

5  Marguerite de Moll

6  Marie de Moll


342582  Gijsbrecht Aerntsz Pieck ‘de Goede’, heer van het Hoge, Lage en Blauwe Huis te Beesd, rentmeester van Gelre (1413), ambtman van Beesd en Rhenoy (1414), raad en overste rentmeester van Gelre (1414-1416), thesaurier van Holland (1420), zoon van Arnt Hermansz Pieck en Ida Alards van Buren, geboren ca. 1385, overleden 1439-1441. Gehuwd < 1419 met Idelard Alards de Swart, overleden < 1426

Gehuwd in 1426 met

342583  Wilhelmina van Heukelom van Acquoij, vrouwe van Tienhoven, dochter van Walraven van Heukelom van Acquoij en Johanna van de Merwede, geboren ca. 1395, overleden > 1458

Links het zegel van Gijsbrecht Pijeck op 22 juli 1423. Randschrift: SIG GHIIS/ BERT PIEC. Voorstelling: schild met kruis waarboven een gewende helm met stappende haan als helmteken (Bron: Gelders archief, Charterverzameling, nummer 0243 – 857/8).

Op 19 juli 1414 ‘des donredages na der heilige apostelendach divisonis’ stelt Reijnalt hertog van Gulick zijn raad en overste rentmeester van Gelre Giisbert Pieck aan tot ambtman te Beesde en Renoij, ter voldoening eener schuld van 1000 rijnsguldens, regelt uitvoerig zijn rechten en verplichtingen als zodanig en belooft hem tenminste acht jaar op deze voorwaarden als ambtman te zullen handhaven. Op 29 september 1420 ‘op sinte Michiels dach archangeli’ erkent Reijnalt hertog van Gulich nog 600 rijnsguldens ontvangen te hebben van zijn ambtman te Beesde en Renoij Giisbert Pieck, volgens brief van 19 juli 1414, en maakt bepalingen omtrent de lossing van dit ambt en andere aan de ambtman verpande domeinen te Beesde en Renoij. Gijsbert Pieck op zijn beurt bekent, dat de hertog telken jare met 3000 Rijnse gulden weder zoude kunnen lossen de erve, tienden, goederen, grute en bierzijse te Beesde, zoo als dezelve hem die tot een regten manleen gegeven had. Op 17 november 1422 ‘des dijnsdaeges na sinte Martijns dach in den wijnter’ bevestigt Reijnald hertog van Gulich de verpanding aan Giisbert Pijeck van zijn tienden te Beesd, het land de Stapelacker, de gruit en bieraccijns aldaar, alsmede een tiend te Renoij, welke door hem als manieën ontvangen goederen hij tezamen met het ambt te Beesd en Renoij zal mogen behouden niettegenstaande de losbrief, die de hertog van hem heeft ontvangen.

Als onderdeel van de Hoekse en Kabeljauws twisten vindt tussen 1417 en 1425 de strijd om de macht in Holland en Zeeland plaats tussen Jacoba van Beieren, enige kind van graaf Willem VI, en haar oom Jan van Beieren. In het ontstane machtsvacuüm na het overlijden van Willem VI, verovert Willem van Arkel Gorinchem, maar stadhouder Walraven van Brederode herovert de stad in 1417. Hierbij worden Gijsbrecht en zijn broers gevangen genomen. Jacoba’s positie is echter zwak en zijn steunt eenzijdig op de Hoekse partij. Daarop laat haar oom Jan van Beieren zijn aanspraken op Holland gelden en kiest partij voor de Kabeljauwen. Gijsbrecht is met zijn broer Otto Pieck in dienst van Jan van Beieren, wiens raad hij is in 1419. In 1420 neemt hij, als thesaurier van Holland, deel aan het beleg van Leiden. Hierbij geeft de stad zich op 17 augustus 1420, na een belegering van twee maanden, over aan Jan van Beieren. In 1421 pacht Gijsbrecht de tol te Gorinchem.

Op 24 juli 1423 verklaren Arnold, hertog van Gelder en Gulik en graaf van Zutphen, en Adolf, hertog van Kleef en graaf van Mark, dat tussen hen en de steden, sloten en onderzaten van beider landen een verdrag is gesloten, dat elke opvolgende landsheer zal bekrachtigen alvorens hij door de steden ingehuldigd wordt, luidende: 1) men zal elkaars steden, versterkingen en landen niet benadelen, 2) geschillen over onroerend goed zal men voeren voor de gerechten waar deze gelegen zijn, geschillen over vorderingen zal men voeren voor het gerecht van de woonplaats van de schuldenaar en men zal onvertogen recht laten geschieden, 3) beide partijen zullen elkaar in een eventuele oorlog bijstaan behalve in een oorlog tegen het heilige Roomse rijk en Johan, hertog van Brabant en Limburg, niet in een oorlog tussen de hertog van Kleef en hertog Johan van Beieren en evenmin tussen de hertog van Gelder en de bisschop van Keulen, 4) Arnold zal ervoor zorgen dat zijn zoon Johan deze akte bekrachtigd. Medebezegelaars zijn de raden en vrienden van de hertog van Gelder namelijk Johan, heer te Egmond, vader van de hertog, Johan, heer te Culemborg, Derich, heer te Wische, Johan, heer te Waardenburg, Gijsbert van Mekeren, overste rentmeester, en Gijsbert Pijeck. Namens de hertog van Kleef: Wessel, proost te Wisschel, Willem van Rees, Arndt van Ressen, ridder, Peeter van Culenborch, Geerlach van Voschem, Elbert van Alpen, Henrick Schenck van Nijdeeghen en de steden Nijmegen, Roermond, Zutphen, Arnhem, Gelder, Goch, Venlo, Erkelenz, Grave, Bommel, Tiel, Wageningen, Harderwijk, Elburg, Hattem, Doesburg, Doetinchem, Lochem en Groenlo en voorts Kleef, Wesel, Emmerik, Kalkar, Rees, Uedem, Sonsbeck, Griet, Huissen, Kranenburg, Buderich, Orsoij, Dinslaken, Holten, Schermbeck en Griethausen.

Op 27 januari 1423 is Gijsbert Pieck voor Willem van Heukelum van Acqoij, jonkvrouw van Tienhoven, zijn vrouw, beleend met 1) de wind van Enspijk met molenwerf, 2) een uiterwaard strekkend boven de weerdse molen van de dijk in de Linge, met de hofstede en de timmering daarop strekkend tot Staasken van Loon met zijn kampje, 4½ morgen tussen de dijk en het dorp Beesd, 4 morgen in het Nieuwe land en 15 morgen in ‘t Vorstebroek, 3) de grote tiende in Malsen, half te delen met de gavel met de heren van St. Marie te Utrecht met de Koppeltiende, 4) de hoge heerlijkheid op Outena in de Tienhoeven met de tienden aldaar, 5) een derde van de oude tiende van Rumpt en het derde deel van de smaltiende aldaar, bij dode van Walraven haar vader, en Otto van Heukelum haar broer. Gijsbrecht koopt in 1424 het Lage Huis te Beesd van Willem van Buren.

Wilhelmina van Heukelom wordt getocht in 1429 en erft van haar neef Jan Herbarensz van Heukelom van Acquoij het Blauwe Huis (het Huis op den Wiel) te Beesd en wordt op 19 september 1428 door hertog Arnold van Gelre beleend met huis en hofstede te Beesd, diverse grondstukken aldaar, alsmede de grote tiend te Borchmolsen, de koppeltiend in het land van Buren en de wind te Enspijk. Ze wordt tevens beleend met de tienden te Everdingen en den Hage te Hagestein.

In 1433 is Gijsbrecht de magescheidsvriend van Johan van Langerack, ridder. Op 4 april 1434 ‘op den Sonnendach quasimodogeniti’ verpandt Arnolt hertog van Gelre zijn raad Giisbert Pieck voor 1525 rijnsguldens zijn tiend te Romde.

Op 24 december 1437 ‘opten heiligen Korstavont’ erkennen Jan van Arkel, heer tot Hoekelom, Jan van Culenborch en Willem van Dorschen hoofdelijk schuldig te zijn aan Giisbrecht Pieck van Beesde 100 goudguldens. Op 29 september 1438 is Zweder van Rechteren, heer van Voorst en Keppel, beleend met de vrije heerlijkheid Asperen gelegen tussen Laarsteeg en Broekvliet met hals en hoofd, hoog en laag gerecht, bij dode van Kunigonde van Asperen, zijn moeder, waarna overdracht aan Arnout Piek van Beesd Gijsbertz, wiens vader zal beheren. Gijsbert koopt in 1439 de visserij te Brakel.

Op 19 maart 1441 oorkonden schepenen van Beesd dat Arnt Pieck, heer van Asperen, en jonkvrouw Willem van Ackoijen, jonkrouwe van Tijenhoeven, weduwe van Gijsbert Pieck, overgedragen heeben aan Gijsbert Morijnt ten behoeve van heer Arnt van Heerler, ridder, voor schepenen van Rhenoij de volgende landerijen in Rhenoij, te weten het Corte Zant met het weitje, de twee Corte Kampen, den Hoijcamp opten Wijelgrave, den Cleijnen Corbeelskamp, den Groten Molenkamp, den Cleijnen Molencamp en den Groten Corbeelskamp. Op 20 maart 1441 ‘des maendages voir Onser Vrouwen dach annunciacio’ oorkonden schepenen van Rhenoij dat jonkvrouwe Willem van Tijenhoeven, weduwe van Gijsbert Pieck, en Aert Pieck, heer van Asperen, overgedragen hebben aan Gijsbert Moerijnc ten behoeve van heer Aert van Heerler de volgende goederen in Rhenoij, te weten op dat Cort Zant, de Cleinen Hoijcamp, twee Carbeelencampen, twee Corte Campen, den Cleinen Molencamp en den Groeten Moelencamp, totaal 50 morgen en 4½

In 1442 transporteert Wilhelmina de molen te Enspijk aan haar zoon Walraven en, met behoud van lijftocht, de uiterwaarden van Beesd ‘daer Walravens huijs op staet’ (het Blauwe Huis) en diverse andere stukken grond te Beesd op haar dan nog minderjarige zoon Otto. Op 29 december 1450 transporteert zij de tiende in Rumpt aan haar schoonzoon Godert van Erp.

Uit dit huwelijk:

1  Arnt Gijsbertsz Pieck, ambtman van Beesd en Rhenoij, heer van half Asperen en het Hooge Huis te Beesd, geboren ca. 1426, overleden < 1474. Gehuwd in 1444 met Belia Ottens van Polanen, overleden 1478

2  Walraven Gijsbertsz Pieck, ridder, heer van Wolfswaard en het Lage Huis te Beesd, geboren ca. 1430 te Beesd, overleden < 1493. Gehuwd met Catharina Costens van Berchem. Gehuwd in 1460 met Maria Hugemans van Strijen

3  Johanna van Acquoij, begijn

4  Otto Gijsbertsz Pieck, heer van Tienhoven en het Blauwe Huis te Beesd, schepen van Beesd, geboren ca. 1430, overleden < 1508. Gehuwd met Johanna Hendriks van Vianen, vrouwe van Jaarsveld, geboren ca. 1450, overleden ca. 1483

5  Walravina Gijsberts Pieck, overleden 1481-1482. Gehuwd in 1452 met Johan van Blitterswijk, heer van Blitterswijk, overleden < 1470. Gehuwd > 1469 met Barthold van Baexen

6  Adriana Gijsberts Pieck. Gehuwd met Govert van Erp, heer van Veghel, overleden ca. 1481

Jutte Pieck

8  Floris Gijsbertsz Pieck


342584  Otto van Arkel, ridder, heer van Heukelom, zoon van Jan van Arkel en Elisabeth van Horn, geboren ca. 1355, overleden 1407-1408

Gehuwd met

342585  Elisabeth Jans van Lijnden, vrouwe van Millingen, dochter van Johan van Lijnden en Elisabeth van den Bergh, overleden 1417-1419

Links het zegel van Elisabeth Jans van Lijnden op 14 mei 1415.

Otto, heer van Heukelom is vermeld van 1381 t/m 1407. In 13.. is Otto, heer van Heukelum, neef van de leenheer, beleend met de gerechten en tienden van Heukelum, voorzover roerend van Arkel. In 1391 ridder, als getuige vermeld 1381-1400. Op 5 maart 1421 Jan, heer van Heukelum, niet te verzuimen. Op 17 mei 1424 Jan, heer van Heukelum, bij dode van zijn vader.

Tussen 1391 en 1395 heeft Otto Jansz van Arkel gechillen met de dijkgraaf en heemraden tussen Lek en Merwede over de betaling en uitoefening van het halve tiendrecht van Alblas en Alblasserdam.

Op 26 april 1403 oorkonden schepenen van Heukelom dat Otto, heer van Heukelom, beloofde aan Jan Louwe Janszn, land op Loven te vrijwaren. In 1407 draagt Otte, heer van Heukelum, over aan Gerrit van Herlaer de Spaans Enge in Kedichem.

Op 29 november 1408 ‘op sinte Andries’ avont apostel’ beleent Aernt, abt van St. Pouwels tUtrecht, na opdracht door Dirc de Wolff, bastaard van Lienden, Lijsebet van Lienden, vrouwe van Hoekelem en Millingen, met de Sculenborchsche waard onder Lienden. Tevens beleent Aernt, abt van St. Pouwels tUtrecht, Lijsebet van Lienden, vrouwe van Hoekelem en Millingen, met de Oudenweert met hoog- en laaggericht en alle verdere leenen, die haar broeder jonker Dirc van Lienden gehouden heeft. Op 11 oktober 1419 ‘des Woensdages na sente Victoersdach’ beleent Aernt, abt van St. Pauwels tUtrecht, Johan, heer tot Hoekelem, na doode van diens moeder Lijsebet van Lienden, vrouwe van Hoekelem en Millingen, met de Oudenweert met hoog- en laaggericht en de Sculenborchsche waard onder Lijenden.

Op 22 december 1408 ‘des Saterdages nae sente Thomaes’ dage des heijligen apostels’ beleent Lucia van Kerpen, abdis van Elten, Elisabet van Lienden, vrouwe van Huekellem en Millingen, met de halve heerlijkheid Lienden, de tienden te Lienen, Aelst en Meerten en den ouden hof te Lienden, een dienstmansleengoed, zooals haar vader wijlen heer Johan, heer van Lienden, daarmee beleend is geweest. Op 13 maart 1421 ‘des Donredages voer Palmen’ beleent Lucia van Kerpen, abdis van Elten, Johan, heer to Huekellem en to Millingen, met de leenen, vermeld in den brief van 22 december 1408, waarmede zijn overleden moeder Elijsabet van Lienden, vrouwe to Huekellem en van Millingen, beleend is geweest.

Op 23 juli 1409 ‘gegeven ter Horst des Dinxdages na sente Marien Magdalenendage’ beleent Frederic, bisschop to Utrecht, Elijsabeth, dochter van wijlen heer Jan, heer van Lienden en van der Lede, na doode van haar broeder Dirc, heer van Lienden, van Duffel en van der Lede, met de Rottienden in de Mersch, de tienden te Hirten en die te Heelzem op de Veluwe. Op 11 oktober 1419 ‘gegeven to Utrecht des Woenssdages nae sant Victoersdage’ beleent Frederic, bisschop to Utrecht, Johan, heer tot Hoekelem en to Mijllingen, na doode van zijn moeder Elijsabeth, dochter van wijlen heer Johan van Lienden en van der Lede, met het leen, vermeld in den brief van 23 juli 1409.

Op 2 november 1414, 8 november 1416 en 28 juni 1417 oorkondt Bernt, richter te Millingen, namens vrouwe Liisbetthen van Lienden, Hoeckelem en Millingen.

Op 14 mei 1415 erkent Lizabeth van Lienden, vrouwe van Hokelhem en Millingen, schuldig te zijn aan Henrick de Wilde van Meere 300 oude schilden, waarvoor zij verpandt haar waard aan de Wale, genaamd de Wijndewasse, te Millingen.

Uit dit huwelijk:

Johan van Arkel van Heukelum


342586  Johan van Culenborch, ridder, heer van Culemborg, ter Lecke en ten Weerde, zoon van Gerrit van Culenborch en Baerte van Egmond, geboren ca. 1375, overleden 1 april 1452. Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 18 juli 1415) met Adelheid van Gotterswick, geboren ca. 1395, overleden 3 juni 1448

Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 30 mei 1409) met

342587  Barbara van Gemen, dochter van Henrick van Ghemen en Catharina van Bronckhorst, geboren ca. 1392, overleden < 8 juli 1414

Links het zegel van her Johan here toe Culenborg op 23 juli 1423. Randschrift: S/ JOHA HE TO CULEBORCH/ TLEC–MUE TE WE. Voorstelling: staande jonkvrouw met twee wapenschilden, rechts drie zuilen met omgewende helm met gerekte dierenkop, links klimmende leeuw met dubbele staart. Gewende helm met kroon en uitkomende leeuw (Bron: Gelders archief, Charterverzameling, nr. 0243 – 1109/3).

Familie

Op 10 december 1394 ‘des donredages nae onser Liever Vrouwendach Conceptio’ maakt Hubrecht heer van Culenborch en van der Leck, een scheiding met zijn broeder Johan van Culenborch van de hen aanbestorven goederen.

Op 4 januari 1407 doen heer Johan van Culenborch, ridder, en Giisbert van Culenborch, bastaard, namens heer Hubert, heer van Culenborch, ter Lecke en ten Weerde, en Johan Stael namens Johan Sobbe heer Engelbrechtsz, uitspraak in de geschillen over de huwelijksmedegave van Huberts zuster Mechteld van Culenborch.

Op 30 mei 1409 ‘up den neijsten Donredach na Pijnxten’ maakt heer Hinrik heer to Ghemen, ridder, voor zijn dochter Barbara huwelijksvoorwaarden met heer Johan van Culenborgh, heer then Werde, ridder. Op 18 juli 1415 ‘ipso die beati Arnolfi confessoris’ maakt Everwiin van Goterswich namens zijn zuster Alheijd van Goterswich huwelijksvoorwaarden met heer Johan van Culenborch, heer to Werde. Op 21 december 1415 ‘up dach sunte Thomas des helghen apostels’ erkennen Everwiin van Goeterswiic, Ludolf heer the Stenvorden, en Dirck heer tho Wijssche, schuldig te zijn aan heer Johan van Kulenborg, heer tho Werde, ridder, ingevolgde dienst huwelijkscontract 1000 rijnsche guldens, te betalen binnen een jaar na de dood van heer Bernd, graaf tho Benthem.

Op 23 juni 1423 ‘op sente Johansavont baptista te Midsomer’ erkent Beerte van Culenborch van haar broeder heer Johan heer tot Culenborch etc, ontvangen te hebben het haar toekomende uit de nalatenschap van haar ouders en van haar broeder Hubert. Op 27 mei 1424 ‘des Saterdages na Urbanij’ maakt Sweder van Culenborg, domproost en aartsdiaken te Utrecht, een scheiding tusschen zijn broeders heer Johan, heer te Culenborch etc, ter eenre en Peter en Gerijt van Culenborch ter andere zijde.

Op 28 april 1432 ‘des naisten Maendages na Belaken Paisschen’ maken Wouter van Loenresloet en Noijde van Spiick, namens heer Johan, heer to Culenborgh etc, en Engelbert van Broickheze en Henrich Dije Valcke, namens Johan, zoon tot Homoit en Wijssche, de voorwaarden voor een huwelijk tusschen Arnd, oudste dochter van partij ter eenre met partij ter andere. Op 25 juli 1432 ‘up sente Jacobsdach des heilighen apostels des meesten’ erkent Johan, zoon tot Homoijt en Wijssche, ontvangen te hebben van heer Johan, heer te Culenborch etc, 1000 rijnsche guldens in afkorting op den bruidschat van diens dochter Arnd. Op 4 oktober 1433 ‘Sondags nae sint Remeissdage confessoris’ oorkonden Neude van Spiick, richter te Culenborch, Hubert van Culenborch, bastaard, Gerit Cezar, Johan Philipsz en Willem Zurmond, schepenen aldaar, dat heer Johan, heer to Culenborch, afstand doet van zijn rechten op de nalatenschap van zijn broeder heer Sweder, bisschop van Utrecht. Op 3 oktober 1435 belooft Jan van Arckel, heer tot Hoekelom, aan heer Jan, heer tot Culenborch etc, dat hij de 5000 rijnsche guldens, die deze aan zijn dochter Beerte ten huwelijk heeft medegegeven, binnen 1½ jaar in goederen, waarvan zij den lijftocht zal krijgen, zal beleggen.

Op 10 oktober 1436 ‘op dach sunte Victoirs’ geeft Johan, heer to Culenborch etc, over aan zijn oudsten zoon Gherijt, de heerlijkheid ten Weerde, alsmede zijn schuld aan zijn zwager den graaf van Benthem, en zijn erfdeel van zijn overleden broeder heer Hubert. Op 14 november 1436 erkent Johan van Erkell, heer to Hoekelem, ontvangen te hebben van zijn schoonvader heer Johan, heer to Culenborch, 3000 rijnsche guldens in afkorting op den bruidschat van zijn vrouw Berte, en belooft het land van der Leck niet dan met zijns schoonvaders toestemming te zullen verkoopen. Op 1 maart 1439 maakt Gerard, oudste zoon tot Culenborch, heer ten Werde, een scheiding tusschen zijn vader, heer Johan, heer to Culenborch, en zijn zwager Johan, heer to Hoekelem, voornamelijk betreffende het land van de Leck.

Op 13 februari 1441 ‘up sunte Valentiinsavent des heiligen martelaars’ maken Johan, heer to Culenborch en ter Leck, Johan, heer tot Homoijt en Wijsch, en Zweder, zoon tot Culenborch, ter eenre, en Otto, heer to Bronckhorst en Borcklo, Wilhelm, heer ten Berge, Bijlant en tot Hedel, Elbert van Alphen, heer tot Honepel, en Frederich van Ulft ter andere zijden, voorwaarden voor een huwelijk tusschen Gerijt, oudsten zoon to Culenborch en Elizabet van Buren, vrouwe tot Ewiick.

Op 14 april 1441 gaan Yolent van Gaesbeeck, vrouwe van Culenborch en Ackoij, ter eenre, en Johan, heer te Culenborch en ter Lecke, ter andere zijde, gaan door tusschenkomst van haar broeder Jacob, heer te Gaesbeeck, Putten en Strijen, en Johanszoon Gerijt, oudsten zoon te Culenborch, heer ten Weerde en tot Ewiick, een overeenkomst aan ter beëindiging hunner geschillen over den lijftocht van Yolent. Op 7 december 1441 ‘op onser Lieven Vrouwe avent conceptionis’ geven Jacob, heer to Gaessbeck, Putte, Strijnen en Apcoude, en Yolent van Gaessbeck, vrouwe van Culenborch en tAckoije, aan heer Johan, heer to Culenborch en ter Leck, het losrecht van de heerlijkheid Ackoije, en wel binnen 15 jaar voor 8000 gouden kronen. Op 26 maart 1444 ‘des Donredages na den heugen Sondaghe Letare Jherusalem’ erkent Gerijt, broeder tot Culenborch, voldaan te zijn door zijn broeder heer Johan, heer tot Culenborch en ther Lecke, van een rente van 25 oude schilden ‘s jaars, hem toegevallen na doode van Jolente van Gaesbeke, vrouwe tot Culenborch, en welke hij heeft overgedragen aan zijn zoon Willem.

Op 27 februari 1442 ‘des dinxdages na den sondaghe reminiscere’ sluiten heer Johan, heer tot Culenborch etc, en Johan van Arkel, heer tot Huekelem, een overeenkomst waarbij verschillende betalingen worden vastgelegd, en het slot te Huekelem aan Culemborch wordt overgegeven ten behoeve van Otto van Arckel, oudsten zoon van Johan.

Op 12 juni 1449 gaan heer Johan, heer toe Culenborch en ther Lecke, en zijn zoon Gerart, heer toe Culenborch, then Weerde en tot Ewiick, voor hun dochter respectievelijk zuster Mechteld van Culenborch met Elbert van Alpen, heer tot Honepel, weduwenaar, huwelijksvoorwaarden aan.

Op 27 januari 1451 ‘des naisten Guedensdaghes na sente Pauwelsdach conversionis’ bevestigt Johan, heer to Culenborch en ther Lecke, de beschikking van zijn overleden echtgenoote, gelijk vermeld in den brief van denzelfden datum. Op 21 april 1451 belooft Johan van Arkel, heer tot Huckelem, aan zijn (schoon)vader Johan, heer to Culenborch en ther Leck, zijn zwager Gerard, heer to Culenborch, then Weerde en tot Ewiick, en zijn zoon Otte van Huckelem, hun schuldvorderingen in rechte te zullen erkennen.

Land en beleningen

Op 23 november 1396 ‘op sunte Clemensdach’ oorkondt Jan van Leeuwen, hof van den heer van Culenborch, dat Deengen Lampenzoon en diens broeder Henrick Loef Lampenz, Hildewaer, vrouw van de laatstgenoemden en hun dochter Mechtelt, alsmede hun zoon Alaert Lamp Henricksz, hebben opgedragen ten behoeve van jonker Jan van Culenborch, 2 morgen 26 roeden land onder Riiswick. Op 12 januari 1397 verklaren Johan van Culenborch, Hubert van Miinden, Ghisbert van Culenborch, bastaard, Aernt Arntsz van Culenborch, Willem van Rumelair, Splinter Henricksz, Sweder van Voern, Dirck Coppier, Jacop Coppier, Wemmer Wmmersz, Gerit Scaep, Willem Zuermont, Wouter Henricsz en Willem Henricsz van der Mase, dat de heer van Culenborch in rechte eigenaar is geworden van de kerkgiften te Mauderich en Eck, de halve tienden te Eck en 10 morgen land aldaar, afkomstig van Gherit van Eck.

In 1417 wordt Johan heer van Acqoij door koop.

Op 22 februari 1420 ‘ipso die beati Petri apostoli ad cathedram’ erkennen Everwiin van Goterswick en zijn vrouw Mechtilt van Steijnvorden, verkocht te hebben aan heer Johan van Kulenborgh en diens vrouw Aleijd, hun zuster, den hof te Hezehusen in het land van Murse en in het gericht van Barle. Op 22 februari 1420 ‘op sunte Petersdaige ad cathedram’ verklaart Adolph hertog van Cleve etc, een brief gezien te hebben van een aartsbisschop van Coilne, waarin deze een heer van der Lecke, heer ten Weerde, beleent met Wederbruecke, geeft daarvan een uitreksel en verklaart heer Johan van Culenborch, heer ten Weerde, dit goed rustig te zullen laten gebruiken.

Op 4 februari 1423 ‘des Donredages na onser Vrouwendach purificacio’ oorkondt Volpaert Aerntsz, schout in het land van Hagesteijn, namens den bisschop van Utrecht, dat Heinric die Wit overdraagt aan Voern van Vijanen ten behoeve van heer Jan, heer tot Culenborch etc, 5 morgen land onder Hagesteijn aan den dijk. Op 31 augustus 1423 ‘des Dinxedages na sente Johansdaghe baptisten decollationis’ beleent Arnolt, hertog van Gelre etc, heer Johan, heer to Culenborch etc, met het kasteel en de stad Culenborch c.a., met de tienden in de Broick en te Lanxmer, het huis te Malderick c.a. , het goed te Muijswijnkel, de Steenweert boven Duerstede, het goed te Riiswiick, het huis te Vijanen, 2 hoeven te Beesd, het Bredenbroick, de beide Kattenbroke en de Mijddeldunck. Op 23 september 1423 ‘crastino beati Mauricii’ erkennen deken en kapittel van de St. Johanskerk te Utrecht verpacht te hebben aan heer Johan, heer to Kulenborch etc., na doode van zijn broeder heer Hupertus, de tienden en goederen in het kerspel Bosijnckhem.

Op 28 mei 1425 belooft Willem, heer tot Bueren en Buesinchem, aan zijn neve heer Johan, heer tot Culenborch, ther Lecke, ten Weerde en tot Ackoij, te zullen overdragen zijn rechten op het hooge en laage gericht tussen de Hont en het land van Culenborch, en doet afstand van zijn rechten op 1/6 deel van het gericht van Lanxmeer en op 1/3 deel van het gericht van den Broick te Culenborch tusschen Lanxmer en de Bisscopsgrave, alsmede van den leenplicht van den heer van Culenborch tegenover de heerlijkheid Bueren.

Op 12 mei 1428 verklaart Johan, heer te Culenborch etc, met het kapittel van Culenborch een ruil van landerijen en renten aangegaan te hebben, waarbij hij .. hoeve land te Mouderick genaamd de Lijestkamp en renten uit land onder Riiswiick en Ravenswade verkrijgt, en 4 strepen land te Goedbertingen, en voor de choralen een hofstad te Lanxmeer met 4 morgen land afstaat.

Op 25 januari 1430 ‘op sunte Pouwelsdach conversio’ belooft Hubrecht van Culenborch, heer tot Meer, aan heer Jan, heer tot Culenborch, dat hij, indien hij na de lossing van den veerstad te Huesden aan den Riin, de landerijen, vermeld in den brief van 9 april 1415, niet aan dezen overdraagt, een rente van 40 oude schilden ‘s jaars zal betalen. Op 12 april 1430 ‘des Guedesdages na den heugen Palmdaghe’ erkent Balthazar van Bueren, knaap, verkocht te hebben aan heer Johan, heer to Culenborch etc, zijn huis Vredesteijn, leenroerig aan Gelre, en eenige andere landerijen leenroerig aan Mariënweerd en Bueren. Op 13 april 1430 ‘op den Witten Donredach ‘ gaan Johan, heer tot Culenborch, en Balthazar van Bueren een overeenkomst aan betreffende den verkoop aan eerstgenoemde van het huis Vredesteijn. Op 28 juli 1430 beloven Johan, heer tot Culenborch etc, zijn vrouw Aleijt van Gutterswiick en zijn zoon Gerit, binnen 1 jaar de bewilliging te verkrijgen van den hertog van Gelre op verpanding, vermeld in de acte van 24 juli 1430. Op 4 september 1430 ‘dess Manendages na sunte Egidius’ dage’ erkent Willem, heer tot Bueren en Buesinchem, verkocht te hebben aan heer Johan, heer tot Culenborch etc, een watergang van Redinchem door de Weijdtssche steeg in de Meer en verder naar zijn huis op de Huest.

Op 21 oktober 1431 ‘opten heiligen Elvedusent Meechdendach’ erkent Heinrich van Wulven, knaap, verkocht te hebben aan heer Johan, heer tot Culenborch etc, 4 morgen land bij het huis Vredesteijn, leenroerig aan den abt van Marienweerde. Op 24 juni 1432 ‘op sinte Johansdach te Midsomer’ beleent Sweder van Culenborch, bisschop te Utrecht, Johan van Culenborch met het land van der Leck met tienden, visscherijen etc. Op 17 november 1432 ‘des Manendaghes nae sunte Mertensdach in den wijnter’ oorkonden Jan Uten Weerde Gherijtsz, tijnsmeester, en tijnsgenooten dat Gherijt Henrixsz en zijn vrouw Korstine overdragen aan Evert Uten Weerde Geritsz, ten behoeve van den heer van Culenborch, een akker land, groot 1 morgen, in Wijkermaet.

Op 15 juni 1433 beleent Johan, heer tot Culenborch etc, op verzoek van zijn broeder bisschop Sweder van Utricht, zijn natuurlijken zoon Hubert van Culenborgh met alle goederen die zijn neve Johan van Culenborch bezat, en die deze aan Sweder overgedragen heeft. Op 18 juni 1433 ‘des Donredages na sente Vitus’ dach’ geeft Wilijem, heer to Buren en Bosijnckhem, kwijtschelding aan heer Johan, heer to Culenborch etc, van de belofte, welke heer Hubert, heer to Culenborch, aan zijn vader Giisbrecht betreffende een leengoed gedaan heeft. Op 4 juli 1433 ‘des Saterdaigs na onser Liever Vrouwendach visitacionis’ beleent Arnolt, hertog van Gelre etc, na opdracht door heer Willem van Bueren, heer Johan, heer van Culenborch etc, met een deel van de heerlijkheid Boesinchem, en na opdracht door Balthasar van Bueren, met het huis ten Vredensteijne met de hofstede en 5 geweren land. Op 23 oktober 1433 ‘up dach Severini episcopi’ beleent Johan, heer to Culenborch en ter Leck, zijn bastaardzoon Hubert van Culenborch met het land van der Leck in Alblasserwert.

Op 4 juni 1434 ‘des Fridagz op sente Bonifacius’ avent’ beleent Arnolt, hertog van Gelre etc, heer Johan, heer tot Culenborch, Leck etc, met de heerlijkheid Boesinchem. Op 21 juni 1435 ‘des Donredages voir sinte Jansdach te Mijdsomer’ oorkonden Daniel van Everdingen, richter in de kerspelen Everdingen en Zidervelt, Wijllem van der Meent, Jan die Meijer en Jan Dircsz, schepenen aldaar, dat Roelof Hermansz opdraagt aan Gerit Aerntsz, ten behoeve van heer Jan, heer tot Culenborch, 7 morgen land op Lange Bolgerij.

Op 18 oktober 1437 erkennen Johan Schelert van Oppendorp, ridder, en Reijnolt van Meer, vrouwe van Oppendorp, verkocht te hebben aan heer Jan, heer tot Culenborg, ter Leck en tot Boessecom, en diens vrouw Aleijde van Goeterswiick hun goederen in het gericht van Mourick. Op 2 juli 1438 ‘gegeven tot Utrecht op onser Lieven Vrouwendach visitácionis’ beleent Roedolph, bisschop tot Utrecht, Johan, heer tot Culenborch etc, met het gericht van Schalckwiic met het personaatschap en de collatie, de Steenweert tegenover Culenborch onder Honswiic en een hofstede onder Riiswiic met 40 morgen land.

Op 25 maart 1440 erkent Gerit van Spijcke verkocht te hebben aan heer Johan, heer to Cuijlenborch, zijn tiend in de Vorkoepe, leenroerig aan Gelre. Op 12 april 1440 verklaart Ywein Hacke van Overriin, dat heer Johan, heer to Culenborch, van hem gelost heeft 2 hoeven land in de Tijendhoeven. Op 7 november 1440 ‘op sente Willibrordus’ dach des heijligen bijsschops’ verklaren Johan, heer to Culenborch etc. Hubert van Culenborch, bastaard, dijkgraaf te Goedbertingen, Derick Dije Man, Sijmon Claesz en Gerijt Krall, heemraden aldaar, dat zij overgedragen hebben aan het Convent der Regularessen genoemd Ther Lelij te Amsterdam, een halve hoeve land op Lanxmervelt, die vroeger reeds aan dit convent behoord heeft en ingewonnen was wegens verwaarloozing van een schaardijk.

Op 6 februari 1443 erkent Gerit van Spijke verkocht te hebben aan heer Johan, heer to Culenborch en ter Leck, 10 morgen op de Rolle en 6 morgen land in de Avontuer, zijnde leengoed. Op 28 mei 1443 ‘des Dinxdaghes na sente Urbanus’ dach’ erkent Johan van Eck Woltersz overgedragen te hebben aan heer Johan, heer tot Culenborch en ther Leck, zijn erfpacht van een rijswaard in den Riin, behoorende aan den heer van Culenborch.

Op 15 juni 1445 ‘op sinte Vitus ende Modestus’ dach’ belooft Johan, heer tot Culenburch etc, aan mr. Sweder van der Weteringen, die zijn tiend en 6 morgen land genaamd Wolfslant, onder Pariis, aan de stad Culenborch verpand heeft als zekerheid voor eenige lijfrenten, weder hiermede te zullen beleenen, indien het goed binnen 4 jaar gelost is. Op 19 juni 1445 ‘des Saterdach na sinte Vitus ende Modestus’ dach’ beleent Johan, heer tot Culenburch etc, de stad Culenburch met den tiend en het land Wolfslant op Priis, na opdracht door Johan van Tijele. Op 23 juni 1445 ‘op sunte Johansavont nativitas te Midsomer’ erkent Roelant van der Eem verkocht te hebben aan heer Johan, heer te Culenborch en ter Lecke, een rente van 3 ouden schilden ‘s jaars, gaande uit een hofstad te Mauderic op de Hove.

Op 7 november 1446 ‘up sunt Wilbrordus’ dach’ erkennen burgemeester, schepenen en raad van Griethuijsen in erfpacht aangenomen te hebben van heer Johan, heer to Culenborch en toe Lecke, de Schenden en de Tolhuijsswert, gelegen in het land van Cleve. Op 24 november 1447 ‘op sunte Katherinenavont der heiliger joncfrouwen’ oorkondt Henric Doijs van Mauderic, tijnsmeester van den heer van Culenborch, dat Johan van Grootvelt overdraagt aan Johan, heer to Culenborch en ter Lecke, 1 morgen land gelegen in de Pier camp.

Op 2 januari 1450 ‘des naisten daichs na Nijejaersdach’ erkent Johan van den Steenhuijs, richter in Nederbetue, overgegeven te hebben aan heer Johan, heer to Culenborch etc, het recht alle breuken in te vorderen in de gerichten van Ecke en Mouderick. Op 31 oktober 1452 ‘op Alreheijligenavont’ erkennen deken en kapittel van de St. Janskerk tUtrecht aan Gerijt, heer tot Culenborch etc, na doode van zijn vader heer Johan, in pacht gegeven te hebben de tienden en goederen onder Buesinchem.

Financiën en schadeloosstellingen

Op 1 oktober 1399 ‘op woensdach op sente Remigius’ dach’ beloven Hubert, heer van Kulenborg, de Leck en Werde, heer Johan van Kulenborg, ridder, en Peter van Kulenborg, om Hubert van Kulenborg, heer van Mere, schadeloos te zullen houden voor zijn borgtocht, groot 7000 oude schilden, bij Johan, heer van Reifferscheid, Bedburg en de Dicke en diens vrouw Jutte van Kulenborg.

Op 23 augustus 1413 ‘op sente Bartholomees’ avont apostel’ belooft heer Johan van Culenborch, heer then Weerd, zijn neef heer Hubrecht van Culenborch, heer tot Meer, schadeloos te zullen houden voor diens borgstelling ten zijnen behoeve bij heer Heinrich, heer to Ghemen, ter zaken van 1500 rijnsche guldens. Op 8 juli 1414 ‘ipso die beati Kijliani martiris’ erkent heer Henrich heer tho Ghemen, ontvangen te hebben van heer Johan van Kulenborg, heer then Werde, 1000 rhijnsche guldens in afkorting op hetgeen deze hem wegens den bruidschat van zijn overleden dochter Barbara moest terugbetalen. Op 13 juli 1416 ‘op sente Margrietendach der heiliger joncfrouw’ belooft Wouter van Ghent, knaap, heer Johan van Culenborch, heer then Weerde, schadeloos te houden wegens een borgtocht tegenover graaf Adolph van Cleve.

Op 3 mei 1420 ‘ipso die Inventionis sante Crucis’ belooft Everwiin van Guterswick, heer Johan van Kulenborch schadeloos te zullen houden wegens een borgtocht voor Johan van Besten alias de Pape. Op 15 november 1421 ‘op den Saterdach na sente Martiinsdage episcopi hijemalis’ geeft Adolf hertog van Cleve, graaf van der Marck, kwijtschelding aan Jacob heer van Gaesbeeck en van Apkoude, heer Hubrecht heer van Culenborch en ter Lecke, heer Johan van Culenborg heer toe Weerde, heer Johan heer ten Vlijet, ridders, die hem met Wolter van Gent beloofd hebben 5000 schilden te betalen.

Op 10 december 1422 belooft Johan heer t’Egmond en tot Iisselsteijn, mede voor zijn zoons Aernt en Willem, zijn neve Johan heer tot Culenborch, ter Lecke en tAckoije, schadeloos te houden wegens een borgstelling bij den heer en vrouwe van Beijeren. Op 3 mei 1423 ‘op ‘s heilichs Cruusdach inventio’ belooft Diderick van Bronchorst, zoon tho Batenborch en tot Aenholt, om heer Johan heer tot Culenborch etc schadeloos te houden wegens een borgtocht met heer Johan van Aeswiin, ridder, Heinric heer tot Wissche, Johan van Gemen en Johan van Raesveld bij Johan van Asbeke en diens vrouw Grete van Culenborch. Op 28 mei 1423 ‘des vridages na den huigen Pijnxterdach’ belooft Everwiin van Gueterswich, graaf van Benthem en heer tho Steijnvoirden, zijn zwager heer Johan heer tot Culenborg etc, schadeloos te zullen houden wegens diens borgtocht bij Everwiins moeder voor een jaarrente van 180 rijnsche guldens.

Op 19 mei 1424 ‘gegeven in den Hage’ geeft Johan, hertog in Beijeren, zoon van Hollant etc, aan heer Jan, heer tot Culenburge etc, een aanwijzing groot 1500 schilden op zijn bede in Hollant, in mindering van zijn schuld aan dezen vanwege den hertog van Brabant en wijlen heer Hubrecht van Culenborg. Op 19 mei 1424 geeft Johan, hertog in Beijeren, zoon van Hollant etc, aan heer Jan, heer tot Culenburge etc, een aanwijzing groot 15.000 schilden op zijn bede in Hollant, in mindering van zijn schuld aan dezen vanwege den hertog van Brabant en wijlen heer Hubrecht an Culenborg. Op 22 mei 1424 erkent Daniel van Cralingen ontvangen te hebben van Johan, heer tot Culenburch etc, 1000 hollandsche schilden, welke diens overleden broeder hem volgens de rekening van de tresorie van Hollant was schuldig gebleven.

Op 17 juli 1430 verklaart Sweder, bisschop van Utrecht, met toestemming van de 5 kapittels te Arnhem resideerende, van zijn broeder heer Johan, heer tot Culenborch etc, geleend te hebben een som van 4046 guldens, op onderpand van het huis ter Eembruggen en het maarschalkambt van Amersfoirt en Eemlant. Op 24 juli 1430 ‘up sente Jacobus’ avent des heiligen apostels maioris’ erkennen Johan, heer to Culenborch etc, zijn vrouw Aliit van Goeterswiick en zijn oudste zoon Gerit verkocht te hebben aan prior en convent van het St. Barbarahuis van de Carthuiser orde te Collen, een rente van 100 schilden ‘s jaars, gaande uit de tienden te Mouderick, onder borgtocht van de stad Culenborg.

Op 16 februari 1431 ‘sexta feria post Dominicam Esto michi’ erkennen burgemeesters en raad van Duijsborgh overeengekomen te zijn met heer Johan, heer to Culenborch etc, wat er op den tol te Embric betaald zal worden. Op 3 juni 1431 ‘des naisten Sondages na Sacramentsdach’ erkent Willem, heer to Bueren en Bosinckhem, schuldig te zijn aan heer Johan, heer to Culenborch, ter Leck en ten Weerde, een som van 2900 rijnsche guldens, waarvoor hij tot onderpand stelt een deel van de heerlijkheid Bosinckhem aan de Culenborchsche zijde.

Op 9 mei 1436 ‘up den Guedesdach neist dem Sondage cantate’ belooft Johan van Erkell, heer to Hoekelem, zijn schoonvader heer Johan, heer to Culenborch, schadeloos te zullen houden wegens de medebezegeling en borgtocht tegenover den hertog van Cleve. Op 20 oktober 1436 oorkonden Hubert van Culenborch, bastaard, schout, en Ywen Hack van Overriin, Arnt van der Weterijnge, Willem Zuermond en Gerit Cezar, schepenen te Culenborch, dat heer Johan, heer to Culenborch etc, en zijn vrouw Aleit van Gueterswick overdragen aan hun oudsten zoon Gerit, heer ten Weerde, hun vorderingen op Jonker Everwiin van Guertswick, Ludolff, heer to Steijnvorden, en Derick, heer to Wijssche, groot 1000 guldens.

Op 20 juni 1437 veroordeelden Dr. Bartholomeus de Sabarellis, aartsbisschop van Spalatum, pauselijk commissaris en rechter in het proces in appel tusschen het kapittel van St. Jan te Traiectum en heer Johannes, heer van Culenborch en Lecka, tegen respectievelijk Fredericus, kapelaan, en Theodericus de Boechout, zich noemende kanunniken van St. Jan, en Gerardus, bastaard van Culenbergh, over verschillende renten, beveelt citatie van de partijen. Op 24 december 1437 erkennen Jan van Arkel, heer tot Hoekelom, Jan van Culenborch en Willem van Dorschen hoofdelijk schuldig te zijn aan Giisbrecht Pieck van Beesde 100 goudguldens.

Op 20 april 1438 erkent Johan van Erkell, heer to Hoekelem, van zijn schoonvader heer Johan, heer to Culenborch etc., geleend te hebben 319 rijnsche bourgondische schilden, om het land van der Leck, dat verpand is, te kunnen behouden. Op 4 augustus 1438 ‘des Manendages nae sente Petersdach ad vincula’ erkent Johan, heer to Huecklem, ontvangen te hebben van zijn schoonvader heer Johan, heer to Culenborgh, 100 bourgondische schilden. Op 20 oktober 1438 ‘des Manendages na sente Lucas’ dach ewangeliste’ belooft Johan van Arkel, heer tot Huekelem, aan heer Johan, heer tot Culenborch etc, hem schadeloos te houden voor een bedrag van 35 rijnsche guldens, waarvoor diens rentmeester borg gebleven is tegenover Peter Piils te Amersfoirt. Op 22 april 1439 erkent Johan van Erkell, heer to Hoekelem, ontvangen te hebben van zijn schoonvader heer Johan, heer to Culenborch etc, 200 rijnsche guldens, in afkorting van de hem verschuldigde 500 guldens.

Op 16 oktober 1444 ‘op sent Gallendach confessoris’ verpachten Johan, heer tot Culenborg en ter Leck, Gerijt, oudste zoon tot Kulenborch, heer ten Weerde en tot Ewick, en Sweder, zoon tot Kulenborch, aan Wilhelm, heer ten Berge, ten Bijlant en tot Hedell, den tol te Emerick, behoorende aan deken en kapittel van St. Marie te Utrecht, voor een som van 4000 rijnsche guldens ineens, in plaats van 63 mark ‘s jaars als tot dusverre. Op dezelfde dag erkennen Johan, heer tot Kulenborg en ter Leck, Gerart, oudste zoon tot Kulenborg, heer then Weerde en tot Ewick, Sweder, zoon tot Kulenborg, burgemeesters, schepenen en raad van Culenborg, Elbert van Alphen, heer tot Honepel, Wijnolt van Arnhem, Derick van Bellinchoven, Derick Smullinck, Rutger van Honepel, Franck van Wijtenhorst en Gerit Palick van Camphusen hoofdelijk schuldig te zijn aan Wilhem, heer then Berge, ten Bijlant en tot Heedell, 4000 rijnsche guldens waarvan de rente verrekend zal worden met de pachtsom van den tol te Emrick. Op 18 oktober 1444 ‘op sunte Luijcas’ dach evangelist’ beloven Johan, heer toe Culenborch en ter Leck, en Gerit, oudste zoon to Culenborch, heer toe Weerde, om Deric Smullijnck c.s. schadeloos te houden voor hun medebezegeling van den brief van 16 oktober 1444.

Op 1 februari 1447 ‘op onser Lijever Vrouwenavont purificationis’ schenkt Johan, heer tot Culenborch en ther Lecke, aan het kapittel van Culenborch een rente van 4 arnhemsche guldens ‘s jaars, op voorwaarde van het lezen van zielmissen voor hemzelf, zijn vrouw Alijde van Goeterswiick en zijn ouders.

Geschillen, verdragen en verbonden

Op 31 augustus 1422 ‘des manendages nae sinte Johansdach decollatio’ verklaren Frederick van Blanckenheim, bisschop to Utrecht, de stad Utrecht en de stad Amersford, met heer Johan, heer tot Culenborch, een zoen gesloten te hebben. Op 28 mei 1425 verklaart Willem, heer tot Bueren en Buesinchem, dat hij met Johan, heer tot Culenborch, een overeenkomst heeft aangegaan ter beslechting van hun geschillen, in overeenstemming met den brief van 18 februari 1396. Hij belooft aan zijn neve heer Johan, heer tot Culenborch, ther Lecke, ten Weerde en tot Ackoij, te zullen overdragen zijn rechten op het hooge en laage gericht tussen de Hont en het land van Culenborch, en doet afstand van zijn rechten op 1/6 deel van het gericht van Lanxmeer en op 1/3 deel van het gericht van den Broick te Culenborch tusschen Lanxmer en de Bisscopsgrave, alsmede van den leenplicht van den heer van Culenborch tegenover de heerlijkheid Bueren.

Op 12 juni 1427 ‘up sente Odulphus’ dach’ oorkonden Sweder van Culenborch, bisschop van Utrecht, Johan, heer tot Egmont en Iselsteijne, Otte van Haiften, ridder, en Gosen van Rossem, heer te Leijenberch, dat heer Johan, heer te Culenborch, ter Leck en ten Weerde, met Johan van Bueren, heer tot Ewiick, een verbond sluit tegen Willem, heer tot Bueren en Bosijnckhem, en diens broeder den proost van Aken. Op 13 juli 1430 ‘up sunte Margrietendach der heiliger joncfrouwen’ verklaren Willem, heer tot Bueren en Buesinchem, en Johan, heer tot Culenborch, ter Lecke en ten Weerde, een verbond aangegaan te hebben voor 12 jaar.

Op 15 oktober 1431 ‘dess naesten dages na sunte Calixtus’ dage’ verklaren Willem, heer tot Bueren en Buesinchem, en de stad Bueren een verdrag aangegaan te hebben met heer Johan, heer tot Culenborch etc, in het bijzonder over de rechtspraak. Op 17 juni 1431 sluiten Rodolph van Diepholt, postulaat te Utrecht, namens het Sticht, en de steden Utrecht en Amersfoirde, door bemiddeling van heer Willam, heer tot Bueren en Buesinchem, een verdrag met heer Johan, heer tot Culenborch, ther Leck en ten Weerde, en de stad Culenborch. Op 1 maart 1438 gaan Roedolph van Diepholt, bisschop tUtrecht, en de stad Utrecht ter eenre, en Johan, heer to Culenborch etc, en zijn zoon Gerijt, heer ten Weerde, ter andere zijde, een overeenkomst aan ter bescherming van hun wederzijdsche onderdanen.

Op 10 april 1434 ‘des Saterdag na den Sondaghe Quasimodo geniti’ verklaart Willem, heer to Bueren en Bosijnckhem, dat hij, ten verzoeke van heer Johan, heer to Culenborch, afstand doet van zijn rechtsvordering tegen den abt van St. Marienweerde, en dat hij de onderzaten van Culenborch niet verder schatten zal dan bepaald zal worden door Johan, heer to Broickhusen, Weerdenberg etc, en heer Sweder Kobbijnck, commandeur te Tijele. Op 24 mei 1434 ‘des Manendaigs na den Belaken Pinxtdage’ belooft Arnolt, hertog van Gelre etc, aan heer Johan, heer tot Culenborgh, zich te zullen houden aan hun te Boemel ontworpen verdrag, vergunt hem de lossing van het ambt van Nederbetuwe en de verplaatsing van den tol te Embrick naar Loebede.

Op 10 juli 1435 ‘des Saterdaichs na sunte Kijliaensdach martiris’ verklaart Willem, jongheer tot Egmond, broeder tot Gelren, heer van het land van Mechelen, dat de geschillen tusschen hem en heer Johan, heer tot Culenborch en ter Lecke, betreffende de Langebolgerije, bijgelegd zijn waarbij Johan den eigendom daarvan behoudt. Op 11 november 1436 ‘op sinte Marthiinsdach in den wijnter’ geeft Johan, heer tot Culenborch etc, met toestemming van zijn Geraert, vrijheden aan stad en land van Culenborch.

Op 8 september 1437 ‘op onser Liever Vrouwendach nativitas’ doen Johan, heer tot Egmont, Wilhem, broeder tot Egmont, heer tot IJselsteijn, Wilhem, zoon tot Egmont, broeder toe Gelre, Gherit van Culenborch, heer then Weerde, en Peter van Culenborch doen uitspraak in de geschillen tusschen den hertog van Gelre en heer Johan, heer tot Culenborch, waarbij zij ondermeer bepalen dat de hertog de Lange Bolgerije zal behouden, en aan Culenborg de Thienhoeven zal overgeven, dat de heer van Culenborch Buesinchem en Zalmonde zal behouden, echter met losrente voor den hertog van het zuidelijke deel daarvan. Op 8 april 1439 verklaren Arnolt, hertog van Gelre etc, en Johan, heer tot Culenborch etc, en Gerit, zoon tot Culenborch, heer ten Weerde, een overeenkomst aangegaan te hebben ter beëindiging van de geschillen tusschen de onderzaten van Bueren en Culenborch. Arnolt, hertog van Gelre etc, verklaart verzoend te zijn met heer Johan, heer tot Culenborch etc, met behoud van de vroegere uitspraak van 8 september 1437, en belooft hem in het rustig bezit van Boesinchem en Zalmonde, tot aan den eventueelen terugkoop, te zullen laten.

Op 5 februari 1441 ‘up sunte Agatendach der heiliger jonffrouwen ind martiris’ beloven Johan, heer to Culenborch en ter Leck, Gerart, oudste zoon tot Culenborch, heer ten Weerde, Zweder, zoon to Culenborch, en burgemeesters, schepenen, raad en gemeente van Culenborch, aan Wilhelm, heer ten Berge etc., het rustige bezit van den aan deze verpachten tol te Embrick te waarborgen. Ze ontvangen daarvoor van Wilhelm, heer ten Berge, ten Bijlant en tot Hedel, 4500 rijnsche guldens waarvoor zij hem verpachten den tol te Embrich, waaruit deze verschillende renten moet betalen en waarbij bepaald wordt dat de burgers van Culenborch hun rechten zullen behouden. Op 12 maart 1442 erkent Johan van Arkel, heer tot Hoekelem, dat heer Johan, heer tot Culenborch en ter Leck, te zijnen behoeve 22 rijnsche guldens etc meer heeft uitgegeven dan afgesproken was, en dat hij deze gelijk met de pandsom voor het slot Hoekelem weder zal aflossen.

Op 12 oktober 1444 geeft Johan, heer tot Culenborch en ther Lecke, volmacht aan heer Sweder van de Wetering, kanunnik te Utrecht, en heer Riickwiin van Beesde, kanunnik van Culenborch, om het hier geïnsereerde compromis dat de vrouwe van Burgondien tusschen en Gerijt van Culenborch, bastaard, gemaakt heeft, aan te nemen.

Op 1 oktober 1447 ‘opdagen Remigii episcopi et confessoris’ belooft Arnt, dochter tot Culenborch, vrouwe tot Homoet en Wissch, geen rechtshandelingen te zullen verrichten buiten toestemming van haar vader en broer heer Johan, heer tot Culenborch, en Gerairt, jongheer tot Culenborch.

Op 8 juli 1449 beveelt Philips, hertog van Bourgondien etc, graaf van Hollant etc, aan zijn eersten deurwaarder om zijn leenman heer Jan van Culenborch, die met diens bastaardzoon Hubert en 3 à 400 man een inval in het land van Arkel gedaan heeft, te dagvaarden in den Hage voor zijn Raad. Op 10 augustus 1454 erkent Philips, hertog van Bourgoenden etc, verzoend te zijn met Gerijt, heer van Cuijlenburch, ter zake van hetgeen diens vader heer Jan, heer van Culenburch, tegen hem misdreven had, op voorwaarde dat hij om vergiffenis komt vragen en ter plaatse, waar zijn vader in het land van Arkel een aantal personen heeft doen dooden, een steenen kruis zal plaatsen. Aansluitend beleent Phlips, hertog van Boergoenden etc, graaf van Hollant etc, Gerijt, heer van Cuijlenburch, met de dorpen Everdingen, Goberdingen, Tulle, Hontswiick c.a., Langbolgerije, de Tijen Hoeven en 2 hoeven onder Ackoij, hem aanbestorven van zijn vader heer Jan, heer van Culenborch.

Op 18 juli 1450 ‘des Saterdaghes na der Twelff Apostolendach geheijten festum divisionis apostolorum’ gaan Johan, heer tot Culenborch, Gerart, zijn oudste zoon, ook heer tot Culenborch etc, en burgemeester, schepenen en raad van Griethusen, een overeenkomst aan over hun geschil in zake de pacht van de waard Schinderen en de Tolhuiswaard, waarover Elbert van Alphem, heer tot Hoenepel, en Gosen Stecke arbiters zijn geweest. 

Op 14 augustus 1451 ‘up onser Lieve Vrauwenavont assumptionis’ erkent Franck van Wijtenhorst zijn geschillen met heer Johan, heer tot Culenborch en ther Lecke, over den Roderhorst bijgelegd te hebben. Op 19 oktober 1451 ‘des neisten Dinxdages na sunte Lucas’ dach’ doen Geraert, jongheer tot Culenborgh etc, en Elbert van Alphen, heer tot Hoenpel, uitspraak in de geschillen tusschen heer Johan, heer to Culenborch en ther Lecke, en Vranck van Wijtenhorst over den Rodehorst.

Kerk

Op 17 januari 1423 ‘op sinte Anthonijs dach’ geeft Johan heer tot Culenborg etc, zijn goedkeuring aan de statuten van het kapittel. Op 25 maart 1424 bevestigt Johan, heer tot Culenborch etc, de stichting van de H. Kruisvicarie.

Op 5 augustus 1424 ‘des Saterdages na sente Petersdach ad vincula’ oorkonden Johan van Eck, richter te Culenborch, Wouter van Overriin Woutersz, Gherijt Cesar, Willem Zuermont en Wouter de Bruune, schepenen aldaar, dat heer Johan, heer tot Culenborch etc, overdraagt aan heer Johan Spronck, priester, ten behoeve van de vicarie van H. Kruis in de Barbarakerk aldaar, een viertal land in het Vreedstroo.

Op 7 juli 1425 ‘up sente Barberenavent translate der heugen joncferen ende martelerschen Goits’ geeft Johan, heer te Culenborch etc, voor de ziel van zijn ouders, van zijn vrouw Aleijde van Goeterswiick en zijn nakomelingen verschillende voorrechten aan de zuster van de orde van St. Franciscus te Culenborch.

Op 10 april 1439 schenkt Johan, heer tot Culenborch, aan de kanunniken van St. Barbara te Culenborch het personaatschap van Scalcwiick, en verzoekt den choorbisschop om toestemming voor deze overdracht.

Uit dit huwelijk:

1  Arnolda van Culemborgh, overleden 1481. Gehuwd in 1432 (huwelijkse voorwaarden 28 april 1432) met Johan van Homoet, heer van Homoet en Wisch

2  Gerrit van Culemborg, heer van Culemborg, Weerde en Ewijck. Gehuwd in 1441 (huwelijkse voorwaarden 13 februari 1441) met Elizabeth van Buren, vrouwe van Ewijck

Bertha van Culemborg

4  Sweder van Culemborg


342588  Gerrit van Broeckhuijsen van Weerdenburg, heer van Broekhuizen, Waardenburg en Ammersoijen, erfhofmeester van Gelre, zoon van Johan van Broekhuizen ‘de Oudere‘ en Adriana van Brakel, geboren ca. 1415, overleden 3/5 november 1444 te Linnich of Erkelenz (D)

Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 6 april 1434) met

342589  Walravina van Brederode, dochter van Walraven van Brederode en Johanna van Vianen

 Links het zegel van Gerrit van Broeckhuijsen op 4 oktober 1436. Randschrift: S GHER—-HUS. Voorstelling: wapenschild met vogel (Bron: Gelders archief, Oud Archief Arnhem, nummer 2000 – 5806-reg.no. 751/34).

Op 6 april 1434 ‘ds Dijncxdaechs’ maakt Jan van Brouckhuijssen, heer tot Waerdemburch, voor zijn oudsten zoon Gherridt, huwelijksvoorwaarden met Rheijnolt, heer tot Brederode, Ghennipt, Vijanen en ter Ameijden, voor diens zuster Walraven.

Op 4 oktober 1436 ‘op Sente Franciscus dach’ verklaren Johan van Steenbergen Peters zoon van Steenbergen, Gelmar van Apelteren, Reijner van Tuijle, Willem van Aller, Wouter van Mekeren, Willem van Mekeren, Willem van Schonouwen, Reijner van Herwen, Riquijn van Camphusen, Johan Bentinck de onbescheiden, Johan Bentinck Engelberts zoon, Daem van Delen Brants zoon, Gerith te Boickhop, Jacob Toestenerhave, Engelbert die Quade, Arnt Huginck, Johan van Domseler, Evert van Domseler, zijn zoon, Hermen Wacker, Franck Haelwerff, Kasijn van Neckevelde Gerits zoon, Johan Schrassert, Broenijs van Meervelt, Noeude Rant, Arnt van Rade, Reijner Henrichs zoon, Jacob van Schaffeler, Wilhem ther Hunden, Huge ther Derenhorst, Gherit Schele, Gherit Setter, Willem Noerdinck, Johan Thuijn, Gherit te Broichusen, Herman the Ghoeij, Aelbert van Suderaes, Johan die Ruter, Aleff van Lijnp, Roeloff Ruerinck, Goesen van Sonnenberch en Johan van Venen, knechten en onderzaten van het land van Veluwen, het verbond tusschen ridderschap, knechten en steden van het land van Gelre te bezweren.

Op 7 juli 1442 ‘des sater daiges na onser liever vrouwendage visitationis’ verklaart Arnolt, hertog van Gelre en Gulick, graaf van Zutphen, leenheer, Gerit, heer van Broickhusen, Werdenberg en Amersoijen, zoon van wijlen Johan, te hebben beleend met het erfhofmeesterambt van het hertogdom Gelre. Op 7 juli 1442 ‘des Saterdaiges na onser Lieven Vrouwendage Visitacionis’ beleent Arnolt, hertog van Gelre etc, Gerit, heer tot Broichusen, Weerdenborgh en Amersoijen, met de goederen welke dezen na den dood van zijn vader zijn toegevallen. Op 30 november 1445 ‘des Diinxsdaichs na sente Katherijnendaighe’ beleent Arnolt, hertog van Gelre etc, Johan, heer tot Broichuijsen, Werdenborch en Amerzoijen, met de goederen welke hem na den dood van zijn vader zijn toegevallen.

Op 29 augustus 1443 ‘op Sinte Jansdach decollatio’ oorkonden Johan van Hemert, Vranck Pijeck en Otte van Malsen dat zij een accoord tot stand gebracht hebben tusschen Gerrijdt, heer tho Broechuijssen tot Waerdemburch en Immerzoijen, en heer Jan Olm van Olmen, heer tot Bochoven, inzake hun geschil over een waard aan de Huesdensche zijde. Op 1 november 1443 ‘op alre heilighen dach’ belooft Gheraert, heer tot Broechuijsen tot Weerdenburch en tot Amersoien, erfhovemeister der lande van Ghelre, om Ghijsbrecht, heer tot Hemert, schadeloos te zullen houden voor de 1500 alde Vranciicsche scilde, die laatstgenoemde zich verbonden heeft te betalen aan Vrederic van Rutenberch.

Diverse sites vermelden dat Gerrit sneuvelt in de Slag bij Linnich of Slag van St. Hubertus op 3 november 1444, terwijl andere vermelden dat hij gevangen is genomen en sterft te Erkelenz op 5 november 1444. De slag bij Linnich ofwel ‘den strijt bij Broeckelen inde Randelbroede’ gaat tussen Gelre en Gulik. Aan de Gelderse zijde worden onder andere Willem van Egmond, broer van de hertog van Gelre, Jacob, heer van Horn, Jan van Broekhuizen, ridder, erfhofmeester van Gelre, Arnold van Blitterswijck, Goswin van Spee, Willem van Arkel, Evert van Wilp, Hendrik Bentinck, Steven van Lijnden en Hendrik van Meer, gevangen genomen. Als gesneuvelden zijn onder andere vermeld Gerrit van Broekhuizen, heer van Waardenburg, en Gerard van Culemborg.

Uit dit huwelijk:

Jan van Broeckhuijsen

2  Reinholt van Broeckhuijsen, heer van Broekhuizen (1465). Gehuwd met Thecole Entis

3  Walraven van Broeckhuijsen, heer van Ammersoijen (1457). Gehuwd met Elsken Sloijsen. Gehuwd met Cunera van Bijlant

4  Willem van Broeckhuijsen, kanunnik ten Dom te Utrecht

5  Adriaen van Broeckhuijsen, ridder. Gehuwd met Margriet van Aernhem


342590  Walraven van Haeften, ridder, heer van Haeften, Herwijnen, Hellu en Varick, kastelein, ambtman, rentmeester en raad van hertog Arnold van Gelre, drost van Buren en Beusinchem (1439-1447), schepen van Tuil (1472), lid van de Illustere Vrouwe Broederschap, zoon van Otto van Haeften en Adelise van Herwijnen, geboren ca. 1410, overleden 1478

Gehuwd met

342591  Henrica van Varick, dochter van Hendrick van Varick en Sophia van Aller van Stoutenburch, geboren ca. 1420, overleden 1482-1483

Links het zegel van Walrauen van Haifften, hauemeiter, op 18 juli 1461. Randschrift: S’WAL—–/ HAEFTEN RIDD:. Voorstelling: schild met 3 palen vair, aanziende steekhelm met klauwen als helmteken, schildhouders: twee staande leeuwen (Bron: Gelders archief, Charterverzameling, nr 0243 – 830/3).

Op 12 juni 1444 oorkonden Arnt en Walraven van Haeften, broers, dat ze heer Arnt van Herler, ridder, kwijtschelding verlenen van zijn borgstelling samen met anderen van 1980 rijnsgulden ten behoeve van jonker Jan van Gheemen. Op 22 april 1446 ‘vrijdag na Paschen’ is, ten overstane van den hertog van Gelre, een compromis gesloten tusschen heer Evert van Wilp, ridder, en Walraven van Haeften. Op 25 maart 1447 ‘des saterdages op onser liever vrouwendage annuntiatio’ verklaart Arnold hertog van Gelre dat hij Elbert van Eijll schadeloos zal houden en hem ontheffen wegens borg staan met Eduard heer te Haps, Johan van Boitberge, erfmaarschalk, Walraven van Haeften en Gelijs ingen Nuwelant, bij Johan heer te Ghemen, neef en raad van de hertog. Op 14 december 1447 wordt Walraven met de Noeijn-Grevenweert bij Rhenen waarvan hij 1451 weer afziet.

In 1450 verkoopt Jan van Rossem heer Jansz, heer tot Zoelen, de veerstad tussen veer een veerstad van Vauderick, boven en beneden het veer en de veerstad van Opijnen en die van Heerewaarden en Oensel aan Walraven van Haeften.

In 1452 neemt Walraven deel aan de strijd van Philips van Bourgondië tegen opstandige Gentenare. Volgens de Brederodekroniek van Johannes a Leijdis is Walraven van Haeften hier door Reinout van Brederode tot ridder geslagen.

Op 30 oktober 1464 vonnissen de schepenen van Tuil in het geschil tussen Walraven van Haeften, als pachter van ‘s kapittels tienden te Varik en Heesselt, en enige buren aldaar, beslissend dat onder die tienden ook raaptienden begrepen zijn. Op 7 maart 1465 vonnissen de schepenen van Diel in het geschil tussen Walraven van Haeften, als pachter van ‘s kapittels tienden te Malsen, Deil, Rumpt en Gellicum, en Jan van Arkel c.s., houdende dat onder die tienden ook de raaptienden begrepen zijn.

Walraven wordt in 1473 beleend met Haaften en daarmee na zijn broer Arnt, de 7e heer uit het geslacht van Haeften.

In 1476-1477 betaalt Walraven van Haeften, ridder, tijdens het leven de doodschuld aan de Illustere Lieve Vrouwe Broederschap. In 1477-1478 is vermeld dat de betaler is overleden.

Op 6 april 1478 ‘des manendages na Sinte Ambrosius dach’ oorkonden Willem van Haiften en Alairt van Haeften, schepenen te Tuijll, dat Johan van Haeften en vrouwe Henrick van Vairrick, weduwe van heer Walraven Haeften ridder, overgedragen hebben aan heer Gerrit van Vloedorp, enige stukken uiterwaard, griend en inlaagdijk in het gericht van Haiften, vanwege een rente van 25 rijnse guldens, die niet waren uitgereikt aan wijlen Johan heer tot Weerdenborch, erfhofmeester van Gelre, als huwelijksgift voor zijn echtgenote, thans gehuwd met heer Gerit van Vloedorp, en verder onder lijftocht voor haar en voor Ermgart, vrouw van Thomas Collart.

In 1482-1483 wordt voor Henrica uxor Walraven van Haeften doodschuld betaald aan de Illustere Lieve Vrouwe Broederschap.

Uit dit huwelijk:

Elisabeth van Haeften

2  Beatrix van Haeften, overleden < 1478. Gehuwd op 21 oktober 1468 met Johan Johansz van Rossem, raadsheer van Adolf van Gelre

3  Johanna van Haeften

4  Henrica van Haeften. Gehuwd in 1456 met Henrick van Ranse, heer van Kessel (1449), heer van Boxtel, hoogschout van Den Bosch (1485-1496), overleden > 1505, begraven in de kapittelkerk van Boxtel

5  Johan van Haeften, heer van Haeften, schepen van Tuil (1485-1486), geboren ca. 1440, overleden 1494. Gehuwd in 1478 met Diderica van Immerseel van Lijre


342608  Cornelis Aertsz Booth, schepen van Dordrecht (1441-1444), burgemeester (1445, 1451-1460), veertig (1456), tresorier (1457, 1458, 1459, 1461), zoon van Arent Booth van Barendrecht en Machtild Jans van Slingeland, geboren < 1400, overleden 18 mei 1466 te Dordrecht

Gehuwd met

342609  Soetgen van Diemen

Links het zegel van Cornelis Boot Aertssoen, schepen van Dordrecht, op 4 april 1442. Randschrift: COR AE. Beschrijving: een schuinstaand gotisch schild. Wapen: een klimmend hert (Bron: Brabants Historisch Informatie Centrum, Toegangsnummer 240, Inventarisnummer 164).

Uit dit huwelijk:

1  Adriaen Booth, overleden 16 september 1484 te Dordrecht. Gehuwd met Jacobje Jans Gerit, overleden > 22 januari 1499

2  Jan Booth van Barendrecht, priester, kanunnik en collator van de Onze Lieve Vrouwekerk te Dordrecht, overleden 1496

3  Dirk Booth, pensionaris van de stad Utrecht, overleden 1506

Aernt Cornelisz Boot


342610  Reijer Willemsz de Jonge, wijnkoper te Dordrecht, pachter van de bieraccijns (1429), tresorier (1436-1454), raad van Dordrecht (1437), kerkmeester van de Grote Kerk te Dordrecht (1440, 1452), burgemeester van Dordrecht (1444,1447, 1455-1462), lootmeester (1446), schepen (1449-1456), havenmeester (1452), gasthuismeester (1456), zoon van Willem Aernt Lecmansz de Jonge, geboren ca. 1400, overleden 4 april 1465 te Dordrecht

Gehuwd met

342611  Janna Gijsberts Quekel, dochter van Gijsbrecht Bernairdsz Quekel en Christine NN, overleden 1465 te Dordrecht

Reijer koopt op 15 november 1463 land in Zwijndrecht.

Uit dit huwelijk:

1  Reijner Reijersz de Jonge, raad (1467-1471), burgemeester van Dordrecht (1493-1500), schepen van Dordrecht (1497), dijkgraaf, tresorier (1486-1492). Gehuwd met Catharina Jans de Brouwer

2  Willem Reijersz de Jonge, kanunnik van de Grote Kerk te Dordrecht

3  Christina Reijers de Jonge. Gehuwd met Adriaen Jansz van Pallaes

4  Lutgarda Reijers de Jonge, overleden 5 augustus 1498 te Dordrecht. Gehuwd met Jacob Thielmansz Oem, burgemeester, schepen van Dordrecht (1476), overleden 2 november 1485 te Dordrecht

5  Geertruijd Reijers de Jonge. Gehuwd met Jakob Pietersz Pot

6  Johanna Reijers de Jonge. Gehuwd met Hendrik Jakobsz van Overstege

Machteld Reijers de Jonge

8  Elisabet Reijers de Jonge

9  Gijsberta Reijers de Jonge

10  Kornelis Reijersz de Jonge


342614  Huijgh Busschaert, overleden < 3 september 1451

Hij houdt grond in Boerdijk in Maasland. Zijn kinderen zijn op 3 september 1451 vermeld als belender.

Kinderen:

Margareta Huijgens Busschaert

2  Jacob Hughe Busschaertsz


342624  Hendrik van Krieckenbeck van Baerle, ridder, ambtman van Salland (1387-1391), zoon van Hendrik van Krieckenbeck van Baerle, geboren ca. 1335, overleden < 1404

In de herfst van 1387 zendt Philips hertog van Bourgondië 500 lansen te velde tegen de hertog van Gelre. Deze troepen bezetten Gangelt en Waldfeucht. De ambtman van Kriekenbeck roept zijn ridderschap op: Willem, Arnt en Johan van Kriekenbeck, Herman, Gijsbrecht en Johan van Bocholtz, Wolter en Sweder van Wachtendonk, Sweder van Vlein, Alart van Tisch, Sibrecht, Hendrik, Arnken en Goetsen Spede, Emont van Pardelaere, Sander en Tilman van Wevelinghoven, Dederik en Johan ingen Rode, Willem Budel, Hendrik van Baerle, Willem van Brede, Goessen op den Kelre, Vlecken, Peter Greve, Wolter van Nersdum, Goddart Ruffart, Henken van Heeswick, Jacob van Leisteren, Lemken van Roggel en Frederik de Grüter. Viersen en het land van Kriekenbeck trekken 600 gulden uit voor de verdediging (31 riddermatigen dan wel leenmannen tot krijgsdienst verplicht). Hendrik van Wickrath, ambtman van Kriekenbeck, ligt met 15 lansen en gezellen 4½ week te Caster. Zijn gezellen zijn Herman van Issem, Willem van Kriekenbeck, Erken en Goetsen Spede, Johan inghen Rade, Johan van Bocholz, Sweder van Vlein, Willem Budel, Emont van Pardelaer (woont te Wankum), Hendrik van Baerle, Dederik Spuelre, Willem van Brede, Tilman van Wevelinghoven, Henken van Heeswick, Wessel, Bouwer, Frederik de Grüter en Peter Greve.

Op 11 januari 1394 beleent Willem van Gulik, hertog van Gelre, Heinric van Baerle Heinricsoen met de hof tot Baerle c.a. Hij is opvolger van Johan van Baerle, ridder, mogelijk zijn oom. Opvolger van Hendrik in 1404 is zijn zoon Hendrik van Baerle.

Op 6 juli 1395 ‘op andach sent peters en de pauwelsdach apostelen’ verklaren Johan van Kessel, ridder, Mathijs van Kessel zijn zoon, en Henric van Baerle, dat aangezien Johan van Kessel aan Arnold Neutken en zijn echtgenote Lise, burgers van Roermond, heeft overgedragen de hof genaamd groet Maris, gelegen in het kerspel van Helden, zij vrijwaring verlenen wegens aanspraken tot een jaar na de dood van Johan van Kessel.

Uit dit huwelijk:

1  Hendrik van Baerle van Krieckenbeck, ridder, dedingsman, overleden < 22 februari 1451. Gehuwd met Elisabeth Krenkens, overleden < 22 februari 1451

Willem van Krieckenbeck van Baerle

3  Arnold van Baerle


342626  Emont van Pardelaer, ridder, overleden > 3 mei 1418

In de herfst van 1387 zendt Philips hertog van Bourgondië 500 lansen te velde tegen de hertog van Gelre. Deze troepen bezetten Gangelt en Waldfeucht. De ambtman van Kriekenbeck roept zijn ridderschap op: Willem, Arnt en Johan van Kriekenbeck, Herman, Gijsbrecht en Johan van Bocholtz, Wolter en Sweder van Wachtendonk, Sweder van Vlein, Alart van Tisch, Sibrecht, Hendrik, Arnken en Goetsen Spede, Emont van Pardelaere, Sander en Tilman van Wevelinghoven, Dederik en Johan ingen Rode, Willem Budel, Hendrik van Baerle, Willem van Brede, Goessen op den Kelre, Vlecken, Peter Greve, Wolter van Nersdum, Goddart Ruffart, Henken van Heeswick, Jacob van Leisteren, Lemken van Roggel en Frederik de Grüter. Viersen en het land van Kriekenbeck trekken 600 gulden uit voor de verdediging (31 riddermatigen dan wel leenmannen tot krijgsdienst verplicht). Hendrik van Wickrath, ambtman van Kriekenbeck, ligt met 15 lansen en gezellen 4½ week te Caster. Zijn gezellen zijn Herman van Issem, Willem van Kriekenbeck, Erken en Goetsen Spede, Johan inghen Rade, Johan van Bocholz, Sweder van Vlein, Willem Budel, Emont van Pardelaer (woont te Wankum), Hendrik van Baerle, Dederik Spuelre, Willem van Brede, Tilman van Wevelinghoven, Henken van Heeswick, Wessel, Bouwer, Frederik de Grüter en Peter Greve.

Op 3 mei 1418 sluiten Gerard van Vlodrop, ridder, erfvoogd van Roermond, Rabold van Brempt, ridder, Willem van Broekhuizen, erfhofmeester van Gelre, Willem van Kriekenbeek, Rutger van Vlodrop, Dirk van Wickrath, Johan van Oijst, Willem van Kessel, Johan Hermanszoon van Boedberg, Steven van Brempt, Gerard van IJshem, Arnold van Blitterswijk, Bernard van Eijle, Tilman van Eijle, Rutger van Brede, Winrick van Wijdrade, Johan van Wachtendonk, Johan van Boedberg, Johan van Boecholt, Hubrecht van Broekhuizen, Goswijn Spede, Karel van Boedberg, Heinric van Blitterswijk, Zander van Boedberg Hermanszoon, Reinard van Brempt, Seger van der Horst, Zietze van Brede, Willem van Elmpt, Johan van Vrijmershem, Gerard ingher Oe, Heinric van Baerle, Gadert van Bucholt, Zweder van Wachtendonk, Heinric van Wachtendonk, Emont van Pardelaer, Elbrecht Everarszoon van Eijle, Giselbert van Karken, Zeger Johanszoon van Kessel, Johan van Daswijlre, Arnolt Scriver van Kessel, Godert Roffaert van Kessel, Gerard Roffaert, Andries Heithuizen, Heinric Fransoijcs, en Willem van Kessel, bastaard, knapen des lands van Gelre van der Niersen opwaarts, en burgemeesteren, schepenen en raad der steden Roermond, Geldern, Goch, Venlo, Erkelenz, Nieuwstad, een verbond om een eendrachtig te blijven, ook met de andere drie kwartieren, de rechten te handhaven indien de hertog van Gulik en Gelre zonder wettige nakomelingen zal overlijden.

Kinderen:

Elisabeth van Pardelaer


342628  Sijtze Sibrechtsz van Bree, zoon van (?) Brant van Bree, geboren ca. 1375, overleden < 16 juni 1451

Gehuwd < 9 maart 1407 met

342629  Heijlwich NN, overleden > 16 juni 1451

Op 4 april 1396 verklaart Wilhelm Brant van Brede met toestemming van zijn broer Zeetse, dat hij een erftijns van 36 oude groten Tournoois, die zij te vorderen hebben uit Holtappels goed en erf gelegen te Holtblerijck in het kerspel Blerijck, heeft verkocht aan Johan Greveraede den Kremer en zijn vrouw Katherijna. Met zegels van Willem Brant van Brede, Zeetse van Brede en Rutger van Brede.

Op 7 juni 1401 ‘octaaf van sacramentsdag’ koopt Seetze van Brede van Johan die Roever en Griet, dochter van Brant van Brede, echtelieden, een erfpacht van een malder rogge. Op 10 juni 1401 ‘des achten daghes na des heijligen sacramentsdach’ verkopen Johan die Roever en Griet, dochter van Brand van Brede, echtelieden, aan Zeetse van Brede Zibrechtssoen, een jaarrente van 1 malder rogge erfpacht ‘venscher maten’, jaarlijks op St Andries te leveren door Johan Stoter die voor deze levering een bunder heide achter zijn schuur te Maasbree als onderpand heeft gesteld, die laatgoed is van de verkopers. Namens de vrouw zegelt haar oom Rutger van Brede.

Op 18 oktober 1403 ‘des derden dages nae sunte lenartsdage des heiligen marsscalck’ verkopen Johan van Borla en Elisabeth, dochter van Johan van Lockum, echtelieden, aan Seijtze van Brede een erfrente van 6 malder rogge. Medezegelaar is Sander Vijnck. Op dezelfde dag ‘des derden dages nae sunte lenartsdage des heiligen marsscalk’ belooft Jan van Borla aan Setsse van Brede en diens erfgenamen te houden in een erfrente van 6 malder rogge te Holthusen. Medezegelaar is Jan van Dert.

Op 9 maart 1407 ‘des derden dach von Gregoriusdach des confessiors’ verklaart Egbert van Holthuijsen voor schepenen van Maasbree aan Seetze van Brede en diens vrouw Heijlwich 400 Gelderse guldens schuldig te zijn en stelt als onderpand de halve molen te Rijnkensvoert te Maasbree. Op 15 maart 1407 ‘des derden dachs nae gregoriusdach des confessoirs’ verklaart Egbert van Holthuijsen aan Zeetse van Brede en Heijlwich, echtelieden, 400 Gelderse guldens schuldig te zijn en stelt als onderpand de halve molen te Rijnkensvoert. Oorkonders zijn de schepenen van Maasbree en medezegelaar is Rutgher van Brede.

Op 3 juli 1415 verkoopt Egbert van Holthuijsen Geretssoen aan Seetze van Brede, een erfrente van 14 malder rogge venlose maat gaande uit zijn molen de Rijnkensvoert te Maasbree, die hij in erfpacht houdt van de hertog van Gelre. Dierick van der Heiden, schout, zegels namens de schepenen van Maasbree, die geen zegel hebben. Op 11 november 1415 ‘op Sente Mertijns dach Episc’ verkoopt Mathijs van Holthuijsen Geretszoon aan Seetze van Brede 7 malder rogge venlose maat ‘s jaars uit zijn halve molen te Rijnkensvoert te Maasbree wegens 27 Gelderse guldens à 13 alde vlaams per malder betaalde hoofdsom. Mathijs van Holthuijsen, Goedert van der Voert en Gheraet van Honthuijsen, bastaard van Gherit van Honthuijsen, verklaren de hoofdsom aan Seetze te zullen lossen. Op 11 november 1415 ‘op sente mertijnsdach episcopus’ verklaren Mathijs van Holthusen, Goedert van der Voert en Geraert van Honthusen Gheritzoon, aan Ziets van Brede 7 malder erfrogge schuldig te zijn. Op 20 december 1415 ‘op sente domaesavont’ verkoopt Egbrecht van Honthusen Geretssoen aan Zietsen van Breij een erfrente van 14 malder rogge, gaande uit de halve windmolen te Maasbree toe Rinkensvoert. Oorkonders zijn Dierick van der Heiden, scholtis en schepenen van Maasbree.

Op 3 mei 1418 sluiten Gerard van Vlodrop, ridder, erfvoogd van Roermond, Rabold van Brempt, ridder, Willem van Broekhuizen, erfhofmeester van Gelre, Willem van Kriekenbeek, Rutger van Vlodrop, Dirk van Wickrath, Johan van Oijst, Willem van Kessel, Johan Hermanszoon van Boedberg, Steven van Brempt, Gerard van IJshem, Arnold van Blitterswijk, Bernard van Eijle, Tilman van Eijle, Rutger van Brede, Winrick van Wijdrade, Johan van Wachtendonk, Johan van Boedberg, Johan van Boecholt, Hubrecht van Broekhuizen, Goswijn Spede, Karel van Boedberg, Heinric van Blitterswijk, Zander van Boedberg Hermanszoon, Reinard van Brempt, Seger van der Horst, Zietze van Brede, Willem van Elmpt, Johan van Vrijmershem, Gerard ingher Oe, Heinric van Baerle, Gadert van Bucholt, Zweder van Wachtendonk, Heinric van Wachtendonk, Emont van Pardelaer, Elbrecht Everarszoon van Eijle, Giselbert van Karken, Zeger Johanszoon van Kessel, Johan van Daswijlre, Arnolt Scriver van Kessel, Godert Roffaert van Kessel, Gerard Roffaert, Andries Heithuizen, Heinric Fransoijcs, en Willem van Kessel, bastaard, knapen des lands van Gelre van der Niersen opwaarts, en burgemeesteren, schepenen en raad der steden Roermond, Geldern, Goch, Venlo, Erkelenz, Nieuwstad, een verbond om een eendrachtig te blijven, ook met de andere drie kwartieren, de rechten te handhaven indien de hertog van Gulik en Gelre zonder wettige nakomelingen zal overlijden.

Op 5 juni 1424 ‘op sent boenefaciidach confessoeris’ verklaren Bernt inghen Hoef en Greijt, dochter van Zeitse van Breij, echtelieden, af te zien van goederen, die hun mochten toevallen van Zeitse van Breij en Heilwich, echtelieden. Oorkonders zijn de schepenen van Bree, zegelaar is Johan den Roever, richter.

Op 12 maart 1427 ‘op sint gredoriusdaech’ beleent Jan de Roever, ridder, Seetse van Brede met 26 malder rogge die Jan in leen hield van het goed tgen Hoeve te Brede, in het dorp gelegen. Medezegelaars zijn Wilm van Kessel, neef, en Johan van Eijck, zwager, leenmannen van de oorkonder. Op 3 juli 1430 keurt Arnold, hertog van Gelre, goed dat Alert van Bueren en Fije, echtelieden, aan Sietze van Brede en Helwig, echtelieden, verkopen de windmolen van Rijnkensvoert te Maasbree, onder voorbehoud van de erfpacht die de hertog geniet. De molen is banmolen voor die van Helden onder boete van 5 mark voor de hertog en op verbeurte van het meel voor de molenaar. De banaliteit wordt bevestigd door getuigenverklaringen van 1429. De hertog zal niet toestaan dat er nog een molen gebouwd wordt tussen Sevenum en Kessel.

Op 16 juni 1451 ‘des guedensdaghs nae den heijlige pijnxtdage’ delen Peter en Sijbrecht, zonen van wijlen Zeetze van Brede en Heijlwige, echtelieden, diens goederen. Peter verkrijgt het hof IJnkenvoirt te Baarlo en goederen te Oijen, Broekhuizenvorst, Blerick en Maasbree. Sijbrecht krijgt de hof op Westeringe (te Maasbree), een hof te Blitterswijck en goederen te Sevenum, Grubbenvorst, Kessel en Helden.

Uit dit huwelijk:

Peter Zeetsesz van Bree

2  Sijbrecht Zeetsesz van Bree, overleden 1474-1476. Gehuwd < 1416 met Margaretha van Krieckenbeck, overleden < 1 april 1476

3  Greijte Zeestes van Bree. Gehuwd < 5 juni 1424 met Bernt inghen Hoeff

4  Elisabeth Zeestes van Bree, overleden > 1479. Gehuwd met Gijelis van Horrich, overleden > 25 juli 1474


342632  Arnold van Dursdael, schepen van Roermond (1422-1428), overleden > 1457

Gehuwd met

342633  Hillegunde NN, overleden > 22 april 1441

Op 12 juli 1428 ‘op sent margrietenavent virginis’ verklaren Johan van Baexen, Dederick van Wessem, Mathijs van Gangelt en Aernolt van Dorsdale, schepenen te Roermond, dat twist is gewest tussen de abdij van Onze Lieve Vrouw Munster en Reijnart Smede en Else, echtelieden, en Griet, haar zuster, over een keurmede ten laste van Andrijesch Koufert van 7 bunder land, waarvan de abdij 2 bunder bezat. Iedere partij draagt voortaan zijn aandeel in de keurmede.

Op 25 juli 1435 is Arnold van Dursdoel getuige namens de bruidegom bij de huwelijkse voorwaarden tussen Johan Hillen en Mettele van Loeven, weduwe van Lambert van der Kraecken. Op 22 januari 1439 verkoopt Johan III van Broekhuizen, heer te Wickrath, een jaarrente van 25 malder haver uit het kerspel Süchteln, genaamd Voogdleen, half aan Arnold van Dorsdale en half aan Barbara, dochter van Reinald van Wachtendonk.

Sander van Asselt Goderdzoon verkoopt in 1457 aan Arnold van Dorsdale 25 malder haver erfpacht in Süchteln.

Uit dit huwelijk:

Rabeth van Dursdael de oude

2  (?) Derick van Dorsdaele, schepen te Roermond (1452)

3  Margarethe van Dursdael


342640  Eijlbert Eijlbertsz van Eijll, drost te Gelre, zoon van Elbert Evertsz van Eijll en Jutte NN, geboren ca. 1385, overleden 1456-1457

Gehuwd met

342641  Agnes Muels

Links het zegel van Elbert van Eijle, drost tot Gelre, op 29 december 1445. Randschrift: ELBERT—-/VA EIL—. Voorstelling: wapenschild met lelie, gevat in een sierlijst van driepas en driehoek (Bron: Gelders archief, Charterverzameling, nummer 0243 – 2836/7).

Uit 1406 dateert de Cijnsrol van het Huis Baerlo. Hierop komen onder andere goederen voor van Sijbert van Eijll, Rutger van Brede, Henrick van Kessel, Peter van Inckevoirt, Gubbel in den Stegen en Otto van Holtmolen. Op 6 februari 1406 ‘des neisten manendage na onsser liever vrouwendagh te lichtmisse’ voor Wolter van Assel, leenheer, en de leenmannen Gaedert Assel en Henrich van Joickraeme, verkopen Henrich Spede Johanszoon en Marcelij, echtelieden, zijn broer Wolter Spede en hun zuster Haedwigh ingen Raede, aan Elbert van Eijll Elbertszoon de hof ingen Have te Hartevelt in de voogdij van Geldern, honschap Vernum. In 1406 ‘des sonnendages ijnder Vasten Oculi’ een kwitantie van Wolter Spede Johanssoen voor Elbert van Eijle in verband met de koop van de hof Ingen Haeve, te Hirtevelt gelegen. In 1406 ‘des neisten saterdage na Sijmonis et Jude Apostolorum’ verklaart Henrich Fransoijs van Neersdom dat hij Elbert van Eijle verkocht heeft alle rechten die hij en zijn echte zonen Gelijs en Henrich hadden op de hof ‘an gen Ynde uppen Boijcholt gelegen’ en ook de ‘lijfgewijn ende toseggen’ die Elbert en Walraven, zijn bastaardzonen en hijzelf hadden op de ‘caboijsen totte goide upp Boijcholt’. In 1406 ‘des neesten guedendags na Sente Thomaesdage Apostolor’ verklaart Sander van Kedichem te hebben overgegeven aan Steven van den Eger, ten behoeve van Elbert van Eijl, alle rechten die hij had op een ‘baentgheiten die Ashorst ende anden Ashorst Grave’ en op de Oliemolen met sluis en de vijver, alles zo als het gelegen is in het gericht van Pont.

In 1415 ‘des neisten dinxdages na Invocavit’ verklaren schepenen van Pont, dat voor hun verschenen zijn Wolter die Hertoghen en diens vrouw Haidwig die hebben verklaard te hebben verkocht voor vrij eigen erf aan Albert van Eijle Elbertssoen ‘een had stat Wevelshadstat geheiten ind die Diesdonck so die ijn Wijnantshueve van alts te hoeren plach’.

In 1420 ‘op sente Quirijnsavende’ zeggen schepenen van Stralen dat voor hun verschenen zijn Henken Offerman en diens vrouw Nese die hebben ‘verteghen ende vertijen op alle alsulke cledinghe als oen here Herman van Lievendaill toegesacht ende gelaifft solde hebben vanden goede Yn gen Rade, ende hebben voirt vur oen ende oer erven jonfrow Grieten van Eijll ende Elbert van Eijll oeren soen ende oer erven gentslich dair van quijtgescholden’.

Op 20 september 1424 ‘op sent Matheusavont apostoli et ewangeliste’ verklaren Johan van der Beten, Gadaert Bonijm, Gadaert der Haen, Gerlach van den Vrijthof, Johan Groen, Rut Betmeer en Johan Botz, schepenen van Haelen, dat Elbrecht van Eijle, echtgenoot en voogd van Agnesen Nuels, aan Willem Geraertz son van Kodichaven verkocht heeft het land gelegen in de ‘haenen grijende’ dat Agnesen geërfd heeft van haar oom Henric van den Fellenorde, met uitzondering van een jaarrente van ½ Rijnse gulden en een stuk land dat Agnesen en haar zuster reeds verkocht hebben. Johan Werdken, leenheer, beleent hem hiermee. Op 13 december 1427 ‘op sent Luciendach virginis’ verklaren Johan van der Beeten, Gadaert Haen, Rutte Betmer en Heijn Wambecke, schepenen te Haelen, dat Willem van Kodichaven, zoon van wijlen Geraet, een jaarrente van 8 Rijnse gulden overgedragen heeft aan de Kruisheren voor het lezen van missen ter ere van God en tot heil voor hun ziel, zoveel als redelijk is op het altaar dat Willem en zijn vrouw in de kerk gesticht hebben. Als onderpand geeft hij de goederen in de Hanen Friend, die hij gekocht heeft van Elbrecht van Eijle en diens vrouw Agnesen Muels, die de goederen op haar beurt geerfd heeft van haar oom Heinric van den Fellenorde. Welter Mont, rentmeester en leenheer in de dingbank van Halen, draagt de jaarrente over aan Dederic Koninck, de voogd in deze van het klooster.

Op 25 mei 1448 ‘op sente urbaensdage pape’ verklaren Tilman, Johan en Willem van Eijll, broers, zonen van wijlen Tilman, Willem van Goer, heer te Vronenbroek, Willem en Thijs van Eijll, broers, wijlen Elbertzoons, Johan Petruszoon van Eijl en Elbert van Eijll, drost te Geldern, aan Johan van Boidberg Karlszoon 500 overlandse rijnsguldens schuldig te zijn. In 1448 ‘des frijdages post esto michi’ dragen Frederich van Breempt en diens vrouw Mette een som van honderdtwintig overlandse rijnse guldens over aan Elbert van Eile Elbertssoen, de hof te Swaifhem geheten, ‘dat Bongaertzsche guet ..’. Op 18 december 1449 ‘des donderdags na St. Luciendag’ belooft Elbert van Eijl, drost te Gelre, getrouwheid aan den hertog.

In 1454 ‘op sente Victoirsdaige’ verklaren Johan van Bellickhaven Derixssoen en diens vrouw Alijt van Eijle schuldig te zijn aan Eijlbert van Eijle Elbertzsoen 97 malder rogge. Op 2 april 1454 ‘des neesten dinxsdaighs nae dene sondaige Letare Jherusalem in der Vasten’ verklaren Johan van Bellickhaven en diens vrouw Alijt van Eijll, 100 overlandse rijnse guldens ontvangen te hebben van Elbert van Eijll, als onderdeel van de 1100, door Elbert en Johan van Eijll, broers van Alijt, en zoons van wijlen Elbert van Eijll, broers van Alijt, en zoons van wijlen Elbert van Eijll, voor de bruidsschat beloofde guldens. In 1488 ‘opten dijnxdach na Sijnte Victoirsdach’ verklaren Jacob Haven en diens vrouw Trijn dat Elbert van Eijll, zijn zus Aeheijden van Eijll en Johan van Bellichaven de jaarrente, waarvan in 1462 sprake is, kunnen aflossen met 100 rijnse gulden.

Op 11 januari 1455 ‘des saterdahes nae Dertiendach virg’ de acte van scheiding en deling tussen Elbert en Telman van Eijll, broers, zonen van wijlen Elbert van Eijll en Margarieten van Oeste. In 1455 ‘des dijnsdaiges nae Sente Peters dach des heiligen Apostels ad Vincula’ een actie van Eijlbert van Eijll Eijlbertssoen over 19 malder evenen jaarlijkse rente uit de hoeve te Monster in verband met Loff Wolf van Mer, scholaster te Kerpen en zijn neef Loeff Smalenberch.

In 1457 ‘des donresdages na den sonnendage Belaken Paesschen’ worden de huwelijksvoorwaarden opgesteld tussen Elbert van Eijll, zoon van wijlen Elbert, en Margriete, dochter van Rembolt van Titz.

Uit dit huwelijk:

1  Willem van Eijll, overleden > 6 januari 1458

Mathijs van Eijll

3  Elbert Eijlbertsz van Eijll, ritter, overleden > 1484. Gehuwd (huwelijkse voorwaarden april 1457) met Margriet Rembolts van Titz

4  Johan van Eijll, overleden 1460-1465


342642  Alard van Broeckhuijsen, zoon van Willem van Broekhuijsen en Agnes de Cock van Waardenburg, overleden 1448-1451

Gehuwd > 1415 met

342643  Maria van Daert, overleden > 1482

In 1425 verpandt Willem Frederikzoon van Wevelinghoven slot en heerlijkheid Grebben aan Alard van Broeckhuijzen voor 6000 gulden, die Willem schuldig is aan Hendrik Schenk van Nijdeggen.

Op 10 december 1451 wordt de scheiding en deling der goederen gemaakt van wijlen Johan van Broeckhuijsen, ridder, heer te Geisteren en Loe, en diens weduwe Anna van der Straten. De kinderen Agnes en Margriet van wijlen Alart van Broeckhuijsen krijgen 3000 rijnsguldens uit Loe en 2000 rijnsguldens uit Geijsteren. Op 12 december 1452 zal Maria van Baere, weduwe van Alaert van Broichusen, Mathijs van Eijll schadeloos houden wegens borg staan bij Anne van Broichusen-van der Straten voor 300 overlandse rijnsguldens.

Uit dit huwelijk:

Agnes van Broekhuizen

2  Margriet van Broekhuizen, overleden < 1482. Gehuwd > 1451 met Johan van Boedberg, erfmaarschalk van Gelre, heer van kasteel Haag bij Geldern, overleden > 1482


342644  Daniël van Ghoor, heer van Aldenghoor, ambtman van Horn, zoon van Arnold van Ghoor en Catharina van de Weijer, geboren ca. 1380, overleden 7 april 1451, begraven in de kerk te Haelen

Gehuwd < 10 juni 1428 met

342645  Gertrudis van Caldenbroeck, dochter van Alard Vlecke van Caldenbroeck en Elisabeth van Tegelen, overleden 1472, begraven in de kerk te Haelen

Afbeelding links het zegel van Daniel van Ghoor in 1440. Diameter 29 mm. Randschrift: ‘Sigillum Danel van Ghoer’. RAO, Archief kasteel Rechteren, inv.nr. 407.

Op 11 juni 1400 en op 24 augustus 1406 ‘op sent Bartholomeusdagh des heijligen apostels’ verklaren Daniel, Willem en Johan van Gore, gebroeders, dat aangezien zij aan het Kartuizerklooster te Roermond een derde gedeelte van de korentiende en de smalle tiende te Helden hebben verkocht, zij het klooster vrijwaring verlenen tegen aanspraken van derden. Als medeborgen treden op Arnoldt, heer te Goer, Dederic van Oijst, Matthijs van Kessel, ridder, Wijnmaer van Zurs en Johan Trippart van Thoren die in het voorkomende geval te Roermond in leisting zullen gaan.

Gertrudis is op 15 juni 1414 beleend met het Huis Kaldenbroek en de hof te Lomm, als erfgename van haar vader, behoudens haar moeder Lijsbeth den lijftocht.

Op 2 februari 1417 delen Johan, Willem en Daniël van Goor, gebroeders, en Kathrijne van de Wijer, vrouwe te Goor, hun moeder, en Kathrijne en Aleide van Goor, gezusters, nonnen te Bilsen, en Johanna van Goor, hun zuster, de ouderlijke erfenis. De vrouwe behoudt levenslang Huis en hof ten Wijer met molen, panhuis, cijns, keurmeden. De hof te Lotbroek zal men verkopen en uit de opbrengst wordt de schuld van 2400 rijnsguldens aan Johan van Hoekirken betaald die op Wijer rust. Verder ontvangt Johanna 500 rijnsguldens voor haar kindsdeel. Johan krijgt Huis te Goor in het Maasland en de heerlijkheid Pol en Meijel. Het zal daaruit aan zijn tante, de vrouwe van Asten 1500 rijnsguldens schuld betalen. Willem erft het riddergoed ter Weijer onder Heerlen, na de dood van zijn moeder, de hoeve Lotbroek onder Hoensbroek en die van Mooker Oe. Hij betaalt daaruit 500 rijnsguldens. Willem is na de dood van zijn broer Jan heer van Ghoor, Vronenbroeck en Meijel. Daniël krijgt de hof te Ophaven in het land van Borne, de goederen te Sittard, Geleen en Susterseel en de renten en cijnsen van Poll en Panheel. Katherina en Aleijt een lijfrente van 17 malder rogge uit de hof te Hulhave en in het land van Wassenberg 15 malder en uit het goed the Gleene 9 rijnse guldens. Na de dood van de moeder ontvang Willem de hof te Wijer en zal daaruit zijn broers betalen. De-dingslieden zijn Gerard van Vlodorp, ridder, erfvoogd te Roermond, Lizabette van de Wijer, vrouwe te Leute, Claes van der Donck en Lamken van Goor, bastaard. Op 9 februari 1433 ‘des neesten maendagh nae onser liever vrouwenlichtach’ verklaren Johan en Daniël van Ghoer, gebroeders, bij transfix dat hun broer Willem van Ghoer hun 1500 rijnsguldens heeft betaald die hij schuldig was na de dood van hun moeder. Medezegelaar is hun neef Johan van Ghoer Lambrechtzoon.

Op 10 juni 1428 ruilen Daniël van Ghoere en Gertrude van Kaldenbroek, echtelieden, en Wilhem van den Bongart en Goetgin van Licke, echtelieden, van eigendom. Daniël en Gertrude verkrijgen de hof zen Alden Ghoere met land, cijns, pacht, keurmeden, kapoen en een erfpacht te Roggel. Wilem en Goetgin ontvangen hof, land, beemd enz in Ophoven bij Sittard. Zegelaars zijn Daniël en Willem en Johan van Ghoere, Willem van Ghoere, Aleit van Ghoere, Goedert Dobbelstein van Doenrade als man van Katharina van Ghoer, Goedart van Boeckhout als man van Johanna van Ghoer en verwanten van Willem van den Bongart. Op 4 september 1428 ‘op den neisten satersdagh na sent johansdach decollatio’ beleent Frederik graaf van Meurs, heer van Born, momber van het land van Horn, Daniël van Goir met de hof tzen Alden Goir c.a. en 15 malder rogge erfpacht in het kerspel Roggel, verkegen na ruil met Willem van den Bongarde.

Op 24 maart 1432 ‘op onss liever vrouwenavent annuncionis’ is Daniel van Ghoer medezegelaar bij de ruil van het hof c.a. op de Vijsscher Oe met abdis en convent van Onze Lieve Vrouw te Roermond door Willem van Ghoer en Arnolt zijn zoon, tegen de Kloosterhof te Heel. Op 9 februari 1433 een kwijtbrief van Johan en Daniell van Ghoer, gebroeders, aan hun broer Wijllem wegens 1500 Rijnse guldens. Op 22 augustus 1435 wordt Daniël van Ghoor namens zijn echtgenote Geertruid beleend met de Kaldenbroekse goederen.

Op 7 juni 1440 maken Dierick van Hetterscheit, Dierick van Eijll, Sander van den Eger, Wolter van Eijl, Danell van Goer, Gerart Vaeck, Tielman van Eijll en Johan van Dart huwelijkse voorwaarden tussen Johan van Eijll Berntszoon en Agnes van Drijpt Johansdochter.

Uit dit huwelijk:

Alart van Goor van Caldenbroeck

2  Arnold van Goor van Caldenbroeck, landrentmeester van de hertog van Gelre (1435-1438), heer van Aldenghoor, overleden < 1500. Gehuwd met Alverta van Oost, overleden 1531

3  Johanna van Goor van Caldenbroeck

4  Catharina van Goor van Caldenbroeck, overleden > 9 april 1472. Gehuwd met Gerard Haex in der Heggen, overleden < 9 april 1472

5  Elisabeth van Goor van Caldenbroeck, priorin der Munsterabdij te Roermond


342646  Mathijs van Kessel, zoon van Sibert van Kessel en Bela van Groesbeek, geboren ca. 1400, overleden < 8 april 1440

Gehuwd met

342647  Merte van Brempt, overleden < 8 april 1440

Op 8 april 1440 ‘op der Speer ende Croenendach’ verklaren Gerat Haeck en Reijner van Breempt, voogden van Sibrechtz van Kessel, IJrmgarden en Belen, zijn zussen, kinderen van wijlen Thijs van Kessel en Berten van Breempt, dat Margrete, Agnese, Katherijne, Stijne en Gadert, dochters van wijlen Heijnrich van Kessell, de hoeve Nederhoeve verkocht hebben met toestemming van hun moeder Katherijnen van Krekelbeck Roffartz en Geraatz van Kessel Roffartz, hun oom, die toendertijd leenman op de hoeve was, aan het klooster S. Katherijnen in Marijendael. Gerat Haeck en Reijner Breempt hebben de heove in leen gegeven aan Gerat van Menss ten behoeve van het klooster. Mocht de leenman sterven, dan zullen zij een andere leenman op de hoeve zetten na overleg met het klooster. Op dezelfde dag verklaren Gerat Haeck en Reijner Breempt, voogden van Sibrechtz van Kessel en zijn zussen IJrmgarden en Belen – leenheren van de hoeve Nederhoeve  verklaren dat Margrete, Agnese, Katherijne, Stijnen en Goedert, dochters van wijlen Heinrick van Kessel geheten Roffart, de hoeve Offenbeck verkocht te hebben aan het klooster S. Katherijnen in Mariendaell en dat zij Gerat van Menss tot leenman gemaakt hebben van de hoeve. Op dezelfde dag verklaren Gerat Haeck en Reijner van Breempt, voogden van Sibrechtz van Kessel, IJrmgarden en Belen, zijn zussen, kinderen van wijlen Thijs van Kessel en Berten van Breempt, dat Katherijne van Krekenbeck, weduwe van Heijnrick van Kessell, en Gerat van Kessell, haar zwager, aan het klooster van S. Katherijnen in Marijendael, in der Oede geheten, gelegen buiten Venlo, het vruchtgebruik en andere rechten op haar hoeve Nederhoeven te Offenbeck hebben overgedragen, van welke hoeve Sibrecht van Kessell en zijn zussen de leenheren zijn. Op dezelfde dag verklaren Gerat Haeck en Reijner van Breempt, voogden van Sibrecht, IJrmgard en Bele van Kessel, dat Katherijne van Krekenbeck, weduwe van Heijnrick van Kessel en haar zwager Gerat van Kessel, het vruchtgebruik en andere rechten van haar hoeve Nederhoeven te Offenbeck hebben overgedragen aan het klooster in Genooij. Als onderpand voor de goede gang van zaken stellen zij hun boerderij te Bunneshoeve in de heerlijkheid Wickerath. De opbrengst van de boerderij, in totaal 850 rijnse gulden, wordt door het klooster rechtstreeks uitbetaald aan diverse schuldeisers.

Op 10 november 1441 ‘op sent Mertensavent in den wijnter, des heilgen bisschops’ verklaren Gerat Haeck en Reijner van Breempt, voogden van Sibrechtz van Kessel en zijn zussen IJrmgarden en Beelen – leenheren van Neerhoeven -, verklaren dat Bele van Geich en Hille van Wachtendonck, overste en procuratesse van het klooster S. Katherijnen voor hen verklaard hebben dat zij Nederhoeven gekocht hebben van de kinderen van Heijnrick van Kessel Roffart en dat de hoeve voor de helft eigendom is van het klooster en voor de andere helft van Margreten van Kessell Roffartz. Opbrengsten en lasten zullen in twee gelijke delen verdeeld worden.

Op 22 september 1445 ‘op sent Mauriciusdach et sociorum eius’ oorkondt Gerard Haeck van Thorn, als momber van Sibrecht, Irmgard en Bele van Kessel, kinderen van wijlen Mathijs en Merte van Breempt, echtelieden, dat voor hem en de leenmannen Derick van Raede, burger van Venlo, en Thijs van ghen Hoeve van Hinsbeck, Margrete van Kessel genaamd Rofferts en Seger van der Horst, haar momber, overdraagt aan het kruisherenklooster St Cornelis te Roermond een chirograaf inzake de helft van de hof en leengoed te Nederhoven te Offenbeek in het kerspel Beesel en Tegelen, die wijlen Heijnric van Kessel genaamd Roffart had. Medezegelaar Gerard van Kessel genaamd Roffart. De andere helft van de boerderij, namens het klooster ‘Sent Katherijnen in Marijen Daile geheiten Inghen Oijden in den gericht van Venlo’ in leen gehouden door Gerat van Menss uit Venlo, wordt rond 1449 overgedragen aan de Kruisheren. Van Menss wordt door Gerard Haeck ditmaal met het volledige leengoed beleend.

Uit dit huwelijk:

1  Sibrecht van Kessel, overleden < 16 oktober 1473

2  Irmgard van Kessel

Bela van Kessel


342648  Reinier van den Sande, leenman van de hertog van Gelre, zoon van (?) Johan opten Zande, geboren ca. 1440, overleden > 1 april 1507

Gehuwd met

342649  Anna Martens, overleden > 1523

Op 26 oktober 1468 ‘des wonsdaigs na Sente Severijnsdach episcopi’ oorkondt Maes Morre dat hij, bij ontstentenis van eigen leenmannen in tegenwoordigheid van Roloff Momme en Reijner van den Zande, leenmannen van de hertog van Gelre en medebezegelaars, Johan van Dalen, koperslager, gemachtigde van de broederschap van Sente Eusebius en van de Zielbroederschap te Arnhem, heeft beleend met het erf en goed Opter Haer, groot 3 morgen, gelegen in het Praeffsche Veld in het kerspel Oesterbeeck, dat voorheen Johan Kelreweert toebehoorde, half ten behoeve van de broederschap van Sent Eusebijs en half ten behoeve van de maandagse spinding van de Zielbroederschap in de Olde Kriche aan de armen.

Op 10 december 1482 ‘des dijnsdaiges na onser Liever Vrouwendach Conceptionis’ oorkonden Wilhem van Broichusen en Johan van den Sande, schepenen van Arnhem, dat Jacob then Westeneng en zijn echtgenote Geertruijt hebben overgedragen aan Reijner van den Sande een stuk land met een huis gelegen op Monnikhuizerbeek. Op 3 mei 1483 ‘op sheilige Cruijssdach Inventionis’ oorkonden Johan van den Sande en Derick van Berck, schepenen van Arnhem, dat Jacob Geritssoon then Westeneng en zijn echtgenote Geertruijt hebben overgedragen aan Reijner van den Sande een erf met het daarbij behorende land, gelegen bij Monnikhuizerbeek.

Op 1 maart 1484 ‘des Manendachz na den Sonnendach esto michi’ maken Wijchart then Haeff, Gerijt van Mekeren en Wolter van Delen eenerzijds en Mr. Derick van der Moelen, priester, Gherijt ten Walle en Reijner van den Sande andererzijds, zekere huwelijksvoorwarden tusschen Derick Huijsswert en Griet then Offerhuijs voor hare dochter Geertruijt, volgens welke de laatstgenoemde huizen en jaarrente uit huizen te Arnhem ten huwelijk aanbrengt.

Op 24 november 1484 ‘op St. Katerinenavond’ oorkonden Aernt van den Zande, Reijner van den Zande, Aernt van Wamel en Gerrijt ter Coecken, dat zij een magescheid hebben gemaakt tussen de kinderen van Johan Wolterssoen en diens vrouw Stine.

Op 28 februari 1485 ‘des manendaiges nae Sunte Petersdach ad Cathedram’ oorkonden Johan Bierwisch en Goessen van Scherpenseell, schepenen van Arnhem, dat Willem van Aller aan Reijner van den Sande overgedragen heeft de jaarlijkse rente gaande uit een half malder zaadland, gelegen bij Monnikhuizerbeek. Op 1 maart 1485 ‘des dijnsdaiges na den Sonnendach Reministere’ oorkonden Jacop Ridder en Brant van Delen, schepenen van Arnhem, dat Willem van Brockhusen en zijn echtgenote Geertruijt aan Reijner van Sande in erfpacht hebben gegeven ongeveer vijf à zes malder zaadland, gelegen op Monnikhuizerbeek. Op 10 april 1487 ‘des dijnxdaiges na den Heiligen Palmdach’ verklaren Herman van Berck en zijn echtgenote Walburch dat Reijnar van den Sande de erfrente die rust op een erf bij Monnikhuizerbeek, afgekocht heeft.

Op 22 februari 1487 ‘des doemresdaiges op Sente Petersdach ad Cathedram’ oorkonden Jacob Ridder en Johan van Mekeren, schepenen van Arnhem, dat Arnt IJeger en zijn echtgenote Grijete hebben overgedragen aan Reijner van den Sande een halve hoeve land gelegen in de Arhemmer mark op de Mussenberg. Op 18 september 1487 ‘des dijnsdaiges na Sente Lambertzdach’ oorkonden Johan Bierwisch en Sander Tengnagell, schepenen van Arnhem, dat Henrick Princet overgedragen heeft aan Reijner van den Sande een stuk land in de Arnhemmer enk op de Molenberg van ongeveer twee malder.

In 1490 belooft Walraven Mom aan Johan van Mekeren en Reijnier van den Sande hen schadeloos te houden van een borgtocht voor een rente van 96 guldens ten behoeve van Armgart van Maerll, zijn tante.

Op 4 januari 1502 ‘des Dijnxsdaiges na den Heijligen Nijen Jaersdach’ verkoopen burgemeesters, schepenen, raad, gildemeesters en de gemeente te Arnhem aan Reijner van den Zande, burger der stad, een losrente van 21 rijnsche guldens ‘s jaars, gaande uit de stadswaard buiten de Sabelspoert.

Op 1 april 1507 ‘opten Witten Donredach’ is het goed van Reijnart van den Zanden, belendend aan een huis en hofstede in de Beckerstraet.

In 1523 is een overeenkomst gesloten tussen Johan Quijnon, commandeur te Arnhem en Nijmegen, en de weduwe van Reijner van den Zande betreffende eenige renten door den laatste aan de commanderij bij testament vermaakt.

Uit dit huwelijk:

Johan van den Sande


342656  Elijas van Wede, leenman van de heer van Egmond, schepen (1430-1443), vijf (1436) en burgemeester (1446) van Amersfoort, tjinsmeester (1440), zoon van Elijas van Wede en Deliana Lubbert Francken, geboren ca. 1400, overleden (?) 6 september 1449

Gehuwd met

342657  Mergriete NN

Links het zegel van Elijs van Wede op 5 maart 1438. Beschrijving: zes lelies (Bron: Archief Eemland, regestnummer 85).

Op 28 juli 1424 ‘des frijdages na Sante Jacops dach’ oorkonden deken en kapittel der kerk van Sante Georgius te Amersfoirde, dat zij aan Elijas van Wede al het recht hebben overgedragen op een tiende uit Coeps camp. Op 5 augustus 1432 oorkonden Reijner Poijt Everts soen, schout, Diric Poijt Everts soen, Johan van Bemel en Heijnric van Riin, schepenen te Amersfoirde, dat Elijs van Weede en Mergriete, zijn echtgenote, overgedragen hebben aan Herman Lamberts soen en Aliid, zijn echtgenote, alle rechten die zij hebben op een kamp land, gelegen op onser stad nije graft buiten de Bloemendaelsche poort, geheten Coeps camp, met de bijbehorende tiende. Aansluitend oorkonden schout en schepenen van Amersfoort dat Herman Lambertszone en zijn vrouw Alijt schuldig zijn aan Henric Costerszone ten behoeve van deken en kapittel een erfelijke jaarrente van 1 Beierse gulden uit een kamp land genaamd Coipscamp, gelegen op de nieuwe gracht van de stad buiten de Bloemendalse poort, zoals Elijs van Wede aan deken en kapittel had beloofd.

Op 23 augutus 1440 ‘op Zante Bartolomeeus avont’ oorkonden Reijner Reijner Everts soens soen, schout in de maalschap van Wede en Emijnglair, vanwege de bisschop van Utrecht, Elijaes van Wede, tijnsmeester, en Jacob vander Weteringe als tijnsmeester vanwege de gemeente, en Egbert die Beer, Diric Poijt Everts soen, Wouter Botter, Arnt Scaep, Steven Maes soen, Wouter die Beer, Johan Willams soen en anderen, malen en landgenoten, dat Agniese, weduwe van Diric van Aelst, opgedragen heeft ten behoeve van de zuster van het convent van de Elf dusent Mageden binnen Utrecht onder de Smede, de eigendom van de helft van het goed Ten Coep met toebehoren, gemeen gelegen met het land van voornoemde zusters, behoudens de tijns voor Elijaes van Wede en de gemene malen, het recht van overpad voor de kamp land van Herman Cairman Johans soen en het recht op lijfrente voor Mergriete, weduwe van Diric van Renen op de Cruuscamp.

Op 28 juli 1449 ‘op zunte Pantholeoens dach’ oorkonden Evert van Stoutenborch, schout, Jan van Bemel, Peter Gijsberts soen en Willam van Lienler, schepenen, dat Reijer Lumans en Geertruijt, zijn vrouw, hebben overgedragen aan Gosen vander Oese, ten behoeve van de vicarie gesticht voor het zielenheil van Elijaes van Wee aan de noordzijde van de Sint Joriskerk, huis en hofstede in de Krommestraat, met behoud van de erfpacht van Peter van Westrenen, overeenkomstig de twee voorgaande akten waaraan deze bevestigd is. Bij in gebreke blijven van Reijer en Peter mag dit verhaald worden op het huis op de Hof waar zij in wonen.

Op 5 juni 1456 ‘op sante Bonifaciusdag’ zijn de erfgenamen van Eelgijs van Wede belendend aan een stuk veen in Zeldert.

Kinderen:

1  Elis van Wede, burgemeester (1462, 1471), substituut schout (1477-1481) en schepen van Amersfoort (1460-1479), overleden 1489-1495. Gehuwd met Dirckje van Hamersfelt

Johan van Weede


342680  Johan Stevensz die Witte, leenman van de hofstede Oostum, zoon van Steven de Keijser, geboren ca. 1410, overleden 1464-1469

Op 26 januari 1434 is Johan de Witte Stevenszoon beleend met ‘vier merghen lants also als die gelegen sijn in Hermans gerichte van Wulven in den Meren, dair baven ende beneden naest gelant is Gerit van Voern mit lande, dat hij holdende is van den Gesticht van Utrecht’, na opdracht door Willam van Oestrum. Op 1 april 1457 id. Op 30 juli 1469 Steven die Keijser na dode zijns vaders Johan de Witten Stevenszoon.

In 1440 voor Gerijt Janss, scout van Goij, compareren Heinrick Pawe en Gerijt van Utert die transporteren 3 morgen. Over waren Jan de Witte Stevenss, Wouter Luijtgenss en Dirck van Scadick Daemss lantgenoten. Op 6 april 1440 voor Gerijt Janss, scout int Goij, compareren Jacob van Zulen van Blickenborch die transporteren een hofstede met 11 morgen daer Dirc van Drijell nu ter tijt op woent, en 7 hont, 2 morgen en 3 morgen op St. Pieter. Over waren Wijer de Witte, Jan de Witte Stevenss, Daem van Schaijck en Gerijt Janss lantgenoten.

In 1443 zegelt Johan Stevenss de Witte met drie schaapscheerdersscharen met in het schildhoofd een sterretje.

Op 9 september 1458 is Johan de Wit Stevensz beleend met een viertal land in Schalkwijk, bij dode van Willem de Keijser. Op 24 november 1469 Steven de Keijser, als getuige vermeld in 1458, bij dode van Jan, zijn vader.

In 1463 ‘op St. Mathijsavont’ voor Gerijt Janss van den Velde, scout int Goij, compareert Jan van der Haer Dircss die transporteert de helft van 8 morgen op St. Barbaren en St. Laurens gasthuijss. Over waren Jacob van Vijanen, Jan de Witte Stevenss, Gerijt de Keijser, Gerijt Gerijtss van de Velde, Lubbert van Utrecht, Dirck Claes Engbertssoenssoen en Dirck Janss. Op 3 maart 1464 voor Peter Gerijtss van den Velde, scout, compareert Steven van Zulen Aerntss, borger tUtrecht, die procuratie toent van Windesheim bij Swoll om te transporteren een hoeve op Gheenkisdam int Goij. Over waren Gerijt die Keijser, Gerijt Hermanss en Johan die Witte.

Kinderen:

Steven Jansz de Witt ‘die Keijser’


342736  Otto van Diepholz, graaf van Diepholz (1426-1484), zoon van Coenraet van Diepholz en Irmgard van Hoija, geboren ca. 1420, overleden 1484

Gehuwd in 1441 (huwelijkse voorwaarden 3 juli 1441) met

342737  Heilwich van Bronckhorst, dochter van Otto van Bronckhorst van Borculo en Agnes van Solms, overleden > 1 oktober 1461

Op 3 juli 1441 worden te Horst de huwelijksvoorwaarden opgesteld tussen Otto van Diepholz en Heijlwich, dochter van Otto van Bronchorst en Borkelo. Maagmannen en huwelijkslieden zijn Rudolf van Diepholz, bisschop van Utrecht, Willam van Hoecklem, abt van St. Pauwel binnen Utrecht, Frederic van den Rutenberge en Johan van Enijchloe, anders geheten Pladijse, aan de zijde van Otto van Diepholz, en Everwijn, graaf van Benthem en heer van Stenforde, Willam, heer van Berge en Bilant, Johan, heer van Ghemen, en Johan, heer van Homoet en van Wijssch, vanwege Otto van Brochorst en Borkelo. Otto trouwt met Heilwich van Bronckhorst dankzij de diplomatieke inspanningen van zijn oom, Rudolf van Diepholt, bisschop van Utrecht. De bruidsschat omvat eigendommen in de omgeving van Wagenfeld, Bokel en Struten en zorgt voor behoud van de eigendommen rondom kasteel Auburg.

Op 1 oktober 1461 geeft Otto van Diepholz, met goedkeuring van zijn zoon Coenraet, aan zijn gemalin Heijlwijch enige goederen in lijftocht.

Uit dit huwelijk:

Coenraet van Diepholt

Rudolf van Diepholz

3  Elisabeth Diepholz, overleden 1475. Gehuwd in 1459 met Johan van Hoija. Gehuwd in 1467 met Johan van Spiegelberg


342740  Ubbo Nonnena, predikant in Larrelt (D)

Gehuwd met

342741  NN Remets

Uit dit huwelijk:

Remet Ubbena

2  Garrelt Ubbena, overleden > 1515. Gehuwd met Hijma van Upgant und Visquart


342742  Hompo Haijen, burgemeester van Embden (D) (1472-1511), geboren ca. 1440, overleden ca. 1511

Gehuwd met

342743  Fossa Remets

In 1483 in literis Haijonis Buttvangers, civis Emdani, nominantur post ipsum Haijonem: Tanno et Liuppo tho Vletum wonafftich, fratres eius; deinde Hompo Haijen, Gert van Gelre, consules Embdani, Claus Goltsmit et Helmerus Sibrantz senatores. Sigillum Cosme et Damiani.

Op 1 januari 1490 verkoop Aijteth Addena, burger van Emeden, aan Gheerke Lijuppen, burger van Emeden, 6 Arensgulden jaarlijkse rente uit zijn huis ‘beleghen ijn Emeden, achter dat gasthues bij der Emese, dar Hompo Haijen ene kameren heft bij lijgghen ijnt oesten, unde Gheerd van Ghelderen ock ene kameren ijnt westen’ voor ‘vijff stijge Arnse gulden, teijn grote Emedersch vor den gulden’.

Uit dit huwelijk:

Elske Hompen