Boetzelaer, Rutger van den (1471/75-1545)

Rutger van den Boetzelaer, jonker, leenman van de hertog van Brabant, heer van Asperen, Langerak en half Nieuwpoort (1492, 1499), heer van Deurne (1499), lid van het Illustre Lieve Vrouwe Broederschap (1511), lid van de ridderschap van Utrecht (1536), baron des H.R. Rijks (1544), zoon van Wessel van den Boetzelaer en Josina de Mol van Leetbergen, geboren 1471-1475, overleden 15-24 september 1545, begraven in de kerk te Asperen

Gehuwd 1499 (huwelijkse voowaarden 10 juni 1499) met

Bertha van Arkel, dochter van Otto van Arckel en Walravina van Broeckhuijsen, geboren ca. 1480, overleden 15 oktober 1558, begraven te Asperen

 

Bronnen: 1) Het geslacht Van den Boetzelaer. De historische ontwikkeling van de rechtspositie en de staatkundige invloed van een belangrijk riddermatig geslacht, J.W. Des Tombe 1921, bewerkt door C.W.L. baron van Boetzelaer 1967. Assen, 1969, 2) hetutrechtsarchief.nl, 3) bhic.nl, 4) geldersarchief.nl, 5) archieven.nl, 6) nl.wikipedia.org, 7) resources.huygens.knaw.nl, 8) Recepta ex pulsatione campanarum in funeribus defunctorum. Archief domkapittel no 651 (fabrieksrekeningen) en 702, Simon den Daas. Utrecht, 2012, 9) Overluidingen te Utrecht. Overgenomen uit De Navorscher deel 36 (1886) tot en met deel 51 (1901). Oorspronkelijk gepubliceerd in 1881 onder de titel Necrologie de differ. personnes illustres des Pays-Bas 1614-1651, 10) hogenda.nl, 11) Cartularium van Gerard van Rhenoy, heer van Spijk, betreffende Asperen en omgeving, 1442-1562, J.C. Kort. In: Ons Voorgeslacht, jrg. 46 (1991)

Links het zegel van Rutgher van den Boetzelaer, heer tot Asperen ende tot Langeraick etc. op 28 juli 1545.  Voorstelling gevierendeeld schild” I en IV 3 weerhaken 2-1 geplaatst. II en III leeuw. Hartschild: twee beurteling gekanteelde dwarsbalken. Gewende helm met helm met ? (uitkomende drakenkop) (Bron: Brabants Historisch Informatie Centrum 242-308 en Gelders Archief 0243 – 1146/6).

In 1492 kiest Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen en Langerak, zijn oom Zweder van den Boetzelaer als voogd om de heerlijkheden voor de tijd van acht jaar in zijn naam te beheren.

Op 10 mei 1493 wordt Rutger, na de dood van zijn vader Wessel, door Maximiliaan I, graaf van Holland en heer van Arkel, beleend met:

1) het huis Langestein en 24 morgen land onder Langerak, de tienden van Ammersgraafland, Achterland en Peulwijk en de helft van Nieuwpoort met de hoge en lage jurisdictie,

2) de vrije heerlijkheid Asperen gelegen tussen Laarsteeg en Broekvliet met hals en hoofd, hoog en laag gerecht, en de poort van Asperen die een open stad zal zijn, met lijftocht van Joost Mols, weduwe, zijn moeder, op 100 gouden rijnsguldens.

In 1496 maakt hij een verdrag met zijn oom Sweder en belooft zijn broer en zuster vergoeding te geven wegens zijn belening met Asperen en Langerak en belooft met zijn moeder zijn zuster Weijntgen ter schole te zullen zenden.

Op 10 juni 1499 (maandag na St. Bonifaciusdag) worden de huwelijkse voorwaarden opgesteld tussen Rutger van den Boetzelaer en Otto van Arkel van Heukelom inzake het huwelijk tussen Rutger en Otto’s dochter Berta. Getuigen voor de bruid waren haar oudoom Everwijn Oem tot Cuijlenborgh en haar oom Arnt van Broekhuisen, voor de bruidegom getuigen zijn zwager Johan van Renesse van Rijnauwen en oom Sweder van den Boetzelaer.
In 1499 wordt hij beleend met Deurne maar doet dit in hetzelfde jaar over aan zijn stiefvader Henrick Taije.
In 1499 geeft Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen en Langerak, zijn onderdanen vrijdom van henniptiend.

Op 1 december 1501 gaan de tienden van Ammersgraafland naar Roeland le Fèvre, heer van Teemseke en Liesveld, hofmeester, bij overdracht door Rutger van Boetselaar.

In 1511 beloven Floris van Egmont en de stad Utrecht dat zij zich zullen houden aan de uitspraak van de landvoogdes in hun geschil. Met rekest van Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen en Langerak, aan de landvoogdes om Utrecht te verbieden contributie te eisen van zijn onderdanen voor de onkosten van het beleg van IJsselstein.

In 1511-1512 heeft joncker Rutgheren van Boetseleer, jonker, heer tot Asperen, intredegeld betaald voor het Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. In 1546-1547 is doodschuld betaald na de dood. 

In de oorlogen tussen Bourgondië en Gelre, kiest Rutger van den Boetzelaer de kant van Bourgondië. Daarop ondernemen de Gelderse benden in 1517 onder bevel van ‘Lange Pier’ en andere veldoversten een strooptocht op Hollands gebied, waarbij Asperen veroverd wordt en een bloedblad wordt aangericht. In de kerk van Asperen is een grote tafel opgehangen met de tekst: “In ’t jaar 1515 (?) namen de Oost Vriezen, die men noemde Geldersche Vriezen deeze stad Asperen met geweld in en sloegen alles dood; Man, Wijf en kinderen, Geestelijk en Waereldlijk; en daer bleven 500 Gelderschen verslagen”. Een Hollandse leger, aangevoerd door de graaf van Nassau en de heren van IJsselstein (van Egmond) en van Wassenaar, schiet te hulp en verdrijft de Geldersen op 5 augustus 1517. In 1528 worden aan Joost van Cortenbach de voorwaarden bekend gemaakt voor verzoening met Rutgher van den Boetselaer.

Op 30 april 1518 beleent Rutger van Boetselaar, heer van Asperen, Dirk Woutersz bij overdracht door Albert Willem Pietersz met 2 morgen in Vossenhoeve.

Op 12 februari 1519 krijgen Rutger van den Boetzelaer en Joncfr. Berta van Hoclum, zijn wettige huijsvrouw, toestemming van keizer Karel V om over hun goederen, zowel lenen als eigen en andere, te mogen disponeren.
In 1519 draagt meester Dirck Folpertz, pastoor te Acquoy, zijn leen van 1½ morgen land in Asperen op aan Rutger van den Boetzelaer, die er Hughe Jansz mee beleent.

In 1520 verkrijgt Rutger van den Boetzelaer toestemming van Staes van Broeckhuijsen om zijn vrouw Berta van Heukelom voor haar leven de inkomsten te doen genieten van de goederen die hij van Staes in leen houdt. Op 14 maart 1520 maakt Rutger aan zijn echtgenote een lijftoch aan haar huis te Langerak met 12 morgen land, daar het huis op staat ‘mit de wijntmolen ende alle toebehooren, hooge en lage (gerecht) ende mit de hofstede Langesteijn mit 24 morgen land’. Op 20 maart 1531 bevestigt keizer Karel V het vruchtgebruik van het huis Langerak en andere goederen en rechten voor Berta van Heukelom.

Op 11 november 1524 oorkondt Rutger van den Boetzeler, heer van Asperen en Langerak, dat hij in leen heeft gegeven aan prior en overige kartuizers, land in Asperen in Griet Lauen Hoef in de Afterste Camp.

In 1527 en 1529 heeft Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen, een geschil met het hof van Holland, betreffende de omvang van de justitiele macht van de heren van Asperen.

Op 21 februari 1528 is het goed Asperen belast door Rutger van Boetselaar voor het huwelijk van Walburg, zijn dochter, met de heer van Berlaimont voor 1600 pond.

Op 25 september 1532 is Rutger ‘gedeputeerde hijlixman’ bij het huwelijk van Walraven van Arkel tot Weerdenburg en Katharijne, natuurlijke dochter van hertog Karel van Gelre.

Op 22 juli 1535 mag Gerard Arnoutsz van Rhenoy, auditeur, van Rutger van de Boetselaar de kanten van zijn laan met bomen beplanten.

Op 11 juli 1537 dragen Heer Otto Simonsz en Jan Dobbe, gasthuismeesters van Asperen, over aan mr. Gerard van Rhenoy 16 hont 8 roeden, in ruil voor een ander goed, bevestigd door Rutger van Boetselaar, oppervoogd van het gasthuis; schepenen van Asperen Steven Hermansz, Otto Gerardsz.

In 1544 wordt hij door keizer Karel V tot baron des H.R. Rijks verheven. 

In 1545 doet Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen, een gift in ‘onversterflijk erfleen’ van 1 morgen in Apseren op Klein-Hoogland aan klooster Sint Catharina in Heusden, waarbij Ariaan Geritszn voor klooster leenhulde doet.
Op 22 januari 1545 stellen Rutger van den Boetzelaer en Berta van Heukelom hun testament op. Hierin worden genoemd de kinderen Wessel, Gerrit pastoor te Asperen, Jan, Anna, Walburgh vrou van Maerle, Janne gehuwd met Jan Soudenbalch, Elborch en Walraven. De testateurs fonderen in de kerk te Asperen twee eeuwige missen, waartoe zij de priester van de H. Geest een kamp lands geven van 2½ morgen groot, geheten Scaepshoeff aan den afterdijk. Hiertoe moeten de koster en de schoolmeester jaarlijks 15 stuivers hebben en in de kerk zal 4 maal ’s jaars een vigilie worden gezongen. Op 15 september 1545 maakt Rutger nog bepalingen omtrent zijn schulden en zijn begrafenis als aanvulling op het testament.

Op 6 januari 1546 is Wessel van Boetselaar beleend met met de heerlijkheid Asperen, het huis Langerak, de hofstede Langestein en de helft van het gerecht van Nieuwpoort bij dode van Rutger, zijn vader.

Op 3 augustus 1554 instrumenteert notaris Ide Medemblick, dat Walraeven van Arckell, heer tot Heuckelom, Ammerzoijen en Waerdemburch, ridder, ten eenre, en Floris van Assendelft, heer tot Goudriaen, ridder, Bertha van Arckell, douairière van Asperen en Langheraeck, mede voor haar kinderen bij heer Rutgers van den Boetzelaer, ten andere, compromissen hebben gesloten dd 14 juni 1533 en 24 juni 1554, waarbij arbiters werden benoemd, over de nalatenschap van Gherridt, heer van Hueckelom, en geeft de inhoud van de uitspraak weer, waarbij de juiste omvang van de heerlijkheid Hueckelom wordt vastgesteld.

 

Uit dit huwelijk:

Wessel van den Boetzelaer, jonker, vrijheer van Asperen, heer van Langerak, half Nieuwpoort en Carnisse, geboren ca. 1500, overleden 1575 te Rossum, begraven te Asperen (overluid 1575 te Utrecht). Gehuwd (?) 1529 met Francoise van Praet van Moerkerken, vrouwe van Carnisse, dochter van Lodewijk van Praet van Moerkerken en Catharina bastaard van Egmond, geboren ca. 1505, overleden 6 februari (of 6 oktober) 1562

Otto van den Boetzelaer, broeder in de Ridderlijke Duitsche Orde te Utrecht, commandeur van Schoten, geboren ca. 1501, overleden < 22 januari 1545

Gerrit van den Boetzelaer, subdiaken (1522), pastoor van Asperen (1545), geboren ca. 1502, overleden > 22 januari 1545

Anna van den Boetzelaer, geboren ca. 1504, overleden > 22 januari 1545

Elburg van Boetzelaer, alias Elburg van Langerak, abdis van Rijnsburg (1553-1568), geboren ca. 1505, overleden 9 maart 1568 en begraven 12 maart 1568 in de abdijkerk te Rijnsburg (zie links portret door Wouter Crabeth – Nierop, H.F.K. The Nobility of Holland: From Knights to Regents, 1500-1650, blz. 123)

Walrave van Boetzelaer, non in Rijnsburg, geboren ca. 1506, overleden 1545-1553

Walburg van Boetzelaer, vrouwe van Maerle, geboren ca. 1507 overleden januari-februari 1576 (overluid 1576 te Utrecht). Gehuwd 1532 (huwelijkse voorwaarden 21 februari 1532) met Roland van Baillermont. Gehuwd < 22 januari 1545 met Adriaan de Noijelles, ridder, heer van Marle, Corron, Ploich, enz., zoon van Jean de Noijelles

Johanna van den Boetzelaer

Johan van den Boetzelaer, ridder, geboren ca. 1509, overleden < 14 maart 1588, begraven in het Karthuizer Klooster Nieuwlicht of Bloemendaal buiten Utrecht. Gehuwd 1548 met Doede van Holdinga, dochter van Wilcke Botter van Holdinga en Graets Pieters van Cammingha, overleden 6 augustus 1566. Gehuwd 1569 met Sophia van Pallaes, dochter van Floris van Pallaes en Sophia van Wael van Vianen, overleden december 1614 (overluid 5 december 1614 te Utrecht)

10  (?) Frantz van den Boetzelaer, minnebroeder

11  (?) Gijsbrecht van den Boetzelaer, malthezer ridder, commandeur van St. Catharina te Utrecht

12  (?) Christiaan van den Boetzelaer, overleden > 2 december 1585. Gehuwd met Anna van Lockhorst, dochter van Jan van Lockhorst en Cornelia Taets, geboren 1511-1512, overleden ≥ 1587

Onecht kind:

13  Herman Rutgersen Boetselaer bastaard, priester, geboren ca. 1502, overleden > 4 maart 1567