Bierwisch, Jacobus (-1325/30)

Jacobus Bierwisch, schepen van Arnhem (1316-1317, 1320-1321, 1324-1325), zoon van Henricus Biirwisch en Jutta NN, overleden 1325-1330

Gehuwd met

Ghese NN

 

Bronnen: 1) geldersarchief.nl, 2) Coulissen van de macht, C.L. Verkerk. Gelre, Vereeniging tot beoefening van Geldersche geschiedenis, oudheidkunde en recht no. 42, 1992, 3) Regestenlijst van de schepenkist-oorkonden uit het rechtelijk archief van Arnhem, R.A.D. Renting, ‘s-Gravenhage, 1952

Links het zegel van Jacob Bierwisch op 20 juli 1325. Randschrift: S—-. Voorstelling: Schild met tweekoppige adelaar (Bron: Gelders archief, archief Commanderij van St. Jan te Arnhem, nummer 0306 – 364-57/2).

Op 31 december 1302 ‘secundo in vigilia Circumcisionis Domini’ oorkonden Genekinus, richter, en Henricus Birwisch, zijn broeder, Garcelius de Gruthus, Theodericus Wijnandus’ zoon, Johannes Cesarius’ zoon, Henricus, zoon van Fissia, schepenen te Arnhem, dat Lambertus Faber verklaard heeft schuldig te zijn aan Jacobus Birwisch een jaarrente van 15 solidi en 6 denarii uit zijn huis en hof.

Op 1 mei 1305 ‘die beatorum Philippi et Jacobi apostolorum’ oorkonden Ermbertus en Arnoldus de Geruthuse, schepenen te Arnhem, dat heer Giselbertus de Zulen, canonicus, erkend heeft schuldig te zijn aan Jacobus Mauricius’ zoon en aan Winandus Cisarius’ zoon, een som van 36 mark en 1 solidus oud Brabants, waarvoor als borgen optreden Jacobus Birwisch, Johannes de Brenen, Johannes Rufus en Johannes Randewinus’ zoon, die, in geval van niet-voldoening, te Arnhem in leisting zullen gaan, terwijl Johannes Randewinus’ zoon Jacobus Birwisch schadeloos zal houden.

Op 23 oktober 1315 ‘feria quinta post festum undecim milium Virginum’ oorkonden Cesarius Mauricius’ zoon en Winandus Sartor, schepenen te Arnem, dat Elias, zoon van heer Johannes de Woudenbergh, ridder, verklaard heeft schuldig te zijn aan Winandus Theodericus’ zoon een som van 300 pond, waarvoor borg staan Riquinus Ploych, Henricus Birwisch, Jacobus Birwisch, Neudo de Presinchave, Gerardus de Angherlo, Henricus de Jamerlo en Arnoldus Gharcelius’ zoon, die in geval van niet-voldoening te Arnem in leisting zullen gaan, terwijl Elias zijn borgen schadeloos zal houden.

Op 15 januari 1317 ‘in vigilia Epyphanie Domini’ oorkonden Gerardus de Angherloe, Winandus Snider en Winandus Ridder, schepenen te Arnem, dat Reijnerus, zoon van Wolterus Katsart in leen opgedragen heeft voor 1 pond aan heergewaden, aan Martinus, burger van Zutphania, zijn allodiale goederen genaamd Alardingh, gelegen te Werke binnen de parochie van Warendesvelde, welke goederen Martinus gehouden heeft van wijlen Wolterus Katsart en van Reijnerus, diens zoon, voor 5 mark, waarbij Reijnerus aan Martinus verklaard heeft, dat die goederen allodiaal waren van hem en van zijn vader, tot borgen waarvoor hij, voor een bedrag van 20 mark, heeft aangewezen voor 2 jaar Reijnerus de Malberghen, Sesarius Mauricius’ zoon en Henricus de Jamerloe, die in geval van niet-voldoening te Zutphania in leisting zullen gaan, terwijl Reijnerus bij gebrek aan vasallen voor die goederen heeft gekozen Gerardus de Angherloe, Winandus Snider en Winandus Ridder, voornoemde schepenen, Reijnerus de Malberghen, Jacobus Biirwijs, Cesarius Mauricius’ zoon, Arnoldus Garcilius’ zoon, Jacobus Bruneman, Theodericus Rufel, Hermannus de Damme, Arnoldus de Vorderen, Everardus, diens zoon, Arnoldus Crune en Henricus, bloedverwant van Arnoldus de Vorderen.

Op 1 februari 1319 ‘in vigilia Purificationis beate Marie virginis’ oorkonden Ccsarius Mauricius’ zoon en Gerardus de Angherlo, schepenen te Arnhem, dat Harmannus de Damme verklaard heeft schuldig te zijn aan Wilhelmus de Hekeren en aan Johannes de Brenen als inner een som van 128 pond, in te leveren in de St. Johannes’ kerk te Arnhem, waarvoor borg staan Wijnandus Theodericus’ zoon, Cezarius Mauricius’ zoon, Jacobus, zoon van Henricus Biirwiisch, Stephanus Borre, Riquinus de Palude en Elbertus de Brincke, die in geval van niet-voldoening te Arnhem in leisting zullen gaan, terwijl Harmannus de Damme zijn borgen schadeloos zal houden.
Op 6 februari 1319 ‘feria tercia post beate Aghate virginis’ oorkonden Jacobus Mauricius’ zoon, richter, en Gerardus de Angherlo en Henricus de Jamerlo, schepenen te Arnhem, dat Jutta, dochter van Henricus Biirwiisch, gesterkt door haar voogd Jacobus, haar broeder, afstand gedaan heeft van al haar goederen, geërfd van haar moeder Gheza en te erven van haar vader Henricus.

Op 5 februari 1322 ‘vicesimo secundo feria sexta post festum Purificationis beate Virginis’ oorkonden Henricus de Jamerlo en Arnoldus Garcelius’ zoon, schepenen te Arnhem, dat Godefridus Nuseman verklaard heeft schuldig te zijn aan Margareta, dochter van Henricus Bruno, en aan Johannes Heijme, een som van 5 mark Brabants, te betalen in 2 termijnen, elk voor de helft, bij niet-voldoening waarvan Greta of Johannes Heijme het geld bij panding in beslag kunnen nemen uit alle goederen van Godefridus, waarbij niettemin Jacobus Bierwisch, Cezarius Mauricius’ zoon en Gerardus de Angherlo beloofd hebben dat, indien deze panding in de eerste termijn plaats heeft, Godefridus hun goederen voor de helft van de voornoemde geldsom, n.l. 6 pond, in pand nemen kan, en dat zij aan Godefridus zolang de pacht van het veer te Arnhem zullen laten totdat hij de tweede 6 pond uit de inkomsten van dat veer bijeengebracht zal hebben.

Op 6 juli 1324 ‘des Vrijdaghes na Sente Peters messe ende Sente Pauwels’ erkent Reijnaut, zoon van den graaf van Gelre, erkent schuldig te zijn aan Jacob Henrics zoon Byrwysch voor geleverde wijnen 73 brabantsche marken, waarvoor hij als borgen aanwijst zijnen raad heer Bernard van den Dorenwerde, ridder, Wijnant Diderijcs zoon, Gherart van Angherlo en Johan van Loet, knapen, onder verband van leisting.

Op 28 juli 1330 ‘sabbato post festum Beati Jacobi apostoli’ oorkonden Jacobus Ketelhoet en Godefridus Monetarius, schepenen te Arnhem, dat Riquinus Ploch, Winandus Theodericus’ zoon en Gerardus de Angerlo, medeburgers, krachtens overeenkomst met hen gemaakt door Godefridus, heer Henricus, Arnoldus, Jacobus, Genekinus, Celemannus en Johannes, broeders, zoons van wijlen Jacobus Biirwysch, over de verdeling der goederen, welke zij geërfd hadden van hun ouders, verordenen, dat elk der broeders hetgeen hij uit de boedel krijgen zal boven alles zal bewaren,
dat de commendator en broeders van St. Johannes te Arnhem van het bedrag der jaarrente, hun door wijlen Jacobus Biirwisch toegewezen tot gedachtenis van hem en van zijn vrouw Geza, 9 pond uit alle goederen van Jacobus Ketelhoet met uitzondering van het stenen huis, dat vroeger van Everardus Ploch was, zullen trekken totdat voornoemde Ketelhoet die rente krachtens open schepen-brieven zal afgelost hebben,
dat Genekinus binnen 2 jaar een som van 60 pond kleine denarii met een rente van 6 pond ’s jaars betalen moet, tot afkoop van een jaarrente van 6 pond aan de genoemde commendator en broeders, waarna die jaarrente niet meer aflosbaar zal zijn, en blijvend van hem zal geïnd worden, met al zijn goederen als onderpand,
dat een jaarrente van 2 pond, door Jacobus en Geza voor vrome doeleinden vermaakt, uit de cijnzen van binnen de stad, op de gestelde termijnen betaald moet worden,
dat Godefridus, de oudere broeder, aan Jacobus in leen moet geven de halve tiend in de Liemersch, leenroerig aan heer Bernardus de Dorenwerde, ridder,
dat hij vervolgens aan Genekinus in leen moet geven de halve tiend op de Velua, voor de helft der leengewaden leenroerig aan Borro, ridder, dat hij paard en tuig van zijn vader moet verkrijgen, evenals de goederen te Houthusen met een hoeve in de Lopenermark, zoals zijn vader ze in bezit had, en het huis en het daarvoor en daarachter liggende land met 2 huizen te Pomerlo in de richting van de straat, zonder ze te mogen betrekken vóór Pasen, omdat zijn broeders daar tot. zolang nog wonen, hoewel hij de daaruit verschuldigde cijnzen intussen wel betalen moet, en alle rechten die Jacobus gehad heeft op het land van Celekinus Bennen, waar hij mag bouwen tegen de muur van het stenen huis aan en waar de afvoergoot van het stenen huis van het land naar de straat geleid moet worden om te voorkomen, dat Godefridus in de bouw gehinderd wordt door afvoerwater, onder bepaling dat hij uit die goederen 100 pond kleine denarii moet betalen aan Celemannus en aan Johannes,
dat heer Henricus alle goederen te Hosel, met wat er bij behoort, in huur moet verkrijgen voor 18 pond ’s jaars, evenals een jaarrente van 7 pond kleine denarii, uit de “nie slach” uit de weiden te Westerwoert, te betalen door Arnoldus, die die “nie slach” verkrijgen zal en die rente zelf innen kan uit andere bepaalde goederen te Arnhem of binnen een mijl daarvandaan, en een jaarrente van 4 pond, 9 solidi en 9 denarii uit de binnen de stad in de lakenhal opgebrachte cijnzen, en de helft van 27 mark Brabants in baar geld en 15 malder tarwemeel, dat Arnoldus, Jacobus, Genekinus en Celemannus en Johannes gezamenlijk elk ¼ deel moeten verkrijgen van het stenen huis en van de daarachter liggende boomgaard, waaruit Arnoldus, Jacobus en Genekinus elk een jaarrente van ½ mark aan Johannes moeten betalen, welke zij zelf innen kunnen uit bepaalde goederen binnen de stad, en waaruit Genekinus een jaarrente van 1 mark Brabants aan Jacobus moet betalen, welke hij met 10 mark Brabants kan aflossen,
dat Jacobus 15 malder tarwemeel moet verkrijgen,
dat Celemannus en Johannes verkrijgen moeten de goederen ten Broke met molen, viswater en boomgaard en met al het daar liggende land in het Arnhemse Veld en op de plaats Oppen Mersche, evenals 2 hoeven in het Arnhemse Bos met al wat daar bij behoort, zoals hun vader die bezat, en de goederen te Ryswyc en de helft van het gereed geld, waarvan de andere helft, aan heer Henricus is toegekend,
dat, indien een der vier broeders zijn ¼ deel van het stenen huis en van de boomgaard verkopen wil, hij het eerst aan de drie overige moet aanbieden, van de oudste af aan, voor 5 pond kleine denarii minder dan aan een ander,
dat Jacobus en Genekinus, ingeval van een huwelijk, aan hun vrouwen het vruchtgebruik van hun tienden kunnen geven,
dat Godefridus de tiend in de Limersch, leenroerig aan jonkvrouwe de Haghesteyne, moet verkrijgen en overgeven moet aan Genekinus tegen betaling van de helft der inningskosten en de helft der heergewaden, terwijl Godefridus, ingeval van weigering, aan Genekinus de geleden schade vergoeden moet,
terwijl Riquinus Ploch, Winandus Theodericus’zoon en Gerardus de Angerlo voornoemd zich de oplossing van alle twijfel en geschillen, naar aanleiding van deze voorwaarden ontstaan, voorbehouden.

Op 28 januari 1340 ‘feria sexta post Agnetis virginis’ oorkonden Udo de Mekercn, richter van Arnhem, en alle schepenen, dat Godefridus, Arnoldus, Copikinus en Garcilius Biirwisch, broeders, een overeenkomst aangegaan zijn betreffende het stenen huis, vroeger van Jacobus Biirwisch, hun broeder, en de boomgaard en de weg achter dat huis, volgens welke Copikinus eensdeels en zijn drie broeders anderdeels afwisselend het stenen huis met de weg zullen bezitten, Copikenus gedurende een jaar, waarin de onkosten voor zijn rekening zullen komen, terwijl van de daarna door hem gemaakte onkosten de vier broeders elk 1/4 deel schuldig zullen zijn, met al hun goederen als onderpand, de drie broeders van Copikinus gedurende 3 jaar op dezelfde wijze, waarbij vastgesteld is dat Copikinus het 1/4 deel van de boomgaard, het dichtst bij de weg, zal krijgen, volgens de verdeling van Gerardus Werdelene, en dat de broeders een heining moeten maken langs de weg, waarvan Copikinus 1/4 deel en zijn drie broeders gezamenlijk 3/4 deel moeten maken, terwijl van de heining tussen het deel van de boomgaard van Copikinus en dat van Garcilius, elk van hen beiden de helft moet maken, onder toevoeging dat alle cijns en rechten uit en op dat huis en die boomgaard gehandhaafd zullen blijven.

 

Uit dit huwelijk:

Godefridus Bierwisch, schepen van Arnhem (1331)

Henricus Bierwisch, schepen van Arnhem (1327), overleden < 9 april 1355. Gehuwd met Margareta NN, overleden > 9 april 1355

Arnt Bierwisch

Genekinus Jacobi Bierwisch, richter van Arnhem (1334, 1336-1338)

Celemannus Bierwisch

Johannes Bierwisch, schepen van Arnhem (1352-1353, 1356-1357, 1361-1362, 1364), overleden > 1 april 1375