Biirwisch, Henricus (->1319)

Henricus Biirwisch, schepen van Arnhem (1302-1303, 1311, 1316), overleden > 28 juni 1319

Gehuwd met

Gheza NN

Gehuwd met

Jutta NN

 

Bronnen: 1) geldersarchief.nl, 2) Coulissen van de macht, C.L. Verkerk. Gelre, Vereeniging tot beoefening van Geldersche geschiedenis, oudheidkunde en recht no. 42, 1992, 3) Regestenlijst van de schepenkist-oorkonden uit het rechtelijk archief van Arnhem, R.A.D. Renting, ‘s-Gravenhage, 1952

NB: Henricus Biirwisch heeft een broer Genekinus Biirwisch, vermeld als schepen van Arnhem in 1293. De afstamming is niet duidelijk. C.L. Verkerk (1992) vermoed een afstamming van de muntmeester Genekinus (vermeld 1254). Deze Genekinus zou dan een broer kunnen zijn van Henricus de Berwichs (overleden voor 1274).

Op 3 februari 1299 ‘in crastino Purificationis beate Marie’ oorkonden Nicolaus Winandus’ zoon en Henricus, zoon van Fissia, schepenen te Arnem, dat Winandus Cesarus’ zoon, broeder van Johannes Cesarius’ zoon, en Meina en Greta, zusters van Johannes Cesarius’ zoon, in overleg met Theodericus Winandus’ zoon en Henricus Birwisch, ten behoeve van genoemde Johannes afstand gedaan hebben van de tuin en het huis, waarin deze woont, en van de overige goederen uit de nalatenschap van hun vader Cesarius en van hun moeder Bia, wat Meina en Greta betreft de goederen in het Arnemse Veld, die, met uitzondering van het land van Pesekemole, haar waren toegewezen, en wat Winandus betreft de goederen in Lopen, terwijl Johanncs, zolang hij zulks belieft, zijn zuster Greta zal onderhouden op zijn kosten.

Op 14 juni 1301 ‘in vigilia beati Viti’ oorkonden Gerardus Man, Wellekinus, Theodericus Winandus’ zoon, Godekinus Pape en Johannes Cesarius’ zoon, schepenen te Arnem, dat Garcelius de Gruthus en Henricus Biirwisch, zijn vriend, erkend hebben, dat, wie van hen de grote tiend zal kopen, van Henricus de Burcamp, gelegen te Duven, de profijten daaruit met de ander gelijkelijk moet opdelen, totdat zij de tiend onder elkaar verdeeld hebben.

Op 24 september 1315 ‘feria quarta post festum sancti Mathei’ oorkonden Johannes Cesarius’ zoon en Wolterus de Wortreden, schepenen te Arnem, dat Godefridus de Barle als hoofddebiteur verklaard heeft schuldig te zijn aan Johannes van der Ze en aan Johannes de Brinen een som van 200 pond Tourssc groten van 16 denarii, waarvoor borg staan Henricus Birwisch, Nicolaus de Rinwijc, Johannes de Winkel, Albertus de Lore, Nicolaus Elbertus’ zoon, Henricus Borre, Arnoldus Albertus’ zoon en Godefridus de Zetten, die, ingeval van niet-voldoening, te Arnem in leisting zullen gaan, terwijl Godefridus de Barle zijn borgen schadeloos zal houden.
Op 23 oktober 1315 ‘feria quinta post festum undecim milium Virginum’ oorkonden Cesarius Mauricius’ zoon en Winandus Sartor, schepenen te Arnem, dat Elias, zoon van heer Johannes de Woudenbergh, ridder, verklaard heeft schuldig te zijn aan Winandus Theodericus’ zoon een som van 300 pond, waarvoor borg staan Riquinus Ploijch, Henricus Birwisch, Jacobus Birwisch, Neudo de Presinchave, Gerardus de Angherlo, Henricus de Jamerlo en Arnoldus Gharcelius’ zoon, die in geval van niet-voldoening te Arnem in leisting zullen gaan, terwijl Elias zijn borgen schadeloos zal houden.

Op 22 mei 1318 ‘feria secunda post Dominicam Cantate’ oorkonden Arnoldus de Gruthus en Winandus Sartor, schepenen te Arnhem, dat Gerardus Utenwerden en Hermannus, zijn broeder, verklaard hebben schuldig te zijn aan Wolterus de Wortreden, Johannes Bertoldus’ zoon en Ludolfus de Arden een som van 60 mark en 23 Toursse groten, waarvoor borg staan Henricus Biirwisch, Winandus Ridder, Jacobus Mauricius’ zoon, Henricus de Jamerlo, Ghenemannus Biirwisch en Theodericus Peyperman, die ingeval van niet-voldoening te Arnhem in leisting zullen gaan, terwijl Gherardus zijn borgen schadeloos zal houden, en Otto de Avesat in het bijzonder Henricus Biirwisch schadeloos zal houden, waarvoor Gerardus al zijn goederen aan Otto in pand gegeven heeft.

Op 6 februari 1319 ‘feria tercia post beate Aghate virginis’ oorkonden Jacobus Mauricius’ zoon, richter, en Gerardus de Angherlo en Henricus de Jamerlo, schepenen te Arnhem, dat Jutta, dochter van Henricus Biirwiisch, gesterkt door haar voogd Jacobus, haar broeder, afstand gedaan heeft van al haar goederen, geërfd van haar moeder Gheza en te erven van haar vader Henricus.
Op 28 juni 1319 ‘in vigilia beati Petri et Pauli apostolorum’ oorkonden Jacobus Mauricius’ zoon, richter, en Wolterus de Wortreden en Arnoldus Gharcelius’ zoon, schepenen te Arnhem, dat Henricus Biirwiisch, medeburger, erkend heeft verkocht te hebben aan Gobelinus de Colonia een jaarrente van 2 pond uit het vierde deel van een huis aan het Forum Antiquum te Arnhem, naast het vleeshuis, welke jaarrente Greta, weduwe van Ghenekinus Biirwiisch, beloofd heeft te betalen aan Gobelinus zoals tevoren aan Henricus Biirwiisch, terwijl Jutta, vrouw van Henricus Biirwiisch, Jutta, diens dochter, en Ghenekinus, Jacobus en Ghiselbertus, broeders, zoons van Henricus Biirwiisch, die verkoop goedgekeurd hebben.

Op 29 juli 1331 ‘feria secunda post Jacobi apostoli’ oorkonden Jacobus Mauricius’ zoon, richter, en Wijnandus Theodricus’ zoon en Jacobus Ketelhoct, schepenen te Arnheym, dat Ernestus Garcelius’ zoon en Jutta, zijn vrouw, verkocht en overgedragen hebben voor 1 kleine nummus aan erfpacht aan Wijnandus Ridder een hont land gelegen in het Arnheijmse Veld naast de Bischopsacker, vroeger van Henricus Biirwisch, waarbij zij beloofd hebben dat land bij de leenheer daarvan te zullen waren, bij niet-voldoening waarvan zij aan Wijnandus de daaruit geleden schade vergoeden moeten.

 

Uit het 1e huwelijk:

Ghenekinus Bierwisch, schepen van Arnhem (1316-1317)

Jacobus Bierwisch

Ghiselbertus Bierwisch

Jutta Bierwisch. Gehuwd met (?) Ernestus Garceliusz, schepen van Arnhem (1332)