Arnt Bierwisch, schepen van Arnhem (1338, 1344-1349), zoon van Jacobus Bierwisch en Ghese NN, overleden < 1365
Bronnen: 1) geldersarchief.nl, 2) Coulissen van de macht, C.L. Verkerk. Gelre, Vereeniging tot beoefening van Geldersche geschiedenis, oudheidkunde en recht no. 42, 1992, 3) Het archief der Commanderij van St. Jan te Arnhem, J. Loeff, 1950, 4) Regestenlijst van de schepenkist-oorkonden uit het rechtelijk archief van Arnhem, R.A.D. Renting, ‘s-Gravenhage, 1952
Op 28 juli 1330 ‘sabbato post festum Beati Jacobi apostoli’ oorkonden Jacobus Ketelhoet en Godefridus Jacobus’ Bruno’s zoons zoon, muntmeester, schepenen te Arnhem, dat Godefridus, heer Henricus, Arnoldus, Jacobus, Ghenekinus, Celemannus en Johannes, zoons van wijlen Jacobus Byrwisch en diens vrouw Ghese, verklaren zich te zullen houden aan de uitspraak van Ryquinus genaamd Ploech, Wijnandus Theodoricus’ zoon en Gherardus de Angerlo over de verdeeling hunner goederen.
Op 28 januari 1340 ‘feria sexta post Agnetis virginis’ oorkonden Udo de Mekercn, richter van Arnhem, en alle schepenen, dat Godefridus, Arnoldus, Copikinus en Garcilius Biirwisch, broeders, een overeenkomst aangegaan zijn betreffende het stenen huis, vroeger van Jacobus Biirwisch, hun broeder, en de boomgaard en de weg achter dat huis, volgens welke Copikinus eensdeels en zijn drie broeders anderdeels afwisselend het stenen huis met de weg zullen bezitten, Copikenus gedurende een jaar, waarin de onkosten voor zijn rekening zullen komen, terwijl van de daarna door hem gemaakte onkosten de vier broeders elk 1/4 deel schuldig zullen zijn, met al hun goederen als onderpand, de drie broeders van Copikinus gedurende 3 jaar op dezelfde wijze, waarbij vastgesteld is dat Copikinus het 1/4 deel van de boomgaard, het dichtst bij de weg, zal krijgen, volgens de verdeling van Gerardus Werdelene, en dat de broeders een heining moeten maken langs de weg, waarvan Copikinus 1/4 deel en zijn drie broeders gezamenlijk 3/4 deel moeten maken, terwijl van de heining tussen het deel van de boomgaard van Copikinus en dat van Garcilius, elk van hen beiden de helft moet maken, onder toevoeging dat alle cijns en rechten uit en op dat huis en die boomgaard gehandhaafd zullen blijven.
Op de verdelingslijst van de broekgronden onder de eigenerfde burgers van de stad Arnhem uit 1364–1365 is vermeld: Aernt Birwisch kijndere – 2 hont.
Op 28 april 1382 ‘des Maendages na sint Marcus’ dach ewangelijsten’ verklaart heer Thomas van Doesborch, commandeur van het Huis van St. Johan te Arnheym, dat Margriet Bierwijsch Arntsdochter met hem en het Convent te Arnheym heeft gekocht en betaald 8 hond land, gelegen in de 3½ morgen, de Breyde, in het kerspel Ynghen, die de commandeur en het Convent gekocht hebben van Bertolt Godertszoon, en waaruit jaarlijks een tijns van een oud groot gaat aan Claes van Wije te Echtelt.
Op 5 juni 1382 ‘op sint Bonifaes’ dach’ verklaart Godert Dirixzoon verkocht te hebben aan heer Thomas van Doesburch, commandeur, en aan de heeren van St. Johan te Arnheym 3½ morgen land, die Breijde, in het kerspel Ynghen, met als medekoopers Margriet, dochter van Arnt Bierwijsch, voor 8 hond van dat land, en van Mechtelt van Emmeric, dochter van Gherijt Hoeft van Herderwic, voor 5 hond.
Op 12 november 1382 ‘des Wonsdags nae sente Martiinsdach in den wijnter’ oorkondt Herman van Weilhusen, richter te Arnhem en te Westerwort, dat Geertruut, dochter van Arnt Bierwisch, erkend heeft schuldig te zijn aan Margriete, haar zuster, 40 oude gouden schilden, waarvoor zij Margriete zet in haar land, totdat de schuld betaald zal zijn.
Op 17 februari 1383 ‘des Manendages nae sente Valentiinsdach’ oorkonden Jacob Lambertszoon en Herman van Duren, schepenen te Arnhem, dat vrouw Mechteld, vrouwe van Woudenberch, erkend heeft schuldig te zijn aan Griete, dochter van Arnt Bierwisch, haar jonkvrouw, 100 oude gouden schilden, zoowel van geleend geld als voor bewezen dienst, waarvoor zij al haar goed, haar inboedel en haar benoodigdheden, die zij heeft in het Huis van St. Jan, waar zij woont, in onderpand geeft.
Op 27 oktober 1383 ‘op sunte Sijmon ende Judenavont’ oorkondt Herman van Weijlhusen, richter te Arnhem en te Westerwort, dat Jacob, Gheneman, Geertrud, Margariete en Katerine Bijerwijsch, broeders en zusters, hebben gedeeld 5 morgen land, welke zij hebben van hun broeder Henric, en die gelegen zijn te Westerwort, aan deze zijde van den IIssele.
Op 25 januari 1390 ‘op sunte Pauwelsdach des heiligen apostelen’ oorkondt Arnt ten Have, richter te Arnhem en Westerwort, dat Katerijne, dochter van Arnt Bierwisch, haar morgen land in Westerwordervelt niet verkoopen zal zonder toestemming van Margrite, haar zuster.
Op 6 april 1390 ‘des Wonsdags nae Paesschen’ oorkondt Arnt ten Have, richter te Westerwort, dat Geertruijt, Margriete en Catherine, dochters van Arnt Bierwisch, hebben verdeeld haar drie morgen land in Westerwoerdervelde.
Op 14 februari 1395 ‘op sunte Valentiinsdach’ verklaart Broeder Gherit die Rijke, commandeur van het Gasthuis van St. Jan te Arnhem, gekocht te hebben, ten behoeve van het Godshuis, van Jan Borre en zijn vrouw Willem 7 hond land, gelegen in de maalschap Ommeren in de Oude Weyde, 5 hond op Spilbarch, 1 morgen land op Volkendam en 16 roeden naast land en erf van de kerk van Hoesden, van welk land Margriete Bierwisch, “onse zuster”, het vierde deel gekocht heeft voor 70 Geldersche guldens, waarvoor zij gedurende haar leven jaarlijks een vierde deel der opbrengst zal ontvangen.
Op 18 november 1397 ‘des Sonnendaghes nae Martini in den wijnter’ maakt Gheenman Bierwisch Arntszoon zijn zuster Margriete machtig in al het goed, hem aangekomen van wijlen zijn zuster Geertruijdt, om daarmee te doen als met haar eigendom.
Op 17 oktober 1398 ‘des Donredages nae sente Gallendaghe’ oorkonden Wijnant Scriver en Sander Tengnegel, schepenen te Arnhem, dat Catherine Bierwisch Arntsdochter schuldig is aan haar zuster Margarete 25 oude gouden schilden, waarvoor zij al haar goed als pand heeft gegeven, dat zij voorts heeft gegeven aan het Godshuis van St. Johan te Arnhem 10 nieuwe Geldersche guldens, om haar nagedachtenis jaarlijks te houden, aan den prior van St. Johan één oud schild, aan de gezellen in de Oude Kerk te Arnhem 4 nieuwe guldens voor haar nagedachtenis, voorts aan de Begijnen in Bertraet Costershuis één gulden, aan het Gasthuis van St. Claes te Arnhem één gulden, aan Aliit van Angeren 2 gulden en een koperen pot, en aan Griete, dochter van haar broeder Jacop, haar beste huik en één gulden, alles te betalen uit het goed, dat zij na haar dood nalaat.
Op 24 februari 1399 ‘des Manendaghes na sinte Petersdach ad Cathedram’ verklaren broeder Rutgher Pouwels, commandeur van het Godshuis en balyer van St. Katherine te Utrecht van de Orde van St. Johan, broeder Johan van Lettouwen, prior, en het Convent van St. Johan te Aernem, dat Katherine, dochter van Aernt Bierwisch, hun heeft overgedragen ten behoeve van het Godshuis te Aernem, een morgen land in Westervoerder broek, waarvoor Katherine haar leven lang zal ontvangen van het Godshuis 4½ oude Frankrijksche schilden.
Op dito verklaren broeder Rutgher Pouwels, comamndeur van het Godshuis en balyer van St. Katherine te Utrecht van de Orde van St. Johan, en de prior en het convent van St. Johan te Aernem, dat Margriete, dochter van Aernt Bierwisch, heeft gegeven 2 morgen land in het gericht Westervoert in het Broek, ten behoeve van de pitanciën van Aernem, waarvoor zij uit het Godshuis en de pitanciën te Aernem, haar leven lang, jaarlijks 6 oude Frankrijksche schilden ontvangen zal en, na haar dood, haar zuster Katherine 2 oude schilden ’s jaars.
Op 24 februari 1400 ‘des Dinxdaghes nae sente Petersdach ad Cathedram’ verklaren broeder Johan van Lettouwen, commandeur, en het convent van het Godshuis van St. Johannes te Aernhem, ontvangen te hebben van Margariete Bierwisch Aerntsdochter 27 oude schilden, besteed aan een halven morgen van de 2 morgen in het Velperbroek, die zij en het Convent gekocht hebben van Steven van Brienen, waarvoor Margriete, Katherine, haar zuster, en Griete, dochter van Jacob Bierwisch, haar nicht, haar leven lang van het Godshuis zullen ontvangen de opbrengst van dien halven morgen.
Kinderen:
1 Henric Bierwisch
3 Geertruijdt Arnts Bierwisch, overleden 1390-1397
4 Gheenman Arntsz Bierwisch, schepen van Arnhem (1374, 1375, 1376), overleden > 18 november 1397
5 Margriete Arnts Bierwisch, overleden > 24 februari 1400
6 Katherine Arnts Bierwisch, overleden > 24 februari 1400