Dursdael de jonge, Rabeth van (ca. 1460->1535)

Rabeth van Dursdael de jonge, schatmeester van Roermond (1494), leenstadhouder van Horn (1495), meester van het broederschap Onze Lieve Vrouw Op ter Poorten (1504), schepen van Roermond (1507-1532), kerkmeester van de St. Christoffelkerk in Roermond (1523, 1526), zoon van Rabeth van Dursdael de oude en Margaretha van Wachtendonck, geboren ca. 1460, overleden > 11 mei 1535

Gehuwd < 4 maart 1490 met

Geertrude Kellener

 

Bronnen: 1) archieven.nl, 2) archiefroermond.nl, 3) ecal.nu, 4) geldersarchief.nl, 5) crugten.nl, 6) Bijdragen tot de geschiedenis der Graven van Kessel, Ed. Rosenkrantz. In: De Maasgouw. Orgaan voor Limburgsche Geschiedenis, Taal en Letterkunde, 23e jaargang, 15 maart 1901, no. 5, 7) Genealogie Van Dursdal, Jan Verzijl. In: De Maasgouw. Orgaan voor Limburgsche Geschiedenis, Taal en Letterkunde, 52e jaargang, maart-april 1932, afl. 2

Op 23 augustus 1489 verklaren Elze van Reij, Gerairt van Reij en Rabet van Dorsdale de jonge, dat meester Johan van Reij, kanunnik van St Jhoris binnen Keulen, zoon van Elze en broer van Gerairt, het ritmeesterambt van het kapittel van Onze Lieve Vrouw te Aken op zich heeft genomen, volgens voorwaarden en artikelen volgens notariële akte van Adam van Teijfelen. Comparanten staan borg.

Op 4 maart 1490 herroept Jacob Melter het momberschap van Johan de Koster in de Heilige Geest. Vervolgens verkoopt Jacob een huis c.a. op de Dries, tussen huizen van Jacob van ghen Beke en Rabet van Dorsdale de oude, met de plaats er tegen aan, Johan Custer had het huis als momber bij jaargeding uitgewonnen. Kopers zijn Rabet van Dorsdale de jonge en Geertrude Kellener, echtelieden.
Op 28 augustus 1490 ‘sabbato post bartholomei apostoli’ verklaart Johan Molener van Mewen, priester, rector van het begijnhof te Roermond, dat het huis op de Dries, gelegen tussen die van Jacop Melters en wijlen Drijess Becker, genaamd ‘die Kuecken’ toebehorende aan Rabet van Dorsdale de jonge, vroeger van Melters (of van Marie van Broickhusen, begijn op het Begijnhof, onduidelijk wegens vele doorhalingen) belast is met twee malder rogge ’s jaars voor de rector van het begijnhof. Johan Molener verklaart dat hij de rente reduceert tot een malder en het andere malder overdraagt aan het begijnhof. Op dezelfde dag verklaart Marie van Broickhusen, begijn op de Nieuwenhof te Roermond, dat zij een deel van een hoeve heeft op de Dries, achter het begijnhof gelegen, welk deel en het huis van Rabet van Dorsdale de jonge, genaamd de Kuecken, samen verbonden zijn tot 2 malder rogge ’s jaars ten behoeve van de rector van het Begijnhof. Zij bevestigt de verklaring van Johan Molener van Mewen, rector, van heden. Idem doet Rabet van Dorsdale.

Op 4 mei 1491 geeft Heijnrick Kellener 20 malder rogge jaarrente aan Rabet van Dorsdale, verder de hof en goed Groot Ensenbroick (zoals Rutt van den Eijnde bezat) volgens zegel en brief. Overdracht gaat in per Allerheiligen.

Op 19 december 1494 belooft Karel, hertog van Gelre, onder andere Thijs van Merwick, ambtsman ’s lands van Kessel, schadeloos te zullen houden wegens borgstelling onder verband van inleisting bij Raboth van Dorsdael de jonge, schatmeester te Roermond, als bij Johan van Broekhuizen Janszoon en Peter van den Bosch, priester.

Op 28 februari 1504 ‘op goinsdach post Invocavit’ ontheft (Hertog Karel) Raboth van Dursdaell de Jonge van de jaarlijkse betaling van elf malder rogge uit zijn goederen in het ambt van Montfort, totdat hij zijn vordering op oorkonder gecompenseerd zal hebben. Op dito verpandt Kaerle hertog van Gelre voor 200 gld, aan Raebeth van Dursdall den jongen 11 molder rogge, die hij jaarlijks uit zijn goederen in het ambt Montfort verschuldigd is. In margine: “geëxhibeert XVen Decembris anno viftich per den scholtis van Rueremunde Johan van Cruchten ind is dese principaelbrieff rustende bij joffr. Anna van Dorsdall, to Rueremunde wonende”.
Op 19 augustus 1504 ‘des maendags nae onser liever vrouwendach assumptionis’ verkoopt Peeter Budelmecker aan Rabet van Dursdale en Leonart van Hueckelhaven, als meesters der broederschap van Onze Lieve Vrouw ‘op der poorten’, die nu in de parochiekerk gehouden wordt, de erfrente van 4 overlandse rijnsguldens vermeld in de akte van 13 juli 1500, die wordt getransfigeert. De rente zal als volgt worden besteed: 3½ gulden voor een wekelijkse mis op vrijdag en ½ gulden om een door verkoper gefundeerde erflamp te laten branden.

Rabet van Dorsdale oorkondt als schepen van Roermond op 22 juni 1510 bij een getuigenis en op 31 oktober 1510 bij de overdracht van een jaarrente. Op 15 oktober 1515 ‘feria secunda in profesto galli confessoris’ klaagt Rabot van Dorsdale op weekgeding tegen Reijner Gruijter. Rabot heeft van diens neef Leonart Gruijter een huis en plaats gekocht op de Dries, gelegen tegenover het huis van zijn moeder. Reijner heeft het kerkgebod opgehouden.

Op 31 augustus 1520 ‘vrijdach na sunte Johansdach Decollationis’ schrijven de bevelhebbers van Bergh aan Rob van Dursdaill, burgemeester (van Venlo), naar aanleiding van diens brief van 5 juli 1520 dat zij gaarne zijn oordeel over de zaak willen vernemen. Op 12 september 1520 ‘Gousdach post Nativitatis Marie’ antwoordt Rabett van Dursdaill aan de bevelhebbers then Berghedat hij aanraadt in plaats van den overleden Johan van Hoecklaven een anderen scheidsman te kiezen, en een bespreking met gedeputeerden van partijen te doen plaats vinden. Op 31 juli 1521 ‘guesdach post Panthaleonis’ schrijven de bevelhebbers van Bergh aan Raboth van Dursdaill, burgemeester, dat zij gaarne een schriftelijken eisch van vrouwe Rovers zullen ontvangen. Op dezelfde dach zendt Wernerus Elferdinck aan Emmerich Berenkott een afschrift van den brief aan Rabod van Dursdaill en deelt mede, dat wel eenigen hunnerzijds ter bespreking naar Boxmeer willen komen. Op 9 augustus 1521 ‘up sent Laureijns’avont’ antwoordt Rabet van (Dursdaile) aan de bevelhebbers thoim Berge dat heer Pancraes, de pastoor te Bougen, het beste van de zaak op de hoogte is, en zij zich dus tot dezen moeten wenden. Op 16 februari 1522 ‘up Sonnedach post Valentini’ antwoorden de bevelhebbers (van Bergh) aan Rabot van Dursdaill c.s. dat zij, zonder van de zaak meer te weten, niet in een bespreking willen treden, en verzoeken hun aan vrouwe Rovers toestemming te vragen de stukken op te zenden. (De bevelhebbers) van Bergh zenden aan (Emmerick) Bernekott afschrift van hun brief aan Rabot van Dursdaill c.s.

Op 5 juli 1528 ‘sondachs nae visitationis marie’ besluit de broederschap van St. Jan de Doper en St. Mathijs, bijeen ten huize van Raboth van Dursdall voor het afhoren van de rekening, in de parochiekerk vier missen te funderen op de quatertemperdagen voor de zusters en broeders van de broederschap.

Op 11 oktober 1530 beveelt (Hertog Karel) Raboth van Doersdael om een lijst te zenden met de namen van die inwoners van Roermond die weigeren tol te betalen.

Rabeth van Dursdaell zegelt op 11 mei 1535 bij de deling van de nalatenschap tussen Johan van Lom en Eva van Baerle, echtelieden, en Emondt van Baerle.

Op 3 november 1537 vindt de scheiding en deling plaats tussen Arnt en Herman van Wachtendonk, gebroeders, zonen van Arnt van Wachtendonk en Stijne van der Horst. Een rente van 21 malder rogge op de tiend van Horst ten behoeve van Rabeth van Dursdal wordt door beide broers gedragen.

 

Uit dit huwelijk:

Anna van Dursdael

Arndt van Dursdael, schepen van Roermond (1537-1538, 1545, 1547, 1558), burgemeester van Roermond (1549, 1556), overleden 15 maart 1559 te Roermond. Gehuwd met Hillegundis van Wachtendonck. Gehuwd met Margaretha Johans van der Grijnde

Christoffer van Dursdael, schepen van Roermond (1546-1548), geboren te Roermond, overleden > 5 januari 1572. Gehuwd met Anna van Nederhoven (Lovenich)

Margaretha van Dursdael. Gehuwd met Dederick van Cruchten, scholtis van Roermond, zoon van Dederick van Cruchten en Mechtildis van Lom, overleden 1548-1552

Wijnand van Dursdael, overleden > 8 mei 1565