Deventer, Willem Claes (1518/19-1575/76)

Willem Claes Deventer (de Jonge), alias Wijntgen van Deventer, bouwman in het Laageind van Middelkoop, zoon van Claes Willem Ottensz en Margriet Cornelis van Aefferen, geboren 1518-1519 te Middelkoop, overleden 1575-1576

Gehuwd met

Willemke Ghijsbrechts

 

Bronnen: 1) hogenda.nl, 2) Genealogie van de familie Hertoch, Hartoch, Deventer uit de Vijfheerenlanden, Ing. H. den Hertog. In: Zuidhollandse Genealogieën, 1986. Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie ‘Ons Voorgeslacht’, 3) 10e penning van Middelkoop 1544, B. de Keijzer. Nationaal Archief, Staten van Holland voor 1572 (toegangsnr. 3.01.03) inv. nr. 295, 4) 10e penning van Middelkoop 1562, B. de Keijzer. Nationaal Archief, Staten van Holland voor 1572 (toegangsnr. 3.01.03) inv. nr. 1349, 5) 10e penning van Leerbroek, B. de Keijzer. Nationaal Archief, Staten van Holland voor 1572 (toegangsnr. 3.01.03) inv. nr. 1329, 6) 10e penning Leerdam 1553, B. de Keijzer. Nationaal Archief, Staten van Holland voor 1572 (toegangsnr. 3.01.03), inv. nr. 681, 7) Leerdam, oud-rechterlijk archief, 1572-1589, Ir. A.I. Grabowsky m.m.v. B. de Keijzer, 8) Leerdam, oud-rechterlijk archief, 1602-1611, Ir. A.I. Grabowsky m.m.v. B. de Keijzer, 9) Gorcum, rechterlijk archief (1540-1597), Ir. A.I. Grabowsky, 10) Gorcum, rechterlijk archief (1541-1560), Ir. A.I. Grabowsky, 11) Gorcum, rechterlijk archief (1561-1574), Ir. A.I. Grabowsky, 12) Gorcum, rechterlijk archief (1574-1600), Ir. A.I. Grabowsky

Zij wonen in ’t Leecheijndt van Middelkoop in een huis op de “21 mergen” (erfgoed van zijn vader).

Bij de boedelscheiding van zijn vader op 3 februari 1540 wordt bepaald dat ‘Willem Claess die Jonge sall alleen hebben ende behouden dat rechte vierendeell van die geheelle hoeve lants van 21 mergen ende al soe groot ende cleijn als die gelegen sijn in Middelcoop daer Claes Willemsen sijn vaeder up woende int leste van sijn leven, belent inde oosten sijde van deselve hoeff, streckende vanden Leerbroeckschen lande aff totter Hubertscher weteringe toe; ende noch de huer off bruijckweer van Jan Jacobsz vierendeell inden voirs. hoeve lants dat welck hij mede gebruijcken sall inden oosten sijden vanden selven hoeve lants beheltlijcken (behalve) dat nijemant van sijn broeders off Susteren nu noch tot gelegener tijden hem geen hijnder off schade en sullen moeten doen aende huer van Jan Jacopsz vierendeell vanden voirs. landen; ook moet Willem samen met Anthonis en Marijken aan al hun broers 3 pond grote Vlaams uitreiken’.

Op 9 januari 1543 geeft Willem Claes de Jonge aan zijn broer Willem Claes de Oude als natuurlijke voogd en ‘momboir’ van Cornelia Claesdr 3 karolus gulden en 2$ stuver jaarlijks te betalen ‘op der heijligen drije Codghen dach.’ Dat is de rente van de verschenen landpachten, het hoofdgeld bedraagt 16 karolus gulden. Als borg is te ‘nemen ende te heffen op ende uuijt 5 mergen ende 1 hont lants gelegen op Middelcoop in een weer landts van 21 mergen gemeen ende onverdeelt met Jan Jacopssen t Oudewater ende Claes Willemsen kinderen, daer boven naestgelant is Jan Willemsen met zijn medewerckende ende beneden gelegen die Vijfvierdel, streckende vanden Leerbroeckse landt aff tot die Hubertsche weteringe toe.’ Kennelijk werd het omgeslagen over alle erfgenamen.
Op 13 maart 1543 verkoopt Willem Claessen uit Middelkoop een vijfde deel van 7 mergen land genaamd het Breeweer, gelegen op Leerbroek, aan Lijsbet Dirck Goverts weduwe. Jenneke, de weduwe van Jacob Willem Ottens heeft 4 mergen van het Breeweer in bezit. Ook verkoopt hij een vijfde deel van 1 mergen van Claerkens Hoecht op Leerbroek aan Henrick Dirck Geritsen en Beert Dirck Govertsen, beiden wonende te Leerbroek.

In het register van de 10e penning van Middelkoop uit 1544 is vermeld:

  • Jan Jansz 3 morgen H van Willem Claesz,
  • Willem Claesz 52 morgen H van Neelke Claes,
  • Willem Claesz 5 morgen H van Jan Jacobsz,
  • Willem Claesz 52 morgen E.

Bij de boedelverdeling van Claes Willem Ottens is door loting bepaald dat Jan Jacopsz van Oudewater ‘off sijnen erven ende nacomelinghen souden mogen begeren alsoe den voirs. Jan Jacopsz. daer mede ingeerft is, dat sijluijden inden gevallen hem sullen moegen verhalen inde oisten sijden vant voirs. land’. Als ze het land wilden, verkopen of iets dergelijks, dan moest dat verhaald worden op d’eze oostzijde van de 21 mergen land. Willem was daardoor de pineut.  De eerste gebeurtenis rondom de erfloting is een feit als op 5 september 1544 blijkt dat Willem Claes Willem Ottensen volgens de huurcedulle pacht schuldig is aan Jan Jacobssen baljuw van Oudewater over een vierde deel van de 21 mergen. Maar (volgens deugdelijk bewijs) ’ter causse van die laeste oirloge van Gelre opt voors. lant van oncosten en schade geleden ende gehadt te hebben’ zal Jan Jacobsen deze schade moeten betalen en wel als korting op de betaling voor het huren van het land, dat Willem gebruikt heeft en nog gebruikt. Dat Willem niet de enige was die last van oorlogsvoering en dergelijke heeft gehad blijkt uit een akte van 2 april 1543 waarin vermeld is dat ‘het huijs, schuer en berg’ van Adriaen Pauwelsen, wonende in ’t Leecheindt van Middelkoop, in de laatste winter door de Geldersen is afgebrand. Ook blijkt op 5 november 1544 dat de schepenen van Gorinchem overwogen hebben, gelet op de ‘zwarigheden gevallen in die dorpen vanden Lande van Arckel, naementlick Leerbroeck, Middelcoep, Nulandt, Oosterwijck ende Kekum opgecomen ende geresen zijnde ter cause vande laeste oirloghe ende het water inden jaeren van 1543 gevallen ende inden jaeren 1544 verschenen, waarbij die gebruicker oft landpachter groote tosten schaden ende interesten aenden grootheeren ofte priestarijs gehadt hebben,’ om dan ‘die landpachten aenden groitheeren cortten sal mogen, die een helft vanden pachter vervallen ende verschenen en de andere helft door de grootheeren te betalen.

Op 18 november 1545 getuigen Damus Janss en Correlis Janss in Middelcoop op verzoek van Agnies Aerdt Hacken weduwe dat Aerdt Hacken vercocht heeft ten huize van Damus Janss aan ene Willem Claess ook won te Middelcoop een peerdt, enz.

Op 16 maart 1547 transporteert Willem Claess uit Middelcoop aan Grietken Thoenis Geritss de Houdtcopers weduwe 4½ kargul sjaers, te nemen uit 2 percelen elk groot 4½ morgen op Middelcoop, strekkende van de middelwetering af tot de hubertse wetering toe.

Op 13 maart 1548 transporteert Willem Claess te Middelcoop:

  • aan Lijs Derick Goversz weduwe 1⁄5 deel van 8½ morgen te Leerbroek gen het “breetweer”, strekkende van de middelwetering af tot Jacob Gerritss, en beloofde dat te weren met als onderpand 6 morgen met huis te Middelcoop waarin hij nu ter tijt woont,
  • aan Hanrick Derick Geritss en Beert Derick Govertsdochter beide wonende in Leerbroek 1⁄5 deel in 1m gen “claerkens hoicht”, strekkende van Lijs Derick Goeverts tot de heilige geest in Leerbroek, en beloofde dat te weren met 6 morgen met huis te Middelcoop, enz.

Op 7 mei 1548 Willem Claess beloofde Jan Janss de Haen in Middelcoop over de coop van 3m op ’t laageind van Middelcoop, enz.
Op 11 mei 1548 verklaren Cornelis Ghijsbertss oud 45 jaren, Willem Claess oud 29 jaren, Jan Peeterss oud 26 jaren en Thonis Jacobss oud 29 jaren op verzoek van Cornelis Henricxs te Middelcoop dat zij aanwezig waren toen de voorn Cornelis Henricxs verkocht heeft aan Reijer Jacobss won tot Dermeijde (?) en Adriaen Gijsbertss tesamen 10.000 hoepen enz.

Op 23 augustus 1550 belooft Willem Claessen in Middelkoop aan Thonis Hermans en Lijsbeth Adriaen Dircx weduwe, de moeder van zijn huisvrouw, wonende in het Hoocheijndt van Middelkoop, de koop van de helft van 7 mergen land in Middelkoop, onverdeeld met Mr. Marten van Os Goverdts (later burgemeester van Gorinchem) tussen de Leerbroeksche lande en de Hubertse weteringe, oostwaarts Willem Huijgen en westwaarts de ‘zwarte mannekens’ van Dordrecht, en dat met alle betelinge op die helft, uitgezonderd het huisje met de appelbomen. De koopsom is 480 karolus gulden. Negen jaar later, op 15 april 1559, is het Adriaentgen Jorisdr, weduwe van Jan Adriaensen, met als gemachtigde Cornelis Jan Gerritsen, die belooft aan Willem Claessen te betalen, maar nu een bedrag van 555 karolus gulden, van welk bedrag Jan Calff Petersen nog 250 karolus gulden moet betalen.

In het register van de 10e penning van Leerdam uit 1553 is vermeld: Willem Claesz 7 gulden 14 stuijvers.
Op 21 juli 1553 heeft Willem Claess uit Middelcoop verkocht aan Cornelis C(=L?)oenen 6 morgen 1 hont te Middelcoop, strekkende van Cornelis Janss tot de Hubertswetering.

Willem Claessen Deventer verkoopt op 11 augustus 1554 aan Cornelis Loenen van 6 mergen en 1 hond land op Middelkoop, noordwaarts gelegen Theunis Thijmansen en zuidwaarts Cornelis Loenen, strekkende van Cornelis Janssen tot de Hubertswetering toe.
Op 11 augustus 1554 moet Splinter van Voorn als gemachtigde van Cornelis Loeffsen van Lackervelt, Willem Claessen vervolgen voor alle verlossing van het ongemak (inhoudende 50 karolus gulden), die zijn broer Adriaen heeft op het land dat de kinderen van Cornelis Dirk Pauwelsen gekocht hebben van Willem Claessen. Ruim een half jaar later, 10 mei 1555, vervolgt Willem Claessen in Middelkoop de borgen Dirk en Cornelis Herberens van de nagelaten weeskinderen van wijlen Cornelis Dirck Pauwels tot Amstelredam, namelijk Dirk, Marie en Geertruijt Cornelisdr voor een rentebrief van 20 karolus gulden, die rust op de 6 mergen en 1 hond land in ’t Leecheijndt van Middelkoop. Dat hij nogal wat moeite heeft met het krijgen van deze rentebrief blijkt op 31 maart 1556, wanneer hij drie ‘besettinge’ laat doen op het land en op 15 mei 1556, wanneer hij wederom de voogden van de weeskinderen vervolgt voor de levering van een zekere rentebrief. Kennelijk is de zaak daarmee niet afgelopen, want op 17 mei 1558 getuigen Mr. Jacob Doel, oud 60 jaar, en Splinter van Voorn, oud 34 jaar, voor het gerecht dat ze ten huize van Anthoenis Neijenszoon geweest zijn, ‘alwaer Geertgen Cornelis Loeffs weduwe ende Willem Claessen uit Middelcoop tsamen rekening hielden, van de penningen die Cornelis Loeffs betaelt hadde opt lant dewelck hij tot behoeff van zekere luijden van Amsterdam gecoft had van Willem Claessen’ en waarvan hij Willem ondersteunde dat hij nog enige penningen moest krijgen, maar ‘de voors. weduwe seggende dat hij daervan betaelt was.’ Een andere getuige, Cornelis Thoenissen van Lexmond, ontkent tot viermaal toe dat Willem nog geld moest ontvangen. Maar Willen zweert bij ede dat het niet zo is. Cornelis Thoenissen heeft echter een ‘corffken’, waar hij ‘verscheiden cedullen in hadde ende bracht voort een certificatie daarbij ter contrarie blijkt, als dat Willem Claessen alsdaer ter plaetse bleek ghelt had ontvangen, eijntelick, dat doen ter tijt bevonden worde naerde rekening vande voors. weduwe.’ Willem laat het er niet bij zitten.

Op 26 februari 1556 verklaren Willem Huigen en Cornelis Henricxs alias ’t Kint beiden won te Middelcoop op verzoek van Gerit Coolen Geritss dat zij hebben horen zegen ten huize van Cornelis Henricxs en op andere plaatsen dat Willem Claess alias Wijntge van Deventer zei dat Willem Huijghenss een “goet gesel” is.

Op 7 oktober 1557 verklaren Cornelis Jan Gerits, oud circa 50 jaren, Willem Huijgen, oud circa 40 jaren, beiden ingezetenen en gezworenen of heemraden van Middelkoop en de parochie van Leerbroek, en Willem Claessen, oud circa 40 jaren, en Cornelis Henricxs, oud circa 44 jaren, beiden ook ingezetenen en geërfden van Middelkoop, op verzoek van Jan Willems gehuwd met Marijke Jan Gheritsdr dat Sebastiaen Cornelis zaliger aan zijn huisvrouw de voornoemde Marijke drie jaar geleden in het huwelijk gebracht heeft de som van 275 karolus gulden en ook 220 Philips gulden en nog 225 karolus guldens, te betalen aan de erfgenamen; kort daarna is hij gestorven. Volgens de vier getuigen hebben ze de laatste twee jaar zeer veel last van water gehad, zowel van boven als anders. Daarom is de opbrengst zeer slecht geweest, zodat Marijke de pacht niet kan betalen.
Op 11 oktober 1557 erven Gerit Jansen, Jacob Jansen Pauw en Frans Willemsen de 6 mergen in de 21 mergen land. Vijf jaar later, op 13 januari 1563, willen zij weten hoe groot hun erfgoed precies is. De landmeter van het land van Vianen, Aerdt Jans van Zuijlen, wordt erbij gehaald. Weer drie maanden later, op 16 april 1563, wordt bepaald wie welk gedeelte heeft. Bepaald is dat ‘Thonis Claessen ende Sebastiaen Claessen gebroederen hebben zullen de westeijnde van het land, naest aengelandt is Willemke Jacob Willem Ottensen mit seker landt genaamd de Vijffvierdel’ en dat Willem Claessen met ‘die van der Goude’ (Frans Willems en Jacop Jans Pauw) gemeen hebben en behouden de oostzijde van het land. Maar ‘indijen die van der Goude bij lotinge tussen hen ende Willem Claessen vallen ende gelooth worden inde huijsinge die Willem Claessen nu ter tijt daerop staende heeft met berghen ende andere zijnen toebehooren. Dat insulcke gevalle dezelve Willem nijettemin behouden sal sijn helft dair de huisinge mette berghen op staende zijn midts daer jegens die van der Goude recompenseren ende vergoeijende, zoe wel erffen als zij Willem daer bij winnen sal ende dat inden d’andere zijde van zijn vrs. erff gelegen, desen sullen die van der Goude zijde zoe veel hebben als bevonden sal worden heurlieder daerin te compenteren.’  Willem Claessen accepteert dat echter niet en gaat in hoger beroep bij het Hof van Holland ‘zee zijnde Hoch Raidt gedragen sal worden.’ Vijf dagen daarna, op 21 april 1563, is iedereen akkoord met het uitgesproken vonnis, maar Willem Claessen verliest wel 2 hond van zijn land. Zijn werf zal echter gelijk blijven. Hiermee is de zaak afgesloten.

Op 11 februari 1559, een klein jaar later, doet hij ‘bij advies ende deliberatie van den Schout ende gesworens van Leerbroeck ende Middelkoop’ hem rechtelijk toewijzen 7 hond land in Middelkoop, toebehorende aan de weeskinderen van wijlen Dirck Pauwels te Amsterdam.

In het register van de 10e penning van Leerbroek uit 1561 is vermeld onder de molenweer: Willem Claesz 22 morgen H van Mels Florisz won. tot Arkel.

In het register van de 10e penning van Middelkoop uit 1562 is vermeld:

  • Willem Claesz 6 morgen 1 hond H van Peter Bicker Willemsz tot Amsterdam,
  • Willem Claesweer 102 morgen, Willem Claesz 6 morgen E, Willem Claesz 42 morgen H van die van Oudewater.

Weer ruim vier jaar later, op 27 oktober 1563, maakt Pieter Bicker Willemsen, burger te Amsterdam, als wettig man en voogd van Marij Cornelisdr, voor hemzelf en als curator van de goederen van wijlen Dirck Pauwels, broer van de genoemde Marij, Willem van der Wouwen machtig om alle schulden te innen. Drie dagen later wordt Willem Claessen in Middelkoop vervolgd door deze Willem van der Wouwen voor een rentebrief van 7 karolus gulden rente per jaar voor de hoofdsom van 100 karolus gulden, die Willem Claessen verzwegen zou hebben bij de verkoop van 6 mergen en 1 hond land aan de weeskinderen.
Op 6 november 1563, zeven dagen later, wordt Willem Claessen vervolgd door Willem van der Wouwen, maar nu voor 108 karolus gulden voor landpacht. De zaak wordt nog ingewikkelder.
Op 24 november 1563, twee weken later, probeert Anneken Willemsdr, poorteresse van Gorinchem, als eiseres, op Willem van der Wouwen, gedaagde (gemachtigde van Peter Bicker Willemsen), de hoofdsom van 100 karolus gulden met de rente van 7 karolus gulden te verhalen op de eigenaar van de 6 mergen en 1 hond land, die als onderpand gelden. De schepenen bepalen dat Peter Bicker 100 karolus gulden en de rente aan haar moet betalen. Ze moeten Willem Claessen maar zoeken (kennelijk is hij weg).

Op 4 februari 1564 bekent Willem Claessen echter deugdelijk schuldig te zijn aan Peter Bicker Willemsen, wonende te Amsterdam, de som van 106 karolus gulden. Willem stelt als onderpand 2 mergen in Middelkoop, boven belendend Aentgen Floris Jans weduwe en beneden Thonis Claessen, strekkende van het land van Frans Willems en Jacob Jans Pauw tot de dwarssloot toe. Zijn broers Thonis en Sebastiaen Claessen stellen zich als borg.
Vier maanden later, 19 juni 1564, moet Willem 107 karolus gulden betalen, maar nu binnen drie jaar. Hij stelt dan als onderpand 3 mergen land genaamd de Kaecamp gelegen in Middelkoop tussen het land van Aentgen Floris aan de oostzijde en Thonis Claessen aan de westzijde, strekkende van Willem Claessen weteringscamp tot de Hubertse wetering toe.
Op 11 november 1565 zegt Willem Claessen nog 36 karolus gulden van landpacht aan Mr. Peter Bicker toe. Het gaat niet goed met de betalingen van Willem aan Peter Bicker, want op 14 mei 1566 vraagt Splinter van Voorn als volkomen gemachtigde van Mr. Peter Bicker de toestemming van het gerecht om de 2 mergen in Middelkoop te schatten, elke mergen voor 145 karolus gulden, om de twee rentebrieven daarmee te verhalen; de ene van 106 karolus gulden en de andere van 47 karolus gulden.
Op 20 november 1568 vraagt Splinter van Voorn weer in dezelfde hoedanigheid de toestemming van het gerecht op de 33 mergen land, genaamd de Kaecamp, te schatten, die gelegen zijn in ’t Leecheijndt van Middelkoop in het huisweer van Willem Claess alias Deventer en die deze Willem toebehoren. Elke mergen wordt geschat op 180 karolus gulden, makende bij elkaar 630 karolus gulden. Hij verhaalt hiermee alle proceskosten en eveneens de brief van Anneken Willemsdr. van te zamen 107 karolus gulden. Willem krijgt nog de tijd tot Sinte Peters dach ad Cathedram anno 1569 om te betalen, zo niet, dan zal hij het gerechtelijk weten. Dan zal zijn land verkocht worden. De nagelaten kinderen van Mr. Peter Bicker krijgen op 27 juli 1587 van de erfgenamen van Willem Claessen hun aandeel in een hofstad, waar belendend zijn Alardts weer en westwaarts de kinderen van Thonis Claessen, strekkende van de Leerbroekse keelspit af, achter tot de kinderen van Mr. Peter Bicker toe. De in deze akte genoemde erfgenamen van Willem Claessen zijn Claes Willemsen, Gijsbert Willemsen, Adriaen Willemsen, Adriaen Cornelissen als man en voogd van Anneke Willemsdr, Jan Henricxs wonende in Schelluinen als man en voogd van Marijke Willem Claesdr. (hij wordt op 19 maart 1588 ook aangesproken als mede-erfgenaam in de nagelaten goederen van Willem Claessen Deventer voor de opdracht van zijn ‘lijnoote’ (?) in een hennepwerf gelegen in Middelkoop. Jan Henricxs betaalt op 20 mei 1588 de kinderen van Mr. Peter Bicker met zijn erfdeel in het ouderlijk huis in Middelkoop).

Op 31 mei 1566 compareert Willem Claessen, wonende in Middelkoop als principaal en Mels Florissen wonende op Rietvelt als borg. Zij geven te zamen aan Margriete Mels Florisdr, geprocureerd bij Janneken Gijsbertsdr zaliger, de som van 5 karolus gulden ‘erfelijck ende ewelick jaerlicx’ te betalen en te nemen op Willems hofstad en de 5 mergen met huis en hofstad in ’t Leecheijndt van Middelkoop (zijn huis), Mels Floriss stelt zijn 6 mergen land met huis en hofstad op Rietvelt (oostwaarts belendend aan Willem Pauwelsen van Amsterdam). Dit voor de hoofdsom van 72 karolus gulden. en 13 stuvers betreffende de pacht die Willem Claessen heeft gehad op 13 hond land, die hij van het voornoemde weeskind huurde. Het is betaald op 29 april 1580.

Op 13 mei 1567 moet Willem Claessen alias Wijntqen van Deventer in handen van Dirck de Heer Jacobsen, poorter van Gorinchem, stellen zijn huis en hofstad en alles wat daar bij hoort met het land, gelegen in Middelkoop oostwaarts belendend IJcken Hijpolitus in de Haech en westwaarts Anthonis Claessen, strekkende van de Leerbroexse kijlspit af tot de Hubertse weteringe toe, mitsgaders alle beesten, zowel paarden, koeien als de andere roerende en onroerende goederen die hij bezit. Willem moet beloven dat hij het niet zal bezwaren, noch zal verkopen, voordat hij 126 karolus gulden en 2 stuvers betaald heeft. Twee jaar later, op 20 april 1569, geeft Willem Claessen alias Deventer aan Dirck de Heer Jacopsen de vruchten en het gewas van 6 merqen land, gelegen in Middelkoop, waarvan l1 mergen bezaaid zijn en de andere 5 mergen nog bezaaid zullen worden. De vruchten daarvan mag Dirck behouden en verkopen. ‘Dit tot minderinge ende loscortinge van alsulcke penningen’ die hij bij Dirck heeft staan.

Vanaf oktober 1571 tot 14 december 1573 ruziën Gijsbert Claessen en Willem Claessen Deventer over de beesten, die Willem heeft op de Otterpoel op Leerdam.

Op 1 maart 1575 procedeert Heer Willem van Beeck, pastoor te Leerdam, ook over vier koeien, staande in het sterfhuis van Peeter Aarts Rouck en toebehorende aan Willem Claessen alias Deventer, wegens de penningen die Willem achter is volgens een obligatie.
Tussen 26 oktober en 9 november 1575 Willem Claesz als bestevader en bloedvoogd van zijn zoons Claes Willemsz mondig weeskind en Lijske Jan Dircxsz weduwe als bestemoeder van haar dochters onmondige weeskind en bekenden Jan Henricxsz x Marijke Jacobsdr 56 karolus gld. Zij stellen als onderpand 3m in ’t Hoogeind van Middelcoop.
Op 9 november 1575 getuigen Willem Claessen Deventer, Claes van Duven Loijensen, Anthonis Jansen van der Meij en Hubert Jansen de Weerdt op verzoek van Willem Jacobsen over een arrestatie binnen Leerdam.

Vier maanden later, op 29 maart 1576 komt Claes Willemsen voor als erfgenaam van zijn vader Willem Claessen en draagt aan Willem Dirksen (de Haen) enkele brieven op.
Op 10 mei 1576 vervolgt Hubert Jansen de weduwe van Willem Claessen den Deventer voor 2 gulden.

Op 8 december 1602 Frans Thonisz gehuwd met Anna Willemsdr zaliger te eenre, en Claes Deventer, Ghijsbert Willemsz Deventer, Adriaen Willemsz Hertoch en Steven Cornelisz van Scherluijnen als voogd en toesiender van de weeskinderen van Jan Henricxsz zaliger en Marike Willemsdr, gesamenlijke erfgenamen van de voornoemde Anna Willemsdr, te ander. Deling van de erfenis is als volgt:

  • Frans Theunisz verkrijgt de hofstede groot 2 morgen waarop hij nu woont op Middelkoop, nog 5 morgen op Middelkoop gecocht van Frans Jansz, nog de helft van 5 morgen 1 hond op Groot Oosterwijk, nog de helft van 2 morgen op Cleijn Oosterwijk,
  • Claes Willemsz verkrijgt 2½ morgen op Middelkoop naast het kerkweer waarop Willem Aalbertsz woont. Hij moet aan zijn broers Ghijsbert en Adriaen Willemsz 40 kg uitreiken,
  • Ghijsbert Willemsz Deventer en Adriaen Willemsz Hertoch verkrijgen 3 morgen op Middelkoop genaamd ‘de Hoeffcamp’, 2 morgen op Cleijn Oosterwijk genaamd ‘de Brouckgraefscamp’,
  • Steven Cornelisz verkrijgt voor de voornoemde weeskinderen 2½ morgen min ¼ hond op Groot Oosterwijk, nog 1 morgen op Clein Oosterwijk aan de achterdijk en beide gemeen met de voornoemde Frans Theunisz, de boedel en bezit worden verloot.

 

Uit dit huwelijk:

Claes Willemsz Deventer

Anna Willems Deventer, overleden < 8 december 1602. Gehuwd op 27 juli 1587 met Adriaen Cornelissen. Gehuwd met Frans Thonisz, overleden > 8 december 1602

Gijsbert Willemsz Deventer, overleden 1612-1614. Gehuwd met Mariken Jans Verhups, dochter van Jan Laurensen Verhulps en Gerriken Cornelis, overleden 1623-1627

Arien Willemsz Deventer

Mariken Willems Deventer, overleden < 8 december 1602. Gehuwd met Jan Hendricks, overleden < 8 december 1602