Marssche, Herman Bitter van der (ca. 1435-1497/1503)

Herman Bitter van der Marssche, dienstman van de Bisschop van Utrecht, geboren ca. 1435 te Zwolle, overleden 1497-1503

Gehuwd met

Nelle Comans, overleden 1483-1488

Gehuwd met

Katharine NN

 

Bronnen: 1) archieven.nl, 2) collectieoverijssel.nl, 3) Overijsselse bezittingen van de familie van der Marssche (1477 – 1604). Franz Salzborn, mei 2007

In 1467 verklaart Evert van Wijtmen, rentmeester van Zallandt, in aanwezigheid van Henrick Ahuijs en Herman Bitter als dienstlieden, dat Geerlijch van Venen, dienstman van de bisschop van Utrecht, afgezien heeft van zijn dienstmanschap en in aanwezigheid van Thones van Wije, Johan Luijkenss en Johan Stackenberch, als vrijen van de hof van Wije, opgenomen is in de vrije echt van de hof van Wije.

Op 1 augustus 1470 is Herman Bitter beleend met ‘dat goet to Scerpenzele, ghelegen in het kerspel Olst’ na opdracht door Evert van Wengele. Op 27 juli 1497 is Herman Bitter opnieuw beleend. Op 16 maart 1503 is Bitter then Meersch beleend, na dood van zijn vader Herman Bitter.

Op 14 april 1477 oorkondt Ludeken van Mijddele, richter te Olst, dat Steven van Wengele en zijn vrouw Dedele en de gebroeders Johan en Ruerik van Wengele, zonen van Reijner, geruilt hebben met Herman Bitter, de goederen die zij in de buurschap Scherpensele hadden liggen, behalve hun aandeel in de goederen, die buitendijks liggen op de Waerdt, tegen 3½ morgen land in het kerspel Olst, in de buurschap Scherpensele in de Haverslach, strekkende van de weg tot aan de wilghagen op het land van Hermen Luese, belend door Hermen zelf en de gemene weg. Eveneens dat Evert van Wengele Reijnerssoen en zijn vrouw Griete getransporteerd hebben aan Hermen Bitter al hun land in de buurschap Scherpensele. Op 19 april transporteren Evert van Wengele Reijnerssoen en zijn vrouw Griete aan Hermen Bitter de 3½ morgen land dat ze eerst met hem verwisseld hadden. Op 27 juli 1497 Herman Bitter. Op 16 maart 1503 Bitter then Meersch na dood van zijn vader Herman Bitter.

In 1478 verklaren Beernt van Merne en Derick van Hattem, schepenen van Swolle, dat Herman Bitter en Nelle, zijn vrouw, aan Johan Gijsbertssoen en Elsebe, zijn vrouw, hun huis verkocht hebbe, dat bezwaard is met een jaarrente van 3 Rijnsche gulden en dat tussen het huis van Derick Dorre en het huis van Johan Albertssoen in de Zassinckstrate gelegen is en dat zich voor van de straat tot achter aan het huis, dat van Johan Henrickssoen was, met een gemeenschappelijke steeg tot in de Coestrate uitstrekt.

In 1480 verklaren Evert Vriese en Geert Geije, schepenen van Swolle, dat Tijdeman ten Busch aan de Sacramentsbroederschap in de sante Michielskercke in Swolle een jaarrente van 5 overlandse gouden Rijnsche gulden verkocht heeft, gaande uit zijn huis, dat reeds bezwaard is met een jaarrente van 12½ Rijnsche gulden en dat tussen het huis van Evert Sticker en het huis van meister Jacob van Tweenhusen in de Voirstrate gelegen is en dat voor van de straat tot achter aan een straat bij het onser liever Vrouwenkerckhoff uitstrekt en waarvoor Hermen Bitter borg staat, zodat de procurator van de Sacramentsbroederschap deze jaarrente bij wanbetaling mag verhalen op het huis van Hermen Bitter, waar hij in woont, dat tussen een straat en het huis van onser Vrouwen opten Laghen in de Voirstrate gelegen is en dat zich voor van de straat tot achter aan het onser Vrouwenkerckhoff uitstrekt.

In 1483 verklaart Gerardus van Ubach, prior van het regulierenklooster te Albergen, dat Hermen Bitter en Nelle Comans, zijn vrouw, te Swolle, een jaarrente van 10 kromsterten en een halve plack aan het klooster afgelost hebben, gaande uit hun gaarde.

In 1488 verklaren Henrick van den Water en Henrick Knoppert, schepenen van Swolle, dat Hasset van Wijtman, weduwe van Steven Kampherbeke, met Gerbrant van den Busch als haar momber, aan Arndt Luijtkenssoens en Hille, zijn vrouw, een jaarrente van een gouden overlandse Rijnsche gulden verkocht heeft, gaande uit de gaarde van Henrick van den Water, die reeds bezwaard is met een jaarrente van 4 herenpond min een oirt en die tussen de gaarde van Dirck van Beijeren en de gaarde van Geerdt Kraspot buiten de Sassinckpoirte gelegen is en die zich voor van de gaarde van Herman Bitter tot achter aan de gaarde van Herman van Wijtman uitstrekt.
In 1488 oorkondt Seijgher van Rechteren en van Voerst, ambtman van Zallant vanwege de bisschop van Utrecht, dat Hermen Bijtter hem getoond heeft de akte van huwelijkse voorwaarden tussen hem en zijn vrouw Katherine, inhoudende onder andere dat indien Hermen voor Katherine mocht komen te overlijden, dan zullen alle goederen van Hermen vererven op zijn kinderen. Katherine krijgt een lijftocht van 50 goudgulden. Verder belooft Hermen ten behoeve van zijn zoon Bijtter, dat hij niets aan de huwelijkse voorwaarden zal veranderen en Bitter’s deel zekerstelt.

 

Uit het 1e huwelijk:

Bitter van der Marssche