Coninck, Godevaert de (-1454)

Godevaert de Coninck, heer van Emmeklaar en Langenoorde (1419), schepen (1415-1454), raadsburgemeester (1427-1428) en schepenburgemeester (1443-1444, 1447-1448) van Utrecht namens het gilde van Marslieden, raad van Amersfoort (1442), zoon van Johan de Coninc en Mechteld Johans van Rijn, overleden 1454

Gehuwd met

Beatrix Over de Vecht, dochter van Jan Over de Vecht en Stefania Everts Schouten, overleden 22 juli 1496 (Magdalenadach)

 

Bronnen: 1) Het geslacht De Coninck, J.A.R. Kymmeli. In: De Navorscher, jrg. 69 (1920), 2) Het Utrechtse geslacht De Coninck, G.A. Six. In: De Navorscher, jrg. 24 (1874), 3) hetutrechtsarchief.nl, 4) archiefeemland.nl, 5) onsvoorgeslacht.nl, 6) Repertorium op de lenen en tijnsen van de abdij Sint Paulus, 1221-1667, J.C. Kort, 7) razu.nl, 8) NT00061_9. Nadere Toegang op inv. nr 9 uit de Collectie Digitale Bronnen (61). M.S.F. Kemp, Februari 2018. Regionaal Historisch Centrum Zuidoost Utrecht, 9) NT00061_15. Nadere Toegang op inv. nr 15 uit de Collectie Digitale Bronnen (61). M.S.F. Kemp, Februari 2018. Regionaal Historisch Centrum Zuidoost Utrecht, 10) NT00061_37. Nadere Toegang op inv. nr 37 uit de Collectie Digitale Bronnen (61). M.S.F. Kemp, Februari 2018. Regionaal Historisch Centrum Zuidoost Utrecht, 11) Geslacht De Coninck van Peize, mr. J.W. Kijmmell. In: De Nederlandsche Heraut, 6e jaargang (1890)

Godert de Coninck is in 1419 beleend met het goed Emmeklaar en Langenoorde, gerecht, tijns en tienden, wild en tam en toebehoren. Op 3 september 1454 Jan over de Vecht voor Jan de Coninck bij dode van Godert de Coninck, diens vader.

Op 24 juli 1419 ‘St Jacobsavont inde Somer’ voor Willam de Witte van Werensteijn, richter en Hof te Cothen, compareren Pilgrim de Wael en Godevaert de Coninck, en toenen een brief van het gasthuijs van St. Pieter te Arnhem en transporteren namens hen 7 morgen te Cothen, geheten Blaeuvietslant, op de Regulieren.
Op 24 juli 1419 op ‘St. Jacobsavont inde Somer’ compareren voor Peter van Canenbroeck, scout te Schalkwijk, Pelgrum de Wael en Goedevert de Coninck met een machtbrief van het St. Pietersgasthuijs te Arnhem om te transporteren op de Regulieren en de besloten susteren van het St. Cecilienconvent de helft van 12½ morgen in Schalkwijk onderverdeeld in 25 morgen daer een altaer in de kerk van St. Jan en de andere 12½ morgen van heeft en de Regulieren de helft van dese 12½ morgen af hebben, en de helft van 4 morgen beneden het voorschreven land.
Op 24 juli 1419 op ‘St. Jacobavont in de Zomer’ compareren voor Peter van Canenbroeck, scout van Schalkwijk, Pelgrum de Wael en Goedevaert die Coninck, die transporteren namens het gasthuijs St. Peter te Arnhem op de Regulieren tUtrecht 8 morgen in Schalkwijk strekkend van de Schalkwijkerwetering aenden groten diick. Over waren Dirc van den Heijligen Lande, Aernt Wouterss Scaij en Jannes van Ammers landgenoten en bueren.

In 1435 op maendach na Meijdaghe tuijchnissen over tgoet ter Wijers in zaak tusschen Mechtelt vd Wijers en Henric van Hermelen en Gerrit van Vueren enerzijds, en Deric van Schadewijck en Aernt Johanss anderzijds. Godert die Coning tuijcht over de 7 pont jaarlijks ten behoeve van het altaer in de St. Jacobskerc wt 6 morgen biden hofstede ten Wijers.

Op 19 februari 1437 is Goeijert die Coninck beleent met een hoeve opte Hoeven in het kerspel Amerongen, strekkend van de gemene weg bij de dijk tot Ameronger wetering, na opdracht door Henrick van Aller Claesz en na kwijtschelding door Willem Zuermont van Hijndersteijn van alle recht aen een lijfrente van 30 gulden op dit goud. Op 1 oktober 1438 Goeijert die Coninck. Op 22-23 januari 1453 Goijert die Coninck droeg op een halve hoeve en een half huijs te Amerongen, dat voirmaels Dirc die Coninck plach toe te behoren, nu half op convent van Westerooien te Tijel, de andere helft op Jan Goijen Lambertss wiens zoon Dirc de nahand krijgt.

Op 4 juli 1438 ’translatio beati Martini’ is Gijsbert van Hardenbroeck geeijgent op de erfgenamen der Vrouwe van Hardenbroeck aen alsullic goet als Frederic die Beer ende Ernst Huijberts toe Doerne Jacob die Wijse ende Goedert de Coening hoir sculdich waren doe sie aen hoeren laetsten lijve was voer 500 Beijerse guldens.

Op 5 oktober 1440 Jonge Johan die Coninck na dode van Johan die Coninck zijn vader alle goederen in Doern: Cruijsberch, opt Laer en het Grote Veen. Over Goijert die Coninck en Johan van Zulen van Blickenborch.

Op 6 augustus 1450 is Lambert Hermansz beleend met de helft van 8 akkers in de Duist bij dode van Herman Herman Lambertsz, zijn vader, beleend door de abt als overtijnsheer, na weigering door Godert Coninck.

 

Uit dit huwelijk:

Jan de Coninck

Stefania Goderts de Coninck

Mechteld Goderts de Coninck, overleden 1488. Gehuwd in 1461 (huwelijkse voorwaarden 25 oktober 1461) met Geert Mulert, rentmeester van Utrecht (1461), maarschalk van het Over- en Nedersticht (1466), raad van bisschop David van Bourgondië (1492), landrentmeester van Salland (1482, 1484, 1492), overleden 4 april 1504

Berndt de Coninck