Kwartierstaat Brouwer – Generatie 16

Generatie 15 <   Namenlijst   > Generatie 17


34200  Jacob Dirck Jansz, zoon van Dirck Jan Dircxz, geboren ca. 1460, overleden 1508-1516

Gehuwd met

34201  Maritgen NN, overleden 1516-1526

Jacob betaalt vanaf 1476 renten aan de Heilige Geestmeesters en verkoopt hen op 30 oktober 1477 land te Poeldijk.

Maritgen pacht vanaf 1516 land van de abdij Leeuwenhorst.

Uit dit huwelijk:

1  Clara Jacobs

2  Aernt Jacobsz

3  Ewout Jacobsz, overleden 1532. Gehuwd met Lijsbeth Pieters, overleden 1542

4  Anthonis Jacobsz, overleden < 19 oktober 1543. Gehuwd met Trijntgen Adriaens

Nicolaes Jacobsz


34560  Oude Dirck Dircksz van der Speck, zoon van Dirck Florijsz van der Specke, overleden februari 1501. Gehuwd met Aechte NN

Gehuwd ca. 1455 met

34561  (?) Lijsbeth NN

Hij woont in Rijswijk en sticht daar een memorie voor zichzelf en zijn twee overleden partners.

Uit dit huwelijk:

Claes Dircksz van der Speck


34592  Dirck Jacobsz van Dijck, zoon van Jacob Dircxz van Dijck, geboren ca. 1465 te Ackersdijk, overleden 1509-1510

Gehuwd met

34593  Margriete Anthonis, dochter van Anthonis Dirc Jan Casusz en Wijve NN, overleden > 1536

Uit dit huwelijk:

Anthonis Dircksz van Dijck


34608  Arent Jans Touwen, leenman van de hofstede Hontshol, zoon van Jan Arents Touwes, geboren ca. 1435, overleden < 21 januari 1464

Gehuwd ca. 1460 met

34609  Lijsbeth NN, geboren ca. 1440, overleden 2 juni 1498

In 14.. is Arent Touwe Jansz beleend met de helft van 5½ morgen land in ‘t Woudt. Op 21 januari 1464 Jan Arent Touwenz bij dode van zijn vader Arent Touwe Jansz.

Arent koopt op 20 december 1456 en 25 juni 1458 grond in ‘t Wout.

Uit dit huwelijk:

Jan Arentsz Tou van der Burch

2  Claes Arentsz Tou van der Burch, priester, overleden > 1505

3  (?) Willem Aernt Touwenz, doctor, overleden > 1479


34616  Jacob Kerstantsz van der Vliet, Heilige geestmeester te Naaldwijk (1470), kerkmeester te Naaldwijk (1480), zoon van Kerstant Jansz van der Vliet, geboren ca. 1445, overleden 7 april 1482 ‘in de Hij’ (buurtschap tussen Westerlee en de Vlietwoning) onder Naaldwijk

Gehuwd met

34617  Machteld NN

Uit dit huwelijk:

Kerstant Jacobsz van der Vliet


34618  Bartholomeus Heijndriksz van Dorp, kerkmeester te Naaldwijk (1475, 1477, 1478), rentmeester van de memorie- en kostrijgoederen in Rijnland, Delfland en Schieland van de Abdij van Egmond (1494-1506, 1519), rentmeester van de Heer van Naaldwijk (1496), schepen van ‘s Gravenhage (1509, 1510, 1514-1516), vroedschap (1516-1517) en weesmeester (1517) van ‘s Gravenhage, leenman van Hontshol (1477), zoon van Henrick Bertelmeesz van Dorp, geboren ca. 1440 te ‘s Gravenzande, overleden 16 mei 1520 te ’s Gravenhage

Gehuwd ca. 1470 met

34619  Baertgen Willems Hoeck, dochter van Willem Philipsz Hoeck, geboren ca. 1450, overleden 13 maart 1508 te (?) Naaldwijk

Bortelmeus Heijnricxz is op 14 februari 1477 beleend 5 hond land in de Noordinge na overdracht door zijn broer heer Dirck Heijnricxz, priester. Op 11 april 1521 Willem Bortelmeesz. Op ? is Bertelmeus Heijnricxz beleend met 2½ morgen land in Borgerdijck. Op 17 juni 1520 Meester Maertijn Bertelmeusz, doctor in de theologie, hulde door zijn broer Willem Bertelmeusz, bij dode van zijn vader Bertelmeus Heijnricxz. Op ? 15? is Bartholomeus Hendriksz, rentmeester, beleend met de helft van een weer van 472 morgen 1772 roeden in het nieuwland van ‘s Gravenzande, strekkend van de nieuwe dijk tot de Noordlandse dijk. Op 6 december 1520 Willem Bartholomeusz, rentmeester in Delfland en Rijnland, bij dode van Bartholmeus Hendriksz, zijn vader, te komen op Dirk zijn zoon.

Op 15 juni 1494 huurt Mees Heijnricxz 14 morgen land in de Poeldijck te Monster van de commandeur van Sint Jansklooster te Haerlem voor 10 jaar met ingang van 1 januari 1494 tegen 13 zakken tarwe en 1 hoet gerst. Op 25 maart 1500 oorkonden de schepenen in Monster dat Cornelijs Adriaensz een rente verkoopt aan Bartelmees Heijnricxz van 2 rijnsgulden van 40 groot, verzekerd op Colijns woning te Monster, namelijk 4 morgen land van de Memorij in den Hage. Op 31 maart 1501 verkoopt Bertolmees Henricksz te Naeldwijck deze rente weer aan de heer Sijmon van Zaenen.

Op 1 maart 1501 verkopen Meester Claes Jacobsz en Barbara Jacobsdochter met hun voogden Dirck Jansz, Mees Henricksz en Willem Dircksz aan Bertolmees Henrijcksz te Naeldwijck een jaarrente van 4 pond hollands, verzekerd op 2 morgen land in het Honterlant, verpacht aan Gerijt Vriesensz. Op 7 mei 1501 verkopen dezelfden aan Bartolmees Henricsz te Naeldwijc 3 morgen land in Honterlant, gelegen tussen de Maesdijck en de Oudendijck. De twee zuidelijkste morgen zijn belast met een jaarrente van 4 pond hollands ten behoeve van de koper en de noordelijkste morgen met een jaarrente van 3 pond hollands, die door Tijeman Willemsz is vermaakt aan de heilige geest van ‘s Gravenzande. Dit land hebben zij geërfd van hun ouders Jacob Tijemansz en Marijgen en van hun stiefvader Cornelis Buijs. Bezegeld door meester Jacob Hoeck, doctor in de godgeleerdheid en deken van Naeldwijck, en Jan die Burchgraeff Jansz.

In het testament van Bertelmees Henricsz en Baertgen vermaakt Bertelmees aan het Kapittel te Naaldwijk ten behoeve van het Onze Lieve Vrouwenlof in de parochiekerk van Naaldwijk 53 schellingen Hollands per jaar, waarvan 8 schellingen op een huis en erf gelegen in Naaldwijk, toebehorende aan Jacob Aerntsz en 45 schellingen op twee huizen, erven en geboomten toebehorende aan Gerijt Michiels Snijder en Geertruijt Cronqerts, ook gelegen Naaldwijk. Bij het overlijden van Baertgen, op 13 maart 1508, vermaakt Mees Henricxz voor hen beiden aan het Kapittel een halve morgen, gemeent met Gerijt Claesz’ weduwe op Hontsholtredijc, aan de Heilige Geest de helft van de Hogewerff op de geest, groot 14 hond met dezelfde Heilige Geest, bruiker Gerijt Adriaensz, aan het Godshuis 10 schellingen per jaar op een huis en erf van Joost Willemsz aan de rooster van het kerkhog. Voor de eeuwige memorie te houden in de Sint Jacobskerk te ‘s Gravenhage op Sint Gregoriusdag 1509 ten behoeve van Baerte Mees Heijnricksz wijff bewijst Mees Heijnricksz twee pond Hollands met een schepenbrief op het huis van Claes Klinkaert op de Voldersgracht. Mees vermaakt nog twee pond anno 1520.

Bartholomeus zegelt met drie afgerukte leeuwekoppen. Zij wonen tot circa 1509 te Naaldwijk, nadien in ‘s Gravenhage. Er zijn aanwijzingen dat Baertgen behoort tot de tak van de familie Egmond. Op de eerste plaats is haar man en later ook haar zoon rentmeester van de abdij van Egmond. Daarnaast blijkt Jacob Willemsz van Dorp, een van hun kleinkinderen, als schepen en burgmeester van ‘s Gravenhage het Van Egmondwapen te voeren. Hij zegelt met een gevierendeeld wapen, waarvan het eerste en het vierde kwartier het familiewapen weergeven, namelijk in zwart de roodgetonde zilveren leeuwekoppen. Het derde kwartier komt wisselednd voor, te weten doorsneden van goud en zwart en een in twee rijen van rood en zilver geschaakt Sint Andrieskruis daaroverheen (Van der Dussen) of in goud een zwarte dwarsbalk en een in twee rijen van rood en zilver geschaakt Sint Andrieskruis over allen heen (Van IJsselsteijn). Het tweede kwartier geeft het Van Egmondwapen weer, gekeperd van goud en rood van twaalf stukken.

Uit dit huwelijk:

Machtelt Meesen van Dorp

2  Maarten van Dorp (alias Martinus Dorpius), Nederlands humanist, dichter en theoloog, hoogleraar Wijsbegeerte op het Leliecollege te Leuven, pastoort te Overschie (vanaf 1511-1512), kapelaan van een kapelanie gevestigd op het altaar van de Heilige Jeroen in de parochiekerk van Noordwijk (vanaf 1513-1514), doctor in de theologie (1515), president van het Heilige Geestcollege (4 september 1515), hoogleraar Theologie aan de Universiteit van Leuven (30 september 1515), decaan aan de Theologische faculteit (1517), rector van de Universiteit van Leuven (1523), geboren 1485 te Naaldwijk, overleden 31 mei 1525 te Leuven, begraven in het Karthuizerklooster te Leuven

3  Willem Bartholomeusz van Dorp, tesorier (1514-1516), vroedschap (1525-1526), weesmeester (1521-1523, 1526) te ‘s Gravenhage, ontvanger van het Hoogheemraadschap van Delfland (1510-1516), rentmeester van het Sint Nicolaasgasthuis te ‘s Gravenhage (1513-1524, 1526), rentmeester van de Abdij van Egmond (1510-1520, 1526), rentmeester van de Heer van Naaldwijk (ca. 1516), leenman van de Abdij van Egmond, geboren te (?) Naaldwijk, overleden < 28 april 1521. Gehuwd met Beatris Jan Doezns, overleden < 28 april 1526


34640  Jan Dircxz van der Croft, zoon van Dirck Jansz van der Croft, geboren < 1440, overleden < 21 mei 1506

Gehuwd met

34641  Barbara Coppairts, dochter van Coppairt Henrijcxz

Jan is tussen 1471 en 1493 pachter van grafelijke tienden te Maasland en Schipluiden.

Op 21 oktober 1483 getuigt Jan voor Delfland. Op 5 februari 1485 wordt voor de heemraden van Delfland een zaak behandeld betreffende Jan van Crofte. Op 15 oktober 1490 krijgt Jan een leen van 5 hond land bij de Broekweg in Naaldwijk overdragen van Pieter Willemsz. Op 19 maart 1492 verklaren Coppairt Heijnrijcsz, zijn schoonzoons en zijn dochter Barbara, dat Jan van der Croft Dircxz een stuk zal krijgen als betaling voor het bij huwelijkse voorwaarden toegezegde bedrag. Op 27 juli 1496 wordt Jan vermeld als belender. Hij bezit een huis bij het Marktveld te Naaldwijk. In 1505 krijgt het Sint Ursulaconvent te Schiedam van Coppert Heijnricksz een stuk land, gedeeltelijk gemeen met hemzelf en met de kleinkinderen van Jan Vercroft. Op 3 maart 1508 worden Jan van Crocht en kinderen vermeld als erfgenamen van Coppert Heijnriksz.

Uit dit huwelijk:

1  Dirck Jansz van der Croft, schepen van Wateringen (vanaf 1500), geboren ca. 1454, overleden < september 1519. Gehuwd met Lijsbeth NN, overleden > mei 1519

Cornelis Jansz van der Croft


34864  Henrick Beersmans, vorster te Oostelbeers (1471), zoon van Jan Beerzeman, overleden 1482-1485

Gehuwd met

34865  Heijlwig Jan Claeus, overleden > 2 november 1486. Gehuwd met Goijart Peter van Aelst

Op 1 februari 1485 Heijlwich, dochter van wijlen Jan Claeus en weduwe van wijlen Henric Beersmans, met kinderen Johanna en IJda, zusters, en Wilhem Jan Beersmans als momber geset bij vonnis in plaats van Dirck Beersmans als gekozen momber van Jan en Lisbeth, onmondige kinderen van Henric Beersmans. Zij verkopen profijtelijk de nagenoemde erven, die eigendom zijn van de kinderen, aan Claeus, natuurlijke zoon van Jan van der Ludsdonck, priester: een huisinge, schuer, houtwas en erf daarbij gelegen in de hertgang van de kerckhof. Henric Jans van Bers had dit vroeger verkregen van Jan, zoon van wijlen Goeijart Roestenberch en Jans dochters Katharina, Adriana en Goeyaerd. Zij bevestigen dat hun vader vroeger in schepenbrieven van Den Bosch heeft laten vastleggen een jaarlijksen cijns van een gouden … Rijnsgulden, goed van goud en zwaar van gewicht uit zeker erf en huizing die hij verkocht heeft aan Henric Beersmans. Uitgezonderd is 11 lopen rogge lijfpacht die Henric Beermans aan Henric de Hagelair jaarlijks heeft uitgeloofd. Een huisinge, hof en erf aan de Hovel.

Op 2 november 1486 verkopen Heijwich, haar dochter IJda en Wilhem Beersmans als momber van Jan en Lisbeth, nog onmondig, te Oirschot een stuk land, groot 6 lopensaat waarop cijns aan onsen goeden heer den hertoge …, Aernt Verschoer inden Kerckhof, … Dat land had Henrick Beersmans zelf gekocht van Jan Goijart Roestenberghs. Henrich bezit tevens ‘den Biesacker’, eerst geerfd door zijn weduwe Heijlwich met haar drie minderjarige kinderen en zijn zoon Jan. Daarna door Eva, Jans weduwe.

Uit dit huwelijk:

1  Johanna Beersmans, overleden 1485-1486

2  IJda Beersmans, overleden < 1507. Gehuwd met Gijsbert Jan Hacken

Jan Beersmans

4  Elisabeth Beersmans


38016  Gort Houben

Kinderen:

Mathias Houben


40192  Claes Willemsz Rijssen, overleden (?) > 24 november 1579

Op 24 november 1579 verklaart Claes Willem Clous schuldich te zijn aan Brechte Zijmons weduwe een jaerlicxe losrenten van f 2 hooftgelt. Onderpande een halff madt veens leggende in Keijsers weer.

Kinderen:

Willem Claesz Rijssen

2  Ghijsbert Claesz Rijssen


40352  Ghijsbert NN

Kinderen:

Maerten Gijsen

2  Marij Ghijsberts. Gehuwd met Henrick Claesz, overleden < 24 februari 1585

3  Allebroet Ghijsberts, overleden > 5 maart 1588


40356  Gerit Heijndricxz, overleden < 2 augustust 1580

Gehuwd met

40357  Griet Jacobs, overleden > 12 maart 1583

Op 2 augustus 1580 verkopen Jan Geritsz ende Allert Geritsz, gebroeders voor haer zelve ende ook voor Griet Gerit Jans weduwe haere moeder ende voor haer comparanten broeder en zusters met haeren kinderen, aen Jan Pietersz als man en voocht van Imme Wouters, alle sulcke eijgendommen als hem competeert in oft op vijff campen veens int Goelingen weer, groet anderhalff madt ende in of op Goelingen madt maedts leggende int zelve weer. Noch op oft in een stucke landts leggende aen twee parceelen genaempt ‘die Buijtcaijck’ groet vier koeven leggende in Aeres Jan Aeres weer, streckende van de Caijck off tot Aecht Aeres lant toe. Zulcx gemeen met Wouter Dercxz Graven in zijn leven gebruijckt beseeten ende metter doot ontruijmpt ende achter gelaeten heeft.

Op 12 maart 1583 wordt het testament opgesteld van Griet Jacobsdr weduwe van Gerit Heijndricxz. Inden eersten naer behoirlijcke recommandatien van siel ende lichaem, heeft geapprobeert midts deze de affstandt van alsulcke goeden als zij comperante met haeren voochts handt inden jaere ’74 laestleden gedaen hadde ten prouffijt van haeren kinderen voorschreven geschiedt den 22 April anno ut zup. ende wilde expresselijck dat die zelve lootinge effect sal sorteeren volgende treguster van Jan Geritsz haer comparant outsen soene. Institueert Anna Claesdr haer comperantes zoens natuerlijcke dochter geprocreert bij Marij Willemsdr een losrenten brieff van f 400 hooft penningen onder derffgenamen van Willem Jacobsz. Tot universaele erffgenamen van haer over gegeven ende ongedisponeerde goederen Jan Geritsz, Allert Geritsz, die drie kinderen van Willem Geritsz geprocreert bij Aelidt Jansdr, Guerte Gerits weduwe van Claes Duvesz, Maerij Gerits weduwe van Claes Zijmon Heijnen, Duijff Geritsdr ende die twee kinderen van Claes Geritsz deene geprocreert bij Neel Claesdr ende dander geprocreert bij Maerij Willems voorschreven. Elcke stam een zevende paert. Verclaerde zij testatrices voorts dat alsoe Guertgen Claes dochter van Claes Geritsz haere comparante overleden zoene boven zijn quoto portie ende loetinge van de voorschreven overgegeven goeden genoten ende ontfangen heeft een halff madt landts genaempt ‘Die Uuijter hondtlantssen’ in de Mient in voldoeninge van tgeene tzelve Guertgen Claes bij doode van haer testatrice noch zoude moegen opsterven. Welcke halff madt landts zij comparante expresselijcken wilde dat Guertgen Claes wederomme inde gemeene boele van goeden bij haer testatrice achter te laeten sal inbrengen ofte tselve halff madt landts moegen houden voor haer aenpaert van goeden dien hem bij doode van haer comparante in vougen voorschreven sal moegen opsterven daer van Guertgen Claes zijn kuere ende optie sal hebben om een van tween te willen doen oft laeten.

Uit dit huwelijk:

1  Jan Geritsz

Allert Geritsz

3  Willem Geritsz, schepen van Assendelft, overleden < 12 maart 1583. Gehuwd met Aelidt Jans

4  Guerte Gerits. Gehuwd met Claes Duvesz, overleden < 20 november 1579

5  Maerij Gerits. Gehuwd met Claes Zijmon Heijnen, overleden < 22 januari 1580

6  Claes Geritsz, overleden < 12 maart 1583. Gehuwd met Neel Claes

7  Duijff Gerits, overleden > 9 februari 1624


40358  Sijmon Maertensz, overleden < 3 februari 1582

Gehuwd met

40359  Brecht Roeloffs, overleden > 28 juli 1587

Op 3 februari 1582 wordt het testament opgesteld van Brecht Roeloffsdr weduwe Sijmon Maertensz. Erffgenaemen Sijmon Claesz haer comparantes dochters zoone, geprocreert bij Claes Dirck Maertses haeren swaeger s.g. in den somme van een f 300. Item alzoe Gerit Jan Baertsz met des voorschreven comparantes dochter f 100 min ten huwelijck gehadt heeft als die voorschreven Claes Dirck Maertses. Soe institueert zij comparante Marije Gerrits haer comparantes dochters dochter bij den zelve Gerit Jan Baertses geprocreert inde somme van f 400. Verder zijn erffgenamen van haer ongedisponeerde goederen Trijn Sijmonsdr huijsvrou van Cornelis Dircxz, Guerte Sijmonsdr huijsvrou van Allert Geritsz. Ende die vier kinderen van Roeloff Zijmonsz haeren zoon geprocreert bij Aechte Willemsdr, elcke stam in een derde paert.

Op 28 juli 1587 is het testament opgesteld van Brechte Roeloffsdr weduwe wijlen Sijmon Maertsz. Verclaerde zij comparante dat Sijmon Claesz haer dochters soone van haer naegeschreven erffgenamen met haer advijs consent wel believen ende bevel ontvangenheeft f 300 in plaetse van tgene hem Sijmon bij haer testatrice gemaect was ofte soude moegen werden, willende mitsdezen dat die zelve Sijmon daer mede affstaen ende hem te vreeden sal houden sonder ijet vorder van haer comparantes erffenisse te eijsschen. Item alsoe Gerit Jan Baertzes met des voorschreven comperants dochter Trijn Sijmonsdr f 100 min ten huwelijck heeft gehadt als Claes Dirck Maertses vader vande voornoemde Sijmon Claesz. Soe maect ende (est noode) institueert zij comparant Marije Gerits haer dochters dochter bijde voorschreven Gerit Jan Baertzes geprocreert inde somme van f 400 eens. In betaelinge van welcke somme den zelve Marije bij haer comparantes nageschreven erffgenaemen toegerecht sullen moegen werden eenige van de gereeste renten brijven bij haer comperante achter te laeten. Nomineerde voort zij comperante tot haer universaele erffgenamen van haer ongedisponeerde goeden Trijn Simonsdr huijsvrou van Cornelis Dircxz, Guerte Sijmonsdr huijsvrouwe van Allert Geritsz ende die vier kinderen van Roeloff Sijmonsz haeren zoon geprocreert bij Aechte Willemsdr elcke stam een derde paert.

Uit dit huwelijk:

1  Trijn Sijmons. Gehuwd met Gerit Jan Baertses. Gehuwd met Claes Dirck Maertses

Guertje Sijmons

3  Roeloff Zijmonsz. Gehuwd met Aechte Willems


40448  Hendrick Jansz Gael, zoon van Jan Jansz Gael, overleden > 1557

Vermeld in 1557.

Kinderen:

Jan Hendricxz Gael

2  Claes Hendricksz Gael, overleden < 22 januari 1587. Gehuwd met Alijd Floris Huijgen

3  Jan Hendricksz Baertsen Gael, biersteker te Assendelft, weesmeester (1587), overleden 1605-1607


40984  Cornelis Duijfhuijs

Kinderen:

Peter Cornelisz Duijfhuijs

2  (?) Adriaen Cornelisz Duijfhuijs


40988  Dirck Jansz de Cruijff, leenman van de Proosdij Oudmunster, zoon van Jan Dirckx die Kruijff en Elisabeth van Bemmel, geboren ca. 1500, overleden > 17 mei 1565

Gehuwd met

40989  Agniet NN

Op 19 februari 1521 Dirc Jansz de Cruve gebruikt 5 morgen aen sijn hofstede die op ons heren lant staet; noch weijnich minder dan 5 morgen inde Wegemaet; een strijp daerof omtrent 4 hont is cuer renthe tientvrij ende is al boulant.

Op 1 februari 1523 is Dirk de Kruif door de Proosdij Oudmunster beleend met de helft van 7 morgen de nedereng in het kerspel Wijk in het Middelbroek in het gerecht van de jonkheer van Gaasbeek, genaamd Bitterskamp, bij dode van Jan, zijn vader. Op 17 mei 1565 Jan Dirk Jansz de Kruif bij overdracht door zijn vader met diens lijftocht. Op 26 oktober 1587 Jacob de Kruif bij dode van Jan Dirk Jansz de Kruif, zijn vader.

Op 10 februari 1524 is Dirk de Cruijf Jansz voor Willem de Cruijf, zijn broer, door de hofstede Culemborg beleend met 4 morgen in Wijk, genaamd Distelkamp en Korte Geer, strekkend van de hofstede van de leenman tot de heer van Abcoude met Paatsenkamp, bij dode van Jan, diens vader.

In 1535 tienden van de Dom te Cothen: Uijtvelt Dirck die Cruijff Jansz bij Wijk, borgen Dirck die Cruijff aende Brenck te Cothen en Dirck Verhaer. In 1540 Middelvelt Dijrck Janss die Cruijff te Cothen, borgen Thonijs Jacobss, Dirck Gherijtss.

Op 20 maart 1537 Dirck Jansz Cruijff in Cothen pacht 7 morgen aldaar van de fabriek.

In 1544-1545 Corting te Cothen: Dijrck dije Cruijff 9 stuijvers.

Op 18 februari 1549 Dirck Jansz de Cruijff aen de Dwarsdijck impetrant versus Cornelis Jacobsz wonend gerecht Cothen met zijn kinderen, zwagers, vrunden en magen, gedaagden.

In 1552 St. Andriesdach, tijnzen van de Domproest te Cothen: Dirck de Cruijff van 2 morgen bij Rodensteijn behorend Dirck de Cruijff opten Dwarsdijck, 11 d.

In 1564 rente van 6 pont 5 schell van 1 jaer rente aan Agniet Dirck de Cruijfven huisvrouw.

Uit dit huwelijk:

Cornelis Dircksz de Cruijff

2  (?) Willem Dirckx de Cruijff. Gehuwd met Huijbertgen Jans

3  Jan Dirckx de Cruijff, leenman van de Proosdij Oudmunster, overleden < 26 oktober 1587. Gehuwd met Janneke Lourens Aelberts

4  (?) Gerijt Dirckx de Cruijff, overleden < 3 december 1569


41044  Nicolaes Vermeij (alias Hoevenaer), zoon van Lambert Maurijnsz Vermeij en Johanna Hoevenaer, overleden < 14 maart 1555

Gehuwd met

41045  Christina NN, overleden > 13 november 1555

Op 19 december 1495 Jan Schonauen, Janne, zijn zuster, gehuwd met Lambert Maurijnsz, en Heilwig, haar zuster, gehuwd met Anton van Brederode, bastaard, die ten eigen kregen van Herman van Hamersveld, raad, dragen over aan Nikolaas Hoevenaar de helft van 3½ morgen land boven de stad Vianen in de Haag in het land van Hagestein, strekkend van de Haagwetering over de dijk tot de kil, voor het altaar van Onze Lieve Vrouwe ter nood of de vikarie van St. Anna in de kerk van Vianen voor een wekelijkse mis op dinsdag volgens testament van Francois van Brederode, zolang Janna Hoevenaar, zijn moeder, f 6 rijns op een huis in Vianen niet heeft gemortificeerd, en zij geven ook een viertel in Boekop.

Op 3 oktober 1540 wordt Nikolaas Vermeij Lambertsz alias Hoevenaar door de heren van Vianen beleend met de helft van 3½ morgen land boven de stad Vianen in de Haag in het land van Hagestein, strekkend van de Haagwetering over de dijk tot de kil, bij dode van Johanna, dochter van Nikolaas Hoevenaar, zijn moeder, te versterven in de boedel met f 200. Op 14 maart 1555 Lambert Vermeij alias Hoevenaar bij dode van Nikolaas zijn vader.

Op 13 november 1555 voor schout en schepenen van Hagesteijn compareert Marie weduwe van Peter Hubertsz met Peter Petersz haer soen, transporteert op Christina Claes Hoevenaers wedue ¼e deel van 4 morgen opte Hogeweert.

Kinderen:

1  Metgen Claes Hoevenaer

Lambert Hoevenaer

3  Peter Hoevenaer, bakker, brouwer, poorter van Breda (1562), Heilig Geestmeester (1580), schepen van Breda (1591), geboren ca. 1540 te Vianen, begraven 18 juni 1602 in de Grote Kerk te Breda. Gehuwd met Cornelie Jan Jacobs, overleden 6 december 1595 en begraven 9 december 1595 in de Grote Kerk te Breda


41046  Peter Gerritsz van Eijndhoven

Gehuwd met

41047  Hilleken Cuijl, overleden < 25 februari 1580

Uit dit huwelijk:

1  Gerijt Petersz

2  Margriet Peters. Gehuwd met Hendrick de Reuse

3  Baetken Peters. Gehuwd met Cornelis Cornelisz Brouwer

Elisabeth Peter Gerritsz van Eijndhoven


41072  Michiel Sem, begraven 1614 in de Jacobikerk te Utrecht

Kinderen:

1  (?) Gerrit Sem


41080  Thomas Both, klokkengieter, busgieter, zoon van Volcken Gerritsz Both en Belia Gerrits, geboren ca. 1530, overleden 1593-1594

Gehuwd < 19 augustus 1552 met

41081  Cornelia Hendricks de Borch, dochter van Hendrick Engbertsz de Borch en Antonia NN, overleden ca. 1598

Thomas Both heeft het vak van klokkengieter mogelijk geleerd bij Jan Tolhuis, stiefvader van zijn vrouw Cornelia. De naam van Thomas komt namelijk pas na de dood van Jan Tolhuis, omstreeks 1558, op klokken voor. Klokken van Thomas Both dateren uit de periode 1562-1593. Daaronder bevindt zich ook de beiaard van het Brabantse Heusden uit 1589-1590. Daarna giet hij spellen voor Oudewater, Tholen en Vlissingen. De kwaliteit van de klokken is echter onvoldoende om een beiaard te kunnen vormen. Toch heeft hij een grote productie. Dat geldt ook voor het geschut dat hij giet. Thomas heeft in 1569 samengewerkt met Willem van Aelten. (bron: C.N. Fehrmann. Klokken en klokkengieters, 1963).

Op 19 augustus 1552 verkopen Thomas Volckensz Both en zijn vrouw Cornelia aan Gerijt Foel en zijn vrouw Geertruijt, een rentebrief van 2½ gouden aernoldusgulden, die Elijas Lumansz en zijn vrouw Elizabeth aan ene Jan Botter en zijn vrouw Alijdt ‘des woensdaeghe nae Sint Mathijs dach apostel (1 maart) 1458 toegekend hebben. Op 21 februari 1559 verkoopt Volcken Both de helft van vier cameren gelegen op Havik aan zijn zoon Thomas Both. Volcken Both behoudt zijn lijftocht.

Op 21 oktober 1562 te Amersfoort verkopen Thomas Both ende Neeltgen zijn huisvrouw voor drie delen, en Peter Peuten Meijnsz ende Anna zijn huisvrouw voor een vierendeel, aan Cornelis Jansz Opt zoet ende Sophia zijn huijsvrouw, die alinge huijsinge staende op Havik ende noch twee huizingen daer achter staande. Ende dit te laste van twee golden gulden ‘t jaers die Sinte Pieters Gasthuijs in verloop daaruit narens inholt hare brieven met voorwaarden dat Jannitgen Wolferts, voornoemd in de huijsinge die zijne te tijt hebbend ende gebruikt, daerinne blijven sal hare leven lanck. Op 16 februari 1568 lenen Thomas Both en zijn vrouw Cornelia dochter van meester Henricx, van Marritgen Guertsdochter, een rente van 6 carolusgulden jaarlijks af te lossen met 100 carolus gulden. Als onderpand de helft van een camp land gelegen buiten de Coppel, waarvan Peter Peter Meijnzoon de andere helft toebehoort.

Op 16 januari 1584 attesteert Thomas Both, clockgieter, wonende te Uijtrecht, dat ongeveer een jaar geleden een zeker Simen Jansz van Hoorn in Amsterdam aan Ghijsbert Ponsz van Weerder, requirant, had gevraagd een briefje mee te nemen waarmee hij in Utrecht geld zou ontvangen, waarna Simen binnen 14 dagen of 3 weken zijn dingen zou voldoen.

Op 12 oktober 1586 verschijnt te Arnhem Everth Isebrants van Scherpenseell, zich mede sterk makende voor Thomas Both, potentiavit R. Sluijsken en Engell then Nuijenhuijss in de zaak die hij te doen heeft tegen Johan Steck et porro in omnibus.

In 1587 een verklaring van mr. Peter Wijborch, organist van den Dom, en mr. Hendrick Cornelisz, organist in de St. Jacobskerk, aangaande de qualiteit van het beier- en speelwerk in den toren en van mr. Thomas Both, dat hij een der klokjes daarvan zal verbeteren. In 1588 sluiten mr. Thomas Both en den burgemeester van Elburg Eernst Reeffs een contract over de levering van twee stukken geschut ten behoeve van de stad Elburg.

Op 27 februari 1591 een betaalopdracht van 100 gulden ten beheove van Thomas Both vanwege Claes Petersz de Vogeler voor zaker ransoen van middelen in 1586. Op 29 september 1591 een contract met meester Thomas Both om uit de grootste klok hangende in de Lieve Vrouwetoren, twee stukken geschut te gieten. Op 8 december 1591 een afrekening met meester Thomas Both voor de levering van een veldslang (geschut).

Op 21 juli 1592 verkrijgen Thomas Both, clockengieter, en de erfgenamen van Wouter van Leeuwen van Lubbert van Parijs van Zuijdoort een borgtocht voor betaling van f 400-0-0 aan de weduwe en erfgenamen van Willem Verbeeck, gevestigd op land in Heicop, door Lubbert overgenomen van Thomas Both, klokkengieter te Utrecht. Het land was eerder eigendom van Goort van Zuijdoort, broer Aernt van Leeuwen verzoekt namens Thomas Both, zijn schoonvader, en namens de boedel van zijn overleden broer Wouter van Leeuwen om deze akte.

Op 27 juni 1593 attesteren Thomas Both, omtrent 63 jaar, clockgieter, wonende te Uijtrecht, en Ghijsbertgen Roeloffs, omtrent 73 jaar, dat Evert de Wijs, vader van Geertuijt Evert de Wijsen, als weduwenaar lange tijd verbleef bij Egbert in ‘t Spoortgen in de Rietsteeg en dat hij gedurende zijn verblijf daar getrouwd is met Margrieta Egberts, dochter van Egbert in ‘t Spoortgen en moeder van rekwirante. Margrieta Egberts was van onbesproken gedrag en heeft voor haar huwelijk geen kinderen gekregen.

Op 15 februari 1594 lenen Peter Gijsbertsz Emenesser ende Gerbrich sijn huijsfrou, van de weduwe van zaliger Thomas Both, een jaer rente van vijffentwintich gulden te lossen mit vijr hondert gulden hoofdsomme. Op 23 februari 1594 lenen Peter Gijsbertsz Emenesser, deser stadsborger, ende Beatrix sijn huijsfrou, mit handen haermans ende wettige voochts verplagen beleden ende bekenden tsament ende elcx bijsonder over huer ende hueren erfgenamen, van Cornelia Henricksdochter van de Burch weduwe ende boedelharster van zaliger meester Thomas Both, in sijnen leven clockgieter, borger, vijffende twijntich Carolus gulden tot twijntich stuijvers elcke gulden gereeckent, te lossen met de somme van vijer hondert gulden.

Op 1 juni 1594 wordt Johan van Gelder, weerdt in ‘t Bonte Peerdt te Uijtrecht, aangesteld om voor de deken en kapittel van St. Jan te Utrecht ten behoeve van Cornelia Henricx, weduwe van Thomas Both in leven klokkengieter, te transporteren de erfpacht en beterschap van tien morgen land gelegen in 32 morgen land of twee hoeven land genaamd Oude Geijn, om van Ghijsbert Jansz van Schaijck achterstallige pacht te innen en van Ghijsbrecht Otto Pieck, secretaris te Beesd, verantwoording te vragen en inkomsten uit land in Beesd en Rhenoij te innen en zo nodig rechtsmiddelen te gebruiken.

Op 13 september 1595 een brief van de gedeputeerde staten van Vriesland aan de gedeputeerde staten van stad en lande Groningen, over de betaling van twee cartouwen in 1580 door meester Thomas Both, bussegieter te Utrecht, geleverd.

In 1595 is Cornelia Hendricksdr, weduwe van Thomas Both, beleend met de ridderhofstad Oudegein inclusief bijhorende landerijen, tienden en andere recht. In 1598 zijn Gerrit Both en zijn broers en zuster beleend met de helft van het goed Oudegein, na de dood van Cornelia Hendricksdr, weduwe van hun grootvader Thomas Both.

Uit dit huwelijk:

Henrick Both

2  Willempje Both. Gehuwd met Aert Jansz van Leeuwen


41082  Geurt Bogaert, kerkmeester, zoon van Johan Bogaert en Maria de Coninck, overleden en begraven 31 juli 1597 te Utrecht. Gehuwd (?) met Marrigje van Compostell

Gehuwd met

41083  Wendelmoet van Honthorst, dochter van Dominicus Aertsz van Honthorst en Gerborch Gerrits, overleden en begraven 15 januari 1614 te Utrecht

Op 15 februari 1561 Herman de Roij, borger van Utrecht, versus Cornelis Jacobsz gehuwd met Hillegont Ghijsbert Hollen weduwe. Harmen kocht van ene Bartholomeus de Wael bastaert zeker huis geheten Zwanenburch te Utrecht. Genoemd Goert Bogaert te Utrecht. Op 26 juni 1562 Jan van Renesse en Dirck van Oostrum, mombers over de onmondige kinderen van zaliger Roeloff van Schonouwen, transporteren aan Goert Jansz Bogaert 2 morgen 85 roeden te Houten.

Op 20 december 1572 Bartholomeus van Bergeijck vertoont een procuratie van 5 december 1572 voor het Hof van Utrecht gepasseerd. Cornelis van Kessel constitueert Aelbert Verweij en Bartholomeus van Bergeijck om te Rhenen aan Goert Bogaert te transporteren het gebruik en huurweer van de ene helft van het veen dat hij met Bogaert in pacht ontvangen heeft van Gerrit Soudenbalg, heer te Urk, etc.

Van 22 maart 1575 dateert een stadsbrief van Utrecht, waarbij Margriet Petersdochter, weduwe van Gijsbert van Suijlen, erkent schuldig te zijn aan Goert Bogaert 1200 gulden, als rest der koopsom van een huis aan de Ganzenmarkt met een achterhuis aan de Neude aldaar, en voor de voldoening daarvan dit huis en nog twee huizen aan de Neude op den hoek van de Drakenburgsteeg verbindt.

Op 24 september 1577 verklaren de boedel van Lubbert van Compostell en zijn vrouw Baetgen Bogarts, Gerrit Heijnricksz curator, Adriaen Adriaensz Spijcker administrateur, Guert Schijff vicaris Sunt Jans t’Uijtrecht, Guert Bogart en Jan Roeloff Jansz ten eenre en Jan Bogaert den jongen ten andere, dat alle comparanten hun geschillen betreffende het sterfhuis zullen voorleggen aan Henrick van Medenblick en Peter Ruijch, beiden advocaat ‘s hoofs van Utrecht. Op 14 oktober 1577 verklaren de crediteuren van Lubbert van Compostel en zijn huisvrouw, bij name Gerrit Henricksz, Goert Bogaert, Adriaen Adriaensz den jongen, Roeloff Jansz van Roon, Guert Schijff en Aert Gerritsz ten Staell dat zijn hun geschillen zullen onderwerpen aan de arbitrage van Peter Ruijsch en Henrick van Medenblick, beiden advocaat ‘s hoofs van Utrecht in plaats van aan Pauwels van den Borch, raad, Jasper van den Borch, advocaat ‘s hoofs van Utrecht en Peter Ruijsch.

In 1580 stelt kerkmeester Willem van Zomeren de oud kerkmeester Goort Bogaert aansprakelijk voor de schade, door de armen der kerk geleden en nog te lijden tengevolgde van het verzuim van Goort Bogaert om een rentebrief ten laste van IJsbrandt Lam door een plecht te verzekeren. Met aantekening van gedane insinuatie dezer akte aan Goort Bogaert. Op 14 december 1583 protesteert Jan Bogart, deken der kercke van St. Peters t’Utrecht tegen beledigende en leugenachtige dupliek in zaak voor het gerecht van Utrecht door Goert Bogaert. Indien de dupliek niet wordt herroepen, zal protesteerder het testamen van Frederik de Coninck in handen stellen van de magistraat van Utrecht. Het proces voor het gerecht van Utrecht houdt verband met de zaak voor het gerecht van Buren die tegen protesteerder is aangespannen door de drost van Buren met relaas van insinuatie.

Item XXXIa Julii (1597) in obitu et funere Godefridi Bogart, bis Maria – VIII flor (bron: Recepta ex pulsatione campanarum in funeribus defunctorum. Archief Domkapittel no 651 en 702).

In 1600 geven de kerkmeesters van de Buurkerk toestemming aan Weijndelmoet van Honthorst, weduwe van Goert Bogaert, eigenares geworden van het huis van heer Goert Schijff in de Ambachtstraat, om het bleekveld achter de drie aan de kerk behorende godskameren te gebruiken.

Item XVa Januarii 1614 in obitu et funere Wendelmonde de Honthorst, vidue quondam Godefridi Bogart, Salvator bis – XII flor (bron: Recepta ex pulsatione campanarum in funeribus defunctorum. Archief Domkapittel no 651 en 702).

Op 27 februari 1652 sluiten Gabriell Coomans en Anthonis van Boort een akkoord ter beeindiging van het proces dat laatstgenoemde heeft aangespannen vanwege Gubbel Neeff van Toor, de nagelaten goederen van Wendelmoet van Honthorst, weduwe van Geurt Boogaert en een schuldbekentenis van f 500 waarvoor eerste partij borg was, zal eerste partij hem betalen f 700 en f 25 aan Marieken van Boort en aan hem overdragen de renten uit een plecht ten laste van Jan Jasperss van Hijnenberch, lijfrenten ten laste van de stad Antwerpen en een derde van een vierde deel van veenland in de Friese venen. Beide partijen ontlasten elkaar van schulden uit de nalatenschappen van hun ouders. Op 10 april 1653 Franchoijs van Broeckhuijsen en Adriaen Ambrosius, machtigen Dominicus Roosmael te Utrecht, tot verkoop van de door hen uit erfenis van hun grootouders Geurt Boogaert en Weijntgen van Honthorst verkregen venen in Friesland, en alle daartoe benodigde stappen te ondernemen.

Uit dit huwelijk:

1  Beligen Bogerts. Gehuwd op 22 augustus 1589 voor het gerecht te Utrecht met Harman Willemsz van Nijepeert

2  Dominicus Bogaert, schepen en cameraer der stad Utrecht, begraven 7 februari 1644 te Utrecht. Gehuwd op 17 oktober 1590 voor het gerecht te Utrecht met Ailtgen DIrck Willemsz de Langen, begraven 3 mei 1623 te Utrecht

3  Burchgen Bogaerts. Gehuwd op 6 oktober 1592 voor het gerecht te Utrecht met Gabriel Gabrielsz Comans

Emmerentia Bogaert


41086  Beernt Hermans van Bochoven, zoon van Herman van Bochoven

Gehuwd met

41087  Joesgen Henrick Gerrits

Op 17 oktober 1549 Pons Vvijtenbroeck, substituut schout, Dirck van Doijenborch en Johan van Renesse van Cuijlenborch, schepenen van Utrecht, oorkonden dat Jutgen weduwe van Tonis Thoeniss, Thonis Thoniss haar zoon, Cornelis Hermanss voor zichzelf en voor Dirckgen zijn vrouw, Beernt Hermanss voor hem en Joostgen zijn vrouw, Henrick Janss voor hemzelf en Anna Thonisdochter zijn vrouw, bij wie zij wettig nageslacht hebben, Aert Hermanss en Weijntgen Tonisdochter hebben verklaard, ook namens de minderjarigen Steven van Blommendael en Nellichgen en Grietgen Thonis dochters te hebben opgedragen aan de abt van Paderborn het hofhorige goed Bitterschoten, waarop deze dit vervolgens heeft overgedragen, onder kwijtschelding van de hofhorigheid, aan heer Johan van Cuijlenborch heer van Renswoude, bovendien hebben zij verklaard van deze de koopsom van dit goed ontvangen te hebben. Tevens verklaarde Reijer Goeriss, mede namens zijn vrouw Beatrice, voldaan en betaald te zijn voor alle recht dat hij aan dit goed had.

Beernt Hermans van Bochoven koopt op 28 februari 1573 een perceel bestaande uit een camer aan de zuidzijde van de Vroujuttersteech.

Uit dit huwelijk:

1  Anneke Beernts van Bochoven, overleden < 22 juli 1593. Gehuwd (?) op 18 september 1589 voor het gerecht te Utrecht met Beernt Huijch Beerntsz van Utrecht. Gehuwd met Adam Petersz van Halen, geboren ca. 1560, overleden 6 juli 1642 te Rotterdam, begraven 30 juli 1642 te Utrecht

2  Hendrick Beerntsz van Bochoven, hopman te Utrecht, overleden en begraven 7 december 1594 te Utrecht. Gehuwd met Hillegond Roelofs van Zijll, begraven 21 juni 1618 te Utrecht

Maria Beernts van Bochoven


41300  Cornelis Splintersz van Voorn, zoon van Splinter van Voorn, overleden < 14 december 1564

Gehuwd met

41301  Geertruijt NN

Op 18 december 1563 Henrick Cornelis Splintersz voor hemzelf, Mr. Arnt van Boicholt en Dirck Sel gemachtigde van Aeffken Gerritsdr, Henrickx voorschreven zijn huisvrouw, Geertruijt en Bebel Splinter Henrickx voorschreven susteren volgens procuratie, transporteren aan Splinter Cornelisz van Voorn de erfenis hen aangekomen van zaliger Hubert Splintersz hun oom.

Op 14 december 1564 Joost Joostensz de bastaert van Brederode te Vianen, gemachtigde van Henrick Cornelis Splintersz wonend opt huijs tot Teijlingen. Heeft broer Mr. Francois van Voorn Cornelisz, moeder is Geertruijt weduwe Cornelis Splintersz.

Uit dit huwelijk:

1  Francois Cornelisz van Voorn

2  Splinter Cornelisz van Voorn, rentmeester van Monicklant, overleden > 10 maart 1568

3  Henrick Cornelis Splintersz. Gehuwd met Aeffken Gerrits

4  (?) Herman Cornelisz van Voorn

5  Geertruijt Cornelis Splinters

6  Bebel Cornelis Splinters

7  (?) Marichgen Cornelis Vroon. Gehuwd met Jan Jansz van Oldenseel

8  (?) Peter Cornelisz van Voorn


41616  Wolter ten Hanenberch, geboren ca. 1508, overleden > november 1568

Gehuwd met

41617  Ffennen NN

Up frijdach naes lijchtmissen (1532) Wolter ten Hanenberch begert viij dage tegen Gert Engsijnckporter. Up donredach naes Catarine (1532) Alijt ter Wellen, Arnt Holtkamp enn Gert Porter gaen uijth seligen Bertn Rijdders hues Wolter ten Hanenberch enn Ffennen sijner huesfr enn dar geijth ij golt g des jaers uijth de halve den pastor int gasthues enn den g to behoff Tonis ten Walle. Wolter ten Hanenberch gegeven Ffenne sijner huesfr xxv olde scijlde vor off van oir twijer gude.

Post Converionis Pauli. Wolter ter Hanenbroch geijth uijth met sijner huiesfr Monikinckhave enn Engelen sijn huesfr sodane hus enn hoff gelegen achter den olijmolen tusscen Hermen ter Hofstede enn Johan ten Suchtune enn den heft dat Capitell i scepel roggen enn sollen oir den hof vrijen oft an de pennijnge.

Up gudensdach naes Omni Sanctorum Wolter ter Hanenberch enn sijn husfr hebben hem weder uijthleijden laeten. Gert ter Hofstede verthijet aller ansprake enn tosage tot behoef Ffennen ter Hanenberch de he hadde to den patrimonium dat sijn selige broder hadde dar vor sal Ffenne Gerde gheven viij horns gulden tbetalen up termijnen. Ffenne ter Hanenberch wijset Gerde ter Hofsteden vermijts Gerde van Lonijker oren gekornen momber dertich enckeden phs g oft de gewerde tbehoff orer twijer kijnder Johan enn Ghert in affsceijdinge oirs vaderliken guedes uijth oren huese have enn alinger wer.

1535: Wolter ten Hanenberch pent Gert Lukens. Gert Momekinchoff begert viij dage tegen Wolter ten Hanenberch. Up mandach naest Crucis Gert Lukens bekent Fenne ten Hanenberch j mudden roggen up rekenscap.

1536: Ffenne ten Hanenborch pent Gert Lukens

Up Gudensdach post Egidij (Egidij = 1 september) (1548) Wolter Hanenberch die 4 tuch olth omtrenth xL jaren tugeth enn secht dat hie sij gegaen uth sijn hues op die strate, dair Gerdt Soddenberch is gekammen mijt perde drijven, doe had desse tuch gefraget Gerde wair hie mijt den perden wolde, had hie gesacht hie had twie sack roggen op die wordt staen, die wijlde hie voren op de Hulsbecke molle, wat eijn ander geve dat wolde hie oieck geven. Evert ten Duvelshave, de 5 tuch olt omtrent xxxviij jaren tugeth enn secht hie heb gelegen op sijn doer, enn heb gehoirt dat Hane Wolter ten Hanenberch Gerde Soddenberch hebben gefrageth wair hie met den perden hen wolde, dair up Gerdt gesacht (hie ha) dair is eijn sack roggen offt twe op die wordt stane bleven, den wijll ick voeren tho mollen op genaden, wat eijn ander gifft dat wijll ick oieck geven.

Den vierden Augusti (1563) Ffrans Schoemaecker van Detman bekenth gerichtlichen dat hie in stadt ende van wegen Johans van Kukenn hefft (nha geholden vruntlichen verdrage) van Wolter hanenberch ontfangen de summa van soevendehalff goltg xxviij st lb van den gulden gereckent, ther affsoene van zalgen broder Johan Claessoens nagelaten gudts, de in Albergen verstorven, ende belavet hem er wegen dat nemant sal koemen de tot den nalaeth, broder Johans vorss better recht sall hebben, dan Johan van Kukenn broder Johans broder vorss, ende wil hem altoes daer voir instaen, dat ghenompte Wolter eens voir all hijr met betalt, ende van den naleath broder Johans vorss affgeschet sal sijn ende blijven voir idermenlich, sijn gudt daer voir tho onderpande stellende, alles in der bester forma van Stadtrechte, buthen Wolters vorss kost offt teringhe ader anader onnoeth daerum t doenn, sonder argelist.

In november / december 1568: Herman ter Westrick verkofft Hanen Wolters hall voir eijn Riderg koper ut supra et ress.

Uit dit huwelijk:

1  (?) Henrick ten Hanenberch

2  (?) Lambert ten Hanenberch

3  (?) Wilhem Hanenberge. Gehuwd met Meriken Brouwers


42816  Bitter van der Marssche, dienstman van het Sticht (1477), zoon van Herman Bitter van der Marssche en Nelle Comans, geboren < 1455, overleden < maart 1532

Gehuwd met

42817  Elisabeth ten Bussche, overleden > 1510

In 1477 oorkondt David van Bourgoengen, bisschop van Utrecht, dat hij Bitter Hermenssoen aanneemt als een dienstman van het Sticht en hem alle daaraan verbonden rechten toekent, in tegenwoordigheid van Roeleff van Bevervoirde, raad en hofmeester, en Goert van Reede, ambtsman van Twenthe.

In 1488 transporteert Steventje van Wengel, dochter van Reijnner van Wengel, met haar broer Steven van Wengel als haar momber, aan Bitter van der Marssche en zijn vrouw Lijse, het erve en goed genaamd Reijnner Claessoensgoet, gelegen op de Landtwere in het kerspel Wijhe, in de buurschap Wengele. In 1489 een akte waarbij door scheidsleiden een uitspraak wordt gedaan in het geschil tussen Bitter van der Marssche en Lubbert Bijngerman en zijn moeder Aleid over het bezit van het Reiner Klaassensgoed in de buurschap Wengelo.

In 1493 vestigt Otto van Doetinchem ten behoeve van Bitter van der Marssche een jaarlijkse rente over tien morgen land, Het Loe genaamd, in de buurschap Wijhe.

In 1493 transporteert Clawes Tijasen aan Bitter ten Mersche en zijn vrouw Lijse een doorgaand were in de Waterstrate (in Zwolle), tussen die van Evert Vriese, Clawes voornoemd, de erfgenamen van Alijt Daegens en de erfgenamen van Herman van Bolten strekkende van de Nijestraten tot aan de straat erachter. In 1504 vestigen Bitter ten Mersche en zijn vrouw Lijse een jaarrente van 10 goudgulden ten behoeve van Herman Johanssoen, op het huis in de Nijestraete.

In 1494 vestigen Bitter van der Mersch en zijn vrouw Lijze een rente van 13 goudgulden ten behoeve van Johan Cromer en zijn vrouw Katherijne, gaande uit hun erve en goed Die Haer in het kerspel ende buurschap Wije, gelegen aan de Weteringe en belend door Andrijs Bonnijnge, Arent van Bevervoirde en Bertelt ter Beke. In 1499 verkopen Bitter ten Mersche en Lijse, zijn vrouw, aan het Regulierenklooster te Diepenveen bij Deventer, een jaarrente van 10 Rijnse goudgulden, gaande uit het vrije en eigen erve en goed, die Haer genaemd, dat reeds bezwaard is met een jaarrente van 13 gouden Rijnsche gulden en dat inde buurschap van Tongeren in het kerspel van Wije gelegen is. In 1502 vestigen Bitter ten Marsche en zijn vrouw Lijze een rente van 20 goudgulden ten behoeve van Willem Zwarten, burger te Deventer, gaande uit hun erve en goed Die Haer en uit 10 morgen land bij het genoemde erve gelegen, alles in het kerspel Wijhe gelegen.

In 1495 vestigen Bijtter ten Mersche en zijn vrouw Lijse een rente van 12 goudgulden ten behoeve van Johan Faenken, gaande uit hun erve en goed Dije Lantweer, gelegen in het kerspel Olst, in de buurschap Scherpenseel.

In 1497 vestigt Herbert Splitloff ten behoeve van Bitter van der Marssche een jaarlijkse rente, gaande uit zijn goederen in de marke Assendorp.

In 1498 vestigt Bitter ten Marsche een rente van 15 goudgulden ten behoeve van Henric Voirne, gaande uit een rente die hij heeft van 46 mud rogge uit het erve en goed Wengevelde, gelegen in het kerspel in de buurtschap Wengele. In 1509 een akte van ovedracht door Bitter van der Marssche aan de broederschap van Sint Anthonius van een jaarlijkse rente, gaande uit enkele landerijen in de buurschap Wengele, kerspel Wijhe, met retroacta 1484 en 1490.

In 1500 een akte van verpachting door Roelof Blanckvoort aan Bitter van der Marssche van enig land te Herxen. In 1501 een proces verbaal waarbij diverse buren van Herxen op verzoek van Bitter van der Marssche getuigen dat Luijken Kuten altijd het gebruik gehad heeft van twee akkers land te Herxen.

In 1503 oorkonden priores en gemene convent des regularissen cloester ten Dijepeveen dat zij Bitter ten Marsche en zijn vrouw Lijse vergunnen een jaarlijkse rente van 10 goudguldens, gaande uit het erve en goed Die Haijr in de buurtschap Tongeren, af te lossen met 130 goudgulden. Op 16 maart 1503 is Bitter then Meersch beleend met ‘dat goet to Scerpenzele, gheleghen in het kerspel Olst’ na dood van zijn vader Herman Bitter. Het goed gaat over op Goert Claeszoon na opdracht door Bitter ten Meersch. Op 3 maart 1532 Johan Bitter na de dood van Goert Claessoon, die het goed alleen ten behoeve van Johans overleden vader Bitter then Mersch ‘in leenscher weer’ en niet in bezit gehouden heeft.

In 1505 stelt Bitter van der Marssche een akte van schuldbekentenis op aan Mette Stolte van een som gelds, onder zekerheidsstelling van een vordering van Bitter op de stad Zwolle, met een retroactum 1498 en met een aantekening betreffende de aflossing in 1548. In 1508 stellen Bitter van der Marssche en zijn vrouw Elisabeth een akte van cessie op aan Willem Rademaker van een jaarlijkse rente, met een retroactum 1507 en met een aantekening betreffende de aflossing in 1584. Een zelfde akte stelt Bitter op in 1520.

In 1506 transporteert Hendrik Loessen aan Bitter van der Marssche en zijn vrouw Elisabeth een huis en kamp buiten de Sassenpoort in Assendorp.

In 1510 stelt Bitter van der Marssche een akte van schuldbekentenis op aan Johan Stolte en zijn vrouw van een som gelds, met een aantekening betreffende de aflossing in 1569.

Uit dit huwelijk:

Johan van der Marssche

2  Johan Bitter ter Mersche, overleden < 1553. Gehuwd met Johanna van der Bussche, overleden < 1553

3  Herman Bitter ter Marssche, overleden < 1546. Gehuwd met Dirkje van Zijll, overleden > 1546

4  Catherina ter Marssche. Gehuwd met Floris van Jutphaas


42818  Jacob Willemsz van Schroijensteijn, cameraar en raad van Utrecht

Gehuwd met

42819  Christina Knoop

In 1508 Gerit Foeijt en Jacob van Schroijesteijn als voogden van Jan de Wit Stevenssoenssoen constituteren.

Uit dit huwelijk:

1  Joost Jacobsz van Scroijesteijn. Gehuwd in 1509-1510 (huwelijkse voorwaarden 20 december 1509) met Arijaentje Arijaens van Brevoerd

2  Johan van Schroijesteijn

Aleid van Schroeijensteijn


42820  Evert Zoudenbalch, schepen en burgemeester van Utrecht (1491-1524), eilandheer van Urk en Emmeloord (1495-1530), lid van de Kleine Kalende broederschap, zoon van Gerrit Zoudenbalch en Geertruid Zuijlen van Natewisch, geboren ca. 1460, overleden 1 november 1530 te Utrecht

Gehuwd op 20 juli 1491 met

42821  Maria van Brienen, dochter van Johan van Brienen en Elisabeth van Kershoff, geboren ca. 1472, overleden > 1544

Evert Zoudenbalch en verschillende van zijn voorouders en nakomelingen komen met overlijdensdatum voor op de lijst van de leden der Kleine Kalende-broederschap. Het doel van de broederschap was de bediening van kapellen en altaren (welke kaland of kalend kapellen wrden genoemd), het houden van missen voor de zielen van de gestorven leden, het uitdelen van aalmoezen en het houden feesttijden. De kalende broederschap had statuten die voor alle leden bindend waren.

Evert wordt in 1491 gekozen als schepen en hij heeft vervolgens meer dan 20 jaar zitting in het stadsbestuur. Hij gaat in augustus 1499 samen met Hendrik van Gent, als vertegenwoordigers van de stad Utrecht, mee bij een veldtocht naar Kleef tegen de hertog van Kleef, welke het Sticht was binnengevallen. Met enkele anderen bevindt Evert zich in november 1499 in ‘s Hertogenbosch voor vredesberaad en later in april-mei 1500 in Keulen.

Op 2 juni 1495 wordt Evert beleend met de hoge en lage rechtsmacht van Urk en Emmeloord met bijbehorende grond en rechten, in opdracht en als opvolger van zijn oom Evert Zoudenbalch. Op 11 augustus 1500 hulde van Evert Zoudenbalch. Op 31 december 1530 Jan Zoudenbalch bij dode van Evert zijn vader.

In 1501 maendach na St. Lijsbettendach Gerijt die Greve Henricss, borger tUtrecht, vertegenwoordigt Evert Zoudenbalch over de hofstat van Prattenborch daer Lambert Quint op sat voer en aleer Henric de Greve, Gerijt’s vader er woende.

In het Sticht bestaat een sterke antipathie tegen de pro-Habsburgse Floris van Egmond, heer van IJsselstein. Diverse oude conflicten over de rechten van de kapittels in zijn territorium zijn nooit goed bijgelegd en de kapittels vinden het tijd om Floris een lesje te leren. Ze krijgen hierbij steun van de stadbestuurders Evert Zoudenbalch en Evert van Gruenenberch. In 1511 doet Utrecht een poging om de stad en het kasteel van IJsselstein in te nemen, maar ze rekenen daarbij tevergeefs op de steun van de Gelderse hertog. Het Sticht wil toch doorzetten. De Utrechtse machthebbers Jan van Montfoort, Evert Zoudenbalch en Goeijert van Voorde nodigen daarop bisschop Frederik van Baden uit om in de statenvergadering te komen en daar zijn medewerking te geven voor de actie tegen IJsselstein. Frederik gaat echter niet op de uitnodiging in. Floris van Egmond, heer van IJsselstein, belooft vervolgens vrijgeleide voor de inwoners van het Sticht, op voorwaarde dat Evert Zoudenbalch en Goert van Voorde, die door hem als aanstichters van de oorlog van 1511 worden beschouwd, uit de stad Utrecht zullen worden verbannen. En dat gebeurt in 1525. Op 25 mei 1525 stelt de stad Utrecht een verbintenis op, om Goeijert van Roedenborch, Evert Zoudenbalch en Goeijert van Voerd Heijnricss met hun aanhangers uit de raad te zetten.

In 1525 bestaat er ook bij de lagere klassen een algemeen wantrouwen tegen Evert Zoudenbalch en Goert van Voorde, die in 1510 en 1511 en later herhaaldelijk burgemeesters zijn geweest. Het misgenoegen stijgt door het opleggen van nieuwe belastingen in dat jaar voor de betaling van een som van f 50.000 door de Staten aan den elect. Op St. Marcusavond komen de gilden in beweging, en men zendt afgevaardigden aan den elect, die de volgende dag na enige aarzeling onder andere goedkeurt dat gedeputeerden uit de gilden de stadsrekeningen van 1511 af zullen nazien, om eventuele knoeierijen te ontdekken. Op St. Petersdag ad vincula besluiten daarop de gilden dat een commissie uit hun midden de rekeningen vanaf 1511 zullen nazien. De commissie zal wekelijks vergaderen en de verkeerd uitgegeven gelden van de schuldigen terugeisen. Dientengevolgde worden 84 personen (vier uit elke gilde) door de gilden in gemene morgenspraak gekozen. Het resultaat van het onderzoek is dat verschillende posten in de rekeningen niet goedgekeurd en door de magistraten van de betrokken jaren of hun erfgenamen aan de commissie van onderzoek gerestitueerd worden.

Op 27 december 1516 renversaal betreffende 7 morgen 2 hont land genaamd Hairvelt op de Lage Haar en 16 morgen land te Nieuwkoop, door Evert Zoudenbalch verpacht aan Gerijt Janss Botterman.

Hij is beleend met Zuijlensteijn op 24 maart 1518. Links een afbeelding van huis Zuilenstein (R. Roghman, 1646-1647, collectie Het Utrechts Archief). De bisschop van Utrecht dagvaart dan Frederik van Seldeneck om te verschijnen op de eerstkomende rechtdag ten einde zich te verantwoorden inzake het leengoed Zuilenstein, waarop Evert van Zoudenbalch een recht pretendeert. Op 21 april 1520 protesteren de leenmannen van de bisschop van Utrecht, na raadpleging van rechtgeleerden van de universiteit van Leuven, de grote raad van Mechelen en het hof van Holland in Den Haag, tegen de uitspraak die ten gunste van Evert van Zoudenbalch was uitgevallen. Op 4 mei 1526 doet het keizerlijk kamergerecht uitspraak in de zaak van appel tussen Frederik van Seldeneck, appellant, en Evert van Zoudenbalch, geappelleerde, betreffende een vordering op Frederik van Seldeneck onder verband het huis Zuilenstein toebehoren, waarbij de appellant in het gelijk gesteld wordt.

In 1519 een akte waarbij Evert Zoudenbalch vermaakt aan zijn zoon Jan het grote huis in de Donkerstraat, dat hij nu bewoont, met inboedel en toebehoren, zeven andere huizen in de Donkerstraat, het huis Bellaert in de St. Mariestraat met het huis daarnaast en zes kameren aldaar, alles behoudens de lijftocht van zijn vrouw Maria van Brienen.

Op 19 juni 1526 bericht Jacob van Aemstell aan Floris van Egmont o.a. dat Frederick van Zeldeneck in het Kammergericht te Esselingen in hoger beroep van het vonnis van leenmannen, een uitspraak te zijnen gunste kreeg aangaande het huijs Zuijlensteijn tegen Evert Zoudenbalch.

Op 5 april 1533 heer Henrick van Zoudenbalch, kanunnik ten Dom, voor hemzelf en vervangende Joffrouw Marij van Brienen weduwe Evert Zoudenbalch met haar kinderen, en Joffrouw Mari Zoudenbalch weduwe Jans van Rijn, als mede erfgenamen van zaliger heer Gerrit van Zouwenbalch versus Gerit Zouwenbalch bastertsoen desselfs heer Gerijt, subdiaken en tresorier ten Dom. Deze Gerit subdiaken zaliger was broeder van de impetrant. In 1484/5 zal hij toch in boelschap met ene Catrijne van Sonnevelt bij wie hij gedaagde verwekte welke hij een huis te Utrecht geheten Amerongen vermaakte. Gerrit overleed in 1524.

Uit dit huwelijk:

Johan Zoudenbalch

2  Elisabeth Zoudenbalch. Gehuwd met Reijer van Voorst, heer van Doornweerd

3  Evert Zoudenbalch, ridder, heer van Prattenburgh, dijkgraaf Lekdijk (1530), schepen van Utrecht (1534), geboren ca. 1503, overleden 1550

4  Hendrick Zoudenbalch, schepen en raad van Utrecht (1544-1547), schepen van Amersfoort (1568), overleden 1573 te Putten. Gehuwd < april 1543 met Anna Gerrits Griffeldere, dienstmeid


42822  Rutger van den Boetzelaer, jonker, leenman van de hertog van Brabant, heer van Asperen, Langerak en half Nieuwpoort (1492, 1499), heer van Deurne (1499), lid van het Illustre Lieve Vrouwe Broederschap (1511), lid van de ridderschap van Utrecht (1536), baron des H.R. Rijks (1544), zoon van Wessel van den Boetzelaer en Josina de Mol, geboren ca. 1472, overleden 14/24 september 1545, begraven in de kerk te Asperen

Gehuwd in 1499 met

42823  Bertha van Arkel, dochter van Otto van Arkel van Heukelum en Walravina van Broeckhuijsen, geboren ca. 1480, overleden 15 oktober 1558, begraven te Asperen

Links het zegel van Rutgher van den Boetzelaer, heer tot Asperen ende tot Langeraick etc. op 28 juli 1545.  Voorstelling gevierendeeld schild” I en IV 3 weerhaken 2-1 geplaatst. II en III leeuw. Hartschild: twee beurteling gekanteelde dwarsbalken. Gewende helm met helm met ? (uitkomende drakenkop) (Bron: Brabants Historisch Informatie Centrum 242-308 en Gelders Archief 0243 – 1146/6).

In 1492 kiest Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen en Langerak, zijn oom Zweder van den Boetzelaer als voogd om deze heerlijkheden voor de tijd van acht jaar in zijn naamt beheren. Op 10 mei 1493 wordt Rutger, na de dood van zijn vader Wessel, door Maximiliaan I, graaf van Holland en heer van Arkel, beleend met het huis Langestein en 24 morgen land onder Langerak, de tienden van Ammersgraafland, Achterland en Peulwijk en de helft van Nieuwpoort met de hoge en lage jurisdictie. In 1496 maakt hij een verdrag met zijn oom Sweder en belooft zijn broer en zuster vergoeding te geven wegens zijn belening met Asperen en Langerak en belooft met zijn moeder zijn zuster Weijntgen ter schole te zullen zenden. Op 1 december 1501 gaan de tienden van Ammersgraafland naar Roeland le Fèvre, heer van Teemseke en Liesveld, hofmeester, bij overdracht door Rutger van Boetselaar. Op 6 januari 1546 Wessel van den Boetzelaar bij dode van Rutger zijn vader.

Op 10 mei 1493 is Rutger van Boetselaar beleend met de vrije heerlijkheid Asperen gelegen tussen Laarsteeg en Broekvliet met hals en hoofd, hoog en laag gerecht, en de poort van Asperen die een open stad zal zijn, bij dode van Wessel, zijn vader, met lijftocht van Joost Mols, weduwe, zijn moeder, op 100 gouden rijnsguldens. Op 21 februari 1528 is het goed belast door Rutger van Boetselaar voor het huwelijk van Walburg, zijn dochter, met de heer van Berlaimont voor 1600 pond. Op 6 januari 1546 Wessel van Boetselaar bij dode van Rutger, zijn vader.

In 1499 worden de huwelijkse voorwaarden opgesteld tussen Rutger van den Boetzelaer en Otto van Arkel van Heukelom inzake het huwelijk tussen Rutger en Otto’s dochter Berta. In 1499 wordt hij beleend met Deurne maar doet dit in hetzelfde jaar over aan zijn stiefvader Henrick Taije.

In 1511 beloven Floris van Egmont en de stad Utrecht dat zij zich zullen houden aan de uitspraak van de landvoogdes in hun geschil. Met rekest van Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen en Langerak, aan de landvoogdes om Utrecht te verbieden contributie te eisen van zijn onderdanen voor de onkosten van het beleg van IJsselstein. De Boetzelaers voeren strijd met de Geldersen. In 1517 ondernemen de Gelderse benden een strooptocht op Hollands gebied, waarbij Asperen veroverd wordt. Daarbij komen, naar men zegt, 1500 aanvallers om het leven. In 1528 worden aan Joost van Cortenbach de voorwaarden bekend gemaakt voor verzoening met Rutgher van den Boetselaer.

In 1511-1512 heeft joncker Rutgheren van Boetseleer, jonker, heer tot Asperen, intredegeld betaald voor het Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. In 1546-1547 is doodschuld betaald na de dood. 

In 1519 draagt meester Dirck Folpertz, pastoor te Acquoy, zijn leen van 1½ morgen land in Asperen op aan Rutger van den Boetzelaer, die er Hughe Jansz mee beleent. Op 11 november 1524 oorkondt Rutger van den Boetzeler, heer van Asperen en Langerak, dat hij in leen heeft gegeven aan prior en overige kartuizers, land in Asperen in Griet Lauen Hoef in de Afterste Camp.

In 1520 verkrijgt Rutger van den Boetzelaer toestemming van Staes van Broeckhuijsen om zijn vrouw Berta van Heukelom voor haar leven de inkomsten te doen genieten van de goederen die hij van Staes in leen houdt. Tussen 1521 en 1561 dient een proces tussen Rutger van den Boetzelaer en zijn zoon Wessel, samen met burgemeesters, schepenen en inwoners van Asperen enerzijds, en de Staten van Holland anderzijds, inzake de leenroerigheid en belastingplicht van Asperen aan Holland.

In 1531 bevestigt keizer Karel V het vruchtgebruik van het huis Langerak en andere goederen en rechten voor Berta van Heukelom.

In 1544 wordt hij door keizer Karel V tot baron des H.R. Rijks verheven. In 1545 doet Rutger van den Boetzelaer, heer van Asperen, een gift in ‘onversterflijk erfleen’ van 1 morgen in Apseren op Klein-Hoogland aan klooster Sint Catharina in Heusden, waarbij Ariaan Geritszn voor klooster leenhulde doet. In 1545 stellen Rutger van den Boetzelaer en Berta van Heukelom hun testament op.

Op 3 augustus 1554 instrumenteert notaris Ide Medemblick, dat Walraeven van Arckell, heer tot Heuckelom, Ammerzoijen en Waerdemburch, ridder, ten eenre, en Floris van Assendelft, heer tot Goudriaen, ridder, Bertha van Arckell, douairière van Asperen en Langheraeck, mede voor haar kinderen bij heer Rutgers van den Boetzelaer, ten andere, compromissen hebben gesloten dd 14 juni 1533 en 24 juni 1554, waarbij arbiters werden benoemd, over de nalatenschap van Gherridt, heer van Hueckelom, en geeft de inhoud van de uitspraak weer, waarbij de juiste omvang van de heerlijkheid Hueckelom wordt vastgesteld.

Uit dit huwelijk:

1  Frantz van den Boetzelaer, minnebroeder

2  Gijsbrecht van den Boetzelaer, commandeur van de Duitse Orde

3  Christiaan van den Boetzelaer. Gehuwd met Anna van Lockhorst, geboren ca. 1510

4  Wessel van den Boetzelaer, jonker, vrijheer van Asperen, heer van Langerak, half Nieuwpoort en Carnisse, geboren ca. 1500, overleden 1575 te Rossum, begraven te Asperen. Gehuwd in 1519 met Francoise van Praet, vrouwe van Moerkerken en Carnisse, geboren ca. 1505, overleden 6 oktober 1562

5  Otto van den Boetzelaer, overleden 1545

6  Gerrit van Boetzelaer, subdiaken (1522), pastoor van Asperen

7  Elburg van Boetzelaer, abdis van Rijnsburg (1552-1568), overleden 1568 te Rijnsburg

8  Walrave van Boetzelaer, non in Rijnsburg

9  Walburg van Boetzelaer, vrouwe van Maerle. Gehuwd ca. 1527 met Roland van Baillermont. Gehuwd ca. 1550 met Adriaan de Noijelles

10  Johanna van den Boetzelaer

11  Johan van den Boetzelaer, ridder, geboren ca. 1509, overleden 1588. Gehuwd in 1548 met Doede van Holdinga, geboren ca. 1525, overleden 6 augustus 1566. Gehuwd ca. 1570 met Sophia van Pallaes


42824  Willem van der Boije

Gehuwd met

42825  NN van Swieten

Uit dit huwelijk:

Boudewijn Willemsz van der Boije


42826  Aernt Booth, schout van ‘s Gravenhage (1518-1524), baljuw van ‘s Gravenhage (1522-1524, 1529-1536), meesterknaap van de wildernisse van Holland (1531-1542), pachter van de Bildtlanden (1524-1527), drost en kastelein te Franeker (1527-1529), zoon van (?) Aernt Booth en Agatha Vranks van Diemen, geboren ca. 1482 te ‘s Gravenhage, overleden 2 april 1551 te Den Haag, begraven in de Geertekerk te Utrecht. Gehuwd met (huwelijkse voorwaarden 1526) Anna Frans Coebel, overleden 1526-1533

Gehuwd met

42827  Geertruijd Gijsberts van Leeuwen, dochter van Gijsbert van Leeuwen en Alid van der Haar, geboren < 1512 te Utrecht

In de oudere genealogieën, zoals van de 17e eeuwse genealoog Cornelis Boot, is Aernt Boot aangegeven als zoon van Aernt Boot en Agatha van Diemen. In recentere genealogieën wordt deze Aernt Boot gezien als zoon van Dirck Booth en Margriet de Wit. Ik zie geen overtuigende bewijzen om af te stappen van de oudere genealogieën (zie ook website Franz Salzborn).

Aert is student te Leuven in 1502 en te Orleans in 1506. Hij ‘heeft tot Juruzalem geweest met zijn huijsvrouw’. Hij pacht met Julius van Botnia, ridder en raad in Friesland, en Marten Kobel, rentmeester van Zuid-Holland, onderhands te Brussel de Bildtlanden van de raad van Karel V. Hij biedt daarna de vorige pachters wederom huur aan, op voorwaarden ‘zoo hij voorschreef’. Deze ‘die te voren gemelde landen van eenen slechten tot eenen goeden staat hadden gebragt, zijn hiermede in het geheel niet tevreden en brengen hunne klagten bij het Hof van Friesland in’. De grietman en zijn deelgenoten worden in het ongelijk gesteld en hun wordt bevolen de oude pachters als vroeger ongemoeid hun gang te laten gaan.

Boven het noordportaal van de Geertekerk te Utrecht leest men op de muur het volgende (zie afbeelding links): “Arnoud Booth, ridder van Jeruzalem, heeft de reis naar het Heilige Land en Jeruzalem gemaakt in 1524, met zijn vrouw Geertruid, dochter van Gijsbert van Leeuwen (vertaling van Monumenta van Buchel pag 216, fol. 115r).

Op 12 november 1561 vindt het transport plaats van het huis Leeuwenberch te Utrecht ‘Gerrit Boot, Arent Boten soon, Willen van Zuijlen van NIjvelt en Joffrou Aecht Boot zijn huijsvrou, Johan Boot haeren broeder, Boudewijn van der Boeij, boedelharder zijner kinderen geprocreeert en naegelaten bij Joffrou Alidt Boots zijn huijsvrou, Joffrou Anna en Mechtild zaliger Aernt Booth dochteren geprocreeert bij Jofr Geertruijdt van Leeuwen sijn wijff, allen erfgenamen voornoemde Aernt Boots en Joffrou Geertruijt van Leeuwen, transporteren haer huijs bij St Geertenbrugh … ten behoeve van Johan Calvo en Joffrou Johanna Vincke sijn wijff … nu genaemt Leuwenborch eertijt het huijs ten heijligen lande oock ten tijden van Gijsbert van Leeuwen, vanouts het huis Hombout’.

Uit dit huwelijk:

1  Mechteld Booth. Gehuwd met Witte Wittens de Witte, raadslid in het Hof van Holland, overleden 1572 te Utrecht

2  Anna Booth. Gehuwd met Adriaan van Adrichum, burgemeester van Haarlem, overleden 1573

3  Agatha (Aechten) Booth, overleden 21 maart 1589. Gehuwd met Willem van Zuijlen van Nijevelt, heer van ‘s Heeren Aartsberge, schout van Dordrecht, baljuw van Zuijthollant (1577), één der verbonden Edelen, lid der Ridderschap, verbannen door Alva, drost van Muijden, baljuw van Goijland, gezant in Engeland, geboren 1538, overleden 28 oktober 1608, begraven te Muiden

4  Johan Booth, rentmeester van de Consiscatien, overleden 1595 te Den Haag. Gehuwd met Josina Sandelijn, overleden 1 mei 1626 te Den Haag

Alidth Booth

6  Gerard Booth, advocaat en rentmeester van de Abdij van Egmond, geboren 1540 te Den Haag, overleden 1600. Gehuwd met Geertruijd van Kouwenhoven, geboren 1543 te Den Haag, overleden 1575, begraven in de Grote Kerk te Alkmaar. Gehuwd > 1575 met Kornelia van Teijlingen, geboren 28 februari 1548 te Alkmaar


42828  Peter van Baerle, heer van Overen, schepen van Roermond, zoon van Emont van Krieckenbeck van Baerle en Eva van Brede, geboren ca. 1485, overleden 30 november 1518

Gehuwd ca. 1510 met

42829  Anna van Dursdael, dochter van Rabeth van Dursdael de jonge en Margaretha van Wachtendonck, overleden 5 februari 1524

Op 19 januari 1510 ‘des negentheen der daechs in den Loemaent’ vindt de deling van nalatenschap plaats tussen Heijnrich van Baerich met diens vrouw Eva van Brede, weduwe van Emont van Baerle, mede voor hun vier kinderen, en Peter en Wilhem van Baerle, zonen van wijlen Emont van Baerle en Eva van Brede. Aansluitend vindt de deling plaats van de nalatenschap tussen de jonkers Peter en Wilhelm van Baerle, broers, kinderen van wijlen Emont van Baerle en diens vrouw Eva van Brede.

Op 20 september 1518 ‘feria secunda post lamberti’ klaagt Peter van Barle, mede namens Thijs van Ruijskamp, Willem van Zwolle en Wolter van Brockt, tegen Johan Bairtschere over een huis in de Brugstraat waarvan Peter als naaste verwant erfgenaam is en volgens stadsrecht heeft beschuld en de koopsom aan Johan heeft aangeboden, wat Johan niet aanvaardde. Johan zegt dat het huis aan hem gegeven is en op schenking ligt geen recht van beschudden. Derick Ruijscamp verklaart het huis aan Johan Bairschere verkocht te hebben voor 15 gulden en dat geld ontvangen te hebben. Daarna kwam Johan bij hem op de markt en zei ‘lieve Derick, dit mucht ungenuechte inbrengen, soe wer eenen meijnonge dat ir euch duijt guet gheeft’. Op het pand rustte echter vruchtgebruik. Volgens schepenen kan Johan niet over het goed beschikken omdat het een vruchtgebruiker heeft. Peter wordt de vordering ontzegd, vonnis 1519.

Op 4 augustus 1522 wordt in St. Odilienberg Christoffer van Dursdael, ten behoeve van zijn zus, weduwe van Peter van Bairle, beleend met goed en hof te Overen onder de jurisdictie van Odilienberge gelegen.

Op 11 mei 1535 vindt te Roermond de deling plaats van goederen uit de nalatenschap van Peter van Baerle tussen de kinderen Emont van Baerle en Eva van Baerle. Eva verkrijgt onder andere de hof Westering te Maasbree. Getuigen zijn Rabet van Dursdael, grootvader, Jan Moreel, Henrick, Christoffer, Arnt en Wijnand van Dursdael, ooms, Derick van Cruchten, schout van Roermond, Dederick Houfft, Lambert van Cruchten en Mechteld van Cruchten, weduwe.

Uit dit huwelijk:

1  Eva van Baerle, geboren 21 december 1512, overleden 25 januari 1540. Gehuwd in 1529 met Johan van Lom, overleden 1563

2  Emont van Baerle

3  Simon van Baerle


42830  Willem van Eijll, burgemeester en schepen van Arnhem (1540-1553), overkerkmeester van de parochiekerk in Arnhem (1550-1552), lid van de St. Nicolai Broederschap te Arnhem (1539-1553), zoon van Johan van Eijll en Elisabeth van Goor van Caldenbroeck, geboren < 1510, overleden 1553

Gehuwd met

42831  Christina van den Sande, dochter van Wilhelm van den Sande en Judith Berch, overleden > 14 december 1555

Links het zegel van Wilhem van Eijl, schepen te Arnhem. op 25 oktober 1541. Randschrift WIL/ LEM VAN/ EIL IANS/ OEN in banderol. Voorstelling wapenschild met lelie, omgewende steekhelm met dierenkop als helmteken (Bron: Gelders Archief 2001 – 463-288/2).

Op 29 juli 1518 ‘alva pathaleon martir’ oorkondt Johan van Barlle, als leenheer, met de Gelderse leenmannen Reijner van Gelre, heer van Arcen, en Sweder van Paerloe, drost te Geldern, bij gebrek aan eigen leenmannen, te belenen Silbert van Eijllzoon van wijlen Johan, heer te Geisteren, mede ten behoeve van Johan van Eijll, heer te Geisteren, en Willem van Eijll, broers, met het goed Koesdonck en het goed ten Berckten, gelegen in het kerspel Baarlo, ambt van Kessel, alles onder voorbehoud van de douairie van Elisabeth van Goer, weduwe van Johan van Eijll, hun moeder.

In 1520 vindt de scheiding en deling plaats van de nalatenschap van Johan van Eijll, tussen Elisabeth van Goer, weduwe van Johan van Eijll, en haar kinderen. Johan van Eijll verkijgt de heerlijkheid Geisteren en Spraland, Oirlo en Oostrum met leenmannen en dienstmannen, cijnzen, laten, enz, zoals in Geisteren in Grave te leen. Sijbert van Eijll verkrijft de banhof Spralant in de heerlijkheid Oostrum en een deel van de heerlijkheid Oostrum over de beek richting Geisteren. Willem van Eijll krijgt onder andere 9 malder ‘s jaars krijgt uit Oostrum, de cijns te Oostrum. Mathijs van Eijll verkrijgt de hof op den Berg onder Geisteren. Gerrit krijgt 12 malder ‘s jaars uit de molen te Geiste en 17½ malder ‘s jaars uit de rosmolen. De weduwe behoudt Huis Baarlo in vruchtgebruik.

Op 1 januari 1530 ‘naemiddagh naer der heijligen nieuwe jaersdagh’ is na bemiddeling een akkoord bereikt in de twist tussen Johan van Eijll, heer te Geijsteren, Sijbert en Willem van Eijll, gebroeders, en Gaert van Kessel en zonen en kinderen, inzake het Huis de Borch te Baarlo c.a., leenroerig aan Gelre. De broers van Eijll behouden hun goederen, die van Kessel doen hiervan afstand.

Op 4 augustus 1530 ‘op donredag na sijnte petrisdach der heiligen apostels ad vincula’ vindt de scheiding en deling plaats tussen de kinderen van wijlen Johan van Eijll, heer te Geisteren, en zijn vrouw wijlen Elisabeth van Goer en Johan, Sijbert, Mathijs, Wilhem en Gerrit van Eijll en Berndt van Huchtenbroick gehuwd met Agnes van Eijll. Johan van Eijll, heer te Geijsteren, en Maria van Domborch, echtelieden, verkrijgen de heerlijkheden Geijsteren, Oirlo en Oostrum. Sijbert van Eijll en Johanna van Brouckhuijsen, echtelieden, verkrijgen het Huis te Baarlo c.a., de hof te Coesdonck en de hof de Grote Berckt. Wilhem van Eijll en Stijn van den Sande, echtelieden, verkrijgen de hoeve Grote Beijrckt en de Kleine Beijrckt, de woning den Deijlst en de hof te Oestenrick te Horst. 

Uit 1535 en 1542 dateren stukken betreffende geschillen tussen Wilhem van Eijll en de familie Van den Sande over de nalatenschap van Wilhem van den Sande. 

Op 24 juni 1543 ‘sint johansavond nativitatis’ beleent Arent van Lijnden, heer te Blitterswijk, Willem van Eijll met de hof op den berg te Blitterswijk en met de molen te Wanssum. Op 24 mei 1550 zien Sijbert van Eijll thoe Baerlloe en This van Eill, gebroeders, en Jacob van Eill, hun neef en enige zoon van wijlen Johan van Eill, af van het recht van manleen op de goederen groot en klein Berckt, die bij deling waren toegevallen aan hun broer en oom Wilhelm van Eill, die echter alleen dochters heeft zodat die dochters nu toch mogen opvolgen.

In 1544 is Stijne van den Sande, vrouw van Wilhem van Eijll, door de graaf Van den Bergh beleend met de helft van 8 morgen land te Haalderen. In 1554 verklaren Lobberich, weduwe van Andrijss van den Nuijenhuijss, en Feuse, weduwe van Rutger van den Sande, dat hun broeder Johan van den Sande bij magescheid een bouwhof te Heteren en de helft van het goed te Haalderen, en de wederhelft aan Wilhem van Eijll en diens vrouw, toebedeeld zijn.

Op de francijne rol van de St. Nicolai broederschap te Arnhem, waarop nieuwe leden zijn aangetekend, staat in 1539: “Willem van Eeijl, obijt anno 1553”.

Uit dit huwelijk:

Agnes van Eijl

2  Anna van Eijl

3  Elisabeth van Eijl. Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 14 december 1555) met Godert Pannekoeck, raad van Philips II als koning van Engeland


42832  Elias van Weede, raad (1534) en schepen (1536) van Amersfoort, collateur van de Vicarie van de Sint Annakapel te Amersfoort (1566), zoon van Elias van Weede en Lambrechtje Claas Goorts, geboren ca. 1490, overleden 1571

Gehuwd met

42833  Margrijet Reijer Peters, dochter van Reijer Petersz en Antonia NN, overleden < 3 juli 1574

Op 8 april 1512 is Eelgis van Weede bij dode van Elias, zijn vader, beleend met de tiende grof en smal van het goed van Boelenhove . Hij is op 14 juni 1537 beleend met het goedt Ruijtenbeeck. Op 12 augustus 1564 verkopen Elijs van Wede en zijn vrouw Margrijet de vrije eigendom van twee stukken land in de Westeijgen bij Amersfoort in gemeenschappelijk bezit met hun zwager Ariaen Jacobszn aan Willem Henricxzn Ancker en zijn vrouw Goertgen, Jacob Jongejans dochter.

Op 31 januari 1523 ‘eotem septima post Conversionis Pauli’, verkopen ‘Lambrich Eelgis van Ween wedue ende meijster Ian van Wede mit Elijs van Wede hoer beijden geboeren momber ende Elijs van Wede hem selver te goede, een stuc lants gelegen inde Westeijgen, aan Gerit van Wede. Mit voirwerden dat altijt dese goede voirscreven sullen erven op Goirtz rechte erven van sijnre zij die also voersijde afterlaten Goirt voirscreven’. Tevens verkopen zij aan Gerrit van Wede ‘het derdendeell van een schuir berch hoff ende hofstede gelegen bij Bollenburch Poirt gemeen mit … Peterz ende Heinrickgen Gerij Bots wedue’.

Op 15 april 1525 ‘septima post Palmarum’ koopt Elis van Wede van ‘Goert van Wee ende Weijm zijn wijf scelden te goede’ ‘alsulcx recht ende toeseggen als hij aen berch hof ende hofstede gelegen aen Bollers Poirt’.

In 1538 transporteren Gherijt Reijer Peters, Willam Reijers, Peter van Zeebeeck en zijn vrouw IJde Reijer Peters dochter en Mergrijet Reijer Peters dochter, vrouw vn Elijs van Wede, aan Joist Hermanz namens de Armen de Poth een jaarlijkse erfpacht van 7 oort Reinaldus Arnhemse guldens, gevestigd op een huis in Bloemendal.

Op 23 december 1539 ‘dijnsdaichs na sinte Thomas dach apostell’ oorkonden burgemeesters, schepenen en raad van Amersfoort dat Jan Jan Gerits namens Henrick Corneliss voor tweederde deel en Elijs van Wede namens Gerrijt Reijer Peters voor eenderde deel de Armen de Poth vrijwaren voor enige hinder, schade of gebrek door de erfgenamen van Thonis Corneliss of eimand anders, inzake de door hen op 19 december 1539 overgedragen grond.

Op 24 februari 1541 kopen Elijs van Wede en zijn vrouw Mergrijt een tegoedschelding van het zestiende deel van twee vierdelen land gelegen buiten de Campoert aan de Daewech te Amersfoort. Op 13 april 1541 kopen Elijs van Wede en zijn vrouw Mergrijet een tegoedschelding van twee philippusgulden die het broederschap jaarlijks heeft uit het goed van Willem Reijer Petersoen. Op 9 juni 1541 ‘quinta post Pentecostis’ lenen Elijs van Wede ende Mergrijet sijn wijff geld van Meus Peter Aeltsoen tot behoeff Sint Anna Capell gelegen aen onser stadt wall. Vijf Philippusgulden 25 stuvers pro de gulden aan rente, jaarlijks te betalen op Petri ad Cathedram (22 februari) en altijd te lossen de penning met twintig. Als onderpand alle goed dat zij hebben of verkrijgen mogen in het gerecht van Amersfoort. De rente is gelost op 21 juni 1547.

Op 26 oktober 1541 ‘quarta post Crispini’ verkopen Elijs van Wede en zijn wijf Mergrijet opgifte van de eigendom van een huis hoff en hofstede glegen op Blomedall vanouds geheten Aert Rijcksenhuis aan Gherijt Gerijt en zijn wijf Katerijn. Zij lenen hen daarvoor geld. Twee hollandse guldens aan renten jaarlijks te betalen op Sijmonis et Jude (28 oktober) te loosen de penning 14. Als onderpand een huis hof en hofstede gelegen op Blomedall. Afgelost op 20 oktober 1545 en de brief is gecasseerd.

Op 29 april 1542 ‘saterdach post Georgii’ lenen Elijs van Wede en zijn wijf Mergrijt geld van Jut Jacop Zwarten weduwe. Drie hollandse gulden aan rente, jaarlijks te betalen op Sint Jorisdach zolang genoemde Jut leven zal en niet langer. Als onderpand alle goed dat zij hebben of nog verkrijgen in het gerecht van Amersfoort.

Op 28 juni 1544 ‘septima post Johannis’ verkopen Zair Jacopsoen en zijn wijf Petergen aan Willem Evertsoen en zijn wijf Grijetgen een tegoedschelding van een huis met de erfpacht van de hof en hofstede gelegen op Blomendall. Elijs van Wede behoudt 12 stuiver hollands aan erfpacht daaruit, de heijligen Sacraments Broederschap een gulden te lossen de penning met achttien en Gijsbert Mourisoen een philippusgulden losrente de penning veertien. Mede kwam voor ons Elijs van Wede en verleende Willem Evertsoen en Grijet zijn wijf dit huis hof en hofstede ten erfpacht voor 12 hollandse stuiver jaarlijks te betalen op Martini hijemalis.

Op 8 juli 1545 oorkonden Ermgardt Meijns Peterssoens weduwe met Elias van Weede en Ghijsbert Jan Spruijtensoen, haar neven, dat zij ingevolge de wil van Goirdt Claessoen, haar broer, die oom was van Elias en oudoom van Gijsbert, een vicarie hebben gesticht en begiftigd in St. Annakapel bij de stadsmuur in de Pothoff, toegewijd aan Anna.

Op 24 maart 1552 verlenen Engelbert van Till en Peter van Lin, als schepenen der stad Embrick, procuratie namens Gerijt Dircxzn aan Elis van Weede, burger der stad Amersfoort, om zijn huis, hof en hofstede in de Crommestraet te Amersfoort te mogen verkopen.

Op 22 april 1553 verkoopt Gerijt Reijer Peterszn en zijn vrouw Geertruijt aan zijn broer Willem Reijerss het rechter vierendeel van een huis, hof en hofstede met al zijn toebehoren, alsmede het vierendeel van de brouwketel die Elis van Wede tegenwoordig gebruikt, gelegen aan de Corte Graft.

Op 16 september 1563 verklaren Reijer van Moerzelaer en zijn vrouw Jannitgen Johans dochter schuldig te zijn aan Elgis van Wede en zijn vrouw Margariet de som van 32 Karolusguldens, voortkomend uit de koop van een hofstede bij de Kamppoort aan de stadswal, tegen een jaarlijkse rente van een Karolusgulden en twaalf stuivers.

Op 12 augustus 1564 kopen Elijs van Wede en zijn vrouw Margrijet van Willem Henricxzn Ancker en zijn vrouw Goertgen Jacob Jongejansdochter, de vrije eigendom van twee stukken land in de Westeijgen in gemeenschappelijk bezit met hun zwager Ariaen Jacobszn.

Op 26 juli 1565 lenen Elijas van Wede en zijn vrouw Margrijet aan Goert Willemzoon, molenaar, en zijn vrouw Dijrickgen een bedrag van 450 gulden met een rente van 22½ carolusgulden jaarlijks af te lossen. Onderpand een morgen land gelegen tussen de Slijk en Utrechtse Poort, twee morgen land gelegen achter de molen van Jan Zegerszoon, en hun molen met de erfpacht waarop de molen staat, met het getimmer aan beide zijden.

Uit dit huwelijk:

Elias van Weede

2  Lamberta van Weede, overleden > 1 juni 1591. Gehuwd met Arent van Zijll, overleden 1577

3  Anthonia van Weede. Gehuwd met Reijer Hermans

4  Reijer van Weede, priester, overleden 3 mei 1601

5  Peter van Weede, overleden 1594. Gehuwd met Maria van Werckhoven. Gehuwd met Johanna van der Eem, overleden 23 juni 1622 te Utrecht


42834  Daniël Pouwelsz van den Berch, brouwer te Utrecht, zoon van Pauwel Jansz van den Berch en Lijsbeth NN, overleden < 9 juli 1556

Gehuwd met

42835  Jacobgen de With, dochter van Johan Stevensz de Witt ‘de jonge’ en Christina Zas, overleden > 1593. Gehuwd met Anthonis de Ridder van Groenesteijn

Jacobgen erft in 1544 een brouwerije na de dood van haar ouders.

Op 9 juli 1556 Herman de Ridder, Willem de Ridder, Niclaes de Ridder en Beernt Grauwert Henrickx, versus Pauwels van den Berch, licentiaen in de Richten, Dirck de With, Steven de With, Johan Both en Pauwels van Blochoven, hijlickxluijden van Anthoenis de Ridder van Groenesteijn gehuwd met Jacobgen Jan de Wittendr, weduwe van Daniel Pauwelsdr van den Berch, bij wie zij een dochter heeft Elisabeth Daniels van der Berch. Anthonis zal zijn vrouw lijftochten.

Op 8 juni 1562 Mr. Pauwels van den Berch, raad Hof van Utrecht, Pouwels van Blochoven voogd van de onmondige kinderen van zaliger Daniel Pouwelsz van den Berch, Jan Buth met Alidt Jan de Witsdr, Anthonis de Ridder met Elijsabeth van den Berch, Elijas van Wede met Cornelia van den Berch, Christina van den Berch, Aert Foeijt met Christina Dirck Jans van Hensbeecksdr versus Steven de Wit. Zaliger Dirck de With, Stevens breoder maakt bij testament de kinderen van Daniel van den Berch elk 150,- en die Alith Jan de Withsdr elk 100,-.

Uit dit huwelijk:

Cornelia van den Berch

2  Elisabeth van den Berch. Gehuwd met Anthonis de Ridder


42836  Jan Meertensz van Sneeck, raad van Utrecht (1560-1568, 1575), barbier, diende bij de Wijbisschop, wijnkoper, wijntapper op het Oude Kerkhof in het huis Montfoort, burger van Utrecht (1536), geboren ca. 1510, overleden 1577-1578, begraven in de Buurkerk te Utrecht. Gehuwd ca. 1530 met Alijt Adrijaen Thomasdr, overleden 1534

Gehuwd ca. 1535 met

42837  Maria Franck Folperts, dochter van Franck Claes Folpertsz en Margriet Dirck Sassen

Uitgebreide persoonsbeschrijving op de website van Franz Salzborn

Op 25 augustus 1559 Jan Maertensz van Sneeck hospes in Montfoort, transporteert een hortus buiten Wittevrouwen aan Jan Jansz scriba wten Waell.

In 1563 belooft Johan, burggraaf tot Montfoort, aan Johan Martensz van Sneeck, wijnkooper en burger te Utrecht, dat, wanneer de opbrengst der 6 morgen land in Blocklandt, die de burggraaf hem overgedragen heeft, niet voldoende mocht compenseeren de jaarlijksche rente van 40 Karolus guldens 12½ stuiver, door hem aan den burggraaf overgedragen, de burggraaf hem met het ontbrekende in andere goederen vestigen zal.

In 1567 bekent S. van Grovestein, kanunnik van de Dom, 123 gulden schuldig te zijn aan Johan Sneeck voor geleverde wijn.

1567 Thinshoederen tot Bunnick Mr. Jan Mertenss van Sneeck xiii m vi l – ii l xiiii s. 

Op 2 april 1578 Franchoijs van Sneeck, borger van Utrecht, en Christina zijn zuster met Mr. Librecht van der Moelen onse mede-schepen, kinderen en erfgenamen van zaliger Jan Mertensz van Sneeck, constitueren.

Uit dit huwelijk:

1  Meerten Jansz van Sneeck, kannunik van de St. Pieter te Utrecht, geboren 1535 te Utrecht, overleden 1568 te Utrecht

2  Aefgen Jans van Sneeck, geboren 1542-1543 te Utrecht

Francois Jansz van Sneeck

4  Christina van Sneeck, geboren 1546-1547 te Utrecht, overleden 1619 te Utrecht. Gehuwd met Lijbrecht van der Muelen, schepen van Utrecht (1576-1578)


42838  Cornelis Cornelisz van Schoordijck, lakenverver, heer van Rhijnauwen, begraven 5 juli 1593 te Utrecht

Gehuwd met

42839  Hendrickgen Willem Folckens, begraven 10 augustus 1592 te Utrecht

Cornelis van Schoordijck koopt in 1579 kasteel Rhijnauwen en wordt in 1593 opgevolgd door zijn zoon Folcard. Follard breidt het kasteel in 1596 uit. Links een afbeelding van kasteel Rhijnauwen uit 1660-1670 (Bron: Het Utrechts Archief, catalogusnummer 135443).

Op 10 maart 1582 Jonkheer Reijnhart van Aeswijn, heer van Braeckel en Aernout van Aeswijn, gebroeders, constitueren Gerrit Gijsbertsz, wonend op Sterckenburch, en Dirck Willemsz, int gerecht van Sterkenburg, om voor het gerecht aldaar en van Nederlangbroek te verplagen Cornelis Cornelisz van Schoordijck een jaarlijkse rente van 200 carolus gulden (losbaar met 3200,-) gevestigd op hun 16 morgen in Sterkenburg en 16 morgen in Nederlangbroek.

Op 3 maart 1586 transporteren Jonkheer Loeff van der Haer gehuwd met Juffrouw Hectorea van Hoxwier, aan Cornelis Cornelisz van Schoordijck 27 morgen te Schalkwijk, waarvan een halve hoeve in een hoeve gemeen met Johan van Doeijenborch, strekkend uijte Schalkwijkerwetering in Blochoverwetering, een hoeve op Blochoven gekocht van Bethlehems convent strekkend van Honswijkerdijck aen Blochoverwetering / opslacht toe waterende in de Blochovensewetering, een morgen leen van Culemborg, en de helft van een viertel van vier morgen gemengde voren met de wedue van Willem van Roijen. Welverstaande dat inde voorschreven hoeve gekomen van Bethlehem liggen 5 morgen (3 morgen weijlant, 3 morgen hoochlant) die Cornelis Willemsz alias Krekel en zijn huisvrouw oft nu hun erfgenamen in beleeninge hebben voor 650,- op conditie dat zij het 6 jaar mogen gebruiken. Met handtekeningen Mr. Lijbert van der Muelen, Franchoijs van Sneeck en Aert Ram. Op 10 maart 1586 transporteert Loeff van der Haer 16 morgen te Schalkwijk aan Cornelis van Schoordijck. Op 10 maart 1586 transporteren Jonkheer Loeff van der Haer, gehuwd met Juffrouw Hectoria van Hoxwier, echtelieden, aan Cornelis Cornelisz van Schoordijck 25 morgen in Schalkwijk in verschillende percelen, namelijk de nummers 1, 2 en 4 als 3 maart 1586 getekend. Op 16 maart 1586 transporteren Jonkheer Louff van der Haer, gehuwd met Juffrouw Hectoria van Hoxwier, op Cornelis van Schoordijck een halve hoeve in de hoeve daer de andere helft Johan van Doeijenborch bezit, strekkend van de Schalkwijkerwetering in Blochoverwetering. Op 16 maart 1586 transporteren Jonkheer Louff van der Haer, gehuwd met Juffrouw Hectoria van Hoxwier, aan Cornelis Cornelisz van Schoordijck een halve hoeve als eodem.

Overluidingen 1562-1614 van de Domkerk: 1592 “Item den Xen Augusti over Hendrickgen Willem Folckenss dochter, Cornelis van Schoordijcx huijsfrou, Maria twe uren, facit – VIII gl”. 1593 “Item op den Ven Julij over Cornelis Corneliss van Schoordijck Salvator twe uren facit – XII flor”.

Op 22 oktober 1593 transporteert Jan Thoniss te Vecht op de erfgenamen van Cornelis van Schoordijck 18 morgen te Vechten. Hofgoet van de Domeijnen voor 3700 pont – was beswaert met 3800 pont – er hoeft geen 40e penning betaald te worden.

Op 25 september 1601 rekening, bewijs en reliqua van Juffrouw Cristina van Sneeck als moeie van de goederen / kinderen van Francois van Sneeck zaliger, haar broeder, en het incomen van zaliger Cornelis van Schoordijck, der kinderen petevader.

Uit dit huwelijk:

Christina Cornelis van Schoordijck

2  Folcard Cornelisz van Schoordijck, ambachtsheer aen de Ouden Rhijn ende Rhijnauwen, overleden en begraven 2 november 1610 te Utrecht


42840  Gevert Petersz van Amerongen, procureur te Utrecht, deurwaarder van het Hof van Utrecht (1535), zoon van Peter Gevertsz en Elijsabeth Quint, overleden 9 mei 1589. Gehuwd met Geertruijt Jans de Haen, overleden 1588-1589

Gehuwd met

42841  Sophia van Brouchoven, dochter van Jacob van Brouchoven, overleden < 21 mei 1556

Op 19 juni 1539 is Govert van Amerongen Pietersz beleend met de tienden in Schalkwijk, genaamd 4½ hoeven tienden, bij overdracht door Joost van Hardenbroek. Op 17 november 1545 draagt Govert van Amerongen over aan Heer Marcus van Weeze, kanunnik ten Dom te Utrecht.

Op 14 juli 1544 te Oostveen Gevert van Amerongen, procureur van heer Goert Boelen, vicaris DOM impetrant, versus Heijltgen Claes Wemmers weduwe, nu huisvrouw van Aernt Sem, gedaagde. 

In 1548 wordt Gevert Petersz van Amerongen ‘geijegent in de husinge Raephorst opde Coornmerct’ te Utrecht.

Opmetingen Lekdijk: 580: 29 mei 1553 Gevert van Amerongen een halve hoeve, 8 juni 1562 Gevert van Amerongen een halve hoeve, 19 mei 1572 geheel alsvoren, 15 mei 1582 Gevert van Amerongen een halve hoeve, 22 mei 1592 de erfgenamen van Jan van Amerongen in plaats van Gevert voorschreven en Melchior Weijman in plaats van alsvoren samen een halve hoeve, 1602 de erfgenamen van Jan van Amerongen in plaats van Gevert van Amerongen, Willem Cornelisz en Gerrit Dirckx opte Vaert in plaats van Melchior Weijman samen een halve hoeve. 581: 29 juni 1544 Gevert van Amerongen en Dirck van Oostrum een halve hoeve, 29 mei 1553 Gevert van Amerongen en Dirck van Oostrum een halve hoeve, 8 juni 1562 Gevert van Amerongen en Dirck van Oostrum een halve hoeve, 19 mei 1572 Jan van Amerongen en Dirck van Oostrum een halve hoeve, 15 mei 1582 Benjemin van Oostrum in plaasts van Dirck van Oostrum en Jan van Amerongen een halve hoeve, 22 mei 1592 de weduwe van Jan van Amerongen een viertel, 6.2 x 1.

Op 9 januari 1554 is Govert van Amerongen beleend met 7 morgen in het kerspel Wijk voor heer Nikolaas van Broekhoeven, kanunnik te Wijk, bij dode van mr. Jacob van Broekhoven, raad in de Hof van Utrecht (bron: Repertorium Gaasbeek). Op 30 april 1555 transporteert Gijsbert Aertsz aan Steven, Antonius en Johan Gevert van Amerongens kinderen een halve hoevelandts in Tienhoven. 

Op 21 mei 1556 transporteert Cornelis Dircksz van de Velde, gehuwd met Cornelia, aan Gevert van Amerongen, gehuwd met Geertuijt, een huis.

Op 23 maart 1557 heer Nicolaes en heer Jacob van Broeckhoven, kanunniken te Wijck, voor henzelf en vervangende Geertruijt Corlinckx, hoer nicht, Andries van Broeckhoven, Marichgen van Broeckhoven, Anna Johan van Broeckhovens wedue voor hen zelf en vervangende haar kinderen, Mechtelt Corlincx voor haarzelf en vervangende Anthonis Corlinckx hoer uijtlandige broeder, Gevert van Amerongen als weduwenaar van Sophia van Broeckhoven (bij wie kinderen), altesamen erfgenamen en prelegatarissen van zaliger Mr. Jacob van Broeckhoven, kanunnik St. Marie. Op 30 juni 1557 is hij beleend met ¼ van de Haechse Hoef in Hagesteijn. Op 30 december 1557 Gevert van Amerongen, gehuwd met Geertruijdt Jan die Hanendr, also Beernt Wttenengh, gehuwd met Laurens Henrick Nobelsdr, eertijts – 22 maart 1543, een actie passeerden, etc. 

Op 10 april 1560 machtiging van de gasthuisbroederschap op den rentmeester van het gasthuis Johan Wasman, op Adriaen van Mierloo, op Gevert van Amerongen en op Aert Ram, om het gasthuis in rechte te vertegenwoordigen.

Op 30 juni 1557 wordt Gevert Petersz door de bisschop van Utrecht beleend met een vierde deel van de Haechse hoeff gelegen in ‘der Joncfrouwen Hage tussen de Hoeve en de queldamme’ te Hagestein. Op 3 januari 1590 gaat het leen over op Roelof van Amerongen bij dode van zijn grootvader Goevert Petersz van Amerongen. Op 23 maart 1592 is Roeloff van Amerongen beleend bij dode van zijn vader waarna zijn moeder jonkvrouwe Francoise van Diepholt, gehuwd met Philips Hardeman, het leen overdraagt aan Dirck Adriaensz Solderman (bron: Repertorium op de lenen van de bisschop van Utrecht in de provincie Zuid-Holland, 1298-1649).

Op 24 januari 1562 Sebastiaen Petersz van Amerongen, vicaris van de St. Pieter, Gevert Petersz van Amerongen, procureur Hof van Utrecht, Marij Petersdr van Amerongen weduwe van Cornelis Roeloffsz, Agniet Petersdr, Anthonia Petersdr gehuwd met Anthonis Jansz Quint, kinderen van Peter Gevertsz van Amerongen en Elijsabeth (eerst overledene). Andere kinderen Adriaen, Aelbert en Jan Petersz van Amerongen. Op 12 september 1562 heer Sebastiaen Petersz van Amerongen, Gevert Petersz van Amerongen, Adriaen Petersz, Jan Petersz, Marije Petersdr weduwe Cornelis Roeloffsz, Agniet Petersdr, Anthonis Jansz Quint als gehuwd hebbende Anthonia Petersdr, al erfgenamen van zaliger Peter Gevertsz en Elijsabeth, hebben zaak met Aelbert Peterswz. Het huis van hun ouders was wel 5 tot 6 keer vertimmerd voor bij elkaar 500 a 600 gulden; het stond op thinsgoed van Jan Ruijsch en nu is daar kwestie over. Aelbert zegt: onze vader kocht het niet, maar hun overleden broer Hubert Petersz en wel van Willem Jacobsz.

Op 31 december 1563 Angeniet Petersdr wonend Amerongen principael, Gevert van Amerongen procureur Hof van Utrecht, haar broeder, borg, vstw de Noodthulp 11 gouden keijserlijcke guldens jaarlijks verzekerd op haar goed. 

Op 4 februari 1575 ‘zijn die staten ‘slants van Utrecht bescreven ende inde cancelrie ‘shoofs van Utrecht vergadert geweest om te horen lezen die requeste vande griffier ‘shoofs provinciael van Utrecht ende Gevert van Amerongen, mitten twee notarien. Ende nae lange communicatie opte revocatie voorsz gehadt, zijn geresolveert dat die notarien met Gevert van Amerongen sullen hoire moeiten en perijclen selfs begroten oft estimeren naer redelicheijt om d’selve gesien daer op bij de staten regard genomen ende gedisponeert te worden naer behoren’.

Op 20 december 1577 Na dode van Jan Gevertsz van Amerongen ontvangt Gevert van Amerongen, als oudevader van Peter, Jan van Amerongens oudste zoon, een viertel in Achttienhoven bij de zijdewij. 

Op 13 november 1580 Gevert Petersz van Amerongen constitueert Gevert Aelbertsz, secretaris te Amerongen, om uijt sijn naem te transporteren, ten overstaan van stadtholder en leenmannen van Bueren ten behoeve van Jacob Willemsz Vernoij, de helft van 6 morgen leggend in Eck en Maurick aan de Stichtse Sijde, boven Peter Gevertsz erfgenamen en nu Gevert van Amerongen voorschreven, beneden Aelbert Jansz, welk leengoed Jacob Vernoij voorschreven toegeleijt is als crediteur van zaliger Adriaen Petersz.

Op 19 november 1582 Gevert van Amerongen, procureur, en Cornelis Dirckss, wonend in Tollesteech, waren te achteren aen Wijer Janss -> gerecht verkoop van hofstede te Vechten bij Bunnick het stuck land aldaer bij de Steenen brugh. 

Op 30 juli 1586 geeft Gevert van Amerongen, procureur hove van Utrecht en weduwenaar van Geertruijt Jans de Haen, opdracht tot opening van het besloten testament van zijn heden overleden echtgenote, in aanwezigheid van Cornelis Nobell, Jan van Bockholt als man van Anna Nobels, Jan van der Burch als man van Geertruijt Nobels en Gerarda Nobels echtgenote van Marten Schepperius, verwanten van de overledene. Superscriptie d.d. 29-08-1583 voor notaris Joost Bouckaert. Op 26 november 1586 geeft Gevert van Amerongen, procureur Hof van Utrehct, over aan Alidt Egbertsdr van Rosweijde als geinstitutioneerd erfgename van zaliger Juffrouw Geertruijt de Haen zijn huisvrouw, een half huis.

Op 9 oktober 1587 Jan de Wijs boedelhouder is overkomen met Gevert van Amerongen, procureur te Utrecht, en Gevert van Amerongen, secretaris te Amerongen, als naeste vrunden van Sophia Cornelisdr, zijn zaliger huisvrouw, ook met toedoen van zijn comparants oom Selbastiaen de Wijs, zijn twee weeskinderen Marichgen en Cornelis de Wijs, verwekt bij Sophia voorschreven, 400,- moederlijk goed te geven.

Op 24 juli 1588 Peter Jans van Amerongen Gevertsz constitueert zijn grootvader Gevert van Amerongen, procureur hove van Utrecht, Henrick Botter van Snellenberch en Frederick van Gent Fredricxsz den jongen, om leengoederen en erfpachten te ontvangen, goederen te beheren en op te treden in rechtszaken.

Overluidingen 1562-1614 van de Domkerk: 1585-1588 “Item super obitu domine Gertrudis Haen, uxoris Gerardi de Amerongen, bis fuit pulsata Maria facit – VIII flor.”. 1589: “Item IXa Maij super obitu Gerardi de Amerongen bis Maria facit – VIII flor.”.

Op 16 mei 1589 wijzen Henrick Botter van Snellenberch en Cornelis van Cuijck hun benoeming tot curators en executeurs af, gedaan in het testament van Gevert van Amerongen, in leven procureur hof van Utrecht. Zij doen tevens afstand van legaat.

Uit dit huwelijk:

1  Steven Govertsz van Amerongen, overleden 1560

2  Antonius van Amerongen, overleden 1554-1558

Jan Gevertsz van Amerongen


42842  Coenraat van Diepholt, maarschalk van het Nedersticht en Montfoort, kastelein te Abcoude, zoon van Otto van Diepholz en Anna Remets Ubbena, geboren ca. 1510, overleden 1572

Gehuwd met

42843  Fransken van IJsselstein, dochter van Christoffel van IJsselstein en Elisabeth van Renesse

Links het wapen van de Utrechtse tak van de familie Diepholt.

Uit 1535 een rentebrief, groot 12 carolusguldens jaarlijks, voor Coenraedt van Diepholt ten laste van Floris van Egmond. Afgelost in 1552.

Op 16 november 1574 is Coenraet van Diepholt genoemd bij een interinement van remissie te Utrecht met betrekking tot messentrekkerij en doodslag met gedaagde Bartholomeus Adriaensz van Schorel en slachtoffer Willem Claes Heijnesz.

Uit dit huwelijk:

1  Floris van Diepholt

Francisca van Diepholt


42844  Adolf van Schuren, zoon van Evert van Schuren en Margaretha NN, geboren ca. 1490, overleden 1549-1552

Gehuwd met

42845  Anna van Diepholt, dochter van Frederik van Diepholz en Eva van Regenstein, overleden > 2 april 1552

Onderstaande akten zijn vertaald uit het duits. Vertaalfouten zijn mogelijk. De originele duitse omschrijvingen zijn te vinden op http://wiki-de.genealogy.net/ Herrlichkeit_Horst.

Op 10 mei 1514 verkopen Aleff van Schuren en Bruijn van Schuren, broeders, een rente uit het goed Swartemolen aan Margreten Poitgieters, weduwe.

Op 22 februari 1519 verklaren Rutger op de Berge en zijn echtgenote Anna van Schüren, dat ridder Evert van Schüren en zijn echtgenote Margarete zowel als hun zonen Aleff, Bruijn en Johan van Schüren, beloofd hebben 1000 gouden guldens als bruidschat voor hun enige dochter Anna te betalen, welke som heden betaald wordt, waarmee de echtelieden tevreden zijn. Op 23 augustus 1520 dragen Arndt van der Borch, domheer van Paderborn, en Simon van der Borch, drost van Valckenberg, broeders, over aan de gebroeders Adolph, Bruijn en Johan van Schuijren, zonen van wijlen ridder Evert van Schuijren, de eigenhorigen Dijrich Schulte, Rotgers zoon, van Boickholte in het kerspel Steille, en ontvangen daarvoor Evert, Dornemans zoon, eveneens in het kerspel Steille woonachtig.

Op 16 december 1523 beleent Margaretha van Bichlingen, abdis van Essende, na de dood van Evert van Schüren diens zoon Aloff van Schuren met de Swartemollen, de goederen tot Weijentorpe, tot Rudenscheit en tot Ermelen. Op 26 februari 1524 ontvangen Johan van Aldenbouchum en zijn echtgenote Margareta van Albert Menrix en Hinrick ijn der Sunnen, provisoren van de Heilige Geest in Essen, 200 gulden, en van Herman Houfsmets en zijn echtgenote Cathrijne 100 gulden, waarvoor Adolph en Johan van Schuren, broeders, de rente betalen die hen door Johan van Aldenbouchum door een rente uit het goed Wijsmans vergoed is. Op 10 mei 1525 geeft Conraedt Blossken, kanunnik van Essen, de gebroeders Adolph, Bruijn en Johan van Schuren het vrije losse van een rente.

Op 20 maart 1531 verkopen de gebroeders Adolff en Johan van Schüren, een rente uit de goederen van Weijentorpe en Ruddensche in het sticht Essen en uit de Spijllenborghse Molen en Molenkaer (?), aan priester Johan van Segenn, vicaris van de St Johanneskerk in Essen, waarbij hun broeder Bruijn van Schuren de verkoop goedkeurt. Op 4 mei 1532 geven de deken en kapittel van Essen de gebroeders Brun, Aleff en Johan van Schuijren het recht om een rente uit de Spillenborgse molen en de hof Bruninck terug te kopen, en naar behoefte van de Lievevrouwenmis uit het goed in de Busheider Eijgen, en uit de andere goederen van de overleden Bernd van de Vorst en zijn overleden zoon Diderick. Op 15 maart 1533 verkopen de gebroeders Adolff en Johan van Schuren een rente uit hun goed te Weijentorpe en te … hoeve in Ruddensche in het sticht Essen en Mecklenbeck en Kloisterberch, aan Johan van den Steijnhuijs, kanunnik van Xanten en Essen.

Op 24 oktober 1534 bespreken Johan Flueman, Johan Schulte, Evert Lambertz, Thonijs in de Frijthove, meester Wijlhem Schulthe, Hinrich Huijsman en Tabe Blanckstein zowel als Berndt van Brabijck als gevolmachtigde van Gerrijdt Knijpping, een paard van Aleff van Schijren die Thonijs in de Frijthove aan Frohnen Nevelinck Pape verkocht heeft. Op 14 mei 1538 geven Eilbert ingen Have en zijn echtgenote Perpetuwa de gebroeders Adolff en Bruen van Schuren het recht een rente uit hun goederen uit de Spillenborghse Molen terug te kopen.

Op 22 februari 1548 verkopen Adolph van Schijren en zijn echgenote Anna aan Johan Bungart te Aldendorpe, het weiderecht voor twee koeien en een veulen in de Horster Loeden. Op 23 april 1548 geeft heer Hinrich Segebode het recht een rente terug te kopen aan Adolff van Schueren van Horst en zijn echtgenote Anne. Op 25 januari 1549 belenen Adolph en Bruin van Schuren ter Horst, gebroeders, Dirick van Keerickhusen, oudste zoon van wijlen Frederich van Keerickhusen, en zijn echtgenote Ricke met het goed Keerickhusen. Op 21 februari 1549 geven Johan Gordelmecker en zijn echtgenote Grete, Aleff van Schuijren en zijn echtgenote Anne het recht om een rente uit het erfgoed Wientorp terug te kopen.

Op 2 april 1552 deelt Diderich Delscher, richter te Boickum, in opdracht van de weduwe van Adolf van Schuiren de verschenen afschriften van Urk (?) van Hinrich Aschberch mee. Op 18 oktober 1552 is genoemd Bruijn van Schuiren samen met Adolf van Schuiren ther Horst naegelaten onmondige zoon ter Horst, gerichtsman Bruijn en Evert van Schuren ter Horst, en is ‘Everdt uitlendich en Bruin temelich met perden gerust, doch swaich van lijve’.

Uit dit huwelijk:

Evert van der Schuijren


42846  Albert Knipping tot Matena, heer van Mathena

Gehuwd met

42847  Margareta Remberts van Callenberg

Op 28 augustus 1523 verkopen Jasper van Graffen en zijn echtgenote Margrete van Wijten aan Albert Knipping, hun zwager en broeder, hun aandeel en aanspraak op Wijten.

Op 29 maart 1559 beleend Hermann, abt van het bisdom Werden, Albert Knippinck met het goed Scharrehuls en Kaldensijpen, die voorheen aan Adolf van Steinhuis beleend waren.

Uit dit huwelijk:

Veronica Knipping tot Mathena

2  Albert Knipping tot Dinckern, overleden 1595 te Erlau (H)

3  Agnes Knipping, overleden 4 april 1625 te Herzebrock (D), begraven te Herzebrock

4  Elisabeth Knipping, abdis van Herzebrock (1601-1615)

5  Anna Knipping, abdis van het klooster Welver (ca.1608-1615)

6  Franz Knipping, prior

7  Margaretha Knipping


42880  Willem Willemsz die Cruve, leenman van het Sticht, Gaasbeek en Zuijlenburg, geboren ca. 1465, overleden 1518-1526

Gehuwd < 12 mei 1492 met

42881  Elijsabeth Wouters de Wijs, dochter van Wouter Jacobsz de Wijse, overleden 1518-1526

In 1491 is er een geschil tussen Geertruijdt Jacob Lumanszoens weduwe, ter ene, en WIllem de Cruve, ter andere zijde, over zekere smalle tienden te Cothen en over de vraag of de hofstede die Willem de Cruve gebruikt in de Bloemenweerdse tienden gelegen is.

Op 3 april 1492 wordt Elisabeth, dochter van Wouter de Wijse Jacobsz beleend met een stuk erf en land met getimmerte, bepoting en toebhoren genaamd de Rijt, in Darthesen in het gerecht van de heer van Utrecht, bij overdracht door haar vader, eventueel te komen op Katharina haar jongere zuster. Op 7 mei 1505 Willem de Cruve voor Elisabeth, dochter van Wouter de Wijse, zijn vrouw, bij overdracht door haar vader. Op 19 januari 1526 Jan de Cruve Willemsz bij dode van Elisabeth, weduwe van Willem de Cruve, zijn moeder, met lijftocht van Dirkje, dochter van Herman van Zijl, zijn vrouw, op de helft.

Op 12 mei 1497 wordt Wouter Jacobsz beleend met twee en een halve hoeven in Darthesen, genaamd Woudenbergs goed, waarna overdracht aan Willem de Cruve Willemsz voor Elisabeth zijn dochter en diens vrouw. Op 15 maart 1518 Willem de Cruve voor Elisabeth, dochter van Wouter Jacobsz, zijn vrouw. Op 21 november 1526 Johan Willemsz bij dode van Elisabeth, dochter van Wouter Jacobsz, zijn moeder.

Uit dit huwelijk:

Willem Willemsz de Cruijff den jongen

2  Jan Willemsz de Cruijff, leenman van het Sticht, Gaasbeek en Zuijlenburg, geboren ca. 1500, overleden > 1571. Gehuwd < 19 januari 1526 met Dirckge Hermans van Zijl

3  Sebastiaen Willemsz de Cruijff, leenman van Keizer Karel V, landsheer van het Sticht wegens Half den Clijmpt in het kerpsel Doorn, geboren ca. 1505, overleden > 23 oktober 1570. Gehuwd met Nellichgen Huberts

4  Wouter Willemsz de Cruijff, geboren ca. 1510, overleden 1584-1590. Gehuwd met Aeltge NN


42920  Thonis Aertsz Verkerck, zoon van Aert Huijbertsz Verkerck, geboren ca. 1515

Kinderen:

1  Cornelis Thonisz Verkerck, schepen van Beusichem en Soelmondt (1593), geboren ca. 1540, overleden < 26 december 1602. Gehuwd met Mechteld Floris van Spithoven, geboren te Beusichem, overleden > 9 augustus 1607

2  Derck Thonisz Verkerck, schepen van Beusichem en Soelmondt (1593)

Jan Thonisz Verkerck


44192  Pieter Hendricksz Tael, bakker, zoon van Hendrick Tael en Swaentge Claes, geboren ca. 1534 te Scheveningen, overleden (?) 8 juni 1602 te Scheveningen. Gehuwd met Maritgen Adriaans van Houtwijck

Gehuwd met

44193  Alijt Jans, dochter van Jan Jansz en Marijtje Alijts de Waert, geboren ca. 1534 te Scheveningen, overleden juni 1594 te Scheveningen

Uit dit huwelijk:

Heijndrick Pietersz Taal


44196  Cornelis Jacobsz Schilperoort, lijndraaier, zoon van Jacob Adriaensz Schilperoort en Jannetje Matheus, geboren ca. 1537 te Scheveningen, overleden < 1580

Gehuwd met

44197  Corsgen Joris Oosterbaan, dochter van Joris Adriaen Ottesz, geboren te Scheveningen, overleden > 1619

Links tekening van het handmerk van Corsge Joris, op 9 mei 1582 en 3 november 1597 gebruikt voor ondertekening (bron: www.stamboomplein.nl).

Uit dit huwelijk:

Gerrit Cornelisz Schilperoort


44198  Wouter Jansz Bom, kerkmeester, begraven in de Oude Kerk te Scheveningen. Gehuwd met Trijn Dircks

Gehuwd met

44199  Leuntgen Arents den Jagher, dochter van Adriaen Cornelisz den Jaghe en Jannetje Jacobs, overleden 1589 te Scheveningen

Uit dit huwelijk:

Maritge Wouters Bom


44262  Cornelis Jansz, timmerman, stadsbode te Leiden, geboren ca. 1506 te Leiden, overleden ca. 1559 te Leiden

Gehuwd met

44263  Claartje van der Wartel, dochter van Ulrich van der Wartel, geboren ca. 1520, overleden < 1600

Uit dit huwelijk:

1  Willem Cornelisz van Duijvenbode, organist en luitspeler in de Pieterskerk te Leiden (speelman), voert als eerste de naam Van Duijvenbode en het familiewapen (zie afbeelding links) als dank voor de rol bij het Leidens ontzet in 1574, geboren 1542 te Leiden, begraven 10 november 1616 in de Pieterskerk te Leiden

Claartje Cornelis

3  Neeltje Cornelis. Gehuwd met Evert Cornelisz

4  Jacomijntje Cornelis. Gehuwd met Adriaan van Leeuwen, geboren 1546 te Leiden

5  Jan van Duijvenbode

6  Ulrik van Duijvenbode


44264  Maerten Cornelisz Rebel (alias Moij Maerten)

Gehuwd met

44265  Maritgen Cornelissen

Uit dit huwelijk:

Cornelis Maertensz Robol


46812  Sair Jacobsz, overleden < 3 juli 1577

Gehuwd met

46813  Petergen NN, overleden 11 juli 1577 in het St Pietersgasthuis te Amersfoort

In 1533 koopt Zair Jacopsz burgerrechten van de stad Amersfoort.

Op 29 april 1540, 10 juli 1540 en 5 mei 1541 is Zair Jacopsoen belender van een huis op Blomendall. Op 29 november 1540, secunda in profesto Andree, verkopen Zair Jacopsoen en zijn vrouw Petertgen aan heer Rutger Buijs een tegoedschelding van een register en schulden waar Sair moeder erfhuis goed in het erfhuis verkocht heeft.

Op 30 januari 1543 verkopen Zair Jacopsoen en zijn wijf Petergen een hof gelegen in De Bolrestraet aan Jan Willamsoen en zijn wijf Goutgen. Sair is ook belender van het hof. Op dezelfde datum verkopen zij een ander hof in de Bolrestraet aan Jan Goetscalck de Smit en zijn wijf Willemtgen. Sair met zijn wijf hebben verklaard dat zij Jan Goetscalck en zijn wijf deze hof een jaar en dag zullen vrijwaren krachtens ons stadsrecht. Op 28 juni 1544, septima post Johannis, verkopen Zair Jacopsoen en zijn wijf Petergen een huis met de erfpacht van de hof en hofstede gelegen op Blomendall aan Willem Evertsoen en zijn wijf Grijetgen. Elijs van Wede behoudt 12 stuiver hollands aan erfpacht daaruit, de heijligen Sacraments Broederschap een gulden te lossen de penning met achttien en Gijsbert Mourisoen een philippusgulden losrente de penning veertien. Mede kwam voor ons Elijs van Wede en verleende Willem Evertsoen en Grijet zijn wijf dit huis hof en hofstede ten erfpacht voor 12 hollandse stuiver jaarlijks te betalen op Martini hijemalis.

Op 4 november 1554 verkopen Weijndelmoet, Roloff Huberss de Cupers weduwe, met Rijck Henricxzn haar gekozen voogd, Saer Jacobszn en Ricout Henricxzn als naaste vrienden van vaders zijde, Jan Henricxzn en Peter Henricxzn als naaste vrienden van moeders zijde, representerende de vier vierdelen van Peter Corneliss en Rijessel Coornelisdr, onmondige kinderen van Cornelis Ghijsbertss en zijn vrouw Alijdt Jansdochter, een huis, hof en hofstede staande in de Camper Vijpoort (Kamperbinnenpoort) aan Peter Fueijt en zijn vrouw Weijndelmoet.

Op 3 juli 1577 is als gasteling ingeschreven in het St Pietersgasthuis te Amersfoort Petergen, Saer Jacobsses weduwe. Ze overlijdt daar acht dagen later.

Uit dit huwelijk:

1  (?) Jacob Saren


46834  Dirck Aertsz, zoon van Adriaen Dircksz en Willemtgen NN, overleden < 25 februari 1553

Gehuwd met

46835  Geertruijt NN, overleden > 25 februari 1553

Op 25 februari 1553 ontvangen Anthonis Thonisse de Ridder, gehuwd met Gerrichge Adriaan Dircxdr, en Geertruijt weduwe van Dirck Ariaens met haar voocht Reijer Reijerss, van Adriaen Dircx, hun vader, het erfdeel van de overleden Willemtgen, hun moeder.

Op 1 oktober 1562 Cornelis Jacobsz, wonende Odijk, mitsgaders Adriaen Dircksz, wonende Ganssteeg te Utrecht, als voogd en momber over de onmondige kinderen van Dirck Aertsz, te weten Lijsbeth, Alit en Belij, doen afstand ten behoeve van Reijer van Langelaer van alle goederen hen aanbestorven door dode van Gijsbertje Dircksdochter, huisvrouw van Reijer van Langelaar.

Uit dit huwelijk:

Gijsbertgen Dircks

2  Lijsbeth Dircks

3  Alijt Dircks

4  Belij Dircks


46938  Claes NN

Op 19 november 1636 herroept Peter Claesz, weerdt te Amersfoort, alle eerder gemaakte disposities, uitgezonderd de lijftocht tussen hem en zijn overleden huijsvrouw gemaakt. Hij vermaakt al zijn goederen, heerlick, deijlbaer, onroerende, rentebrieven, obligatie, acten en credieten aan de kinderen van Aeltgen Claes, huijsvrouw van Harmen Jansz, voor de ene helft. Aan de kinderen van Grietgen Claes, voor de andere helft, op voorwaarde dat Aeltgen en Grietgen en niemand anders daarvan de lijftocht zullen hebben, hun leven lang. Hij prelegateert nog aan Jannichgen Hermans, zijn zusters dochter, of bij haar overlijden haar kinderen, al zijn inboedel en huijsraad, gelt, goudt, silver, provisie, linnen, wollen, bedden en dekens, clederen tot zijn lijve behorende, geen gereede goederen uitgezonderd, om door haar aanvaard te worden zonder iemands bezwaar en zonder verantwoording aan de erfgenamen. Daarbij prelegateert hij haar of haar nalatende geboorte nog 500 carolus guldens uit zijn verdere goederen en zijn halve graf in de St. Joriskerk. “All sonder aftreck van de portie off wet falcidice die van de legaten anders afgetogen mach worden, die hij testateur wilde dat geen plaets in desen hebben sall”. Hij legateert nog aan Steven Claesz, zijn broeder, indien hij testateurs dood beleeft en anders niet, 50 carolus guldens eens en aan Herman Jansz, zijn zwager, indien die zijn dood beleeft, zijn dagelijkse mantel en gekleurde rijrock met zilveren knopen. Hij secludeert de weeskamer.

Kinderen:

1  Peter Claesz, weerdt te Amersfoort, overleden 1636-1638

2  Steven Claesz, overleden > 26 oktober 1644. Ondertrouwd op 7 juli 1604 en gehuwd op 15 juli 1604 te Amersfoort met Gerritgen Henrickx, geboren te Eemnes

Aeltje Claes

4  Grietgen Claes


48268  Jan NN

Gehuwd met

48269  Neeltgen NN, overleden > 28 mei 1575

Uit dit huwelijk:

Pieter Jansz


48708  Johann Oepen, geboren in de Eifel (D)

Gehuwd ca. 1535 in de Herseler (Bostorper Hof) te Golzheim (D) met

48709  Helena Kurrt, dochter van Herman Kurrt en Greitgen NN

Uit dit huwelijk:

Corst Oepen

2  Metz Oepen. Gehuwd met Giel Hoch, geboren te Dorsfeldt (D)

3  Johan Oeppen zu Keltz

4  Heinrich Oeppen. Gehuwd met Girrt Effertz


49504  Gerijt Hendricksz Cruven, schepen van Woudenberg (1503), zoon van Henric Cruven, geboren ca. 1445, overleden 1525-1536

Gehuwd met

49505  Mechtelt Lambert Jans, dochter van Lambert Jansz en Geertruijdt NN, geboren ca. 1460, overleden > 1522

Registers morgengeld Woudenberg. Op Eecrijs: 1470 Sinte Bertholomeus Gasthuijs 4 morgen, solvit Gerijt Cruven. 1470 Sinte Bertholomeus Gasthuijs 6 morgen, solvit Gerijt Cruven. Klein Groenewoude: 1446 Henric Kruvenz 40 morgen, 1470 Reiner Kruven 40 morgen, solvit Reiner die Cruve 34 stoters en Gerijt Cruven 6 stoters. Carthuizerland: 1501 Gerit Cruijf 46 morgen, betaalt Gerit 31 goede morgen, 1511 Gerijt Cruijff 46 morgen, tsamen 31 goede morgen, betaalt Gerit 29 morgen 2 hont en Gijsbertgen Jan Dircsweduwe 3 morgen 2 hont.

In 1480 Gerijt de Cruve gebruikt 10 morgen in Woudenberg van St. Bertelmeeus die Bertout Woutersz had. In 1491 Gerijt de Cruve gebruikt 10 morgen in Woudenberg van St. Bertelmeeus.

Op 27 februari 1488 is Gerrit Cruijf Henricksz en Machteld, zijn vrouw, beleend met een stuk land in het gerecht Leersum met toebehoren, bij overdracht door Lambert Jansz. In 1499 is Gerrit de Cruif beleend met een hoeve in Leersum, genaamd Hulst, belast met 2 schelling 2 penning. In 1505 Gerrit de Cruijf, 15.. Jan van Velpen Pelgrimsz.

In 1509 stellen Gerrit Cruijff Henricksen en zijn vrouw Mechtelt Lambert Jansensdochter een testamentaire beschikking op ten overstaan van schout en schepenen van Woudenberg tot vestiging van een erfrente op een goed gelegen in Ekeris. Op 18 juni 1509 voor Willem van Cooten, schout tot Woudenberg, Henrick Meussen, Gijsbert Willems en Gijsbert Peters, schepenen aldaar, compareren Gerijt Cruijff Henrickx gehuwd met Mechtelt die Lambert Jansdr, was die een misse etc geven int coor der Heijlige Joncfrou Anna in de kerck van Woudenberch aan Sander Segertszen nu ter tijt procurator van St. Anna broederschap 2 Rijnsche guldens uijt een stuk lants van ca. 11 morgen op Ekeris.

Op 30 juni 1523, dijnsdaichs nae sunte Peter ende Pouwels dach, oorkonden Willam de Wijse, schout van Amersfoort, Pouwels van der Horst, Wouter de Beer Egbertz en Jan Janz, schepenen van Amersfoort, dat Gherijt de Cruijff, oud ongeveer 80 jaar, een getuigenverklaring heeft afgelegd op verzoek van meester Willam Brouwer, priester en kanunnik te Amersfoort, inzake de gebruiksrechten sinds twee jaar na de oorlog met bisschop David van Bourgondië van Willam Claesz en zijn vrouw Belij op een halve hoeve op Ekeris in Woudenberg naast het Gherijt Cruven lant en dat hij sinds die tijd in pacht had een stuk land in Over-Ekeris van Willam en Belij, en dat niemand daar aanspraak op heeft gemaakt tot de laatste twee jaar door Jacop Morren, Dijrck Morren, Philips Morren en Heijnrick Botter. 

Oudschildgeld Woudenberg. 1536: 7 morgen op Ekeris Gerrit Cruijven erfgenamen, 5 morgen op Ekeris thins Gerrit Cruijven erfgenamen, 14 morgen op Ekeris thins Gerrit Cruven erfgenamen.

Uit dit huwelijk:

Henric Gerritsz Cruijff


50880  Hein Andriessen van Overeemdt, geboren ca. 1435

Op 24 oktober 1458 is Hein Andriesz met Klein Overeem belendend aan een stuk land van de tijnsheer in het gerecht Renswoude.

Kinderen:

Andries Heinen van Overeem


51008  Reiner Brantsz, zoon van (?) Brant Willemsz, geboren ca. 1475 te Voorst

Gehuwd met

51009  Geertgen Lubberts Hissinck, dochter van Lubbert Hendricksz Hissinck en Geertruid Andries

Op 7 oktober 1524 Jan Steegman, met Henrik van Huessen, zijn voorspraak, spreekt aan met recht Aelt Hijssinck, en zegt dat deze borg is geworden voor Lubbert Hijssinck’s dochter Geertgen en hij deze voor het gericht moet brengen, komt hij niet en brengt hij Geertgen niet, zoals hij als borg beloofd heeft, dan wordt hij aangesproken voor 25 gouden guldens schade.

Uit dit huwelijk:

Gerrit Reinersz


51010  Arend ten Have, gerichtliede van de Veluwe (1461), zoon van Nijel ten Have en Jutte NN, overleden < 1499

Op 4 juli 1487 brengen Arnt van Osterhuijsen, Herman van Beeckhuijsen, Willem toe Beechuijsen en Johan van Lieren een scheiding van goederen tot stand tusschen Jacob ten Have ten eenre en de gebroeder Albert en Arnt ten Have anderzijds, waarbij aan Jacob wordt toegewezen het erf Ten Have, gelegen in het kerspel Begbergen in de buurschap Lieren, en aan Albert en Arnt de watermolen, in het zelfde kerspel en dezelfde buurschap gelegen, uit welke goederen eenige renten aan familieleden zullen moeten worden betaald. Gegeven int jaer ons Lieven Heeren duijsent vierhondert und sevenentachtentigh op St. Marthijns dach translacionis.

In 1499 brengen Derck Roebertsz, Arnt Toesterhuijsen, Willem Werners en Reijnken Rijckensz een scheiding van goederen tot stand tusschen de gebroeders Jacob ten Have en Albert ten Have en Mechtelt ten Have, hun zuster, met haar man Johan van Heerde, waarbij Jacob zal behouden het erf ten Have, gelegen in het kerspel Begbergen in de buurschap Lijeren, en Albert zal krijgen den watermolen in hetzelfde kerspel en dezelfde buurschap alsmede het versterf van wijlen Arnt ten Have voor zijn broeder Jacob en zijne zuster Meghtelt, uit welke goederen eenige renten gaan. Gegeven int jaer ons Heeren duijsent vierhundert negen ende tnegentig.

Kinderen:

Grietje Arends ten Have


51712  Arndt Vermeer, zoon van Jacob Vermeer, gegoed op de Nijenborch onder Randwijk, geboren ca. 1463, overleden 1552-1553

Gehuwd ca. 1495 met

51713  Fuels NN, geboren ca. 1474 te Nijenborch, overleden 1558

In 1520 heeft Arndt Vermeer ‘sich gedijngt’ tegen Gerrit van Boetzler. In 1545 is in het Register van leenakten van het Kwartier van Nijmegen opgenomen ‘De Nijenborch, zes morgen in den kerspel Randwijk, van Arndt Vermeer’.

In 1558 is in het Gerichtsprotocol van Elst beschreven ‘Lenardt Kalff als rentmeester sijns gen. here grave tho den Berge heeft gepeind ende verwonnen drie morgen lants als vur 80 dalers am interesse toebehorende Fulsz Vermeer mitt sametlick naergelaten kinderen Arndts Vermeer za gelegen in de kerspel Randwijk’. In 1559 is in het Gerichtssignaal van Elst beschreven ‘Dinsdag post epiphania Egbert van Weijenborch en Wijnand Willemsz als mans en mombers van hun verklaren dat oer beider echte huijsfr. moeder, die ongeverlich wael xx jaere doet gewest sij, eijn dochter sij gewest van za Arndt Vermeer en Fuelsz sijner echte huijsfr., und dat Arndt Vermeer vur sess off soeven jaeren in Godt verstorven sij, und dat sij die vurg. Fuelsz oire huijsfr. beste moeder in alle de guedere hadden laten sitten, und dat nu die selve Fuelsz vurs. oik in den verleden somer gestorven sij, alsoe dat oere beider echte huijsfr. als in plaats oere moeders vurs., soe waell alss or ohme ende moeijen met de goederen van Arndt Vermeer en Fuelss beërfd sijn’ (wordt gevorderd boedelscheidng).

Uit dit huwelijk:

1  Willem Vermeer, buurmeester van Indoornik, gegoed onder Randwijk, gegoed op huis en hofstad De Vossewaij onder Oosterhout, geboren ca. 1496, overleden < 1573

Johan Arends Vermeer

3  Arndt Vermeer, geboren ca. 1503

4  NN Vermeer, geboren ca. 1505, overleden ca. 1539


51788  Hendrik Wijntgens, overleden 1533-1536. Gehuwd met Gertgen van Tuijel

Gehuwd met

51789  Hilleken de Vreede

Hendrik bezit in 1526 een huis in de Rijnstraat te Arnhem, het tweede vanaf de Sint Pieterskerk.

Uit dit huwelijk:

Claes Wijntgens

2  Jasper Wijntgens, overleden 1552-1558. Gehuwd < 1539 met Naell van Raid. Gehuwd > 1552 met Armgard Gaemans

3  Anna Wijntgens, overleden > 2 april 1560. Gehuwd met Thomas van Bemmel, burger en stadsrentmeester van Arnhem, overleden 1552-1560

4  Truijde Wijntgens, overleden > 1552. Gehuwd met Karel Potouw, burger van Arnhem, overleden > 1552

5  Peterke Wijntgens, overleden > 1552. Gehuwd met Dominicus van Bouwehuijs, overleden > 1552

6  Melchior Wijntgens, overleden < 4 april 1583. Gehuwd met Odilia Engelen

7  Balthazar Wijntgens, muntmeester van Deventer, Kampen en Zwolle (1555-1587), overleden 12 oktober 1589. Gehuwd met Anna Vleminck, geboren te Nijmegen, overleden 11 oktober 1589

8  Jan Wijntgens, goudsmid

9  Margriet Wijntgens. Gehuwd in 1548 met Dirk Wijntgens. Gehuwd in 1552 met Zacharias Cornachini, muntmeester te Maastricht (1558-1563)


51790  Evert Munters, glaesmaecker

Gehuwd met

51791  Meth van Wamel, overleden > 1540

In 1540 op zaterdag post concept is in de schepenprotocollen van Arnhem vermeld Claes Wijntgens en zijne schoonmoeder Meth Munters, verder zijne borgen Jasper Wijntgens en Thomas van Bommel.

Uit dit huwelijk:

Geertgen Munters


51792  Peter Verstegen, overleden < 29 november 1555

Gehuwd met

51793  IJtgen NN, overleden april-september 1557

Op 29 november 1555 verkoopt Idtgen, weduwe Peter Verstegen, een erfjaarrente van 18 Keizer Karel guldens uit een stuk lands op de Nijhevelt en een huis, oliemolen enz. in de Molenstrait, aan Wilhem Ruest, Claes Pels en Gerit Noet, als provissen van het Heilige Kruis. Gegeven in den jair ons Heren duijsent vijffhundert vijff ende vijfftich op vridach nae sunt Catharijnen dach jonffrouwen ende martelersche.

Op 27 maart 1557 erkent Ietgen, weduwe Peter Verstegen, 21 hertog Philips guldens, 9,5 Brabantse stuiver, te betalen voor Misericordia Domini e.k. op poene van pantvellicheid, schuldig te zijn aan Peter Huest, rentmeester van Momfort. Gegeven in den jair ons Heren dusent vijffhondert soeven ende vijfftich op satersdach na den sonnendach Oculi. Op 2 juni 1557 biedt Peter Huest, rentmeester van Monpfort, aan aan Johan van Boitdbergen, richter van Nijmegen, ten behoeve van den landheer, een pandveijlichbrief waarin Idtgen, weduwe Peter Verstegen, erkent 21 hertog Philips gulden, 9,5 Brabants stuiver schuldig te zijn aan Peter Huest, waarop Johan van Boitdbergen zegt dien brief niet te willen hebben qq. Gegeven in den jair ons Heren duijsent vijffhundert ende soeven ende vijftich op guedesdach post Exaudi. Op 25 september 1557 biedt Peter Heust, rentmeester van Monphort, aan aan Sweder van Rijngenberch, als tinsheer, ten behoeve van St. Nicolaas Gasthuis te Nijmegen, een pantvellichbrief, waarin Idtgen weduwe Peter Verstegen, erkent schuldig te zijn 21 hertog Philips guldens, 9,5 Brabantse stuiver, aan Peter Heust, waarop Sweder van Rijngenberch zegt dien niet te willen hebben. Gegeven in den jair onss Heren duijsent vijffhundert ende soeven ende vijfftich op satersdach post Matthei evangeliste.

Op 1 april 1557 verkoopt Ida, wduwe Peter Verstegen, een erftins van 3 Gelre Rijd. guldens uit een stuk lands op ‘t hoegen Velt, en alle goederen van Ida in ‘t Schependom van Nijmegen aan Johannes Schult de Kempen. A.D. M. quingentesimo quinquagesimo septimo feria quinta post dominicam Letare.

Op 25 september 1557 Bartholomeus die Claer, onderrichter van Nijmegen, aangesteld door Johan van Boidtbergen, richter van Nijmegen, leidt Peter Heust, rentmeester van Montfort, in tot alle recht op een stuk lands op ‘t Nijevelt tusschen de Lantweer en de Gruenstege, en op alle ander onroerend goed door IJtgen, weduwe Peter Verstegen, nagelaten binnen ‘t schependom van Nijmegen. Gegeven int jair ons Heren dusent viffhundert ende sieven ende vifftich up saterssdach post Matthei apostoli et evangeliste.

Op 19 juni 1561 verkoopen Derisken Verstegen Petersz, Wilhem van Steijnbergen en Wolter Stevens, als provissen der arme verlatene weeskinderen te Nijmegen, en als voogden van Cornelisken Verstegen Petersz, een huis in de Moelenstraeten en een stuk lands op ‘t Nijevelt, strekkende tot de Groenstege en de Lantweer, aan Gaerdt Gaijmans en Derick Canis Johannesz, als provis van het Heilige Kruis. Gegeven int jair ons Heren duisent vijffhundert eijn ende sestich op donresdach na sunt Vitus dach martelerss.

Uit dit huwelijk:

1  (?) Hendrick Verstegen

2  Derisken Verstegen. Gehuwd met Bartholomeus Brants, overleden < 3 mei 1584

3  Cornelisken Verstegen


51800  Pouwel Sluijsken, goudsmid, zoon van Johan Sluijsken, overleden < 1495

Gehuwd met

51801  Alijt Gaijmans, dochter van Evert Gaijmans, overleden (?) 1534-1536 te Arnhem

Op 21 mei 1491 oorkonden twee schepenen te Arnhem dat Johan Bentinck opgedragen heeft aan het kapittel van Sente Walburgen aldaar een rente van 3 Rijnsche guldens ‘s jaars, gaande uit het huis van Cornelis Kaick achter het raadhuis, met achterstallige rente van 2 jaren. In dorso: “Arnhem; opdracht Jan Bentinck van drie enckel Riinschguldens uijt Trompetters huijs achter die schoel, dat Grammaeij daer nae gekocht had und anno 95 van dije weduwe zaliger Pouwell Sluijskens verwonnen is” en “Anno 96 heeft Gramaij vercoefft Albert Kiespenninck”.

In 1505 draagt Luijte, weduwe van Paul Sluisken, rechte over aan haar dochter Aleijda.

Alijt erft van haar man Adriaan van Holt in 1518. Zij ontvangt een jaarrent van vier gouden Frankische schilden ‘s jaars voor een watermolen met zijn toebehoren gelegen op sunt Johanes Beeck die vurtijdz gewerts Gerrit Hoeckelum. In 1533 ontvangt ze een erfenis via haar grootmoeder van Ott van Hoekelom. Haar zoon Johan Sluijsken procedeert voor haar in deze erfenis van Ott van Hoekelom. Ook haar nicht Catharina Gaijmans erft en laat zich vertegenwoordigen door haar verre neef Gaert Gaijmans, stadsrentmeester.

Uit dit huwelijk:

Johan Sluijsken

2  Aleijt Sluijsken. Gehuwd met Gaert Gaijmans, rentmeester van Arnhem, heemraad en gerichtlied van Arnhemmerbroek

3  Rick Sluijssken, secretaris, overleden > 20 maart 1550. Gehuwd met Bertgen NN


51802  Willem van Doornick, ridder, raad en rekenmeester van hertog Karel van Gelre, zoon van Willem van Doornick en Agnes van Heerde, overleden 1499-1500

Gehuwd met

51803  Stijna van Dalen, overleden 25 oktober 1540 te Arnhem Gehuwd met Johan van Calis, overleden 1543 te Arnhem

Willem Borre van Doornick is op 8 juli 1460 beleend met een ‘Wiltforster guet’ te Deelen, op 2 november 1462 met de tienden van Kesteren en op 24 mei 1465 met ‘dat guet tot Cleve’.

Uit dit huwelijk:

Alijt van Doornick

2  Henrick van Doornick


51804  Rutger Tolleken, leenman, kerkmeester van de Noorderkerk en St. Walburgkerk te Arnhem (1551-1555), provisor van de Observanten ten Arnhem (1555), zoon van Arnt Tolleken, geboren ca. 1500, overleden 22 februari 1559, begraven in de St. Walburgkerk te Arnhem. Gehuwd op (?) 1 februari 1528 te Arnhem met Hese Ketelbuijters. Gehuwd met Christina van Uchgelen

Gehuwd met

51805  Aleijdt Bongaert

Op 20 mei 1550 oorkonden burgemeesters, schepenen en raad van Arnhem dat Wilhem van Eijllen Johan van Mekeren op Meijnerswiick, schepenen en overkerkmeesters der parochiekerk aldaar, en Herman Drijver en Rutger Tolleken, kerkmeesters, ontvangen hebben van meester Arnt Leijendecker, kanunnik en scholaster van St. Walburgen, executeur-testamentair van wijlen Johannes Viirssen, secretaris van hertog Kaerl, 200 goudguldens voor den bouw van den kerktoren en het houden van uitdeelingen 100 tarwebrooden ‘s jaars aan de armen. “Gegeven int jaer onss Heren duijsen viifhondert ind viiftich, opten twijntichsten dach des maentz Meij”.

Op 11 maart 1552 oorkonden burgemeesters, schepenen en raad van Arnhem dat Wilhem van Eijll en Johan van Mekeren, schepenen en overkerkmeesters der parochiekerk aldaar, en Herman Drijver en Rutger Tolleken, kerkmeesters, ontvangen hebben van meester Arnt Leijendecker, scholaster van St. Walburgen, executeur-testamentair van wijlen Johannes Viirssen, secretaris van hertog Kaerl, 100 goudguldens voor den bouw van den kerktoren en het houden van uitdeelingen aan de armen van 200 tarwebrooden ‘s jaars. “Gegeven in t jaer onss Heren duijsent viifhondert twee ind viifticht, openten elfften dach Martii”.

Rutger ontvangt in 1556 de Investilare der leengoederen die zijn vader Arnt heeft geerfd van zijn vader Rutger. Hij is beleend met het Broekstuk, Truijkens halve hoeve en de Sevenhout.

Op 10 december 1559 beleent Karll van Middachten, als oom en momber van Anthonis van Middachten, oudsten zoon van zijn overleden broeder Henrick, Evert Tolleken, bij doode van diens vader Rutger Tolleken, met 4 morgen land in Westervoerder broeck gelegen, ten Zutphensche rechten, te verheergewaden met een pond goed geld. Ten overstaan van Gijsbert van Camphusen, leenman van Gelre en Henrick Engelen, leenman van den heer van Egmont, bij gebrek aan leenmannen van het huis Middachten.

Op 7 maart 1561 oorkonden Jan van Mekeren en Johan van den Berghe, schepenen te Arnhem, dat Johan van Mekeren en Johan van den Berghe voornoemd, overste kerkmeesters, Johan Bongart en Thomas van Neer, mede kerkmeesters der moederkerk te Arnhem, overgedragen hebben aan Aleijdt, weduwe van Rutger Tolleken, de rente vermeld in de akte van 9 april 1519.

Op 26 januari 1609 hebben Claess Maessen en Luijt zijn huisvrouw, bekend dat Geertruidt Gaemans weduwe van Rutger Tullekens, hun boven alzulke 36 goud gulden als Willem Maessen en Beellijken Brouwer echtelieden naar inhoud erfpachtsbrief van dat St. Valeriani avond A.o. 1556 bekenden ontvangen te hebben van Rutger Tulleken en Alijt van de Bongart echtelieden voor zekere schaar weide gelegen in het leste Ketelslach, door hen tot wederlosse van de voorzegde 36 gulden in pandschap te gebruiken, nog in gerede gelden overgeteld heeft 50 Carolus gulden teneinde dat zij, weduwe voorzegd, de voorgeroerde schaar weide nog andere achterenvolgende 12 jaren, waarvan het eerste jaar verschenen zal zijn op Valeriani 1609, zal gebruiken, bezitten en daarmede haar schoonste beste te doen en of zaak ware dat die voorzegde penningen na expiratie der voorzegde 12 jaren niet ten volle zullen worden betaald of gerestitueerd, zal in die val de weduwe voorzegd van meergemelde schaar weide pandhouder zijn en blijven totdat haar ten volle vernoeging gedaan zal zijn.

Uit dit huwelijk:

Evert Tulleken

2  Rutger Tullekens, burgemeester van Arnhem (1579), overleden 30 november 1585. Gehuwd met Geertruid Gaijmans


51806  Evert Gaijmans, rentmeester en schepen van Arnhem, lid (vanaf 1529) en huismeester (1550-1566) van het St. Nicolaibroederschap te Arnhem, zoon van Gaert Gaijmans en Ferruina van Braefrade, geboren ca. 1495, overleden 1574-1575. Gehuwd ca. 1515 met Geertruijt Dibbets

Gehuwd ca. 1531 met

51807  Elsken Bongaerts, overleden > 3 maart 1580

Links het zegel van Evert Gaijmans van 24 februari 1552. De voorstelling is een wapenschild met 3 gewende dierkoppen. Het randschrift “S EVERT GAMUS” (Gelders Archief, nummer 2001 – 139-309/5).

Op de francijne rol van de St. Nicolai broederschap te Arnhem, waarop nieuwe leden zijn aangetekend, staat in 1529: “Evert Gaijmans”.

Evert is in 1543 te Venlo, tesamen met zijn broeder Willem Gaijmans, geledegeerde van Arnhem bij het afsluiten van het traktaat met Karel V.

Op 29 juli 1569 Willem van Danss potentiativit Evert Gaemis en Gaert zijn zoon, Evert Everwijn, Rutger Tolleken, Gaert van Raij, Evert Tolleken, Jan van Danss zijn broeder, en Henrick Wissinck in alle zaken, die hij te doen mag krijgen, dewijl hij buitenlands is.

Op 23 augustus 1574 hebben Evert Gaemis en Evert Tholleken en Johan die Greeff aan beide zijde versproken bij een poene van 25 goud gl. dat voor stadmeesters van de muur in kwestie tussen de weduwe Tholleken en voorgemelde Jan die Greef erkende na te zullen komen, die men de onwillige zoude afnemen.

Op 10 april 1575 oorkonden burgemeesters, schepenen en raad van Arnhem dat Sweder Janszoon, Els Bongerts weduwe van Evert Gaemans, en Nael Bongerts weduwe van Rutger Thulleken, ten verzoeke van heer Herman van Hoemen, provisor van het hospitaal van St. Peter, verklaringen afleggen over een gang tusschen dat hospitaal en het huis van Sebis Cuijper, welke afgesloten is door een deur vanwege het hospitaal daar aangebracht.

Op 10 februari 1579 verkopen Henrick Bitter en Naeleken Potou, zijn vrouw, aan Elsa Bongerts, weduwe van zaliger Evert Gaemans, en haar kinderen 2 schaar weiden, liggende in het overste Ketelslach naast den Hoeckamp, die de voorgemelde weduwe in pacht gehad heeft, te lossen met op alle St. Peter ad Cathedram over 6 jaren en niet eerder met 100 daler. Op 14 maart 1579 verkopen Henrick Bitter en Naleken Potouws, zijn vrouw, aan Elsa van den Bongart, weduwe van zaliger Evert Gaemis, alzulke 2 scharen weiden gelegen in Arnhemmerbroek in het veernste Ketelslach allernaast Ruitenborchs hoeckamp, in hun huis en hofstede gehorende, gelegen in de Bakkerstraaat, gelijk zij echtelieden datzelvige altezamen bewonen, voorbehouden dat gemelde echtelieden de voorzegde 2 scharen weiden op alle St. Petersdag ad Cathedram in deze huize en hofstede kwijtkopen, vrijen en lossen mogen met 100 daler. Op 18 maart 1579 verkoopt Gijsbert Haemaecker en vrouw aan Elsa van den Bongart, weduwe van zaliger Evert Gaijmis, een schaar weiden in Arnhemmerbroek in het veernste Ketelslach allernaast Ruterborch hoickkamp gelegen, in hun huis en hofstede gehorende, staande in de Ketelstraat, voorbehouden dat Gijsbert en zijn vrouw de voorzegde schaar weiden wederom tot de huize voorzegd mogen kwijtkopen, vrijen en lossen op alle St. Petersdag ad Cathedram met 51 Joachim daler. Op 18 maart 1579 verkopen Simon van de Waater en Gerrijken van Schevichaven, zijn vrouw, aan Elsa van den Bongart, weduwe van zaliger Everth Gaijmis, een schaar weiden gelegen in Arnhemmerbroek in de veernste Ketelslach allernaast Rutenborchs Hoeckcamp, in hun huis en hofstede gehorende, staande in de Ketelstraat, gelijk zij echtelieden datzelvige altezamen bewonen, voorbehouden dat gedachte echtelieden de voorzegde schaar weiden wederom tot hun huis en hofstede voorzegd mogen kwijtkopen, vrijen en lossen met 56 daler, edoch is bescheiden dat deze verpandschap 6 jaren vast en ongelost zal blijven staan. Op 22 maart 1579 verkopen Wolter van Nijmegen en Giele, zijn vrouw, aan Elsa van den Bongert, nagelaten weduwe van zaliger Evert Gaijmis, de gerechte helft van vierdehalf schaar weidens, gelegen in het vernste Ketelslach allernaast Ruterborchs hoeckkamp, met voorwaarde dat Wolter en Giele, echtelieden, ieder schaar van deze zullen mogen kwijtkopen en tot zich lossen met 50 daler, alles op Peter ad Cathedram. Op 3 maart 1580 verkoopt Alidt van den Bongart, nagelaten weduwe van zaliger Ruthger Tullekens, met Gairt Gaijmans als haar momber, aan Elsa van den Bongert, weduwe van Evert Gaijmans, haar zuster, een morgen weidelands, gelegen in het veernste Ketelslach, als zij, weduwe voorzegd, in pandschap had van Mr. Jan van Manen, nog de gerechte helft van 4 schaar weiden als zij van Alerdt Lubberts in pandschap had, nog een schaar als zij van Herman Sanders in pandschap had, altezamen staande op een wederlosse inhoud zegel en brieven.

Uit dit huwelijk:

Hilleken Gaijmans

2  Geertruijd Gaijmans, overleden > 1609. Gehuwd ca. 1554 met Rutger Tulleken, burgemeester van Arnhem, lid van de Rekenkamer van Gelderland, geboren ca. 1530, overleden 30 november 1585

3  Gaert Gaijmans, lid van de St. Nicolai broederschap (1575-1583), rentmeester van het St. Catharina Gasthuis, overleden 1583 te Arnhem. Gehuwd ca. 1554 met Claesje Munter


52096  Roelof Reijersz van Wijckersloot, schout van Nederlangbroek (1500), zoon van Reijer Roelofsz van Wijckersloot, geboren ca. 1450 te Nederlangbroek, overleden > 1 oktober 1500

In 1470 Morgengeld in Ghijsberts gerecht van Sterkenburg: Roeloff Reijerss 8 morgen, 2 morgen aen Roeloff Reijners betaald Roelof Reijnersz voorschreven 4 morgen. In 1470 Morgengeld te Coten: Item Roloff van Wijkersloet III½ morgen.

Roeloff Reijersz van Wijkersloet koopt in 1481 van Gerrit van Ackevelt een rente van drie Beijersche gulden jaarlijks.

In 1481 tienden van de Dom in Langbroek: 40-4 Roeloff Reijnerss. In 1481 gebruikers van landerijen van Dom in Langbroek: Roeloff Reijnerss na Reijner Roeloffs zijn vader, 12 morgen. In 1481 landerijen van de Dom te Cothen: Henrick Willemss alias Roelof Reijnerss van Wijckersloet, 13 morgen.  In 1488 tienden van de Dom in Langbroek: 30-1 Roeloff Reijnerss. In 1493 tienden van de Dom in Langbroek: 40-2 Roeloff Reijnerss. In 1499 tienden van de Dom in Langbroek: 40-4 Roeloff Reijerss.

In 1490 op ‘Alreheijligen avondt’ is Roelof Reijniertsz van Wijckerslooth door opdracht van Jan Spruijt Gijsbertsz beleend met ‘twe margen landts in Neerlangbroek inde Dertich Hoeven, streckende te Rijnwaert uijtte Langbroeckerweteringe inde Hooftweteringe, daer boven Korswijn Petersz erfgenamen ende beneden dat gasthuijs te Wijck. T’heergewaet een paer witte hantschoen. Een hofstede mit een stuck landt thientvrij alsoo groot ende cleijn alse gelegen leijt int gerecht van Doorn, geheten die Bunt, daer oostwaerts. In 1490 op ‘St. Willebroorts dach’ Roeloff Reijneerts van Wijckersloet droeg op aan Bernt Grauwert voor mannen van leen, 2 morgen in Nederlangbroek in 30 Hoeven strekkend uit Broekerwetering inde Hoefwetering.

Op 4 juli 1491 Roelof Reijners en Jacob Gerijtss verplagen Lijsbet wedue Gijsbert van Hardenbroeck. Op 9 februari 1492 Roeloff Reijnerss in Langbroek verplach Johan van Lijmbeke. Op 7 februari 1493 Johan die Ridder deed ontwaren Roeloff Reijnerss enen camp lants in Nederlangbroek dat toe plach te behoeren H. Sacramentshuijs te Utrecht.

Op 4 mei 1499 zegt Roeloff Reijers. Wapen drie bemmels met in het hart een sterretje.

Kinderen:

Reijer Roelofsz van Wijckersloot


52112  Joost van Voorst, zoon van Dirck van Voerst, geboren ca. 1440, overleden 26 december 1481 tussen Westbroek en Utrecht in de strijd tegen de Hollanders

Er zijn verschillende publicaties en interpretaties ten aanzien van de herkomst van Willem van Voorst. De ene publicatie noemt Joost van Voorst, de andere dienst broer Willem van Voorst.

Joost komt om bij de Slag bij Westbroek op 26 december 1481 tussen de legers van het bisdom Utrecht en de Staten van Holland enerzijds en de Utrechtse burgers en opstandelingen anderzijds. Het is een van de laatste veldslagen tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Op die dag stuurt de Utrechtse bisschop David van Bourgondië een Hollands leger in de richting van Utrecht. Hij wil zijn recht op de bisschopszetel in Utrecht afdwingen maar de toegang tot de stad is hem ontzegd. Onderweg wordt Westbroek aangevallen, platgebrand en geplunderd. De Utrechtse burgers zien dit in de verte gebeuren en gaan massaal de indringers tegemoet. Daarbij worden de Utrechters door de legers van drie kanten ingesloten. In paniek blazen de Utrechters de aftocht, daarbij achternagezeten door de Hollanders. Daarbij worden ongeveer 1500 Utrechters doodgeslagen of zakten door het ijs en verdronken.

Kinderen:

1  (?) Willem van Voorst


52114  Willem van Velpen, overleden > 20 november 1522. Gehuwd met Jut NN

In 1503 ‘op donderdach na Mertini inde Winter’ constitueert Willem van Vulpen. In 1506 op ‘dinsdach na Francisci’ Willem van Velpen gehuwd met Jut transporteren aan Lubbert Roelofsz die Gorter.

Op 22 maart 1519 Willem van Velpen en Gerijt Claes Coenraetsz, voogden over Cornelis zoon van Willem Dircss cuper, constitueren.

Op 27 februari 1522 Willem van Velpen, Heijnrick Jansz van Puffelen en Gerijt Petersz melden de huwelijkse voorwaarden van Aernt Roelofsz van Velpen en Margriet weduwe Willem Willemsz. Op 20 november 1522 tuijcht Wijllem van Velpen tvv Louwerens Wijllemsz dat de laatste getrout is met Engel Arijaen Gijsbertsdr en wel omtrent Meijdach 1522 in de St. Nicolaeskerck.

Kinderen:

1  Marie Willems van Velpen, overleden 1509

Joostgen Willems van Velpen

3  Alijt Willems van Velpen. Gehuwd met Evert van Voerst


52136  Jan Jansz Utenwael, geboren ca. 1470, overleden 1548-1556

Gehuwd met

52137  Marijcken Jan Wouters van de Pol, dochter van Jan Woutersz van de Poll en Feijsgen Jans van Rodenburg, overleden 1572, begravenin de Buurkerk te Utrecht

Op 23 juni 1534 Goijert Boll, borgemeester van Utrecht, vstw Jan Jansz Wte Waell, Gerijchgen Philips Luijtgens weduwe, Mr Jan Philipsz en Ludolph Philipsz 150 gulden.

Op 9 september 1539 verleent het convent volmacht aan Jan Jansz van Apsteden en Jan Jansz Wttenweael die scrijver, om voor het gerecht van West-Raven aan Elijzabeth, weduwe van Jacob Jacobss ten Luttikenhuijse, over te dragen 4 morgen land aldaar.

Op 10 december 1556 koopt Marijcke, Jan Jansz Wttenwael weduwe, een huis en hofstede aan de westzijde van de Laeckensnijdersstraat vanouds genaamd ‘die Munt’.

Uit dit huwelijk:

Jan Jansz Utenwael

2  Arijaen Jan Jansz Wtewael, overleden ca. 1574 in het buitenland (volgen Cornelis Booth)

3  Joest Wtewael


52160  Hugo van der Weije, zoon van Dirck Dirckx van der Weijde en Elisabeth NN, geboren ca. 1445, overleden < 10 juni 1505

Gehuwd met

52161  Cornelia NN

Op 1 oktober 1467 is Hugo van der Weide Dirksz beleend met een halve hoeve in Outena bij overdracht door Otto Tukker Dirksz met het geheel met lijftocht van Dirk en Elisabeth, zijn ouders. Op 13 augustus 1483 Jacob van der Weide Hugenz.

Hugo van der Weije wordt op 24 juni 1481 beleend met een Culemborgs leen, gelegen in Altena onder Everdingen, bij overdracht door Loef van Everdingen. Bij de belening wordt bepaald dat Cornelia, zijn vrouw, de lijftocht zou hebben en dat het leen zou vererven op zijn jongste zoon Aelbert. Op 10 juni 1505 wordt dienovereenkomstig Aelbert van der Weijde Hugensz beleend na dode van zijn vader. Waarschijnlijk dezelfde Aelbert van der Weije Hugensz, die dan een jongere broeder van Jacob Hugensz te Amerongen moet zijn geweest, wordt in 1507 beleend met 14 hont land in de Wegemaat onder Wijk bij Duurstede, een leen van het Kapittel van Oudmunster, na opdracht door Evert en Jan van Marcelisz van Bemmel.

Uit dit huwelijk:

1  Aelbert Hugensz van der Weij, geboren < 1481, overleden 1518-1524. Gehuwd < 1507 met NN Mercelis van Bemmel

2  Jacob Hugensz


52168  Roelof van Hattem, pachter van een hofstad in die Breije te Ingen (1465), bezitter van land in Ingen (1477), zoon van (?) Jan van Hattem, overleden < 1491 (?). Gehuwd met NN Knoop

Gehuwd met

52169  NN van der Mehr, overleden > 1491

Op 4 juli 1465 (Sinte Martijnsavent translatio) verkopen Derrick van Eck Loufsen ende Sofia van Hattem, echtelieden, aan Henrick Valkenaer en juffr. Grolstin, zijn vrouw, in vaste erfkoop 4 morgen land en 1 hont land in de maalschap van Ingen en nog 5 oude Frankrijkse schilden erfrente per jaar uit een hofstad te Ingen, gelegen in die Breije, die Roeloff en Bartolt van Hattem in erfpacht gebruiken.

Op 7 maart 1475 zijn Dirk van der Eem, Arnout van Eck en Rudolf van Hattem ten zuiden belendend aan twee morgen in de Tuerweiden te Ingen.

Op 31 juli 1477 geeft Roloff van Hattem aan Geraerdt, heer van Culenborch, het losrecht van een door Geraert in vaste erfkoop aan hem verkochte akker te Maurik op de Parrijck, groot 1½ morgen. Op vrijdag na St Jansdag 1479 wordt een geleide gegeven aan Rolof van Hattem en Willem van Hattem ‘elc mit hem derden’ tot Lamberti.

Uit dit huwelijk:

1  Jan van Hattem, pachter van land in de Breij te Ingen (vanaf 1519), overleden 1527-1533. Gehuwd < 1511 met Alith van Wijck, overleden > 1533

Dirck van Hattem

3  (?) Joris van Hattem, pachter van een land te Verhuisen (Lienden, 1506)


52170  Jan Arntsz

Kinderen:

Dirckje Jan Arnts


53252  Melis Henricksz Cool, huismeester van St. Elisabethgasthuis te Culemborg (1535), lid van het broederschap van het H. Sacrament (1517), zoon van Henrick Gerijtsz Koel en Elisabeth Wouters van Dichteren, geboren ca. 1470 te Culemborg, overleden 1535-1539

Gehuwd met

53253  Catharina Jan Gerritsz de Brouwer, dochter van Jan Gerritsz Brouwer, geboren ca. 1480 te Culemborg, overleden 1539-1547

Op 23 augustus 1507, op sinte Bertholomeus avont apostel, oorkonden Dirck Coppier, richter te Culenborch, Gerijt Gerijt Meliszoonsz, Cornelis die Man, Jan Jan Beerntszoonsz en Johan Vijsser, schepenen aldaar, dat Melijs Koell overdraagt ten behoeve van het kapittel van St Barbara ¼ deel van een rente van 1 schild ‘s jaars, gaande uit zijn huis aan de Achterstrate.

Op 20 april 1535 oorkonden Aerdt die Man en Jan Vreemdt, schepenen te Culenborch, dat Gijsbert Dirck Willemszoon verklaard heeft verkocht te hebben aan Melis Coolle en Gerrit van Dichteren, huismeesters van het St Elizabethsgasthuis, eene rente van twee carolusguldens ‘s jaars, gaande uit de beterschap van een boomgaard op Redinchem en zijn huis in de Zuijtkerckstraet.

Op 14 april 1539 is Katharina, dochter van Jan Gerardsz, weduwe Melis Cool, belast met f 12 Hollands door Filips IJsbrandsz te lossen met f 200, voor twee strepen op Goilberdingen, strekkend van de Parijse straat tot de leenheer met zijn waard.

Uit dit huwelijk:

1  Henrick Melis Cool

2  Gijsbert Melis Cool

3  Cornelis Melis Cool, camelaar van het St Barbara kapittel (1557)

Anthoenis Melis Cool

5  Anna Melis Cool

6  Geertruijt Melis Cool


53254  Jan van Steenhuizen, waard in De Stein te Culemborg (1489), geboren ca. 1450 te Deil

Gehuwd met

53255  Janneken Aert Hermans, dochter van Aert Hermansz, geboren ca. 1460 te Culemborg

Uit dit huwelijk:

Ariaantje Steenis


53256  Claes Willem Ottensz, zoon van Willem Ottensz en Marigjen Evertsen, geboren ca. 1475 te Middelkoop, overleden 1536-1540. Gehuwd 1504 (huwelijkse voorwaarden 9 maart 1504 te Gorinchem) met Marij Hendricks, overleden < 1515. Gehuwd met Cornelia Cornelis

Gehuwd 1516 (huwelijkse voorwaarden 1 december 1516 te Gorinchem) met

53257  Margriet Cornelis van Aefferen, dochter van Cornelis Jansz van Aefferen, geboren ca. 1495, overleden < 20 september 1532

Claes krijgt voor zijn huwelijken een zoon bij Cornelia Cornelisdr ‘tjonge wijff’ (dienstbode), te weten Adriaen Claesz.

Op 14 april 1502 geeft Jacop Willemsen aan Willem Roelofsdochter een rentebrief van 4 stilden en 14 stuvers ‘erffelic ende ewelic jaerlix up daten desen’ met als onderpand 4 mergen land in ‘t Leecheijndt van Middelkoop aan de Gemyen kae. Jacop belooft dit te doen samen met zijn broer Claes Willemsen. Op 18 april 1511 verkopen Jacop en Claes dit land aan hun broer Jan Zweynen Willemsen, die dan de rentebrief schuldig is aan Jan Willemsen. Op 22 mei 1502 belooft Claes Willemsen als goed heemraad elk jaar ’57; stilt ende een ort’ pacht te betalen aan Dirck Goverts (ook een heemraad van Middelkoop) voor 21 mergen land gelegen op Middelkoop. Als hij na 16 jaar de 21 mergen niet meer in huur neemt, dan krijgt hij van Dirck Goverts een vergoeding voor het vergroten en de verbetering van de ‘betimmeringhe’ van de hofstede. 

Hij huwt op huwelijkse voorwaarden van 9 maart 1504 met Marij Henricxsdr. Claes wordt bijgestaand door Gherit Ottens en Bernt Everitsen, en Marij door Jan Thimansen en Dirck Janssen. Claes brengt in 7 hond land in ‘den Lande van de Lede’, 6 mergen land in ‘den Lande van de Lede ‘in dat laen noot?’ (zijn ‘bastaard’ zoon Ariaen krijgt later deze 6 mergen), 100 stilden en de renten op die 6 mergen. Verder wordt bepaald dat als ze geen kinderen krijgen, het erfgoed in de familie blijft. Marij brengt in een hofstad met griend gelegen in ‘t Kerckweer tussen Aef Henricxsdr weduwe en ‘dat pastoers lant van Leerbroek tot Jan Royens lant toe en tot aenden Middelcoopschen lande toe’, 3 koeien, een bed met toebehoren. Verder geven haar broers Gherit, Peter, Ghijsbert en Jan Henricxs haar de uitzet mee. Vanaf 3 november 1506 moet Ot Willems aan Claes Willemsen elk jaar ‘erfelick ende ewelic’ 3 stilden betalen (waarschijnlijk is dit Claes Willem Ottens) te nemen op de helft van 12 mergen onverdeeld met Aernt Willemsen gelegen op Langnulant. Op 29 oktober 1507 laat Claes Willem Otten 14 ellen linnen lakens taxeren, dat blijkt 2 Wilhelmus tuin (een kleine pasmunt) waard te zijn, vervolgens een ‘hexken’ voor 6 stuvers en een ketel voor 1 Philips gulden. Waarom deze ongebruikelijke taxatie plaats moest vinden bij het gerecht, is volstrekt onduidelijk.

Het eerste huwelijk is van korte duur, want Marij Henricxsen overlijdt voor 4 augustus 1511 en Claes blijft achter met drie onmondige kinderen. Bij de boedelverdeling treedt een zekere Claes Voss op als voogd voor deze kinderen. Er wordt bepaald dat Claes alle roerende goederen behoudt en alle schulden zal betalen: ook het erf zal hebben ‘staende in Middelcoop’, waar hij op woont met de pacht van de hofstad; de helft krijgt ‘in alle die erffenisse ende landerije die hij heeft, soe wair die landen gelegen mogen sijn’ (behalve dat Claes zijn bastaardzoon 2 merqen land uit ‘dat Lancweer’ moetgeven). De drie onmondige kinderen zullen de andere helft van de landerijen hebben, maar Claes moet de kinderen eten, drank, kleding, geld en (???) geven totdat ze mondig zijn; wanneer een kind mondig wordt, dan moet Claes het 100 stilden uitreiken. Er is echter nog steeds oorlog en daarom wordt ook bepaald dat ‘als bij ongeval van oorloge Claes Willems tussen daten ende Sinte Peter’ enige schade lijdt, dan mag hij dat bekostigen uit het erfdeel van de kinderen na goedkeuring ‘der VII vrinden ende magen’.

Hij huwt op huwelijkse voorwaarden van 1 december 1516 met Margriet Cornelisdr van Aefferen. Bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden wordt Claes bijgestaan door Henrics Gerits en Thonis Govertsen, Margriets ‘hylycxluijden’ zijn Heinrick Cornelissen en Aert Jansen van Aefferen. Claes brengt nu in de helft van 16 mergen ongedeeld met zijn voorkinderen gelegen in het land van der Leede, terwijl de voorkinderen 900 stilden van hun moeder krijgen. Margriet brengt 100 stilden van ‘X1111 stuvers tstuck’ in. Van de rest van de goederen zullen ze elk de helft hebben. Op het niet nakomen van deze huwelijkse voorwaarden staat een boete van 100 gouden leeuw, met een derde aan mijnheer van Brederode, een derde aan de ‘heijliger kercke van Heijcoep’ en een derde deel aan de scheidsrechters, die dit zouden moeten regelen. Margriet Cornelisdr overlijdt voor 20 september 1532, want dan vindt de verdeling plaats van de goederen van Margriet Cornelisdr, onder het goedvinden van de ooms van hun kinderen, te weten Jan Cornelissen van Aefferen en Wijnant Cornelissen van Aefferen. Deze kinderen zijn Anthoenis Claessen en de nog onmondige kinderen Willem, Sebastiaen, Adriaen, Mary en Cornelia. Volgens de verdeling behoudt Claes alle roerende en onroerende goederen, behalve zeker land waar zijn kinderen in ‘bedeijlt sijn’. Hij behoudt ook alle in- en uitschulden. Claes belooft aan de kinderen, dat hij ze ‘eeten, dranck, cledet, schoen ende ter Schele houden gaan redelick ende mogelick nae sijnen betamen tot datter joncqste kijnt mondich sall wesen’, of tot de huwelijkse staat zal zijn gekomen; hij moet voorts elk kind 42 Karolus gulden geven, dat hij moet uitbetalen als het jongste kind mondig zal zijn. De kinderen zullen hebben 15 morgen land gelegen in de lande van Arkel, in de lande van der Leede en in de lande van Vianen ‘gemeijn ende onverdeijlt met Claes’. Als bepaling vooraf op het eventuele overlijden van Claes, wordt gesteld dat elk kind, ook de kinderen uit het eerste huwelijk ‘even rijck sullen wesen van hoirs vaders afterqelaten goederen’.

Op 21 november 1515 komt Claes Willemsen voor de helft in het bezit van de later zo belangrijke 21 mergen land in ‘t Leecheijndt van Middelkoop, met aan de ene zijde Alardts weer en aan de andere zijde het zogenaamde Vijffvierdel, strekkende van de Leerbroecksen lande tot de Hubertse wetering toe. Hij koopt ze van Joost Aelbertsen en Dirck Tijn Willemsen voor 1000 stilden en een braspenning. Hij heeft al 350 stilden betaald, maar de rest moet hij binnen een jaar voldoen. Te weten, aan Joost elk jaar 121 scild en aan Dirck 500 stilden. Voordat hij de andere helft in zijn bezit krijgt, zijn er kennelijk nog wat moeilijkheden te overwinnen, want op 5 maart 1519 getuigen Gijsbert Allaertsen, oud omtrent 70 jaren, en Heijnrick Petersen, ook oud omtrent 70 jaren, beiden uit Middelkoop, ‘dat sij noeijt qehoirt hebben off geweten hebben dat alsulcke XXI mergen lants toebehoorende Dirck Tijnne ende Joest Aelbertssen weduwe gelegen int Leecheijndt van Middeltoep tusschen Herman Geritssen mit sijnen medewerckenden erve ex uno, ende Adriaen Engbertsen ende Ot Pollen erfgenamen ex altero, dat tselve lant leenqoet wesen soude’. Het land wordt kennelijk door de jonker van Heukelum beschouwd als leengoed, zoals uit de volgende akten blijkt. De andere helft pacht hij weer op 28 mei 1519 van Dirck Tijnne en zijn trawanten. Maar wederom blijkt weer iets nog niet goed te zitten, want Claes moet procederen tegen ‘Mijn Joncker van Hoickelem’ (mogelijk jonker Gerijt van Arckel, Heer tot Heuckelem). Een dag later wordt Dirck Tijnne van Scoonhoven door Claes Willem Ottensen machtig gemaakt om de zaken te regelen, die Claes ‘uut staende heeft ende hangende voor den Raiden in Hollant tegen den Joncker van Hoickelem’. Een halve maand later, op 18 juni 1519, blijkt Claes Willem Ottensen de zaak gewonnen te hebben, want hij wordt ‘inden rechten gewesen tegen Mijn Joncker van Hoeckelem van seker lant ten wair’. Jan Snoeck Jacopsen (een oud tresorier) staat borg voor hem en belooft hem schadeloos te stellen.

Dat de tijd roerig was blijkt uit de geschiedenis. Claes Willem Ottens heeft daar de gevolgen ook van gekend. Op 30 januari 1520 wordt een fraaie qetuiqenis qedaan. ‘Thyman Janssen-tuycht dat-nijet, Claes Willem Ottensen tuijcht nijet, Heijnrick Janssen die Groot tuijcht dat hij qesien heeft dat Meeus Wigqertsen sloech nae Gherit Petersen met eenen deqhen omme dat hij hem geen bescheijt doen [dronk uitbrengen] en woude te drincken een halff bier. Jacop Willem Ottensen tuijcht nijet, Adriaen Dircksen (de Rentmeester) tuijcht nijet, Cornelis Berntsen tuijcht nijet, Dirck Dircxsen tuijcht als Heynrick Janssen die Groot qetuijcht heeft, Cornelis Eliassen tuijcht als voiren, Kors Dircxsen tuijcht als voiren.’ Kennelijk zitten de heemraden, de waarsman, de rentmeester en enkele gezworenen bij elkaar en brachten een toost uit op ??, ja, op wie? In elk geval wil Gherit Petersen niet mee toosten. Zodoende trekt Meeus Wiqqertsen zijn degen. Evenzo op 10 september 1526 als Huijch Willemsen, Dirck Gheritsen, Dirck Govertsen, Claes Willemsen, Thijman Jansen en Ghysbert Reijersen getuigen dat zij ‘de naeste drie off vier jaren herwaerts geweest sijn qesworen van Leerbroeck ende Middelcoop’ en dat ze op generlei wijze een bevel of opdracht gegeven hebben aan de Heer Jan Jacopsen ‘Vicarius off oude priester’ in Leerbroek, om ‘voir de voirschreven dorpe te verdingen [plunderen] oft verbrandschatten aenden Gelderschen off enige penningen dairvoir te loven in qeinehand manieren.’ Op 17 maart 1528 (de oorlog met de Geldersen schijnt afgelopen te zijn) moeten de notabelen van de stad en landen van Arkel 1550 gouden gulden betalen aan Mijnheer van Bockhoven (drossaard van Gorinchem). Dit is waarschijnlijk een bedrag geweest die men de Heer van Bockhoven gegeven heeft voor de oorlogvoering tegen de Geldersen. De notabelen waren: Jan van den Haer Janssen (schepen en later burgemeester van Gorinchem), Jan van Strijn Janssen (tresorier van Gorinchem), Jan Wouter Knobbensen, Anthoenis Govertsen (Vinck) (schout van Nuland), Adriaen Dircxsen (rentmeester), Dirck Govertsen, Thijman Janssen, Claes Willem Ottensen, Andries Aertssen, Rob Roeloffsen, Heijnderick Geritsen en Jan Heijnricksen. Zij moeten allen persoonlijk proberen, of samen met de andere stads- en plattelandsbewoners, het geld voor de heer van Bockhoven bijeen te brengen. Maar dat mag niet op de wijze van ‘verdingen’ (plunderend of brandschattend).

Op 9 februari 1520 geeft Jan Adriaensen aan Thijman Janssen 5 mergen land en aan Heijnrick die Groot Janssen 6 mergen land, gelegen in het Vijffvierdell in een weer land van 17 mergen groot, ‘onderdeijlt met de Heijligen Geest in Leerbroek ende Thijman Janssen cum socijs tusschen Claes Willem Ottensen cum socijs ex uno ende den Heeren van den Cappittell van Gorinchem cum socijs ex altero, streckende van de Leerbroecksche lande totter Hubertsche weteringe toe.’ Dit land kost 1025 stilden en die worden betaald door Claes Willem Ottensen en Jan Willem Janssen. Op 15 februari 1520 geeft Jacop Willem Ottensen aan Claes Willem Ottensen 25 stilden. En op 5 maart 1520 geeft Jan Zweijnen Willemsen 26 stilden aan Claes. Op 15 juni 1520 laten Claes en Jan de vier kampen land ‘gelegen up Middelcoop genoemt den Vijffvierdell meten door Vinck Lambertsen als gesworene meter’ en dan blijkt dat hetzelfde land 16 mergen en 28 roeijen groot is.

Op 29 mei 1523 wordt er door verscheidene personen geld geleend, kennelijk voor de polderzaken. Deze personen zijn Thijman Janssen, Ghijsbert Reijersen en Anthoenis Goevertsen. Te zamen lenen zij 221 Rijnse gulden, borg staan Gijsbert Hagen, Dirck Goevertsen, Huijch Willem Janssen, Heijnrick Geritssen, Dirck Geritsen en Adriaen Dircxsen den Rentmeester. Waarom deze geldlening nodig is, is niet duidelijk. Maar meerdere leningen zijn noodzakelijk. Andere personen gaan eenzelfde transactie aan. Op 23 november 1523 belooft Jan Zweijnen Willemsen aan zijn broer Claes Willemsen te betalen ’28 Rijnse guldens solidos Sinte Jansmisse proxima ende dat met gouden Nijen tronen ‘t stuck voir 2 Rijns guldens, den Karolus gulden voir 22 stuvers, den Philips gulden voir 27 stuvers, den gouden gulden voir 30 stuvers.’ Op 5 februari 1530 vervolgt Jan Zweijnen zijn broer Claes Willem Ottens voor drie brieven, die hij ‘alsoe lief’ heeft als 100 stilden. Op 23 oktober 1536 blijkt dat Claes Willem Ottensen van Daem Janssen een ‘hoech lants van omtrent 2 mergen off 13 hont gelegen int hoocheijndt van Middelcoop up Leerdam’ gehuurd heeft voor de tijd van acht jaar voor 25 stilden per jaar.

In een akte van 26 januari 1524 staat, dat op verzoek van Claes Willem Ottens door Vinck Lambertssen de gezworen landmeter van de stad Gorinchem in de herfst van 1523 een weer land in Middelkoop (waar Claes op woont) gemeten is, welk dan 20 merqen 1 hond en 25 roeden (eer min dan meer) groot blijkt te zijn. Het land ligt tussen de Leerbroeksche lande en de Hubertsche weterinqe. Op 9 juli 1527 geeft Jan Jacopsen vanden Goude aan Claes Willem Ottensen 12 gouden Karolus guldens per jaar ‘erffelick ende ewelicx’. Indien Jan niet betaalt dan maq hij dat nemen op 5 merqen 11 hond land in Middelkoop in een hoef van 21 merqen, waar Claes op woont ‘gemeijn ende onverdeijlt’ met Claes en Govert Tijnne. Jan heeft dus dit gedeelte van de 21 mergen in eigendom. Maar waarom deze jaarlijkse betaling? Er is nog een bepaling in de akte die zegt, dat Jan Jacopse pas mag aflossen als Claes het land niet meer gebruikt en niet eerder. Ook wordt bepaald, dat er afgelost wordt in allerlei muntsoorten, te weten ‘eerste mit 40 gouden Philips gulden, noch mit 8 gouden Rooss nobellen, noch mit 8 gouden roijalen, noch mit 8 16 halve gouden roijalen nu nijen gemunt bijden Keysser, noch mit 14 gouden franse croonen metten …,  noch mit 10 gouden angeloten, ende mit 6 gouden leeuwen.’ De akte is niet geheel duidelijk, maar waarschijnlijk heeft Claes tegen een jaarlijkse betaling van 12 gouden Karolus gulden dit vierde deel van de 21 mergen in eeuwige erfpacht gekregen van Jan Jacopsen. Later procedeert Willem (de jonge), zoon van Claes, met de erfgenamen over dit gedeelte van de 21 mergen. Het andere vierde gedeelte koopt Claes van Govert Dircxsen Tijnne, want op 19 juli 1529 geeft Govert het vierde deel van 21 mergen gelegen in Middelkoop aan Claes. Komt Govert dit niet na, dan mag Claes dit verhalen op de helft van 12 morgen van de vader van Govert, Dirck Tynne, gelegen tot Meerkerk. Claes belooft Govert 620 Karolus gulden te betalen binnen drie jaar. Op 12 september 1530 geeft Claes aan Govert Tijnne Dirxsen een rentebrief van 12 Karolus gulden. Govert mag dat nemen op de rest van het land als Claes zijn betalingen niet nakomt. Maar Claes moet de hoofdsom van 600 Karolus gulden met de pacht betalen volgens de afgesproken datum. Doet hij dit niet, dan moet hij 14 dagen na die afgesproken datum elke dag 12 stuivers boete betalen, de helft aan de drossaart van Gorinchem en de andere helft aan Govert.

Op 28 januari 1534 hebben Thijman Janssen als waarsman en Claes Willem Ottensen als gezworenen van Middelkoop ‘voir recht aengesprocken Scalck Jansen voir schade ende interest die t gemeine lant van Middelcoop’ zou krijgen betreffende ‘t arrest dat hij gedaen heeft aan de Souwe van een selve kae die tselve gemeijn lant leggende heeft in t gerecht van der Leede’ waar Scalck borg was voor een bedrag van 100 Karolus gulden.

Claes is voor 3 februari 1540 overleden, want dan wordt de boedel verdeeld. De akte hierover straalt enige allure uit. Claes blijkt ook op het eind van zijn leven gewoond te hebben in het huis, dat staat op het land van 21 mergen groot, gelegen op het Leecheijndt van Middelkoop tegen de Leerbroekse Lande. Nu blijkt dat het nog voor eenvierde onverdeeld is met Jan Jacobs Gerits, baljuw van Oudewater. Claes’ zoon, Willem Claes die jonge (of ook Willem Claessen alias Wijntgen van Deventer) procedeert later over dit land met de erfgenamen van Jan Jacobs. Claes blijkt bij zijn overlijden zo’n 50 mergen land te hebben, verdeeld over ‘t Leecheijndt van Middelkoop, Hoocheijndt van Middelkoop, Recht van der Leede, Leerbroek en op Heicop. In de boedelverdeling staat vermeld dat de kinderen Sebastiaen, Adriaen en Cornelia te zamen 325 karolus gulden krijgen en wel van drie partijen, te weten 125 Karolus gulden van Adriaen Hagen, 100 Karolus gulden van Jacop Willem Ottensen (hun oom) en 100 Karolus gulden van Beernt Jansen. Ook wordt met betrekking tot alle broers en zusters vastgelegd dat Anthonis Claessen (het oudste kind uit het tweede huwelijk) ‘ende sijn erven off naecomelingen gehouden sullen wesen alle jaer opt jaergetijde van Claes Willem Ottensen hun vaeder met beijde sijn voirs. huijsvrouwen in te leggen een ton biers metten toste ende daernae omme dat metten broedere, Susteren ende vrienden dair jairlix met malkanderen te drincken ende eeten erffelick ende ewelick gedurende. Ende inden daertoe ter eniger tijt gebreck inne gevijclle, dat sij inden gevallen sullen mogen teeren in een herberge tot tosten van Anthoenis Claessen sijnen erven ende naecomelingen.’

 Uit dit huwelijk:

1  Anthonis Claesz, geboren 1516 te Middelkoop, overleden 1568-1587

Willem Claes Deventer (de Jonge)

3  Marijken Claes

4  Sebastiaen Claesz, gezworene van Leerbroek (1583), geboren ca. 1523, overleden > 1598

5  Adriaan Claesz

6  Cornelia Claes, geboren > 1525


53456  Heijmen Roelofsz, schepen van Everdingen en Zijderveld (1475, 1482), zoon van Roelof Heijmensz ‘dije Wijlde’ en Aleijt Keetelbantz, overleden 1498-1503

Gehuwd met

53457  Hanneke NN

Heijmen is in 1498 samen met Rolof Aerntsz pachter van de grove thienden van Over- en Neder-Zijderveld. Heijmen en Hanneke zeggen een jaarlijkse rente van 5½ gulden toe aan de kerk van Zijderveld, uit een kamp land op Lang-Bolgerijen, genoemd de “Cacamp”. Hiervoor in de plaats dient de kerk te zorgen voor de memorie van Heijmen Roelofsz en zijn vrouw, en verder dient de kerk te geven voor de armen 10 stuks aan brood, 7 stuks aan de pastoor, 3 stuks aan de koster en op Sint Anthonisdag moeten de kerkmeester 10 stuks geven aan de Sint Anthonisbroederschap.

Uit dit huwelijk:

Cornelis Heijmensz

2  Jan Heijmensz, eigenaar en gebruiker van land op Lang-Bolgerijen, overleden 1560-1566


53608  Melchior Hermensz van Blijenborch, zoon van Hermen van Blijenborch, overleden < 30 maart 1546

Gehuwd met

53609  Marijgen Herman Goesens, dochter van (?) Herman Goesensz van Riebeeck en Cornelia Jans. Gehuwd met Frans Cornelisz, wollewever

In 1533-1534 is als nieuwe burger te Utrecht ingeschreven Melchior Hermensz van Blijenborch.

Op 30 maart 1546 Mr. Baltasar van Blijenborch, dr medic, en Herman Daniels, voogden van Margriet, onmondige dochter van zaliger Melchior van Blijenborch bij Marijgen Herman Goesensdr. Borgen Joist Hermansz en Splinter van Oistrum, eodem die Joest Hermansz en Splinter voogden over IJda, dochter van Frans Cornelisz wollewever zaliger bij Marigen voorschreven zijn wijf was. Borgen Mr. Baltasar van Blijenborch en Herman Danielsz.

Uit dit huwelijk:

1  (?) Herman van Blijenborch

2  Margriet van Blijenborch


55256  Dirck Aertsz Vereem, zoon van Aert Vereem, overleden < 5 juli 1589

Gehuwd met

55257  Henrickgen NN

Op 28 mei 1558 Dierck Aertsz Vereem wonend Capel constitueert. Op 19 december 1558 Dirck Claesz (sic) Vereem in Capel en zijn huijsvrouw constitueren.

Op 5 juli 1589 mede erfgenamen Henrickgen weduwe Dirck Aertsss Vereem, dochter Marijchgen Dircks Vereem weduwe Joost Janss van Velpen, kleinzoon Cornelis Aertss Vereem borger Utrecht, mede voor zijn broers en zuster, delen onder meer rentebrief dd 8 juni 1542 op Cornelis de Ridder nue ten laste van Job Peterss en een dd St. Petersdach in de wijnter 1552 op Jan Simonss tot Coten nue ten laste van Anthonis Dircks van Roijen.

Uit dit huwelijk:

Aert Dircksz Vereem (de oude)

2  Aernt Vereem, scholt in ‘t Tollensteech, geboren 1534-1535, overleden 1594-1601. Gehuwd met Cecilia Peter Jacobs, overleden 21 augustus 1599

3  Jan Vereem

4  Marijchgen Dircks Vereem, overleden > 5 juli 1589. Gehuwd met Joost Jansz van Velpen


55258  Jan Jansz Cruven

Kinderen:

Janna Jans Cruven

2  (?) Jan Jansz de Cruijff, schepen van Odijk (1587)


56992  Pelgrim Willemsz van Zijl van Arnefeld, leenman van land in Helsdingen (1532-1558), schepen van Vianen (1542-1545), leenman-getuige van het leenhof van Vianen, zoon van Willem Claesz van Zijl en Jutte Floris, geboren ca. 1488, overleden < 17 augustus 1558

Gehuwd met

56993  NN van Gemert, vrouwe van Langesteijn uit de Meijerij van Den Bosch, bierbrouwer te Vianen (1561-1562), geboren ca. 1490, overleden > 1561

Op 4 maart 1513 drie morgen land in Helsdingen van Willem Nikolaasz, gehuwd met Jutte, te komen op Pel, zijn jongere zoon, te versterven in de boedel met f 100 rijns. Op 6 mei 1518 Pel Willemsz bij dode van Willem Nikolaasz, zijn vader.

Op 1 januari 1532 wordt Pelgrim Willemsz beleend met drie morgen land in Helsdingen, bij overdracht door Dirk Hermansz voor Aleid Willemsdr diens vrouw, te versterven in de boedel met 200 gulden keurvorstguldens. Op 17 augustus 1558 wordt zijn zoon Willem Pelgrimsz beleend met het land in Helsindgen bij dode van Pelgrim Willemsz, met lijftocht van Frans Pelgrimsz, waarna hij versterving zal doen.

Uit dit huwelijk:

Willem Pelgrimsz van Zijl van Arnefeld

2  Gijsberta Pelgrim Willems

3  Frans Pelgrimsz, overleden > 22 december 1584


56996  Joost bastaardzoon van Brederode, leenman van Brederode, vrijheer van Bergen (1496), baljuw van Voshol (ca. 1528-ca. 1541), bastaardzoon van Reinoud van Brederode en Lijsbeth Willems, geboren (?) ca. 1460, overleden 28 mei 1551

Gehuwd met

56997  Maria Dever van Minden, vrouwe van Diepenburch in Maasland (1526), dochter van Joost Dever van Mijnden en Aleijd van Mathenesse, geboren ca. 1470, overleden 1557-1561

Op 15 juni 1470 vergezelt Joost, samen met zijn broers Walraven, Reinier, Hendrik, Jan en Johan, zijn vader Reinoud bij diens bezoek in Wijk bij Duurstede aan bisschop David van Bourgondie. Bij dit bezoek worden zijn vader en broers gevangen genomen. Joost mag, vanwege zijn jeugdige leeftijd, vertrekken.

Op 26 april 1476 is Joost de bastaard van Brederode beleend met een halve hoeve land in Blokland, voor Maria van Mijnden zijn vrouw. Op 3 juli 1550 Werner van der Does voor Elisabeth, dochter van Joost Dever van Mijnden, zijn vrouw. Op 7 oktober 1562 Werner van der Does voor Elisabeth, dochter van Joost Dever van Mijnden, zijn vrouw, bij dode van Maria, dochter van Joost Dever van Mijnden, haar zuster.

Op 1 april 1491 wordt Joost van Brederode, bastaard, neef van de leenheer, beleend met een vierde van het leen in Haarlem, nadat de leenheer aankwam van Hendrik van Brederode, natuurlijke broer van de leenheer, tenzij hij een ongepast huwelijk zou sluiten, Vianen. Op 3 januari 1551 gaat het leen naar Dirk Folkertsz voor Lancelot, bastaard van Reinout, heer van Brederode, zijn neef, bij overdracht door Joost, bastaardoom van de leenheer, in 1538 na verzuim, Vianen.

Op 7 oktober 1496 wordt Joost de bastaard, natuurlijke broer van de leenheer, beleend met het goed Bergen, na de dood van heer Willem van Hinderstein, ridder, broeder van het Duitse Huis, tenzij hij huwt buiten diens raad.

Op 23 januari 1526 wordt Joost van Brederode, natuurlijke broer van de leenheer, beleend met twee akkers in de ban van Heemskerk, voor Maria van Mijnden, Vianen, bij dode van Joost Dever van Mijnden haar vader. In hetzelfde jaar wordt hij tevens beleend met een stuk zaailand van 5,5 morgen in de ban van Schellinkhout. Op 7 maart 1527 is Joost van Brederode, bastaard, gehuwd met Maria van Mijnden, beleend met 14 geersen land in Heemskerk genaamd Cuijpers ven, bij opdracht uit eigen in ruil voor een zaat in Schellinkhout waarvoor hij 15 gouden karolusguldens moet bijbetalen. Op 3 januari 1561 Johan van Matenesse bij dode van Maria van Mijnden zijn nicht.

Op 7 september 1526 wordt Joost, bastaard van Brederode, beleend met twee akkers land ten noorden van zijn zaat ten halve lande en de noordertuin in Heemskerk, strekkend van de Beifertse weg tot de Broeksloot, voor Maria van Mijnden zijn vrouw, bij dode van Joost Dever van Mijnden haar vader. Op 28 juli 1563 Werner van der Does voor Elisabeth Dever van Mijnden, zijn vrouw, bij dode van Maria haar zuster.

Op 7 september 1526 wordt Jonkvrouwe Marie van Minnen, gehuwd met Joost de Bastaard van Brederode, beleend met de hofstede van Diepenborch met 26 morgen land, bij dode van haar vader Joost van Minnen. Op 27 oktober 1562 Jonkvrouwe Alijdt van Schooten, gehuwd met Floris van Vliet, bij dode van haar nicht jonkvrouwe Marie van Minnen, volgens haar testament dd 4 december 1557, waarin zij haar neven Joost en Jan van Matenesse noemt en volgens haar huwelijks voorwaarden dd 25 oktober 1553 waarbij jonkvrouwe Alijdt onder andere inbrengt de vrije of lage Boechorst, een lijfrente van 50 karolus gulden ten laste van de stad Brielle, een erfrente geschonken door haar moeder Jozijna Aerntsdochter van Crueningen, groot 50 karolus gulden 26 stuiver uit de goederen van Costijn van den Werffve buiten Goes, en de hofstede van Diepenburch c.a., behoudens het vruchtgebruik van haar nicht jonkvrouwe Maria van Minnen, volgens octrooi dd 8 februari 1533 en na het overlijden van genoemde jonkvrouwe zal zij nogmaals 800 karolusgulden uitkeren. Verleden te Haerlem in presentie van Hubrecht van Vliet en Joost van Bronchorst, ridder, ooms van de bruidegom, de laatste namens zijn overleden vrouw, diens moeders zuster, en van jonkvrouwe Maria van Minnen, heer Jacob van Duijvenvoirde, ridder, en Johan van Schooten, namens de bruid. Op 28 juli 1563 Jonkvrouwe Elijsabeth Dever van Minnen gehuwd met jonkheer Wernert van der Does, bij dode van haar zuster jonkvrouwe Marie van Minnen.

Op 15 september 1526 wordt Joost de bastaard van Brederode beleend met Geije Vriezen in Heemskerk voor Maria, dochter van Joost Dever van Mijnden, zijn vrouw, bij dode van haar vader. Op 5 september 1562 Johan van Matenesse bij dode van Maria van Mijnden, zijn nicht. Op 12 augustus 1563 Werner van der Does voor Elisabeth Dever van Mijnden zijn vrouw, bij dode van Maria Dever van Mijnden, maar Werner en oude lieden weten de percelen niet te liggen.

Op 22 augustus 1540 tien morgen land met koren en smaltienden, strekkend van de oude dijk die gaat van de Lekdijk in de Zandvoort bij de wade van Helsdingen tot de weg, die gaat van de Haagwetering bij de Lekdijk tot Lexmond, belast voor Joost bastaard van Brederode, oom van de leenheer, met f 20 karolus door Thomas van den Berge, te lossen met f 332.

Uit dit huwelijk:

1  (?) Joost Joostensz ‘de bastaard’ van Brederode


56998  Joost Hendriksz van Rijsenburg, zoon van Hendrik Joosten van Rijsenburg, geboren ca. 1510, overleden > 24 februari 1540

Op 21 december 1529 is Joost van Rijsenburg Hendriksz beleend met een viertel land in Hagestein in de Biesen, bij dode van Hendrik van Rijsenburg Joostenz, zijn vader. Op 4 februari 1534 belast voor Matthijs Jansz met 3 gouden filipsguldens door Joost van Rijsenburg Hendriksz, te lossen met f 50. Op 24 februari 1540 Matthijs Jansz bij overdracht door Joost van Rijsenburg Hendriksz.

Kinderen:

Anna Joosten tot den Rijsenborch

2  Judith Joosten van Rijsenburg. Gehuwd met Andries Crol van der Mast


57000  Evert Creeck, raad van Amersfoort (1529, 1531, 1533), geboren ca. 1480, overleden < 19 juni 1555

Gehuwd < 1502 met

57001  Ermgardt NN, geboren ca. 1480, overleden > 13 mei 1544

In 1502 een akte van transport ten overstaan van schout en schepenen van Bunschoten, door Willem Gerijtsz en Gerijtgen, dochter van Gerijt Willemss, aan Evert Creeck en Ermgert zijn vrouw, van de vrije eigendom van 14 dagmaten land, gelegen in Bunschoten te Velde, dat zij geërfd hebben van Reijergen, weduwe van Gerijt Willamss.

Op 14 januari 1529 een akte van huwelijkse voorwaarden tussen Evert Creeck en zijn zoon Evert en hun vrienden en magen aan de ene kant, en Ceel Loichs en zijn dochter Anthonia en hun vrienden en magen aan de andere kant, ten overstaan van de huwelijkslieden van beide partijen.

Op 4 oktober 1529 een akte van belening door Matheus van Goch, abt van Sint Paulus te Utrecht, ten overstaan van twee van zijn leenmannen van Reijer, Willem, Dirck, Henrick en Cornelis Crieck, zonen van Evert Creeck en Ermgairdt, met de helft van 3 morgen onafgegraven veen in het Hezerveen strekkende van de Gracht tot aan het Hart, nadat het leen van Ermgairdt uit handen van haar voogd, Jan van Hattem, is terugontvangen. Willem van Braekel heeft voor de vijf broers hulde, eed en manschap gedaan.

In 1532 een akte van transport ten overstaan van schout en schepenen van Soest, door Harmen Rutgerss de Ruijch, aan Evert Willamss, van het recht op het afgraven van een stuk veen achter de Soester Eng, 1520, met afschrift van een akte waarbij Cornelis Rutgerssoon, Peter Rutgerss en Toentgen Stevens weduwe, hun zuster, aan Evert Creeck overdragen een morgen bonkveen. Op 18 maart 1532 Henrick Geerolofsz, schout, en Lodewich Rutgers, Gisbert Meijnss, Henrick Gisbert Airt en Henrick Bot Aertss, schepenen van Soest, oorkonden dat Dirck Dircks Noteboom en Hillitgen zijn vrouw, namen hun minderjarige dochter Agniess, Jan Janss de Bruijn en Wouter Claess, naaste verwanten van vaderszijde, en Willam Rutgerss en Gisbert Wouterss, naaste verwanten van moederszijde, overgedragen hebben aan Evert Creeck, een stuk grond strekkende van het Hart tot aan de Dwarsvenen, aan de zuidzijde begrensd door Harmen Rutgerss en aan de noorzijde Lodwich Rutgerss. Op 13 april 1532 oorkondt Matheus van Goch, abt van Sint Paulus te Utrecht, dat hij Henrick Creeck beleent met 1,5 vierendeel afgegraven veenland acher de Soester Eng geslagen uit de Hoick en Hijnckenhoeve, nadat Dirck Dircks Noeteboem het goed had overgedragen aan Evert Creeck. Op 26 mei 1532 verklaart Dirck Dirckz de hem door Evert Creeck verschuldigde som geld van 20 Philippusguldens ontvangen te hebben.

Op 24 maart 1533 op onser lijeve Vrouen avont annuntiationis transporteren, ten overstaan van schout en schepenen van Bunschoten, Wouter Claess en Weijndel zijn vrouw, aan Evert Kreeck en Ermgert zijn vrouw, van het vierde deel van 20 dammaten land te Velde, gemeenschappelij kmet Evert, strekkende van de gracht westwaarts tot de Eem.

Op 30 januari 1544 quarta post Pauli Conversionis hebben Evert Creeck en zijn huisvrouw Ermgert vermaakt al hun goed, land en zand, niets uitgezonderd, dat zij na hun dood achter laten zullen aan hun zoon Cornelis Creeck. Op 13 mei 1544 tertia post Servati hebben Evert en zijn wijf opdracht gegeven de brief te casseren.

Op 18 november 1555 heeft Reijer Creeck verwondingen aangebracht aan Elis van Wee. Daarop heeft zijn broer Cornelis Creeck op 21 november 1555 het gerecht van Amersfoort verzocht om Reijer het dragen van wapens te verbieden. In 1559 is een kwitantie afgegeven door Jacob Henrixz voor de ontvangst van de som van 57 Karolusguldens, uit handen van Pieter zijn zuster, vrouw van Reijer Creeck, als zoengeld voor de dood van zijn broeder Evert, gedood door Reijer.

Op 19 juni 1555 zijn de erfgenamen van Evert Creeck genoemd als belender. Op 26 november 1568 verkopen Reijer Creeck en zijn vrouw Petertgen Henricxdochter, Cornelis Creeck en zijn vrouw Evertgen dochter van Jan van Ween, aan Jannitgen weduwe van Willem van Liener, een huis, hof en hofstede met het land daartoe behorende, gekomen van de oude Evert Creeck en nu gebruikt door Adriaen van Gijnckel en Gerijt Rijcxzoon. Belast met 8 keijser gulden en 10 stuiver jaarlijks aan het Convent van Sinte Berbera in Amersfoort, die de weduwe van Liener bij deze overneemt. Af te lossen met 170 keijser gulden.

Uit dit huwelijk:

1  Gerijt Evertsz Crieck, overleden < 1549

2  Reijer Evertsz Crieck, overleden 1583. Gehuwd met Petertje Henrick Petersz, overleden 1576

3  Willem Evertsz Crieck

4  Dirck Evertsz Crieck, stadtsdienaer van Utrecht, geboren ca. 1522, overleden > 6 december 1577

5  Henrick Evertsz Crieck, overleden < 1549

Cornelis Evertsz Crieck

7  Evert Evertsz Creeck. Gehuwd in 1529 met Anthonia Celen


57002  Jan van Wede, knape (1496), meester, bewaarder van de Peter Hamersfelt vicarie te Amersfoort (1526), zoon van Elias van Weede en Lambrechtje Claas Goorts, geboren ca. 1475, overleden 1540-1541

Gehuwd met

57003  Corstine Ghijsbert Jacobs, dochter van Ghijsbert Jacobsz en Clemeijns NN, overleden > 29 oktober 1533

Links het zegel van Jan van Wede op 18 februari 1496. Beschrijving: zes lelies (Bron: Archief Eemland, 0100 Stichting Armen de Poth te Amersfoort, 1342-1999, regestnummer 249).

Op 18 februari 1496 ‘des donredages nae sunte Valentijns dach’ beleent Johan van Wede, knape, Jorden Gijsbert Jacopsz soen en zijn zuster Gijsbert met de hofstede Luttike weede (zwager en schoonzus van Jan van Wede), waarvoor Willam van Bloemenweerde voor hen beide hulde en eed heeft gedaan, ten overstaan van Johans leenmannen Peter Gerijts en Cornelis Wouters. Op 23 augustus 1505 ‘des saterdags op sunte Bertelmeeus avent des heiligen apostels’ Johan van Wede, knaap, beleent Jan Gijsbertsz met de hofstede Luttike Wede nadat zijn broer Jorden Gijsbertsz en zijn zuster Gijsbrecht, met Rijcout Willams, hun voogd, afstand hiervan hebben gedaan, nagelaten door hun vader Gijsbert Jacops, ten overstaan van de leenmannen Eelgis van Wede en Claes Meijnss. Op dezelfde dag Johan van Zulen, schout, Steven van Wede en Johan van Wede, landgenoten en buren van Hoogland in de maalschap van Wede en Emiclaer, oorkonden dat Jan Gijsbertsz heeft verklaard schuldig te zijn aan Jorden Gijsberts, zijn broer, een jaarlijkse rente van vier Rijnse gulden, gevestigd op een halve hoeve die Jan gemeenschappelijk heeft met Evert Poijt Diercs, af te lossen met 80 Rijnse guldens.

Op 4 april 1507 een kwitantie door Jan van Wee Elgiss voor de ontvangst van 100 Rijnsguldens van Clemens Gijsbert Jacobsz weduwe voor een stuk land van drie morgen.

Op 11 juni 1516 ‘op sunte Odulphus avont’ bleent Jan van Wede, knape, Jorden Gijsberts met de hofstede Luttike Weede nadat heer Jan, zijn broer, afstand ervan heeft gedaan, hem nagelaten door zijn vader Gijsbert Jacobsz, ten overstaan van de leenmannen. Op dezelfde dag oorkondt Jan van Wede, knape, dat Jorden Gijsberts vermaakt aan zijn broer heer Jan, priester, de hofstede Luttike Weede, die toebehoord heeft aan Wouter Gerijts van Leeuwen, nadat heer Jan die overgedragen had, ten overstaan van de leenmannen Clais Gerijts en Jacob Soest. Op 10 mei 1517 beleent Jan van Wede, knape, Evert Claess Gerijts soen met de tienden van Weede.

Op 12 december 1517 ‘septima post Conceptationis Marie’ kopen Jan van Wede ende Stijne sijn wijff ‘all sulc recht ende toe seggen als sij hebben aen een hoff gelegen inde Langestraet’ van Geertruijt Jan van Wijck wedue mit Jan hoir zoen. Ende Geertruijt ende Jan belide mede tot wat tijden dat Henrick hoir zoen mundich is dat hij Jan voirscreven off sijn erffgenamen vestigen sall als recht is wes hijnder schade off gebreck hij off reijcht datte verhalen aen all sulc goet sij hebben off vercrigen moegen inden gericht van Amersfoirt mit voirwerden dat Jan van Wede die put swengell houden sall als den breeff inholt die stadt gegeven heeft.

Op 23 december 1517 quarta post Thome Zander ende Wijs sij wijff hebben belijt Jan van Wee ende joffrouw Stijn sijn wijff met hondert Rijnsche gulden etc sestijen Badensche braspennijngen off 20 Badensche off dees weerde voir de gulden. Mit voirwerden dat sij de gulden onderhouden moegen ende geven Jan ende sijn wijff off hoeren erffgenamen daer iairlix off te reijnten 5 de selver gulden te betalen voirscreven last soe sall die ander reijnt nijt vere gaen dan uutter dree hoven schade off gebreck crech vanden hoff die Jan van Wee voirscreven van Tonis de Cuper gecoft heeft dat sullen sij altijt moegen verhalen aen de reijnt deser Jan voirscreven daer iairlix uutgegeven ende off geven.

Op 16 oktober 1518 septima ipso die Galli Meijster Eelgis van Weensoen heeft belijt ende bekent voir hem ende voir sijnen erven dat hem Gijsbert van Emeler off sijnen erven niet meer sculdich. En sijn vader alsuclke breeff Gijsbert voirscreven Eelgis van Wee meijster Jans vader gegeven heeft uuter erven ende goede te Groete Emeler als van vijfthien currente enckel gulden losrenten jairlix gevesticht voir mijn heer van Issensteijn nae luden des breeffs meijster Jan voirscreven dair off heeft ende meijster Jan voirscreven daer noch off rest vijftich gouden Philippus Burgoendische gulden van Oestenrijck goet van goude swaer van gewicht gemunt ende geslagen outer datums breefs daer offte geven jairlix te reijnten van twijntich pennijgen voirscreven een te betalen jairlix op Sinte Gallen dacht ter tijt toe die hoeft som voirscreven tot een tijt off gelost is mit de verscenen reijnten nae beloipt ter tijt ende als dat gedaen wesende belijde meijster Jan voirscreven voir hem ende sijnen erven den breef voir hem well off vernuecht ende betaelt te wesen ende den breeff weder als dan te geven in Tonis van Daomselers off sijn nacomelijngen handen.

Op 13 juli 1520 sexta ipso die Margrete koopt Jan van Wee dat derdedeel van een molen husijnge molenwerff husijnge hoff ende hofstede soe de gelegen is buiten de Utersche Poirt soe dat heerlick goet is ende van hoir ouders gecomen is van IJsbrant van Wee ende Truda sijn wijff. Op dito verkopen Henrick van Wee, Claesgen van Wee mit mijn momber ende Ian van Wee mit Iacob Lamertz hoir echte momber scelden te goede aan IJsbrant van Wee ende Truda sijn wijff all allsulcke goede leggende erff staende tijmmer, heerlick ende onheerlick, rede ende onrede, ruerende ende onruerende niet dair van uutgesceijden sij hebben inden gericht van Amersfoert de hem aengecomen ende bestorven sijn van doede hoir vader ende moeder zaliger gedachten.

Op 7 augustus 1520 etem tertia post Petri ad Vincula lenen Lambrich van Wee ende meijster Jan van Wee onder hoir beijden hondert rijnsche gulden current ende 3 de selver gulden sestien Hollantsche stuver off de weerde dair voir aen ander alreleij payment aan Peel Zijmonz ende Anthonia sijn wijf. Met voirwerden dat sij de gelden onder houden moegen de jairlix ofte renten vijff de selver gulden ende een stoter te betalen op Sinte Merten dacht translatius ter tijt sij de principaell hoeff som betaelt hebben tot twee reijsen tot hoeren scoensten mit onbetaelde verscenen reijnten nae beloipt der tijt. Op dito verkopen Lambrich van Wee ende meijster Jan van Wee hair soen mit mijn horen beijder momber te hebben te goede gescouden een huijsinge ende hoste gelegen op de Camp aan Peel Sijmonz ende Toen sijn wijff.

Op 30 december 1522 tertia post Nativitas Domini Jan van Wee ende jouffrou Stijn zijn wijf scelden te goede die alinge schuer, hof ende hofstede ende berchstaden daer aen gelegen op Blomendal uijtgesondert Jan van Wee zijn berck stede die Jan voerscreven bruijckt vrij te wesen aan Henrijck Willemz ende Stijn zijn wijf.

Op 21 februari 1526 koopt Ian van Wee voor zijn drie dochters Maria, Gijsbert ende Dijrckgen van Oede Elias van Weesdochter ‘de alijnge huijsinge hoff ende hoste voirscreven gelgen aen onser Stadt Cijngell duergaende van de Stadt Cijngell off after aende Coppellstraet toe. Mit voirwerden also lange als dair een van hem drien leeff de dair sterff sel deze huijsinge hoff ende hoffste voirscreven dan erven op den andere die dair leve mit voirwerden dat Ian van Wee sell als dan heffer bliven van dese husijnge hof ende hoste voirscreven soe lange hij leeft ende dese make altijt te vermeren ende te verminren als Joffrouw Oede belieft ende den brieff in hoeren handen.

Op 12 maart 1531 ‘op sinte Gregorius dach’ beleent Jan van Wede, knape, Ghijsbert Jorden Ghijsbertsz soen als opvolger van zijn vader Jorden Gijsbertsz met de hofstede Luttike Wede, voor wie Wouter Claess hulde, eed en manschap heeft gedaan, ten overstaan van de leenmannen Claes Gerijtz en Jacop Zoest.

Op 29 oktober 1533 maken de kinderen van Ghijsbert Jacobs, Ghijsbert Ghijsbert Jacobs dochter en haar man Dirck Poeijt Everts, dochter Corstine en haar man Jan van Wede, en Lobberich weduwe van Jorden Gijsberts met haar kinderen, een boedelscheiding waarbij Jan van Wede en zijn vrouw een zelfde deel krijgen als Ghijsbert en Lobberich van het goed Twiltenborch, gelegen aan de andere kant van Utrecht, een gelijk deel van een hof gelegen buiten de Kamppoort. Ghijsbert zal verder hebben een zelfde deel als Jan en zijn vrouw en Lobberich hebben van de helft van 8 morgen land gelegen in het land van Montfoort, waarvan Evert Jorden Ghijsberts van de andere helft 3 morgen en Lobberich 1 morgen bezit. Lobberich en haar kinderen krijgen een gelijk deel als de andere hebben van eens tuk land aan de Meerll, eenzelfde deel van een stuk land te Houten.

Op 2 december 1541 Johan van Rossum, ridder, heer tot Broechuijsen, als man en voogd van jonkvrouw Oedel heer Stevensdochter van Zuijlen van Nijevelt, beleent Cornelis van Wee na dode zijns vader Jan van Wee met de tiend van Grote Wee, Lutteke Wee en Schoonoord, gelegen in de maalschap van Wee en Emelaer. Op 2 juni 1554 Johan van Rossum etc beleent Gerit van der Borch Jansz als man en voogd van juffrouw Ghijsbert Jansdochter van Wee met de tienden van Grote Wee, Lutteke Wee en Schoonoord, gelegen in de maalschap van Wee en Emelaer.

Op 18 november 1555 heeft Reijer Creeck verwondingen aangebracht aan Elis van Wee. Daarop heeft zijn broer Cornelis Creeck op 21 november 1555 het gerecht van Amersfoort verzocht om Reijer het dragen van wapens te verbieden.

Uit dit huwelijk:

Evertje Jans van Wee

2  Maria van Wee

3  Gijsbertje van Wee, overleden > 1 september 1552

4  Dirckje van Wee, overleden > 4 augustus 1567. Gehuwd met Harman van Vanevelt, overleden < 30 september 1556

5  Deliana van Wee. Gehuwd met Gerijt van Ouwenbernevelt

6  Cornelis van Wee


57008  Gerrit Aertsz de Lange, geboren ca. 1480

Kinderen:

Aert Gerritsz de Lange


58240  Gerrit Rijersz van Langelaar, boer op Dashorst, zoon van Reinier Gijsbertsz van Langelaar, geboren ca. 1470, overleden ca. 1554

Hij is gebruiker en later eigenaar van Groot Dashorst.

Kinderen:

Mattheus Gerritsz van Langelaar


58242  Jan Cornelisz van Zijl

Kinderen:

Hendrikje Jans van Zijl


58256  Adriaen van Trijst, geboren ca. 1470, overleden > 8 februari 1519

Gehuwd met

58257  Mechteld Gerrits van Atteveld, dochter van Gerrit van Atteveld en Rijcolant NN, geboren ca. 1475, overleden > 4 juni 1517

In 1517 is in de transportregisters van het Gerecht Amersfoort opgenomen hoe Adriaen van Triest na zijn dood zijn na te laten spullen verdeeld: ‘Adriaen van Triest heeft gemaickt nae sijnre doet Jannitgen sijn dochter voir uutte nemen hondert Philippus gulden off die weerde de voir van dat allre reijsse goet hij dan achter laet ende dese maick altijt te vermeren ende te verminderen alst hem gelieft den breef in sijnen handen. Idem heeft gemaickt all sulc goet hij nae sijnre doet achter laet gelijck te comen ende te erven op all sijn kijnderen hij heeft ende dese maick altijt te vermeren ende te verminren alst hem gelieft den breeff in sijnen handen’.

Op 4 juni 1517 verkrijgt Mechtelt, Gerijt van Attevelts dochter, ende mijn momber heeft gemaict nae hoeren doet, alsoe veer Mechtelt voirsccreven dat achter laette, commen ende te erven op heer Rijcolt, hoir broeder in die Birket, een Rijnsce gulden twijntich stuvers voir de gulden iairlix te renten uuter husijnge de Adriaen van Trijest nu ter tijt in woint buten de Rode Toren. Wanneer heer Rijcolt voirscreven off lijvijch wert soe sall die voirscreven gulden weder commen ende erven op Mechtelts voirscreven rechten erffgenamen ende dese maick altijt te vermeren ende te verminren als dat Mechtelt voirscreven gelieft den breeff in hoeren handen.

Op 14 april 1518 ‘quarta na Belopen Paesdach’ Adriaen van Triest heeft gemaickt nae sijnre doet voir uutte nemen hondert Philippus gulden off die weerde daer voir van dat allre reijsse goet hij dan achter laet aan Jannitgen sijn dochter. Ende dese maick altijt te vermeren ende te verminren alst hem gelieft den breef in sijnen handen. Adriaen van Tiest heeft gemaickt gelijck te comen ende te erven op all sijn kijnderen hij heeft all sulc goet hij nae sijnre doet achter laet. Ende dese maick altijd te vermeren ende te verminren alst hem gelieft den breeff in sijnen handen.

Op 28 april 1518: ‘quarta ante maij’ Jannitge Adriaen van Triesten dochter mit mijn momber heeft gemaict nae hoeren doet heer Rijcolt Gerijts van Attevelts hoir oem vijff Rijnsce gulden 20 stuver voir de gulden al sulcke stuver als inder alcke tijts betalinge binnen Amersfoirt gangbaer sijn voir de gulden to sijnre live toe ende nijt langer jairlix te reijnten uuter alijnge husijnge hoff ende hoffstee gelegen buten de Roden Toeren geheten De Swaen, deen sijde Claes Luchter dander sijde een Stege, ende voirt uuter schuer gelegen inde Hellestraet deen sijde Jacop van Twillert dander sijde Rijcolt Herman Daemsz ende dese maick altijt te vermeren ende te verminderen alst haer gelieft den breeff in haeren handen’. Voorts ‘Jannitge voirscreven met mijn momber heeft gemaickt nae hoeren doet die helft vanden alijngen husijnge hoff ende hoffstee gelegen buten de Roede Toeren de Gerijt Evertz in woent, deen sijde Claes Luchter dander sijde Peter Albertz, te comen ende te erven op Ariaen van Triest hair vader ende dese maick altijt te vermeren alst hair gelieft den breeff in hoeren handen. Eadem maickt nae haren doet Ariaen van Triest hair vader dat die besittenende gebruicken sell sijn leven lanck ende nijet langer die alijnge husijnge hoff ende hoffstee (mit de schuer) gelegen buten die Roden Toeren geheten De Swaen, deen sijde Claes Luchter dander sijde een Stege ende dese maick altijt te vermeren ende te verminren alst hair gelieft den breeff in hoeren handen’.

Uit dit huwelijk:

Peter Adriaensz van Triest

2  Adriaen Adriaensz van Triest, geboren ca. 1502

3  Jannetje Adriaens van Triest, geboren ca. 1505, overleden > 11 maart 1563. Gehuwd met Mouris Botter, overleden > 11 maart 1563


60928  Jacob van Snellenberch, ‘capiteijn van des raetswegen’, leenman van de hofstede IJsselstein, zoon van Willem van Snellenberch, geboren ca. 1450, overleden > 19 september 1517

Op 17 oktober 1473 is Pieter Trijn beleend voor Jacob van Snellenberg Willemsz, zijn neef, met 8 morgen land in de Achtersloot in het gerecht van de heren ten Dom. Op 6 december 1529 Willem van Snellenberg bij dode van Jacob, zijn vader.

Op 8 oktober 1494 Steven van Beesde, onse borger, oudt, cranck en onmachtich, constitueert Jacob van Snellenberch om te transporteren 60 oude scilden gevestigd op ½ hoef op Rijsburg int gerecht van Houten oft alsulc lant dat daervoor gepangelt etc wordt op Laurens van Beesde zijn neve, en nog 8 morgen te Benschop.

In 1508 op Witte Donredach pachten Cornelis Aerntsz gehuwd met Marigen verschillende percelen te Doorn van het St. Barbaragasthuis. Voor hen zegelden Goedschalck van Wijnssen en Jacob van Snellenberch.

In 1514 Loeff van der Haer, pastoer tot Oudewater, en Johan Ruijsch, dedingsluijden van Gijsbert van der Haer, Willem van Oostrum zijn dochters Corstijnen man, roerende hun huwelijkse voorwaarden. Willem zal onder andere krijgen 7 morgen tot Bunnick opde Enge, de nahand van 4 morgen in Schalkwijk int Groenewout dat Willem Doeijs nu bruijckt, noch de nahant van een vierdellant die Gerit Mathijs gebruijckt, die noch een vierdel gebruikt daer Gherijt van Winsen oeck des voorschreven Gijsbert van der Haers dochters man de nahand af hebben zal. Aldus indien dat Willem van Oostrum dan geloofde te verlaten de 4 morgen die Willem Doeijs bruijct tot Gerrit van Winssens behoef, so soude Willem van Oostrum beijde vierdelen die Gerijt Mathijss nu gebruikt ten lester doot van sijnre huijsvrouwen oom en moeije en Gijsberts vrouw, Corstijnen moeder is overleden. Jacob van Snellenberch en Gerrit van Winssen was (als elk getrouwd met een dochter van Gijsbert van der Haer) beloofd door Gijsert etc. Willem van Oostrum ontvangt in 1514 70 lb als beloofd.

Jacob van Snellenberch zegelt op 19 september 1517 met een dwarsbalk met daaroverheen een in twee rijen geschaakte rechter schuinbalk.

Kinderen:

Willem Jacobsz van Snellenberch

2  Jacob Jacobsz van Snellenberch, overleden < 11 maart 1530 te Utrecht. Gehuwd met Heijlwich van de Haer, overleden 1599 te Utrecht

3  Loeff Jacobsz van Snellenberch


60940  Hendrick Gerritsz Nobel, overleden > 23 juni 1513

Hendrik Gerritsz Nobelsz is genoemd op 23 juni 1513 in akten van erfelijke losrente, uitgegeven door bisschop en Staten van Utrecht.

Kinderen:

Jacob Hendricksz Nobel

2  Laurensje Henricks Nobel. Gehuwd < 22 maart 1543 met Beernt Wttenengh


60992  Cornelis de Clerck, geboren ca. 1480 te Bergen op Zoom, overleden < 1522

Gehuwd ca. 1505 met

60993  Maeijcken Peters Spronck, geboren ca. 1485 te Bergen op Zoom. Gehuwd met Jan Claesz (de Clerck ?)

Uit dit huwelijk:

1  Geertruijdt Jan Claesz de Clerck, geboren 1507 te Bergen op Zoom

Cornelis Jansz de Clerck

3  Peeter Cornelisz de Clerck, geboren ca. 1513 te Bergen op Zoom, overleden < 1565

4  Augustijnken de Clerck, geboren ca. 1515 te Bergen op Zoom, overleden < 1568

5  Margriete Cornelis de Clerck, geboren 1517 te Bergen op Zoom. Gehuwd in 1541 te Bergen op Zoom met Adriaen Hagens, ‘çoopman lijnwaden’ geboren ca. 1528 te Antwerpen (B)


60994  Jasper Buijens, geboren ca. 1495 te Bergen op Zoom

Gehuwd met

60995  Maeijcken Sanders, dochter van Sander NN, geboren ca. 1490 te Bergen op Zoom

Uit dit huwelijk:

Kathelijne Buijens van Vosbergen

2  Geertruijdt Jaspers Buijens, geboren ca. 1520 te Bergen op Zoom. Gehuwd ca. 1550 met Splinter Cornelisz, geboren ca. 1510 te Antwerpen (B), overleden < 1566. Gehuwd op 9 maart 1565 te Bergen op Zoom met Janne Nijsz, schepen van Bergen op Zoom (1560), rentmeester (1561-1563), burgemeester van buijten (1562)

3  Japser Buijens van Vosbergen, schepen van Bergen op Zoom, hoogbaljuw van Zierikzee (1573), geboren ca. 1525 te Bergen op Zoom. Gehuwd met Agnes Peeters