Kwartierstaat Brouwer – Generatie 16

> Generatie 17


53252  Melis Henricksz Cool, huismeester van St. Elisabethgasthuis te Culemborg (1535), lid van het broederschap van het H. Sacrament (1517), zoon van Henrick Gerijtsz Koel en Elisabeth Wouters van Dichteren, geboren ca. 1470 te Culemborg, overleden 1535-1539

Gehuwd met

53253  Catharina Jan Gerritsz de Brouwer, dochter van Jan Gerritsz Brouwer, geboren ca. 1480 te Culemborg, overleden 1539-1547

Op 23 augustus 1507, op sinte Bertholomeus avont apostel, oorkonden Dirck Coppier, richter te Culenborch, Gerijt Gerijt Meliszoonsz, Cornelis die Man, Jan Jan Beerntszoonsz en Johan Vijsser, schepenen aldaar, dat Melijs Koell overdraagt ten behoeve van het kapittel van St Barbara ¼ deel van een rente van 1 schild ’s jaars, gaande uit zijn huis aan de Achterstrate.

Op 25 mei 1518 is Melis Koel beleend met de helft van de bovenste hoeve van de Welboren, bij overdracht door Gerrit, zijn broer, met lijftocht van Katharina, dochter van Jan Gerritsz, en de leenvolger zal de mede-erven 25 brabantse schilden betalen. Op 12 januari 1540 Gijsbert Kool bij dode van Melis zijn vader.

Op 20 april 1535 oorkonden Aerdt die Man en Jan Vreemdt, schepenen te Culenborch, dat Gijsbert Dirck Willemszoon verklaard heeft verkocht te hebben aan Melis Coolle en Gerrit van Dichteren, huismeesters van het St Elizabethsgasthuis, eene rente van twee carolusguldens ’s jaars, gaande uit de beterschap van een boomgaard op Redinchem en zijn huis in de Zuijtkerckstraet.

Op 14 april 1539 is Katharina, dochter van Jan Gerardsz, weduwe Melis Cool, belast met f 12 Hollands door Filips IJsbrandsz te lossen met f 200, voor twee strepen op Goilberdingen, strekkend van de Parijse straat tot de leenheer met zijn waard.

Op 22 oktober 1547 verkopen Gisbert, Cornelis en Anthoenis Melisz Cool en Philips Hackert en Truije Melisdr Cool, hun zuster, een huis in de Achterstraat waarin hun vader Melis Cool had gewoond, gelegen tussen het huis van de abt en dat van Adriaen Jansz. Op 7 november 1548 compareren heer Henrick Cool, canonnick van Sinte Barbara kercke binnen Culemborg, Gisbert Cool, Cornelis Cool, Thonis Cool, gebroeders, en Philips Hackert, hun zwager, en Truije, hun zuster. Zij bezitten roerende en onroerende goederen uit de erfenis van hun ouders Melis Cool en Catharina Jansdochter.

Uit dit huwelijk:

1  Henrick Melis Cool, kanunnik (1544-1548) en kameraar (1539, 1544) van het kapittel van de Sint Barbarakerk te Culemborg, overleden 1548-1551

2  Gijsbert Melis Cool, schepen van Culemborg (1541), gasthuismeester (1541, 1553), kerkmeester van de Sint Barbarakerk te Culemborg (1559), overleden 1570-1575. Gehuwd met Lija de Man

3  Cornelis Melis Cool, priester en kameraar (1557-1560), vicaris van het Sint Augustijns- en Heilige Kruisaltaar (1557), gasthuismeester van het Sint Petersgasthuis (1554-1566), huismeester van het Sint Elizabethsgasthuis (1570-1574), overleden > 21 maart 1584. Gehuwd met Anna Hackert

Anthoenis Melis Cool

5  Anna Melis Cool. Gehuwd met Philips Hackert, overleden > 22 mei 1574

6  Geertruijt Melis Cool, overleden < 14 februari 1581. Gehuwd met Cristiaen Dircxsz


53254  Jan van Steenhuizen, waard in De Stein te Culemborg (1489), geboren ca. 1450 te Deil

Gehuwd met

53255  Janneken Aert Hermans, dochter van Aert Hermansz, geboren ca. 1460 te Culemborg

Uit dit huwelijk:

Ariaantje Steenis


53256  Claes Willem Ottensz, zoon van Willem Ottensz en Marigjen Evertsen, geboren ca. 1475 te Middelkoop, overleden 1536-1540. Gehuwd 1504 (huwelijkse voorwaarden 9 maart 1504 te Gorinchem) met Marij Hendricks, overleden < 1515. Gehuwd met Cornelia Cornelis

Gehuwd 1516 (huwelijkse voorwaarden 1 december 1516 te Gorinchem) met

53257  Margriet Cornelis van Aefferen, dochter van Cornelis Jansz van Aefferen, geboren ca. 1495, overleden < 20 september 1532

Claes krijgt voor zijn huwelijken een zoon bij Cornelia Cornelisdr ’tjonge wijff’ (dienstbode), te weten Adriaen Claesz.

Op 14 april 1502 geeft Jacop Willemsen aan Willem Roelofsdochter een rentebrief van 4 stilden en 14 stuvers ‘erffelic ende ewelic jaerlix up daten desen’ met als onderpand 4 mergen land in ’t Leecheijndt van Middelkoop aan de Gemyen kae. Jacop belooft dit te doen samen met zijn broer Claes Willemsen. Op 18 april 1511 verkopen Jacop en Claes dit land aan hun broer Jan Zweynen Willemsen, die dan de rentebrief schuldig is aan Jan Willemsen. Op 22 mei 1502 belooft Claes Willemsen als goed heemraad elk jaar ’57; stilt ende een ort’ pacht te betalen aan Dirck Goverts (ook een heemraad van Middelkoop) voor 21 mergen land gelegen op Middelkoop. Als hij na 16 jaar de 21 mergen niet meer in huur neemt, dan krijgt hij van Dirck Goverts een vergoeding voor het vergroten en de verbetering van de ‘betimmeringhe’ van de hofstede. 

Hij huwt op huwelijkse voorwaarden van 9 maart 1504 met Marij Henricxsdr. Claes wordt bijgestaand door Gherit Ottens en Bernt Everitsen, en Marij door Jan Thimansen en Dirck Janssen. Claes brengt in 7 hond land in ‘den Lande van de Lede’, 6 mergen land in ‘den Lande van de Lede ‘in dat laen noot?’ (zijn ‘bastaard’ zoon Ariaen krijgt later deze 6 mergen), 100 stilden en de renten op die 6 mergen. Verder wordt bepaald dat als ze geen kinderen krijgen, het erfgoed in de familie blijft. Marij brengt in een hofstad met griend gelegen in ’t Kerckweer tussen Aef Henricxsdr weduwe en ‘dat pastoers lant van Leerbroek tot Jan Royens lant toe en tot aenden Middelcoopschen lande toe’, 3 koeien, een bed met toebehoren. Verder geven haar broers Gherit, Peter, Ghijsbert en Jan Henricxs haar de uitzet mee. Vanaf 3 november 1506 moet Ot Willems aan Claes Willemsen elk jaar ‘erfelick ende ewelic’ 3 stilden betalen (waarschijnlijk is dit Claes Willem Ottens) te nemen op de helft van 12 mergen onverdeeld met Aernt Willemsen gelegen op Langnulant. Op 29 oktober 1507 laat Claes Willem Otten 14 ellen linnen lakens taxeren, dat blijkt 2 Wilhelmus tuin (een kleine pasmunt) waard te zijn, vervolgens een ‘hexken’ voor 6 stuvers en een ketel voor 1 Philips gulden. Waarom deze ongebruikelijke taxatie plaats moest vinden bij het gerecht, is volstrekt onduidelijk.

Het eerste huwelijk is van korte duur, want Marij Henricxsen overlijdt voor 4 augustus 1511 en Claes blijft achter met drie onmondige kinderen. Bij de boedelverdeling treedt een zekere Claes Voss op als voogd voor deze kinderen. Er wordt bepaald dat Claes alle roerende goederen behoudt en alle schulden zal betalen: ook het erf zal hebben ‘staende in Middelcoop’, waar hij op woont met de pacht van de hofstad; de helft krijgt ‘in alle die erffenisse ende landerije die hij heeft, soe wair die landen gelegen mogen sijn’ (behalve dat Claes zijn bastaardzoon 2 merqen land uit ‘dat Lancweer’ moetgeven). De drie onmondige kinderen zullen de andere helft van de landerijen hebben, maar Claes moet de kinderen eten, drank, kleding, geld en (???) geven totdat ze mondig zijn; wanneer een kind mondig wordt, dan moet Claes het 100 stilden uitreiken. Er is echter nog steeds oorlog en daarom wordt ook bepaald dat ‘als bij ongeval van oorloge Claes Willems tussen daten ende Sinte Peter’ enige schade lijdt, dan mag hij dat bekostigen uit het erfdeel van de kinderen na goedkeuring ‘der VII vrinden ende magen’.

Hij huwt op huwelijkse voorwaarden van 1 december 1516 met Margriet Cornelisdr van Aefferen. Bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden wordt Claes bijgestaan door Henrics Gerits en Thonis Govertsen, Margriets ‘hylycxluijden’ zijn Heinrick Cornelissen en Aert Jansen van Aefferen. Claes brengt nu in de helft van 16 mergen ongedeeld met zijn voorkinderen gelegen in het land van der Leede, terwijl de voorkinderen 900 stilden van hun moeder krijgen. Margriet brengt 100 stilden van ‘X1111 stuvers tstuck’ in. Van de rest van de goederen zullen ze elk de helft hebben. Op het niet nakomen van deze huwelijkse voorwaarden staat een boete van 100 gouden leeuw, met een derde aan mijnheer van Brederode, een derde aan de ‘heijliger kercke van Heijcoep’ en een derde deel aan de scheidsrechters, die dit zouden moeten regelen. Margriet Cornelisdr overlijdt voor 20 september 1532, want dan vindt de verdeling plaats van de goederen van Margriet Cornelisdr, onder het goedvinden van de ooms van hun kinderen, te weten Jan Cornelissen van Aefferen en Wijnant Cornelissen van Aefferen. Deze kinderen zijn Anthoenis Claessen en de nog onmondige kinderen Willem, Sebastiaen, Adriaen, Mary en Cornelia. Volgens de verdeling behoudt Claes alle roerende en onroerende goederen, behalve zeker land waar zijn kinderen in ‘bedeijlt sijn’. Hij behoudt ook alle in- en uitschulden. Claes belooft aan de kinderen, dat hij ze ‘eeten, dranck, cledet, schoen ende ter Schele houden gaan redelick ende mogelick nae sijnen betamen tot datter joncqste kijnt mondich sall wesen’, of tot de huwelijkse staat zal zijn gekomen; hij moet voorts elk kind 42 Karolus gulden geven, dat hij moet uitbetalen als het jongste kind mondig zal zijn. De kinderen zullen hebben 15 morgen land gelegen in de lande van Arkel, in de lande van der Leede en in de lande van Vianen ‘gemeijn ende onverdeijlt met Claes’. Als bepaling vooraf op het eventuele overlijden van Claes, wordt gesteld dat elk kind, ook de kinderen uit het eerste huwelijk ‘even rijck sullen wesen van hoirs vaders afterqelaten goederen’.

Op 21 november 1515 komt Claes Willemsen voor de helft in het bezit van de later zo belangrijke 21 mergen land in ’t Leecheijndt van Middelkoop, met aan de ene zijde Alardts weer en aan de andere zijde het zogenaamde Vijffvierdel, strekkende van de Leerbroecksen lande tot de Hubertse wetering toe. Hij koopt ze van Joost Aelbertsen en Dirck Tijn Willemsen voor 1000 stilden en een braspenning. Hij heeft al 350 stilden betaald, maar de rest moet hij binnen een jaar voldoen. Te weten, aan Joost elk jaar 121 scild en aan Dirck 500 stilden. Voordat hij de andere helft in zijn bezit krijgt, zijn er kennelijk nog wat moeilijkheden te overwinnen, want op 5 maart 1519 getuigen Gijsbert Allaertsen, oud omtrent 70 jaren, en Heijnrick Petersen, ook oud omtrent 70 jaren, beiden uit Middelkoop, ‘dat sij noeijt qehoirt hebben off geweten hebben dat alsulcke XXI mergen lants toebehoorende Dirck Tijnne ende Joest Aelbertssen weduwe gelegen int Leecheijndt van Middeltoep tusschen Herman Geritssen mit sijnen medewerckenden erve ex uno, ende Adriaen Engbertsen ende Ot Pollen erfgenamen ex altero, dat tselve lant leenqoet wesen soude’. Het land wordt kennelijk door de jonker van Heukelum beschouwd als leengoed, zoals uit de volgende akten blijkt. De andere helft pacht hij weer op 28 mei 1519 van Dirck Tijnne en zijn trawanten. Maar wederom blijkt weer iets nog niet goed te zitten, want Claes moet procederen tegen ‘Mijn Joncker van Hoickelem’ (mogelijk jonker Gerijt van Arckel, Heer tot Heuckelem). Een dag later wordt Dirck Tijnne van Scoonhoven door Claes Willem Ottensen machtig gemaakt om de zaken te regelen, die Claes ‘uut staende heeft ende hangende voor den Raiden in Hollant tegen den Joncker van Hoickelem’. Een halve maand later, op 18 juni 1519, blijkt Claes Willem Ottensen de zaak gewonnen te hebben, want hij wordt ‘inden rechten gewesen tegen Mijn Joncker van Hoeckelem van seker lant ten wair’. Jan Snoeck Jacopsen (een oud tresorier) staat borg voor hem en belooft hem schadeloos te stellen.

Dat de tijd roerig was blijkt uit de geschiedenis. Claes Willem Ottens heeft daar de gevolgen ook van gekend. Op 30 januari 1520 wordt een fraaie qetuiqenis qedaan. ‘Thyman Janssen-tuycht dat-nijet, Claes Willem Ottensen tuijcht nijet, Heijnrick Janssen die Groot tuijcht dat hij qesien heeft dat Meeus Wigqertsen sloech nae Gherit Petersen met eenen deqhen omme dat hij hem geen bescheijt doen [dronk uitbrengen] en woude te drincken een halff bier. Jacop Willem Ottensen tuijcht nijet, Adriaen Dircksen (de Rentmeester) tuijcht nijet, Cornelis Berntsen tuijcht nijet, Dirck Dircxsen tuijcht als Heynrick Janssen die Groot qetuijcht heeft, Cornelis Eliassen tuijcht als voiren, Kors Dircxsen tuijcht als voiren.’ Kennelijk zitten de heemraden, de waarsman, de rentmeester en enkele gezworenen bij elkaar en brachten een toost uit op ??, ja, op wie? In elk geval wil Gherit Petersen niet mee toosten. Zodoende trekt Meeus Wiqqertsen zijn degen. Evenzo op 10 september 1526 als Huijch Willemsen, Dirck Gheritsen, Dirck Govertsen, Claes Willemsen, Thijman Jansen en Ghysbert Reijersen getuigen dat zij ‘de naeste drie off vier jaren herwaerts geweest sijn qesworen van Leerbroeck ende Middelcoop’ en dat ze op generlei wijze een bevel of opdracht gegeven hebben aan de Heer Jan Jacopsen ‘Vicarius off oude priester’ in Leerbroek, om ‘voir de voirschreven dorpe te verdingen [plunderen] oft verbrandschatten aenden Gelderschen off enige penningen dairvoir te loven in qeinehand manieren.’ Op 17 maart 1528 (de oorlog met de Geldersen schijnt afgelopen te zijn) moeten de notabelen van de stad en landen van Arkel 1550 gouden gulden betalen aan Mijnheer van Bockhoven (drossaard van Gorinchem). Dit is waarschijnlijk een bedrag geweest die men de Heer van Bockhoven gegeven heeft voor de oorlogvoering tegen de Geldersen. De notabelen waren: Jan van den Haer Janssen (schepen en later burgemeester van Gorinchem), Jan van Strijn Janssen (tresorier van Gorinchem), Jan Wouter Knobbensen, Anthoenis Govertsen (Vinck) (schout van Nuland), Adriaen Dircxsen (rentmeester), Dirck Govertsen, Thijman Janssen, Claes Willem Ottensen, Andries Aertssen, Rob Roeloffsen, Heijnderick Geritsen en Jan Heijnricksen. Zij moeten allen persoonlijk proberen, of samen met de andere stads- en plattelandsbewoners, het geld voor de heer van Bockhoven bijeen te brengen. Maar dat mag niet op de wijze van ‘verdingen’ (plunderend of brandschattend).

Op 9 februari 1520 geeft Jan Adriaensen aan Thijman Janssen 5 mergen land en aan Heijnrick die Groot Janssen 6 mergen land, gelegen in het Vijffvierdell in een weer land van 17 mergen groot, ‘onderdeijlt met de Heijligen Geest in Leerbroek ende Thijman Janssen cum socijs tusschen Claes Willem Ottensen cum socijs ex uno ende den Heeren van den Cappittell van Gorinchem cum socijs ex altero, streckende van de Leerbroecksche lande totter Hubertsche weteringe toe.’ Dit land kost 1025 stilden en die worden betaald door Claes Willem Ottensen en Jan Willem Janssen. Op 15 februari 1520 geeft Jacop Willem Ottensen aan Claes Willem Ottensen 25 stilden. En op 5 maart 1520 geeft Jan Zweijnen Willemsen 26 stilden aan Claes. Op 15 juni 1520 laten Claes en Jan de vier kampen land ‘gelegen up Middelcoop genoemt den Vijffvierdell meten door Vinck Lambertsen als gesworene meter’ en dan blijkt dat hetzelfde land 16 mergen en 28 roeijen groot is.

Op 29 mei 1523 wordt er door verscheidene personen geld geleend, kennelijk voor de polderzaken. Deze personen zijn Thijman Janssen, Ghijsbert Reijersen en Anthoenis Goevertsen. Te zamen lenen zij 221 Rijnse gulden, borg staan Gijsbert Hagen, Dirck Goevertsen, Huijch Willem Janssen, Heijnrick Geritssen, Dirck Geritsen en Adriaen Dircxsen den Rentmeester. Waarom deze geldlening nodig is, is niet duidelijk. Maar meerdere leningen zijn noodzakelijk. Andere personen gaan eenzelfde transactie aan. Op 23 november 1523 belooft Jan Zweijnen Willemsen aan zijn broer Claes Willemsen te betalen ’28 Rijnse guldens solidos Sinte Jansmisse proxima ende dat met gouden Nijen tronen ’t stuck voir 2 Rijns guldens, den Karolus gulden voir 22 stuvers, den Philips gulden voir 27 stuvers, den gouden gulden voir 30 stuvers.’ Op 5 februari 1530 vervolgt Jan Zweijnen zijn broer Claes Willem Ottens voor drie brieven, die hij ‘alsoe lief’ heeft als 100 stilden. Op 23 oktober 1536 blijkt dat Claes Willem Ottensen van Daem Janssen een ‘hoech lants van omtrent 2 mergen off 13 hont gelegen int hoocheijndt van Middelcoop up Leerdam’ gehuurd heeft voor de tijd van acht jaar voor 25 stilden per jaar.

In een akte van 26 januari 1524 staat, dat op verzoek van Claes Willem Ottens door Vinck Lambertssen de gezworen landmeter van de stad Gorinchem in de herfst van 1523 een weer land in Middelkoop (waar Claes op woont) gemeten is, welk dan 20 merqen 1 hond en 25 roeden (eer min dan meer) groot blijkt te zijn. Het land ligt tussen de Leerbroeksche lande en de Hubertsche weterinqe. Op 9 juli 1527 geeft Jan Jacopsen vanden Goude aan Claes Willem Ottensen 12 gouden Karolus guldens per jaar ‘erffelick ende ewelicx’. Indien Jan niet betaalt dan maq hij dat nemen op 5 merqen 11 hond land in Middelkoop in een hoef van 21 merqen, waar Claes op woont ‘gemeijn ende onverdeijlt’ met Claes en Govert Tijnne. Jan heeft dus dit gedeelte van de 21 mergen in eigendom. Maar waarom deze jaarlijkse betaling? Er is nog een bepaling in de akte die zegt, dat Jan Jacopse pas mag aflossen als Claes het land niet meer gebruikt en niet eerder. Ook wordt bepaald, dat er afgelost wordt in allerlei muntsoorten, te weten ‘eerste mit 40 gouden Philips gulden, noch mit 8 gouden Rooss nobellen, noch mit 8 gouden roijalen, noch mit 8 16 halve gouden roijalen nu nijen gemunt bijden Keysser, noch mit 14 gouden franse croonen metten …,  noch mit 10 gouden angeloten, ende mit 6 gouden leeuwen.’ De akte is niet geheel duidelijk, maar waarschijnlijk heeft Claes tegen een jaarlijkse betaling van 12 gouden Karolus gulden dit vierde deel van de 21 mergen in eeuwige erfpacht gekregen van Jan Jacopsen. Later procedeert Willem (de jonge), zoon van Claes, met de erfgenamen over dit gedeelte van de 21 mergen. Het andere vierde gedeelte koopt Claes van Govert Dircxsen Tijnne, want op 19 juli 1529 geeft Govert het vierde deel van 21 mergen gelegen in Middelkoop aan Claes. Komt Govert dit niet na, dan mag Claes dit verhalen op de helft van 12 morgen van de vader van Govert, Dirck Tynne, gelegen tot Meerkerk. Claes belooft Govert 620 Karolus gulden te betalen binnen drie jaar. Op 12 september 1530 geeft Claes aan Govert Tijnne Dirxsen een rentebrief van 12 Karolus gulden. Govert mag dat nemen op de rest van het land als Claes zijn betalingen niet nakomt. Maar Claes moet de hoofdsom van 600 Karolus gulden met de pacht betalen volgens de afgesproken datum. Doet hij dit niet, dan moet hij 14 dagen na die afgesproken datum elke dag 12 stuivers boete betalen, de helft aan de drossaart van Gorinchem en de andere helft aan Govert.

Op 28 januari 1534 hebben Thijman Janssen als waarsman en Claes Willem Ottensen als gezworenen van Middelkoop ‘voir recht aengesprocken Scalck Jansen voir schade ende interest die t gemeine lant van Middelcoop’ zou krijgen betreffende ’t arrest dat hij gedaen heeft aan de Souwe van een selve kae die tselve gemeijn lant leggende heeft in t gerecht van der Leede’ waar Scalck borg was voor een bedrag van 100 Karolus gulden.

Claes is voor 3 februari 1540 overleden, want dan wordt de boedel verdeeld. De akte hierover straalt enige allure uit. Claes blijkt ook op het eind van zijn leven gewoond te hebben in het huis, dat staat op het land van 21 mergen groot, gelegen op het Leecheijndt van Middelkoop tegen de Leerbroekse Lande. Nu blijkt dat het nog voor eenvierde onverdeeld is met Jan Jacobs Gerits, baljuw van Oudewater. Claes’ zoon, Willem Claes die jonge (of ook Willem Claessen alias Wijntgen van Deventer) procedeert later over dit land met de erfgenamen van Jan Jacobs. Claes blijkt bij zijn overlijden zo’n 50 mergen land te hebben, verdeeld over ’t Leecheijndt van Middelkoop, Hoocheijndt van Middelkoop, Recht van der Leede, Leerbroek en op Heicop. In de boedelverdeling staat vermeld dat de kinderen Sebastiaen, Adriaen en Cornelia te zamen 325 karolus gulden krijgen en wel van drie partijen, te weten 125 Karolus gulden van Adriaen Hagen, 100 Karolus gulden van Jacop Willem Ottensen (hun oom) en 100 Karolus gulden van Beernt Jansen. Ook wordt met betrekking tot alle broers en zusters vastgelegd dat Anthonis Claessen (het oudste kind uit het tweede huwelijk) ‘ende sijn erven off naecomelingen gehouden sullen wesen alle jaer opt jaergetijde van Claes Willem Ottensen hun vaeder met beijde sijn voirs. huijsvrouwen in te leggen een ton biers metten toste ende daernae omme dat metten broedere, Susteren ende vrienden dair jairlix met malkanderen te drincken ende eeten erffelick ende ewelick gedurende. Ende inden daertoe ter eniger tijt gebreck inne gevijclle, dat sij inden gevallen sullen mogen teeren in een herberge tot tosten van Anthoenis Claessen sijnen erven ende naecomelingen.’

 Uit dit huwelijk:

1  Anthonis Claesz, geboren 1516 te Middelkoop, overleden 1568-1587

Willem Claes Deventer (de Jonge)

3  Marijken Claes

4  Sebastiaen Claesz, gezworene van Leerbroek (1583), geboren ca. 1523, overleden > 1598

5  Adriaan Claesz

6  Cornelia Claes, geboren > 1525


53456  Heijmen Roelofsz, schepen van Everdingen en Zijderveld (1475, 1482), zoon van Roelof Heijmensz ‘dije Wijlde’ en Aleijt Keetelbantz, overleden 1498-1503

Gehuwd met

53457  Hanneke NN

Heijmen is in 1498 samen met Rolof Aerntsz pachter van de grove thienden van Over- en Neder-Zijderveld. Heijmen en Hanneke zeggen een jaarlijkse rente van 5½ gulden toe aan de kerk van Zijderveld, uit een kamp land op Lang-Bolgerijen, genoemd de “Cacamp”. Hiervoor in de plaats dient de kerk te zorgen voor de memorie van Heijmen Roelofsz en zijn vrouw, en verder dient de kerk te geven voor de armen 10 stuks aan brood, 7 stuks aan de pastoor, 3 stuks aan de koster en op Sint Anthonisdag moeten de kerkmeester 10 stuks geven aan de Sint Anthonisbroederschap.

Uit dit huwelijk:

Cornelis Heijmensz

2  Jan Heijmensz, eigenaar en gebruiker van land op Lang-Bolgerijen, overleden 1560-1566


53608  Melchior Hermensz van Blijenborch, zoon van Hermen van Blijenborch, overleden < 30 maart 1546

Gehuwd met

53609  Marijgen Herman Goesens, dochter van (?) Herman Goesensz van Riebeeck en Cornelia Jans. Gehuwd met Frans Cornelisz, wollewever

In 1533-1534 is als nieuwe burger te Utrecht ingeschreven Melchior Hermensz van Blijenborch.

Op 30 maart 1546 Mr. Baltasar van Blijenborch, dr medic, en Herman Daniels, voogden van Margriet, onmondige dochter van zaliger Melchior van Blijenborch bij Marijgen Herman Goesensdr. Borgen Joist Hermansz en Splinter van Oistrum, eodem die Joest Hermansz en Splinter voogden over IJda, dochter van Frans Cornelisz wollewever zaliger bij Marigen voorschreven zijn wijf was. Borgen Mr. Baltasar van Blijenborch en Herman Danielsz.

Uit dit huwelijk:

1  (?) Herman van Blijenborch

2  Margriet van Blijenborch


55256  Dirck Aertsz Vereem, zoon van Aert Vereem, overleden < 5 juli 1589

Gehuwd met

55257  Henrickgen NN

Op 28 mei 1558 Dierck Aertsz Vereem wonend Capel constitueert. Op 19 december 1558 Dirck Claesz (sic) Vereem in Capel en zijn huijsvrouw constitueren.

Op 5 juli 1589 mede erfgenamen Henrickgen weduwe Dirck Aertsss Vereem, dochter Marijchgen Dircks Vereem weduwe Joost Janss van Velpen, kleinzoon Cornelis Aertss Vereem borger Utrecht, mede voor zijn broers en zuster, delen onder meer rentebrief dd 8 juni 1542 op Cornelis de Ridder nue ten laste van Job Peterss en een dd St. Petersdach in de wijnter 1552 op Jan Simonss tot Coten nue ten laste van Anthonis Dircks van Roijen.

Uit dit huwelijk:

Aert Dircksz Vereem (de oude)

2  Aernt Vereem, scholt in ’t Tollensteech, geboren 1534-1535, overleden 1594-1601. Gehuwd met Cecilia Peter Jacobs, overleden 21 augustus 1599

3  Jan Vereem

4  Marijchgen Dircks Vereem, overleden > 5 juli 1589. Gehuwd met Joost Jansz van Velpen


55258  Jan Jansz Cruven

Kinderen:

Janna Jans Cruven

2  (?) Jan Jansz de Cruijff, schepen van Odijk (1587)


57000  Evert Creeck, raad van Amersfoort (1529, 1531, 1533), geboren ca. 1480, overleden < 19 juni 1555

Gehuwd < 1502 met

57001  Ermgardt NN, geboren ca. 1480, overleden > 13 mei 1544

In 1502 een akte van transport ten overstaan van schout en schepenen van Bunschoten, door Willem Gerijtsz en Gerijtgen, dochter van Gerijt Willemss, aan Evert Creeck en Ermgert zijn vrouw, van de vrije eigendom van 14 dagmaten land, gelegen in Bunschoten te Velde, dat zij geërfd hebben van Reijergen, weduwe van Gerijt Willamss.

Op 14 januari 1529 een akte van huwelijkse voorwaarden tussen Evert Creeck en zijn zoon Evert en hun vrienden en magen aan de ene kant, en Ceel Loichs en zijn dochter Anthonia en hun vrienden en magen aan de andere kant, ten overstaan van de huwelijkslieden van beide partijen.

Op 4 oktober 1529 een akte van belening door Matheus van Goch, abt van Sint Paulus te Utrecht, ten overstaan van twee van zijn leenmannen van Reijer, Willem, Dirck, Henrick en Cornelis Crieck, zonen van Evert Creeck en Ermgairdt, met de helft van 3 morgen onafgegraven veen in het Hezerveen strekkende van de Gracht tot aan het Hart, nadat het leen van Ermgairdt uit handen van haar voogd, Jan van Hattem, is terugontvangen. Willem van Braekel heeft voor de vijf broers hulde, eed en manschap gedaan.

In 1532 een akte van transport ten overstaan van schout en schepenen van Soest, door Harmen Rutgerss de Ruijch, aan Evert Willamss, van het recht op het afgraven van een stuk veen achter de Soester Eng, 1520, met afschrift van een akte waarbij Cornelis Rutgerssoon, Peter Rutgerss en Toentgen Stevens weduwe, hun zuster, aan Evert Creeck overdragen een morgen bonkveen. Op 18 maart 1532 Henrick Geerolofsz, schout, en Lodewich Rutgers, Gisbert Meijnss, Henrick Gisbert Airt en Henrick Bot Aertss, schepenen van Soest, oorkonden dat Dirck Dircks Noteboom en Hillitgen zijn vrouw, namen hun minderjarige dochter Agniess, Jan Janss de Bruijn en Wouter Claess, naaste verwanten van vaderszijde, en Willam Rutgerss en Gisbert Wouterss, naaste verwanten van moederszijde, overgedragen hebben aan Evert Creeck, een stuk grond strekkende van het Hart tot aan de Dwarsvenen, aan de zuidzijde begrensd door Harmen Rutgerss en aan de noorzijde Lodwich Rutgerss. Op 13 april 1532 oorkondt Matheus van Goch, abt van Sint Paulus te Utrecht, dat hij Henrick Creeck beleent met 1,5 vierendeel afgegraven veenland acher de Soester Eng geslagen uit de Hoick en Hijnckenhoeve, nadat Dirck Dircks Noeteboem het goed had overgedragen aan Evert Creeck. Op 26 mei 1532 verklaart Dirck Dirckz de hem door Evert Creeck verschuldigde som geld van 20 Philippusguldens ontvangen te hebben.

Op 24 maart 1533 op onser lijeve Vrouen avont annuntiationis transporteren, ten overstaan van schout en schepenen van Bunschoten, Wouter Claess en Weijndel zijn vrouw, aan Evert Kreeck en Ermgert zijn vrouw, van het vierde deel van 20 dammaten land te Velde, gemeenschappelij kmet Evert, strekkende van de gracht westwaarts tot de Eem.

Op 30 januari 1544 quarta post Pauli Conversionis hebben Evert Creeck en zijn huisvrouw Ermgert vermaakt al hun goed, land en zand, niets uitgezonderd, dat zij na hun dood achter laten zullen aan hun zoon Cornelis Creeck. Op 13 mei 1544 tertia post Servati hebben Evert en zijn wijf opdracht gegeven de brief te casseren.

Op 18 november 1555 heeft Reijer Creeck verwondingen aangebracht aan Elis van Wee. Daarop heeft zijn broer Cornelis Creeck op 21 november 1555 het gerecht van Amersfoort verzocht om Reijer het dragen van wapens te verbieden. In 1559 is een kwitantie afgegeven door Jacob Henrixz voor de ontvangst van de som van 57 Karolusguldens, uit handen van Pieter zijn zuster, vrouw van Reijer Creeck, als zoengeld voor de dood van zijn broeder Evert, gedood door Reijer.

Op 19 juni 1555 zijn de erfgenamen van Evert Creeck genoemd als belender. Op 26 november 1568 verkopen Reijer Creeck en zijn vrouw Petertgen Henricxdochter, Cornelis Creeck en zijn vrouw Evertgen dochter van Jan van Ween, aan Jannitgen weduwe van Willem van Liener, een huis, hof en hofstede met het land daartoe behorende, gekomen van de oude Evert Creeck en nu gebruikt door Adriaen van Gijnckel en Gerijt Rijcxzoon. Belast met 8 keijser gulden en 10 stuiver jaarlijks aan het Convent van Sinte Berbera in Amersfoort, die de weduwe van Liener bij deze overneemt. Af te lossen met 170 keijser gulden.

Uit dit huwelijk:

1  Gerijt Evertsz Crieck, overleden < 1549

2  Reijer Evertsz Crieck, overleden 1583. Gehuwd met Petertje Henrick Petersz, overleden 1576

3  Willem Evertsz Crieck

4  Dirck Evertsz Crieck, stadtsdienaer van Utrecht, geboren ca. 1522, overleden > 6 december 1577

5  Henrick Evertsz Crieck, overleden < 1549

Cornelis Evertsz Crieck

7  Evert Evertsz Creeck. Gehuwd in 1529 met Anthonia Celen


57002  Jan van Wede, knape (1496), meester, bewaarder van de Peter Hamersfelt vicarie te Amersfoort (1526), zoon van Elias van Weede en Lambrechtje Claas Goorts, geboren ca. 1475, overleden 1540-1541

Gehuwd met

57003  Corstine Ghijsbert Jacobs, dochter van Ghijsbert Jacobsz en Clemeijns NN, overleden > 29 oktober 1533

Links het zegel van Jan van Wede op 18 februari 1496. Beschrijving: zes lelies (Bron: Archief Eemland, 0100 Stichting Armen de Poth te Amersfoort, 1342-1999, regestnummer 249).

Op 18 februari 1496 ‘des donredages nae sunte Valentijns dach’ beleent Johan van Wede, knape, Jorden Gijsbert Jacopsz soen en zijn zuster Gijsbert met de hofstede Luttike weede (zwager en schoonzus van Jan van Wede), waarvoor Willam van Bloemenweerde voor hen beide hulde en eed heeft gedaan, ten overstaan van Johans leenmannen Peter Gerijts en Cornelis Wouters. Op 23 augustus 1505 ‘des saterdags op sunte Bertelmeeus avent des heiligen apostels’ Johan van Wede, knaap, beleent Jan Gijsbertsz met de hofstede Luttike Wede nadat zijn broer Jorden Gijsbertsz en zijn zuster Gijsbrecht, met Rijcout Willams, hun voogd, afstand hiervan hebben gedaan, nagelaten door hun vader Gijsbert Jacops, ten overstaan van de leenmannen Eelgis van Wede en Claes Meijnss. Op dezelfde dag Johan van Zulen, schout, Steven van Wede en Johan van Wede, landgenoten en buren van Hoogland in de maalschap van Wede en Emiclaer, oorkonden dat Jan Gijsbertsz heeft verklaard schuldig te zijn aan Jorden Gijsberts, zijn broer, een jaarlijkse rente van vier Rijnse gulden, gevestigd op een halve hoeve die Jan gemeenschappelijk heeft met Evert Poijt Diercs, af te lossen met 80 Rijnse guldens.

Op 4 april 1507 een kwitantie door Jan van Wee Elgiss voor de ontvangst van 100 Rijnsguldens van Clemens Gijsbert Jacobsz weduwe voor een stuk land van drie morgen.

Op 11 juni 1516 ‘op sunte Odulphus avont’ bleent Jan van Wede, knape, Jorden Gijsberts met de hofstede Luttike Weede nadat heer Jan, zijn broer, afstand ervan heeft gedaan, hem nagelaten door zijn vader Gijsbert Jacobsz, ten overstaan van de leenmannen. Op dezelfde dag oorkondt Jan van Wede, knape, dat Jorden Gijsberts vermaakt aan zijn broer heer Jan, priester, de hofstede Luttike Weede, die toebehoord heeft aan Wouter Gerijts van Leeuwen, nadat heer Jan die overgedragen had, ten overstaan van de leenmannen Clais Gerijts en Jacob Soest. Op 10 mei 1517 beleent Jan van Wede, knape, Evert Claess Gerijts soen met de tienden van Weede.

Op 12 december 1517 ‘septima post Conceptationis Marie’ kopen Jan van Wede ende Stijne sijn wijff ‘all sulc recht ende toe seggen als sij hebben aen een hoff gelegen inde Langestraet’ van Geertruijt Jan van Wijck wedue mit Jan hoir zoen. Ende Geertruijt ende Jan belide mede tot wat tijden dat Henrick hoir zoen mundich is dat hij Jan voirscreven off sijn erffgenamen vestigen sall als recht is wes hijnder schade off gebreck hij off reijcht datte verhalen aen all sulc goet sij hebben off vercrigen moegen inden gericht van Amersfoirt mit voirwerden dat Jan van Wede die put swengell houden sall als den breeff inholt die stadt gegeven heeft.

Op 23 december 1517 quarta post Thome Zander ende Wijs sij wijff hebben belijt Jan van Wee ende joffrouw Stijn sijn wijff met hondert Rijnsche gulden etc sestijen Badensche braspennijngen off 20 Badensche off dees weerde voir de gulden. Mit voirwerden dat sij de gulden onderhouden moegen ende geven Jan ende sijn wijff off hoeren erffgenamen daer iairlix off te reijnten 5 de selver gulden te betalen voirscreven last soe sall die ander reijnt nijt vere gaen dan uutter dree hoven schade off gebreck crech vanden hoff die Jan van Wee voirscreven van Tonis de Cuper gecoft heeft dat sullen sij altijt moegen verhalen aen de reijnt deser Jan voirscreven daer iairlix uutgegeven ende off geven.

Op 16 oktober 1518 septima ipso die Galli Meijster Eelgis van Weensoen heeft belijt ende bekent voir hem ende voir sijnen erven dat hem Gijsbert van Emeler off sijnen erven niet meer sculdich. En sijn vader alsuclke breeff Gijsbert voirscreven Eelgis van Wee meijster Jans vader gegeven heeft uuter erven ende goede te Groete Emeler als van vijfthien currente enckel gulden losrenten jairlix gevesticht voir mijn heer van Issensteijn nae luden des breeffs meijster Jan voirscreven dair off heeft ende meijster Jan voirscreven daer noch off rest vijftich gouden Philippus Burgoendische gulden van Oestenrijck goet van goude swaer van gewicht gemunt ende geslagen outer datums breefs daer offte geven jairlix te reijnten van twijntich pennijgen voirscreven een te betalen jairlix op Sinte Gallen dacht ter tijt toe die hoeft som voirscreven tot een tijt off gelost is mit de verscenen reijnten nae beloipt ter tijt ende als dat gedaen wesende belijde meijster Jan voirscreven voir hem ende sijnen erven den breef voir hem well off vernuecht ende betaelt te wesen ende den breeff weder als dan te geven in Tonis van Daomselers off sijn nacomelijngen handen.

Op 13 juli 1520 sexta ipso die Margrete koopt Jan van Wee dat derdedeel van een molen husijnge molenwerff husijnge hoff ende hofstede soe de gelegen is buiten de Utersche Poirt soe dat heerlick goet is ende van hoir ouders gecomen is van IJsbrant van Wee ende Truda sijn wijff. Op dito verkopen Henrick van Wee, Claesgen van Wee mit mijn momber ende Ian van Wee mit Iacob Lamertz hoir echte momber scelden te goede aan IJsbrant van Wee ende Truda sijn wijff all allsulcke goede leggende erff staende tijmmer, heerlick ende onheerlick, rede ende onrede, ruerende ende onruerende niet dair van uutgesceijden sij hebben inden gericht van Amersfoert de hem aengecomen ende bestorven sijn van doede hoir vader ende moeder zaliger gedachten.

Op 7 augustus 1520 etem tertia post Petri ad Vincula lenen Lambrich van Wee ende meijster Jan van Wee onder hoir beijden hondert rijnsche gulden current ende 3 de selver gulden sestien Hollantsche stuver off de weerde dair voir aen ander alreleij payment aan Peel Zijmonz ende Anthonia sijn wijf. Met voirwerden dat sij de gelden onder houden moegen de jairlix ofte renten vijff de selver gulden ende een stoter te betalen op Sinte Merten dacht translatius ter tijt sij de principaell hoeff som betaelt hebben tot twee reijsen tot hoeren scoensten mit onbetaelde verscenen reijnten nae beloipt der tijt. Op dito verkopen Lambrich van Wee ende meijster Jan van Wee hair soen mit mijn horen beijder momber te hebben te goede gescouden een huijsinge ende hoste gelegen op de Camp aan Peel Sijmonz ende Toen sijn wijff.

Op 30 december 1522 tertia post Nativitas Domini Jan van Wee ende jouffrou Stijn zijn wijf scelden te goede die alinge schuer, hof ende hofstede ende berchstaden daer aen gelegen op Blomendal uijtgesondert Jan van Wee zijn berck stede die Jan voerscreven bruijckt vrij te wesen aan Henrijck Willemz ende Stijn zijn wijf.

Op 21 februari 1526 koopt Ian van Wee voor zijn drie dochters Maria, Gijsbert ende Dijrckgen van Oede Elias van Weesdochter ‘de alijnge huijsinge hoff ende hoste voirscreven gelgen aen onser Stadt Cijngell duergaende van de Stadt Cijngell off after aende Coppellstraet toe. Mit voirwerden also lange als dair een van hem drien leeff de dair sterff sel deze huijsinge hoff ende hoffste voirscreven dan erven op den andere die dair leve mit voirwerden dat Ian van Wee sell als dan heffer bliven van dese husijnge hof ende hoste voirscreven soe lange hij leeft ende dese make altijt te vermeren ende te verminren als Joffrouw Oede belieft ende den brieff in hoeren handen.

Op 12 maart 1531 ‘op sinte Gregorius dach’ beleent Jan van Wede, knape, Ghijsbert Jorden Ghijsbertsz soen als opvolger van zijn vader Jorden Gijsbertsz met de hofstede Luttike Wede, voor wie Wouter Claess hulde, eed en manschap heeft gedaan, ten overstaan van de leenmannen Claes Gerijtz en Jacop Zoest.

Op 29 oktober 1533 maken de kinderen van Ghijsbert Jacobs, Ghijsbert Ghijsbert Jacobs dochter en haar man Dirck Poeijt Everts, dochter Corstine en haar man Jan van Wede, en Lobberich weduwe van Jorden Gijsberts met haar kinderen, een boedelscheiding waarbij Jan van Wede en zijn vrouw een zelfde deel krijgen als Ghijsbert en Lobberich van het goed Twiltenborch, gelegen aan de andere kant van Utrecht, een gelijk deel van een hof gelegen buiten de Kamppoort. Ghijsbert zal verder hebben een zelfde deel als Jan en zijn vrouw en Lobberich hebben van de helft van 8 morgen land gelegen in het land van Montfoort, waarvan Evert Jorden Ghijsberts van de andere helft 3 morgen en Lobberich 1 morgen bezit. Lobberich en haar kinderen krijgen een gelijk deel als de andere hebben van eens tuk land aan de Meerll, eenzelfde deel van een stuk land te Houten.

Op 2 december 1541 Johan van Rossum, ridder, heer tot Broechuijsen, als man en voogd van jonkvrouw Oedel heer Stevensdochter van Zuijlen van Nijevelt, beleent Cornelis van Wee na dode zijns vader Jan van Wee met de tiend van Grote Wee, Lutteke Wee en Schoonoord, gelegen in de maalschap van Wee en Emelaer. Op 2 juni 1554 Johan van Rossum etc beleent Gerit van der Borch Jansz als man en voogd van juffrouw Ghijsbert Jansdochter van Wee met de tienden van Grote Wee, Lutteke Wee en Schoonoord, gelegen in de maalschap van Wee en Emelaer.

Op 18 november 1555 heeft Reijer Creeck verwondingen aangebracht aan Elis van Wee. Daarop heeft zijn broer Cornelis Creeck op 21 november 1555 het gerecht van Amersfoort verzocht om Reijer het dragen van wapens te verbieden.

Uit dit huwelijk:

Evertje Jans van Wee

2  Maria van Wee

3  Gijsbertje van Wee, overleden > 1 september 1552

4  Dirckje van Wee, overleden > 4 augustus 1567. Gehuwd met Harman van Vanevelt, overleden < 30 september 1556

5  Deliana van Wee. Gehuwd met Gerijt van Ouwenbernevelt

6  Cornelis van Wee


57008  Gerrit Aertsz de Lange, geboren ca. 1480

Kinderen:

Aert Gerritsz de Lange


58240  Gerrit Rijersz van Langelaar, boer op Dashorst, zoon van Reinier Gijsbertsz van Langelaar, geboren ca. 1470, overleden ca. 1554

Hij is gebruiker en later eigenaar van Groot Dashorst.

Kinderen:

Mattheus Gerritsz van Langelaar


58242  Jan Cornelisz van Zijl

Kinderen:

Hendrikje Jans van Zijl


58256  Adriaen van Trijst, geboren ca. 1470, overleden > 8 februari 1519

Gehuwd met

58257  Mechteld Gerrits van Atteveld, dochter van Gerrit van Atteveld en Rijcolant NN, geboren ca. 1475, overleden > 4 juni 1517

In 1517 is in de transportregisters van het Gerecht Amersfoort opgenomen hoe Adriaen van Triest na zijn dood zijn na te laten spullen verdeeld: ‘Adriaen van Triest heeft gemaickt nae sijnre doet Jannitgen sijn dochter voir uutte nemen hondert Philippus gulden off die weerde de voir van dat allre reijsse goet hij dan achter laet ende dese maick altijt te vermeren ende te verminderen alst hem gelieft den breef in sijnen handen. Idem heeft gemaickt all sulc goet hij nae sijnre doet achter laet gelijck te comen ende te erven op all sijn kijnderen hij heeft ende dese maick altijt te vermeren ende te verminren alst hem gelieft den breeff in sijnen handen’.

Op 4 juni 1517 verkrijgt Mechtelt, Gerijt van Attevelts dochter, ende mijn momber heeft gemaict nae hoeren doet, alsoe veer Mechtelt voirsccreven dat achter laette, commen ende te erven op heer Rijcolt, hoir broeder in die Birket, een Rijnsce gulden twijntich stuvers voir de gulden iairlix te renten uuter husijnge de Adriaen van Trijest nu ter tijt in woint buten de Rode Toren. Wanneer heer Rijcolt voirscreven off lijvijch wert soe sall die voirscreven gulden weder commen ende erven op Mechtelts voirscreven rechten erffgenamen ende dese maick altijt te vermeren ende te verminren als dat Mechtelt voirscreven gelieft den breeff in hoeren handen.

Op 14 april 1518 ‘quarta na Belopen Paesdach’ Adriaen van Triest heeft gemaickt nae sijnre doet voir uutte nemen hondert Philippus gulden off die weerde daer voir van dat allre reijsse goet hij dan achter laet aan Jannitgen sijn dochter. Ende dese maick altijt te vermeren ende te verminren alst hem gelieft den breef in sijnen handen. Adriaen van Tiest heeft gemaickt gelijck te comen ende te erven op all sijn kijnderen hij heeft all sulc goet hij nae sijnre doet achter laet. Ende dese maick altijd te vermeren ende te verminren alst hem gelieft den breeff in sijnen handen.

Op 28 april 1518: ‘quarta ante maij’ Jannitge Adriaen van Triesten dochter mit mijn momber heeft gemaict nae hoeren doet heer Rijcolt Gerijts van Attevelts hoir oem vijff Rijnsce gulden 20 stuver voir de gulden al sulcke stuver als inder alcke tijts betalinge binnen Amersfoirt gangbaer sijn voir de gulden to sijnre live toe ende nijt langer jairlix te reijnten uuter alijnge husijnge hoff ende hoffstee gelegen buten de Roden Toeren geheten De Swaen, deen sijde Claes Luchter dander sijde een Stege, ende voirt uuter schuer gelegen inde Hellestraet deen sijde Jacop van Twillert dander sijde Rijcolt Herman Daemsz ende dese maick altijt te vermeren ende te verminderen alst haer gelieft den breeff in haeren handen’. Voorts ‘Jannitge voirscreven met mijn momber heeft gemaickt nae hoeren doet die helft vanden alijngen husijnge hoff ende hoffstee gelegen buten de Roede Toeren de Gerijt Evertz in woent, deen sijde Claes Luchter dander sijde Peter Albertz, te comen ende te erven op Ariaen van Triest hair vader ende dese maick altijt te vermeren alst hair gelieft den breeff in hoeren handen. Eadem maickt nae haren doet Ariaen van Triest hair vader dat die besittenende gebruicken sell sijn leven lanck ende nijet langer die alijnge husijnge hoff ende hoffstee (mit de schuer) gelegen buten die Roden Toeren geheten De Swaen, deen sijde Claes Luchter dander sijde een Stege ende dese maick altijt te vermeren ende te verminren alst hair gelieft den breeff in hoeren handen’.

Uit dit huwelijk:

Peter Adriaensz van Triest

2  Adriaen Adriaensz van Triest, geboren ca. 1502

3  Jannetje Adriaens van Triest, geboren ca. 1505, overleden > 11 maart 1563. Gehuwd met Mouris Botter, overleden > 11 maart 1563


60928  Jacob van Snellenberch, ‘capiteijn van des raetswegen’, leenman van de hofstede IJsselstein, zoon van Willem van Snellenberch en Margriet de Gruter, geboren ca. 1450, overleden > 19 september 1517

Op 17 oktober 1473 is Pieter Trijn beleend voor Jacob van Snellenberg Willemsz, zijn neef, met 8 morgen land in de Achtersloot in het gerecht van de heren ten Dom. Op 6 december 1529 Willem van Snellenberg bij dode van Jacob, zijn vader.

Op 8 oktober 1494 Steven van Beesde, onse borger, oudt, cranck en onmachtich, constitueert Jacob van Snellenberch om te transporteren 60 oude scilden gevestigd op ½ hoef op Rijsburg int gerecht van Houten oft alsulc lant dat daervoor gepangelt etc wordt op Laurens van Beesde zijn neve, en nog 8 morgen te Benschop.

In 1508 op Witte Donredach pachten Cornelis Aerntsz gehuwd met Marigen verschillende percelen te Doorn van het St. Barbaragasthuis. Voor hen zegelden Goedschalck van Wijnssen en Jacob van Snellenberch.

In 1514 Loeff van der Haer, pastoer tot Oudewater, en Johan Ruijsch, dedingsluijden van Gijsbert van der Haer, Willem van Oostrum zijn dochters Corstijnen man, roerende hun huwelijkse voorwaarden. Willem zal onder andere krijgen 7 morgen tot Bunnick opde Enge, de nahand van 4 morgen in Schalkwijk int Groenewout dat Willem Doeijs nu bruijckt, noch de nahant van een vierdellant die Gerit Mathijs gebruijckt, die noch een vierdel gebruikt daer Gherijt van Winsen oeck des voorschreven Gijsbert van der Haers dochters man de nahand af hebben zal. Aldus indien dat Willem van Oostrum dan geloofde te verlaten de 4 morgen die Willem Doeijs bruijct tot Gerrit van Winssens behoef, so soude Willem van Oostrum beijde vierdelen die Gerijt Mathijss nu gebruikt ten lester doot van sijnre huijsvrouwen oom en moeije en Gijsberts vrouw, Corstijnen moeder is overleden. Jacob van Snellenberch en Gerrit van Winssen was (als elk getrouwd met een dochter van Gijsbert van der Haer) beloofd door Gijsert etc. Willem van Oostrum ontvangt in 1514 70 lb als beloofd.

Jacob van Snellenberch zegelt op 19 september 1517 met een dwarsbalk met daaroverheen een in twee rijen geschaakte rechter schuinbalk.

Kinderen:

Willem Jacobsz van Snellenberch

2  Jacob Jacobsz van Snellenberch, overleden < 11 maart 1530 te Utrecht. Gehuwd met Heijlwich van de Haer, overleden 1599 te Utrecht

3  Loeff Jacobsz van Snellenberch


60940  Hendrick Gerritsz Nobel, overleden > 23 juni 1513

Hendrik Gerritsz Nobelsz is genoemd op 23 juni 1513 in akten van erfelijke losrente, uitgegeven door bisschop en Staten van Utrecht.

Kinderen:

Jacob Hendricksz Nobel

2  Laurensje Henricks Nobel. Gehuwd < 22 maart 1543 met Beernt Wttenengh


60992  Cornelis de Clerck, geboren ca. 1480 te Bergen op Zoom, overleden < 1522

Gehuwd ca. 1505 met

60993  Maeijcken Peters Spronck, geboren ca. 1485 te Bergen op Zoom. Gehuwd met Jan Claesz (de Clerck ?)

Uit dit huwelijk:

1  Geertruijdt Jan Claesz de Clerck, geboren 1507 te Bergen op Zoom

Cornelis Jansz de Clerck

3  Peeter Cornelisz de Clerck, geboren ca. 1513 te Bergen op Zoom, overleden < 1565

4  Augustijnken de Clerck, geboren ca. 1515 te Bergen op Zoom, overleden < 1568

5  Margriete Cornelis de Clerck, geboren 1517 te Bergen op Zoom. Gehuwd in 1541 te Bergen op Zoom met Adriaen Hagens, ‘çoopman lijnwaden’ geboren ca. 1528 te Antwerpen (B)


60994  Jasper Buijens, geboren ca. 1495 te Bergen op Zoom

Gehuwd met

60995  Maeijcken Sanders, dochter van Sander NN, geboren ca. 1490 te Bergen op Zoom

Uit dit huwelijk:

Kathelijne Buijens van Vosbergen

2  Geertruijdt Jaspers Buijens, geboren ca. 1520 te Bergen op Zoom. Gehuwd ca. 1550 met Splinter Cornelisz, geboren ca. 1510 te Antwerpen (B), overleden < 1566. Gehuwd op 9 maart 1565 te Bergen op Zoom met Janne Nijsz, schepen van Bergen op Zoom (1560), rentmeester (1561-1563), burgemeester van buijten (1562)

3  Japser Buijens van Vosbergen, schepen van Bergen op Zoom, hoogbaljuw van Zierikzee (1573), geboren ca. 1525 te Bergen op Zoom. Gehuwd met Agnes Peeters