Kwartierstaat Brouwer – Generatie 15

Generatie 14 <   Namenlijst   > Generatie 16


17100  Nicolaes Jacobsz, substituut-schout en ontvanger van Monsterambacht, kerkmeester en Heilige Geestmeester van Monster, leenman van de Lek en Polanen (1529), zoon van Jacob Dirck Jansz en Maritgen NN, geboren ca. 1485, overleden < 19 mei 1562

Gehuwd < 1512 met

17101  Stijntgen Pieters, overleden < 19 mei 1562

Op 19 februari 1525 leent Claes Jacobsz een woning met 16 morgen land in Monster, dat laten zijn zoon Jacob Claesz leent. Hij ontvang op 7 december 1549 van keizer Karel V een wapen, waaraan zijn nakomelingen mogelijk hun naam Van der Valck ontlenen (zie afbeelding links).

Een oud familieregister vermeldt: Maria van der Valck is gedoopt den 9 november 1642 in de kerk te ‘s Gravenzande en is gestorven 1726. Zij is een dochter van Cornelis Jansz van der Valck, wiens overgrootvader is geweest Nicolaes Jacobsz, welke een wapen van kiezer Karel heeft verkregen, hebbende Maria van der Valck door overlevering van hare oude lijden wel verteld dat de voornoemde Nicolaes Jacobsz de keizer uitgeleide hadde gedaan met zes schone hengsten van zijn stal.

Uit dit huwelijk:

1  Maritgen Claes, overleden < 12 mei 1561. Gehuwd met Dirck Vrancken

2  Joost Claesz, overleden 10 september 1552. Gehuwd met Maritgen Gerrits, overleden < 20 oktober 1554

Pieter Claesz

4  Gerrit Claesz, overleden < 13 maart 1562

5  Jacob Claesz Valck, alias Jonge Meijssens, overleden 12 december 1595 te Naaldwijk. Gehuwd op 21 mei 1589 met Meijnsgen NN

6  Nijesgen Claes. Gehuwd met Cornelis Jacobsz, alias Cornelis Jonge Japen of Jonge Nelen, overleden 3 maart 1561


17280  Claes Dircxz van der Speck, zoon van Oude Dirck Dirksz van der Speck en (?) Lijsbeth NN, geboren ca. 1480, overleden < 1544. Gehuwd ca. 1526 met Claesgen Sijmons

In het kohier van de 10e penning in 1544 (“Tquohier vanden Marghentaele”) gebruikt de weduwe van Claes Dircxz van der Speck, volgens eigen opgave, 19 margen land waarvan 7 morgen in eigendom. In latere jaren heeft ze 22 of 23 morgen die ze met een woonhuis pacht.

Kinderen:

Ouwe Pouwels Claesz van der Speck

2  Heijnric Claesz van der Speck, bouwman te Rijswijk, geboren ca. 1495 te Rijswijk, overleden < 1544. Gehuwd met Maritjen NN, overleden 1558-1562


17288  Adriaen Harmensz, overleden < 1553

Gehuwd met

17289  Sije NN, overleden < 1553

Uit dit huwelijk:

Harmen Adriaensz


17292  Vranck Sijmonsz de Loose

Kinderen:

Jacob Francken de Loose

2  Sijmon Vrancken. Gehuwd met Ariaentge Jans


17296  Anthonis Dircksz van Dijck, schepen van Hodenpijl, leenman te Hontshol, zoon van Dirck Jacobsz van Dijck en Margriete NN, geboren ca. 1490, overleden 1547-1554

Gehuwd ca. 1515 met

17297  Alijt Corssen van Vliet van der Woerd, dochter van Kerstant Jacobsz van der Vliet en Machtelt Meesen van Dorp, geboren ca. 1485, overleden 1555-1560

Op 2 mei 1528 koopt Anthonis twee lenen, elk groot 4½ morgen gelegen te Naaldwijkerbroek, van zijn zwager Willem Corssen. Op 30 januari 1547 treedt hij op als peet van een neefje van zijn vrouw.

Uit dit huwelijk:

Corstiaen Anthonisz van Dijck van Adrichem

2  Dirck Anthonisz van Dijck, geboren ca. 1525, overleden ca. 1587. Gehuwd ca. 1540 met Trijntgen Jacobs, geboren ca. 1520. Gehuwd ca. 1550 met Maritgen Jans, geboren ca. 1525, overleden > 1589

3  Maartgen (Marijcke) Anthonis van Dijk, geboren ca. 1520, overleden 25 januari 1588, begraven in de Oude Kerk te Delft. Gehuwd < 1542 met Dirk Jansz Olijslager, geboren ca. 1520, overleden < 1560

4  Aefken Anthonis van Dijk, geboren ca. 1520, overleden > 1560. Gehuwd met Jan Jansz Potter, geboren ca. 1510, overleden > 1560

5  Cornelis Anthonisz van Dijk, geboren ca. 1530, overleden > 1560

6  Jan Anthonisz van Dijk, geboren ca. 1530, overleden > 1560

7  Macheld Anthonis van Dijk, geboren ca. 1530. Gehuwd < 1550 met Claes Claesz Touw, geboren ca. 1530, overleden < 1560

8  Margriet Anthonis van Dijk, geboren ca. 1530, overleden > 1560. Gehuwd < 1560 met Floris Jansz van der Schuer, geboren ca. 1530, overleden > 1560

9  Willem Anthonisz van Dijk, geboren ca. 1535, overleden > 1560


17304  Jan Arentsz Tou van der Burch, leenman van de hofstede Hontshol, heilige geestmeester te Naaldwijk (1497), zoon van Arent Jans Touwen en Lijsbeth NN, geboren ca. 1460, overleden 2 april 1498

Gehuwd ca. 1485 met

17305  Lijsbeth NN, geboren ca. 1465, overleden > 6 juli 1504

Op 21 januari 1464 is Jan Arent Touwenz beleend met de helft van 5½ morgen land in ‘t Woudt, bij dode van zijn vader Arent Touwe Jansz. Op 2 april 1498 Cornelis Jansz.

Lijsbeth verkoopt op 6 juli 1504 een losrente.

Uit dit huwelijk:

1  Cornelis Jansz van der Burgh, beleend in 1498

2  Jan Jansz van der Burgh

3  Joris Jansz van der Burgh

Arent Jansz Tou van der Burch


17306  Pieter Gijsbrechts

Kinderen:

Leentgen Pieters de Backer


17308  Kerstant Jacobsz van der Vliet, Heilige Geestmeester (1470, 1497) en kerkmeester (1477-1478) van Naaldwijk, zoon van Jacob Kerstantsz van der Vliet en Machteld NN, geboren ca. 1470, overleden 2 juli 1515 te Naaldwijk. Gehuwd met Alijt NN

Gehuwd 1497-1498 met

17309  Machtelt Meesen van Dorp, dochter van Bartholomeus Heijndriksz van Dorp en Baertgen NN, geboren ca. 1475 te Naaldwijk, begraven 11 oktober 1524 te Naaldwijk

In haar testament heeft Alijt, Kerstant Jacobsz, besproken het Kapittel te Naaldwijk 5 pond voor een eeuwige memorie enz.

Kerstant en Machtelt wonen op de hofstede “Hoge Werf”. In zijn testament heeft Kerstant Jacobsz het Kapittel te Naaldwijk besproken 5 gouden gulden voor een eeuwige memorie en 4 pond Hollands ten behoeve van ‘t loff. In 1515 vermeld de rekening van de Heilige Geest van Naaldwijk een ontvangst van ‘die wedewe van Kors Jacop’ wegens betaalde landrente en een van Machtelt Kors Jacobsz weduwe van Kors Jacobszs haer’ mans testament’.

Uit dit huwelijk:

Willem Corssen van der Vliet

2  Maria Corssen van Vliet. Gehuwd met Arent Pols van der Mije Arentsz, begraven 20 januari 1620 te De Lier

Alijt Corssen van Vliet van der Woerd

4  Baertgen Corssen van Vliet (overgrootmoeder van Hugo de Groot), geboren ca. 1512, overleden 8 januari 1575. Gehuwd op 15 juni 1525 met Adriaen Claesz van Adrichem

5  Ouden Hendrik Corssen van der Vliet

6  Jonge Hendrik Corssen van der Vliet. Gehuwd met Meijnsgen Arents. Gehuwd met Catharina Willems

7  Jacob Corssen van der Vliet


17320  Cornelis Jansz van der Croft, zoon van Jan Dircxz van der Croft en Barbara Coppairs, geboren ca. 1480, overleden 1522-1525

Gehuwd met

17321  Adriaentgen Pieters, geboren ca. 1490, overleden 1540-1548

Op 21 mei 1506 krijgt Cornelis van zijn broer Dirck Jansz van der Croft het leen van 5 hond land tussen de Merendijck en de Broeckweg in Wateringen (Hontshol) overgedragen. Op 5 november 1525 gaat het leen over op zijn zoon Adriaen Cornelisz, bij dode van zijn vader Cornelis Jansz. Adriaen draagt het leen op 15 november 1547 over aan zijn broer Jacob Cornelisz van der Croft. Op 31 mei 1518 doet Cornelis ‘pantleringe’ tegen Dirck Sijmonsz, ambachtsbewaarder van Delftland. Op 23 juli 1522 wordt in voor de heemraden van Delfland een geschil behandeld tussen Cornelis en Huijch Jansz.

Uit dit huwelijk:

1  Pieter van der Hoghewerf, geboren ca. 1510, overleden 1562-1570. Gehuwd < 1549 met Pietertgen Adriaens

2  Aeltgen Cornelis van der Croft, geboren ca. 1521, overleden ca. 1578. Gehuwd met Heijman Adriaensz, overleden ca. 1559

Jacob Cornelisz van der Croft

4  Adriaen Cornelisz van der Croft, overleden 1558-1561

5  Job Cornelisz van der Croft


17352  Jasper Adriaensz, overleden < 17 mei 1555. Gehuwd met Maertgen Engebrechts Verdoes, overleden > 17 mei 1555

Kinderen:

Leendert Jaspersz

2  Pieter Jaspersz Keijseroom, overleden < 13 februari 1588. Gehuwd met Gaertge Daemen, overleden > 13 februari 1588

3  Adriaen Jaspersz Keijseroom


18432  Jan Beersmans, zoon van Henrick Beersmans en Heijlwig Jan Claeus, geboren ca. 1460, overleden < 1542

Gehuwd met

18433  Eva NN, overleden > 1549

In 1507 moet Wouter Peeters soene 15 stuiver boete betalen van dat hij gequetst hadde Janne Beersmans.

Jan betaalt cijnzen op eigendommen te Wintelre, Oerle, Oirschot en Oostelbeerse.

Eva, Jan Beersmans weduwe, koopt tussen 1545 en 1552 de helft van een stuk beemt ‘den Scrijnmaeker’, de helft van een erf ‘den Solbraeck in de Witrijten’ en nog ‘een aangelag met huis daarop staande’. Het eigendom wordt vemeld in 1588 in de erfdeling van Geraert Jan Beersman als ‘een stede te weten huis en hof met de gronden en toebehoren en erven daaraan gelegen en toebehorend gestaan en gelegen tot Ostbersse opt Hoocheijnde’.

Uit dit huwelijk:

1  Geraert Beersmans, overleden < 19 februari 1588. Gehuwd met Cathalijna Ghijsbrecht Paul Vleminckxdochter

2  Henricus Beersmans, overleden < oktober 1571. Gehuwd met Gertrudis Jan Peters Aleijtendochter

3  (?) Peter Beersmans

4  Steven Beersmans. Gehuwd met NN Godifridus Peter Henrici van Aelstdochter

5  Jan Beersmans. Gehuwd met Anna Lenaert Willem Nijsdochter


19008  Mathijs Houben, zoon van Gort Houben, overleden 1592 te Nederweert. Gehuwd op 25 december 1562 RK Lambertus te Nederweert met Trinken Berten

In de uitvaartenlijst van de Broederschap van Onze Lieve Vrouw te Nederweert staat in 1592 vermeld “Thijs huben”.

Kinderen:

Joannes Houben

2  Meij Houben. Gehuwd op 1 januari 1574 RK Lambertus te Nederweert met Lem van Mannacker

3  Goert Houben. Gehuwd op 1 januari 1577 RK Lambertus te Nederweert met Trijn Verdijck. Gehuwd op 22 mei 1580 RK Lambertus te Nederweert met Trijn NN


20096  Willem Claesz Rijssen, zoon van Claes Willemsz Rijssen

Kinderen:

Claes Willemsz Rijs

2  Gerrit Willemsz Rijssen, overleden 1624-1632

3  Jacob Willemsz Rijssen


20098  Aerent Claesz, overleden > 11 december 1596

Kinderen:

1  Aerian Aerent Claesz

2  (?) Aecht Arents


20176  Maerten Gijsen, zoon van Ghijsbert NN, overleden 1595-1599

Gehuwd met

20177  Aecht Aerians, overleden 1614-1618

Op 24 februari 1585 verkoopt Marij Ghijsberts dochter weduwe van Henrick Claesz, verstarckt met Maerten Ghijsbertsz haeren broeder ende voocht in dezen, aen Aechte Joosten, een koeven leggende onverdeelt ende gemeent met Jan Engelsz in Claes Maerte Keijsers weer. Op 5 maart 1588 verkopen Ghijsbert Geritsz ende Maerten Ghijsberden, als besturven voochden van Allebroet Ghijsbertdr wesende beroeft van sinnen, hem comparanten moeder ende suster respective, aen Cornelis Henrick Geritsz, die helft van een stucke landts groot anderhalff madt leggende in Claes Maerts weer gemeen met Maerten Roeleven, streckende voorts van de sHeerenwech off totten Delft toe. Op 16 mei 1589 verkoopt Cornelia Ghijsbertus dochter weduwe wijlen Jan Engelsz, verstarckt mit Cornelis Cornelisz haren voocht, aen Maerten Ghijsberden haeren broeder, een koeven leggende onderdeel ende gemeent met Aechte Joosten in Claes Maerte Keijsers weer.

Op 12 juni 1590 verkoopt Maerten Ghijsberden aen Dirck Dircxz vande Lange Laen, twee campen veens leggende achter Claes Heijnen worff uijt over die Reeff groot 207 roeden. Op 6 juni 1593 verkoopt Comen Jan Jansz aen Maerten Ghijssen een campen veens groot 289 roeden leggende achter Maerten Ghijssen uijt aent Twisch. Op 11 augustus 1595 verkoopt Maerten Ghijsbertsz aen Claes Sijmonsz een stucke landts groot 364 roeden leggende in Jan Baningen weer genaemdt ‘die Etveen’.

Op 28 februari 1614 verkoopt Aerjan Maertsz, als voocht van Aecht Aerjans zijn moeder, aen Joost Willemsz zijn swaeger, een huijs ende erff als Aecht Aerjans (schoonmoeder van Joost Willemsz) tegenwoordich bewoenende es, streckende met zijn erff vand Wechsloot off tot Aecht Willem Gerits lant toe. Voor de somme van f 700, te betaelen f 200 op meij eerstcomende ende die reste op drie meijdaegen daer eerst aenvolgende.

Op 30 januari 1618 verkoopt … Maerten Ghijssen soe voor hem selven ende vervangende zijn broeders ende zijn zuster erffgenaemen van wijlen Maerten Ghijssen ende Aecht Aerians haeren overleeden vaeder ande moeder, aen Jan Sijmonsz, twee derdendeelen ende Claes Sijmonsz ende Meijns Sijmonsdr zijn broeder ende zijn zuster tsamen voor een derdendeel van vier ackeren landts leggende twee zijd op zijde ende ten eijnde malcanderen in Aernt Claessen weer groot tsamen 400 roeden, voor de somme van f 360. Op 13 februari 1618 verkoopt Aerian Maertsz voor hem selven ende vervangende zijn broeders ende zusters, erffgenamen van Maerten Ghijssen ende Aecht Aeriansdr, aen Pieter Aerentsz alias Piet Joosten, een stucke landts genaempt ‘die Twee Koeven’ leggende in Aerent Claesz weer groot 828 roeden, noch seecker veen landt groot 128 roeden, voor de somme van f 1894. Op 16 februari 1618 verkoopt Aerian Maertsz voor hem selven, vervangende zijn broeders ende zusters, alle kinderen ende erffgenamen van Maerten Ghijssen ende Aecht Aerians, aen Baert Jan Gaellen, seeckere ackeren landts genaempt ‘die Delft ackertgen’ ende ‘die Hell’ groot tsamen 296 roeden leggende in Aernt Claesz weer, voor de somme van f 230.

Kinderen:

1  Adriaen Maertsz, schepen in het Woudtvierndeel te Assendelft, overleden > 15 juni 1628. Gehuwd met Neel Jan Duves

Gijs Maerten Gijsen

3  Pieter Maerten Gijsen, overleden >3 maart 1634. Gehuwd met Duijffgen Gerits

4  Cornelis Maerten Ghijsen, overleden > 13 februari 1637. Gehuwd met Neel Willems. Gehuwd met Marijtgen Pieters


20178  Allert Geritsz (alias Schipper Allert), weesmeester, schepen int Brouckvierndeel te Assendelft, zoon van Gerit Heijndricxz en Griet Jacobs, overleden > 9 februari 1624

Gehuwd met

20179  Guertje Sijmons, dochter van Sijmon Maertensz en Brecht Roeloffs

Op 19 februari 1580 wordt bij veijling verkocht de desoelaten boel van Willem Jansz Hardt van Crommenie, aen Pieter Claesz Nommelen, een stucke lants groet een halff madt landts ‘tSuijer after campge’ In veiling in de harbarch van Dirck Cornelis Coninck geboden door Jan Dirck Everts, Jacob Willem Gerit. Beloopende die somme van den coop f 52.15.-. Borg is Allert Geritsz. Op 2 augustus 1580 verkopen Jan Geritsz ende Allert Geritsz, gebroeders voor haer zelve ende ook voor Griet Gerit Jans weduwe haere moeder ende voor haer comparanten broeder en zusters met haeren kinderen, aen Jan Pietersz als man en voocht van Imme Wouters, alle sulcke eijgendommen als hem competeert in oft op vijff campen veens int Goelingen weer, groet anderhalff madt ende in of op Goelingen madt maedts leggende int zelve weer. Noch op oft in een stucke landts leggende aen twee parceelen genaempt ‘die Buijtcaijck’ groet vier koeven leggende in Aeres Jan Aeres weer, streckende van de Caijck off tot Aecht Aeres lant toe. Zulcx gemeen met Wouter Dercxz Graven in zijn leven gebruijckt beseeten ende metter doot ontruijmpt ende achter gelaeten heeft. Op 20 december 1580 verklaart Maerten Geritsz voor hem zelve ende IJsbrant Jonge Jans als broeder ende voocht van Jannitgen Jans weduwe Engel Geritsz zijn zuster, schuldich aen Allert Geritsz een jaerlicxe losrenten van f 11 hooftgelt 200. Onderpande twee koeven leggende in de Buijtcaijck in tnoordt endt.

Op 3 februari 1582 wordt het testament opgesteld van Brecht Roeloffsdr weduwe Sijmon Maertensz. Erffgenaemen Sijmon Claesz haer comparantes dochters zoone, geprocreert bij Claes Dirck Maertses haeren swaeger s.g. in den somme van een f 300. Item alzoe Gerit Jan Baertsz met des voorschreven comparantes dochter f 100 min ten huwelijck gehadt heeft als die voorschreven Claes Dirck Maertses. Soe institueert zij comparante Marije Gerrits haer comparantes dochters dochter bij den zelve Gerit Jan Baertses geprocreert inde somme van f 400. Verder zijn erffgenamen van haer ongedisponeerde goederen Trijn Sijmonsdr huijsvrou van Cornelis Dircxz, Guerte Sijmonsdr huijsvrou van Allert Geritsz. Ende die vier kinderen van Roeloff Zijmonsz haeren zoon geprocreert bij Aechte Willemsdr, elcke stam in een derde paert.

Op 12 maart 1583 wordt het testament opgesteld van Griet Jacobsdr weduwe van Gerit Heijndricxz. Inden eersten naer behoirlijcke recommandatien van siel ende lichaem, heeft geapprobeert midts deze de affstandt van alsulcke goeden als zij comperante met haeren voochts handt inden jaere ’74 laestleden gedaen hadde ten prouffijt van haeren kinderen voorschreven geschiedt den 22 April anno ut zup. ende wilde expresselijck dat die zelve lootinge effect sal sorteeren volgende treguster van Jan Geritsz haer comparant outsen soene. Institueert Anna Claesdr haer comperantes zoens natuerlijcke dochter geprocreert bij Marij Willemsdr een losrenten brieff van f 400 hooft penningen onder derffgenamen van Willem Jacobsz. Tot universaele erffgenamen van haer over gegeven ende ongedisponeerde goederen Jan Geritsz, Allert Geritsz, die drie kinderen van Willem Geritsz geprocreert bij Aelidt Jansdr, Guerte Gerits weduwe van Claes Duvesz, Maerij Gerits weduwe van Claes Zijmon Heijnen, Duijff Geritsdr ende die twee kinderen van Claes Geritsz deene geprocreert bij Neel Claesdr ende dander geprocreert bij Maerij Willems voorschreven. Elcke stam een zevende paert. Verclaerde zij testatrices voorts dat alsoe Guertgen Claes dochter van Claes Geritsz haere comparante overleden zoene boven zijn quoto portie ende loetinge van de voorschreven overgegeven goeden genoten ende ontfangen heeft een halff madt landts genaempt ‘Die Uuijter hondtlantssen’ in de Mient in voldoeninge van tgeene tzelve Guertgen Claes bij doode van haer testatrice noch zoude moegen opsterven. Welcke halff madt landts zij comparante expresselijcken wilde dat Guertgen Claes wederomme inde gemeene boele van goeden bij haer testatrice achter te laeten sal inbrengen ofte tselve halff madt landts moegen houden voor haer aenpaert van goeden dien hem bij doode van haer comparante in vougen voorschreven sal moegen opsterven daer van Guertgen Claes zijn kuere ende optie sal hebben om een van tween te willen doen oft laeten.

Op 19 juni 1584 verkoopt Sijbrant Cornelisz woenende tot Edam aen Allert Geritsz alias Schipper Allert, een werff gelegen int noort endt met een vrije achtersloot dat men met een groot schuijt in mach vaeren tonderhouden moegen. Op 22 juni 1584 verkoopt Pieter Jansz de Jonge Schout tot Assendelft aen Allert Geritsz een stucke landts groot anderhalff madt genaempt ‘Die Markus meed’ leggende in Leesten weer. Midts dat Allert Geritsz voorschrevene tot zijnen laste zal nemen f 6 sjaers die Mr. Gerit van Berckenroed Balliu van Kermerlandt daer op gehypoteequeert heeft. Te moegen lossen den penning achtien. Op 16 oktober 1584 verkoopt Allert Geritsz voor Brecht Sijmons, zijn huijsvrouwen moeder, Cornelis Henricxz voor hem zelve ende voor zijn andere zusters ende broeders, als mede erffgenaemen van Melchior Roeloffsz, Jan Joosten ende Cornelis Jan Floren beijde nomine uxoris als erffgenaemen van Guert Claes weduwe van dei voorschreven Melchior Roeloffsz, aen Mr. Lenert Henricxz, een werff gelegen bij de Kerck daer die voorschreven Melchior plach te woenen, met een vrije waterganck over off op Jannitgen Heeren werff.

Op 23 juni 1587 stelt Duijff Geritsdr, onze buijervrijester, haar testament op. Zij institueert tot haeren universaele erffgenaemen in alle haere goederen Jan Geritsz, Allert Geritsz haere broeders, Guerte Geritsdr, Marij Geritsdr haeren zusters, Gerit Willemsz, Hillegent ende Aecht Willems dochters kinderen wijlen Willem Geritsz haeren overleden broeder ende Guert Claesdr trouwen kindt ende Anna Claesdr naetuerlijcke kindt respective wijlen Claes Geritsz mede haeren overleden broeder elcke stam in een gerechte zeste paert. Op 28 juli 1587 is het testament opgesteld van Brechte Roeloffsdr weduwe wijlen Sijmon Maertsz. Verclaerde zij comparante dat Sijmon Claesz haer dochters soone van haer naegeschreven erffgenamen met haer advijs consent wel believen ende bevel ontvangenheeft f 300 in plaetse van tgene hem Sijmon bij haer testatrice gemaect was ofte soude moegen werden, willende mitsdezen dat die zelve Sijmon daer mede affstaen ende hem te vreeden sal houden sonder ijet vorder van haer comparantes erffenisse te eijsschen. Item alsoe Gerit Jan Baertzes met des voorschreven comperants dochter Trijn Sijmonsdr f 100 min ten huwelijck heeft gehadt als Claes Dirck Maertses vader vande voornoemde Sijmon Claesz. Soe maect ende (est noode) institueert zij comparant Marije Gerits haer dochters dochter bijde voorschreven Gerit Jan Baertzes geprocreert inde somme van f 400 eens. In betaelinge van welcke somme den zelve Marije bij haer comparantes nageschreven erffgenaemen toegerecht sullen moegen werden eenige van de gereeste renten brijven bij haer comperante achter te laeten. Nomineerde voort zij comperante tot haer universaele erffgenamen van haer ongedisponeerde goeden Trijn Simonsdr huijsvrou van Cornelis Dircxz, Guerte Sijmonsdr huijsvrouwe van Allert Geritsz ende die vier kinderen van Roeloff Sijmonsz haeren zoon geprocreert bij Aechte Willemsdr elcke stam een derde paert.

Op 4 juni 1591 verkoopt Galaeijn Aerntsz nomine uxores aen Allert Geritsz alias Schipper Allert een stucke landts genaempt ‘het Marckentgen’ groot 363 roeden. Op 4 juni 1596 verkoopt Jan Geritsz oudt Schepen voor hem selven ende Claes Roeloffsz als man ende voocht van Trijn Jansdr aen Allert Geritsz mede oudt Schepen zijnen broeder, een stucke landts genaempt ‘tOpper ende vande Uijter ven’ groot anderhalff morgen leggen in Heijn Gerit Jans weer.

Op 9 juni 1598 verkoopt Jan Baernts ende Sijbout Cornelisz inde naeme van haer huijsvrouwen aen Schipper Allert Geritsz een huijs ende erff leggende staende int noort eijnde, streckende vande Weck off tot Schippers werff toe. Op 7 juni 1600 verkoopt Jan Jansz vande Caijck aen Allert Geritsz vande Laen alias Schipper drie perceeltgens landts genaempt ‘die Groote omloop’ met twee tuijntges daer ten ende aen tsamen groot 230 roeden geleegen int noort endt.

Op 3 juni 1612 verkopen Allert Geritsz ende Derck Dercxz vande Lange Laen, beijde oudt Schepenen, aen Jacob Dercxz Bruijn een perceeltgen uiterdijcx groot 67 roeden geleegen buijten den Leegendijck. Midts dat hij comparant die voornoemde Allert Geritsz daer voore sal geven een vaetgen haering ende die voornoemde Derck Dercxz op twee eerstcomende jaeren van de voornoemde cooper sal ontfangen telcken een vaertgen haering ende een vaetgen visch sonder meer.

Op 30 mei 1617 verclaerde Derck Jelbrechtsz, getrout hebbende Aellewer Allertsdr, dat zijn schoonvader Allert Geritsz s.g. wille begeert dat die goederen die zijn voorschreven dochter van hem te erven, most subject blijven sonder dat die selve van hem comparant veralleneert te moegen worden, breeder blijckende bijde testamentare dispositie voor notaris ende getuijgen gepasseert den 19e dach in meij anno 1614. Ende dat bij de voorschreven achtergelaeten was een huijsgen met een schuer daer van subject was tvierde paert. Welcke vierde paert onder ander bijde voorschreven comparant met consent vande naeste bloet verwanten vercoft is aen Ghijsbert Maertsz zijn comparants swaeger blijckende bij seeckere beseegelde brieve van quijtscheldinge in date den 20e februarij 1615, onder expresse mondelinge conditie ende voorwaerde nochtans dat hij comparant (alsoe hij bekende) voor de f 150 voort aenpaert onder die subjectie vant voorschreven testament begreepen, soude stellen goet vast suffisant onder speciaell hijpotheecque. Gelijck hij comparant dienvolgende tot eenen speciaele hijpoteecque stelden zijn huijs ende erff daer hij tegenwoordich in woont geleegen int noort endt, streckende vande Heerenwech off tottet achterslootgen.

Uit dit huwelijk:

1  Gerit Allertsz, schepen int Broeckvierndeel te Assendelft, overleden 1624-1626. Gehuwd met Lijsbeth Jaecobs

Hillegunt Allerts

3  Aellewer Allerts. Gehuwd met Derck Jelbrechtsz


20224  Jan Henricxz Gael, hoofdingeland int Kerck vierndel te Assendelft (1580), zoon van Hendrick Jansz Gael, geboren ca. 1527, overleden ca. 1611

Gehuwd met

20225  (?) Maeritgen Roelofs

Op 22 december 1579, 2 februari 1580 en 4 maart 1580 assisteert Jan Heijnricxz Gael als voogd Griete Dircx. Op 2 februari 1580 verkoopt Griete Dercxdr weduwe wijlen Huijch Willemsz aen Cornelis Heijnricxz een worff in de Kerkbuijert genaempt “Gerrit Willem Huijgen” worff, streckende van de Wechsloot off tot Jaep Snuijven Boeveech toe. Compareerden tevens Jan Gael voorschreven met Claes Claesz Cuijper, IJsbrandt Jansz ende Jan Dircxz ende hebben haer tesaemen geconstitueert ende inne gestelt voor de waernisse van de voornoemde worff, te weten Jan Gael alleen voor de eene helft, Claes Claesz Cuijper, IJsbrant Jansz ende Jan Dircxz tesaemen voor de wederhelft. Op 4 maart 1580 treden Jan Heijndricxz Gael ende Jan Heijndricxz Baertgen op als borgen. Op 29 augustus 1580 assisteert Jan Gael als voocht Marijtgen Jan Roeloffs.

Op 4 oktober 1580 compareert Jan Heijndricxz Gael, woenende int Kerck vierndel, voor de beëdiging als ingelande. De beëdiging vindt plaats ‘ten huijsse van Baerent Schout tot Assendelft. Ende verclaerde zijn comparanten dat het zelve accoordt eijgelijck hier in bestaet vervattet ende geobserveert is dat het Brouck vierndel, tKerck vierndel ende tWoudt vierndel, Suijt westwerts streckende tot Madders weer incluijs van elck morgen sullen hebben elff voeten dijck ende dat het overschot voor gemeene dijck bijde vier vierndels onderhouden sal worden. In consormte als den nuwendijck gedaen wordt sonder dat het Nes vierndel om redene voorschreven meerdere laste aende achterkade voorschreven gehouden werdt te draegen’.

Op 28 januari 1581 bekend Jan Heijndricxz Gael schuldich te zijn ‘aen den Arme Huijssitteren een jaerlicxe losrente van f 7, hoofgelt f 100. Onderpande een stucke landts groet twee koeven genaempt “Die Marcken” leggende in Wilken Ballen weer. Borg is Baert Jan Gaelen. Op 3 februari 1581 treedt Jan Gael op ‘als tuijgen ende buerluijden ende segsluijden’.

Op 24 februari 1587 bekent Allert Claesz alias Allert Schaepen schuldich te zijn aen Jan Henricxz Gael alias Baertzen Biersteecker die somme van f 102 uijt saecke van goede geleverde Delftze biere dien hij comperant tzijnen wille te dancke daer voore ontvangen hebben tot een onderstall te staen soe lange ende ter tijt toe als hij comparant van de voorschreven Baertszen bieren sal afnemen. Onderpande zijn huijs ende worff staende ende leggend in de Kerckbuijert. Op 3 maart 1587 compareren Jan Henricxz Gael, oudt 60 jaeren, Baert Jansz Gaell zijnen zoon, oudt 34 jaeren, ende Roeloff Zijmons, oudt 33 jaeren, rechtelijcken verdacht ende daertoe versocht sijnde ter instantie ende van weegen Claes Pietersz ende Claes Havincxz, Armehuijssittemeesters, omme der waerheijt getuichenisse te geven waerachtich te weezen als dat zijluijden getuijgen opten 21e Januarius laest leden dat die voorschreen Armehuijssittemeesters ter eenre ende Floris Huijgen volck met Heer Florissen kinderen ter andere zijde een vast bondich accoort maecken den teneur hier inne geinsereert volcht. Item die Armehuijssittemeesters zijn veraccordeert met Floris Huigen volck ende met Heer Florissen kinderen dat zij sullen hebben (te weeten dArmen) voor haer die gaerden landts die haer quam in Blockhuijs weer die twee buijt Caijcken tot heelinge van tlandt, te weeten van die Caijck off tot die Marcken toe ende zijn groot bevonden te saemen 2030 roeden ende hebben bij buijeren veraccordeert dat die Armemeesters zullen uijt keeren te Meij naestcomende f 20 ende die andere Meij te weeten 1588 daer anvolgende mede f 20 ende deze voorschreven perselen zijn belendt ZO endt die Caijck, ZW Jan Gaell met Maertigen Roeloffs, NW endt Huijgen volck, NO Cornelis Willemsz met Cornelis Willem Aerenden.

Op 28 juli 1587 worden die huwelijcxe voorwaerden opgesteld van Maerten Roeloffsz, geassisteert met Gerit Roeloffsz zijnen broeder ende Cornelis Willemsz zijn oom ter eenre, ende Jan Henricxz Gaell als vader ende voocht van Engel Jans zijnen dochter ter andere zijde. Op 4 mei 1604 compareerde Jan Henricxz Gael, als schoonvader van Cornelis Cornelisz Quast, ‘ende heeft zelffs mede hijer voore ten onderpande verobligeert een stucke landts genaempt “die Marcken” groot een morgen landts leggende in Wilke Ballen weer.

Op 5 oktober 1611 stelt Jan Henricxz Gaell ‘leggende op zijn sieckbedde oudt omtrent 84 jaeren’ zijn testament op. Daarin verklaart hij ‘dat hij testateur tot een legaet voor uijt zijn goet gemaect heeft bij dezen Baert Jansz zijn zoon, het huijs ende worff sulcx hij testateur tselve beseeten heeft ende metter doot ontruijmmen sal. Ende bekende hij testateur dat hij midts zijn uijterste ouderdoem geen koebeesten aengeboet noch aengekocht en heeft ende sulcx met lancheijt van tijt geconsumeert ende versleeten zijn, ende deurdien die beesten die tot zijn testateurs huijse zijn alleen toebehooren die voorschreven Baert Jansz zijn zoon. Dat oock met tvoorschreven legaet Baert Jansz voldaen is van alle tgeene hij eenichsints op hem testateur zijn vader te eijschen off te pretendere heeft. Dies alles onvermindert doe heeft hij testateur van zijn ongedisponeerde goeden tot zijn universale errffgenamen genomineert ende geinstitueert soe hij oock deede bijdezen die voornoemde Baert Jansz, Trijn Jansdr, Griet Jansdr ende Engeltgen Jansdr zijn beminde kinderen hooft voor hooft ende effen nae’.

Uit dit huwelijk:

Baert Jan Gaelen

2  Trijn Jans Gael. Gehuwd met Cornelis Cornelisz Quast

3  Griet Jans Gael, overleden > 14 mei 1627. Gehuwd met Claes Sijmonsz Wildeboer, overleden 1616-1627

4  Engeltgen Jans Gael. Gehuwd in 1587 (huwelijks voorwaarden 28 juli 1587) met Maerten Roeloffsz


20226  Cornelis Adriaensz, overleden < 8 juni 1579

Gehuwd met

20227  Anna Aernts, overleden < 3 mei 1580

Op 3 mei 1580 komen Jan Cornelisz, Pieter Cornelisz ende Adriaen Cornelisz, gebroeders elck voor zich ende Baert Jansz als man ende voocht van Duijff Cornelis haeren zuster, naegelaten kinderen van Cornelis Adriaensz en Anna Aerntsdr s.g., overeen dat Jan Cornelisz zal hebben een stucke landts, groet twee maeden meedts, noch een hont landts in de Boeveech altesamen gelegen in Ghijssen weer, noch twee campen veen in Baertges weer over die verste Reeff ende noch drie ackertgen int zelve weer binnen die henste Reeff ende is tgundt dat Jan Cornelisz te loote gevallen ende aengecavelt es. Dat Pieter Cornelisz sal hebben eerste een stucke lants genaempt ‘Bouwens ven’ groet twee koeven, noch een stucke lants genaempt ‘Jagers camp’ groet twee maeden, noch die twee Boeveech leggende in Gerit Willems weer achter Pieter Vrericken, noch een stucke lants genaempt ‘die Boeveech’ op Maerij Heijnen opten Delft ende is ooc tgeene dat Pieter Cornelis te loote gevallen ende aengecavelt es. Dat Adriaen Cornelisz sal hebben eerst twee maeden meedts in de oppermeed in Ghijssen weer, noch een stucke landts groet vier koeven leggende achter Meijnerts uijt, noch een stucke landts groet twee koeven leggende over Luttichwech in Ghijssen weer, noch twee veen campges in Joosten weer ende noch die gerechte helft van Cornelis Aerians worff ende is tgeen dat Adriaen Cornelisz te loote gevallen ende aengecavelt is. Dat Duijf Cornelisdr sal hebben eerst een madt meedts in de opper meedt voorschreven, noch twee stucken lants groet tsamen zes koeven gelegen achter Claes Meijnerts uijt, noch drie campen veens leggende binnen die voorschreven Reeff in Ghijssen weer ende, noch twee campen met een tuijntgen int selven weer binnen die henste Reeff ende noch gerechte wederhalft van Cornelis Aerians worff voornoemd ende is tgundt dat Duijff Cornelis te loote gevallen en aengecavelt is. Op deze landen ligt een borgplicht bij de Heijlige Geestmeesters tot Haerlem gelegen in Ghijssen weer, welke is aangegaan door Cornelis Aerians ten behoeve van zijn broer Willem Aeriansz.

Uit dit huwelijk:

1  Jan Cornelis Aerians, overleden 1580-1581. Gehuwd met Trijn Claes, overleden > 20 februari 1618

2  Pieter Cornelis Aerians Crijsven, overleden 1604-1608

3  Aeriaen Cornelis Aerians, overleden < 29 mei 1609. Gehuwd > 23 februari 1582 met Trijn Claes, overleden > 20 februari 1618

Duijfje Cornelis Adriaens


20400  Claes de Wit

Kinderen:

1  Neel Claesz die Witte

2  Allert Claesz die Wits

Claes Claesz de Wit

4  Pieter Claesz die Wits

5  Marij Claes die Wit. Gehuwd met (?) Aernt Pietersz


20484  Jacob Aertsz de Groot, bakker, korenkoper, geboren ca. 1554, overleden > 27 september 1630

Op 23 november 1581 attesteert Jacob Aertsz, omtrent 27 jaar, backer en wonende te Uijtrecht. Attestant had ongeveer 5 maanden geleden op de molen bij het Duitse Huis voor Dirck Thuenisz in den Bogaert koren gemalen en Dirck Theunisz had tegen Willem van Rijswijck, die op de molen kwam, gezegd dat hij een ceel wilde gaan halen van het koren dat nog maar voor een deel gemalen was. Op 2 december 1581 verklaart Gerrit Jansz, omtrent 23 jaar, backer in het Duijtschen Huijse, dat ongeveer 5 weken geleden Dirck Thuenisz in den Bogaert aan de molen van het Duitse Huis ongeveer 3 schepel weit geleverd had, dat al in een korf gedaan was en gemalen voor er een ceel gehaald was.

Op 4 juli 1609 benoemt Goert Willmsz van Goch tot erfgenaam van een huijsinge ende erve Jacob Willemsz, zoontje van zijn zoon Willem Goortsz en Beertgen Jans. Met benoeming van Jacob Aertsz, korenkoper te Utrecht, tot mede-executeur en medevoogd in plaats van Cornelis Lauwerman de jonge.

Kinderen:

Aert Jacobsz de Groot


20492  Peter Cornelisz Duijfhuijs, zoon van Cornelis Duijfhuijs, overleden > 1590

Gehuwd met

20493  Elsge NN, overleden > 29 augustus 1600

Op 7 mei 1571 krijgt Peter Cornelisz Duijffhuijs een strafvermindering (interinement van remissie) voor messentrekkerij en doodslag jegens Peter Hugensz. De opgelegde straf is betaling van de proceskosten en een geldboete.

In 1590 verhuurt de Onze Lieve Vrouwen broederschap ter Noit Goidts voor negen jaar aan Peter Corneliss Duiffhuis 5 morgen land in het gerecht van Wulven.

Op 29 augustus 1600 constitueert Elsge, zaliger Peter Cornelis Duijfhuijs weduwe, met Gijsbert Laurensz haar voogd.

Uit dit huwelijk:

Henrick Petersz Duijfhuijs

2  Jannichgen Peter Cornelisz Duijffhuijs. Gehuwd met Cornelis Jansz. Ondertrouwd op 18 augustus 1599 voor het gerecht te Utrecht met Jacob Jan Jansz

3  Anna Peter Cornelisz Duijffhuijs. Gehuwd op 4 februari 1604 voor het gerecht te Utrecht met Dirck Cornelisz de With

4  Cornelis Petersz Duijfhuijs, overleden 1604-1605. Gehuwd op 10 april 1604 te Utrecht met Neeltgen Jans

5  Hendrick Petersz Duijfhuijs (de jonge), begraven 9 oktober 1624 of 20 mei 1633 te Utrecht. Gehuwd op 5 januari 1609 te Utrecht met Neeltgen Theunis, geboren te Doorn


20494  Cornelis Dircksz de Cruijff, zoon van Dirck Jansz de Cruijff en Agniet NN, overleden > 6 maart 1612. Gehuwd met Swaentgen Anthonis Hermans

Op 4 april 1541 staat Cornelis Dircksz de Cruijff zijn recht op een halve hove land aan de bovensijde van Boeicaop af aan heer Willem Adriaensz van Overrijn alias van der Eem, priester, omdat hij verpand had.

Op 14 april 1582 sluit Cornelis Dirxs de Cruijff een plecht van een hoofdsom van 320 Carolus gulden bij Jan Janss van Sterrenburch te Utrecht met betrekking tot 4 morgen weiland in Wijckerbroeck.

Op 11 november 1592 stelt Cornelis de Cruijff, gehuwd met Swaentgen Anthonis Hermans en wonende aen de Dwarsdijck, zijn testament op. Hij benoemt tot erfgenamen zijn drie dochter verkregen met zijn eerste vrouw, en zijn drie zonen verkregen met Swaentgen Anthonis Hermans. Op last van lijftocht van zijn echtgenote. Aernt de Cruijff, zoon uit het eerste huwelijk, ontvangt f 125-0-0 ter voldoening van de legitieme portie van oudste zoon of dochter en met de leen- en erfpachtgoederen delen met de overige erfgenamen met uitzondering van Aernt de Cruijff. Indien deze bepaling niet wordt nagekomen, ontvangt de oudste zoon of dochter slechts de legitieme portie, met herroeping dd 21 mei 1595.

Op 25 mei 1606 doen de erfgenamen van Jannichgen Joost van Velpendr een vordering over aan Cornelis Diricksz de Cruijff. Het betreft een vordering met betrekking een huis aan de Wijckersloot, 3 mergen vrij land in Wijckerbrouck, 3 mergen boulant in de Overleechmaet en 1 acker van 8 hont in de Nederleechmaet. Op 6 maart 1612 vindt het transport plaats van 1 acker van 8 hont op de Legemaat van de gebroeders Mercelis, Teunis en Jan Janss aan Cornelis Dirrixss de Cruijff.

Kinderen:

1  Airt Cornelisz de Cruijff, schoenmaker, geboren ca. 1560, overleden 1602-1603. Gehuwd op 9 april 1586 te Utrecht met Marigen Jan Loufsz

2  Angnietgen Cornelis Cruijven. Gehuwd met Huijbert Jacobsz

3  Aertgen Cornelis Cruijven

Dirckgen Cornelis de Cruijff


20500  Herman Dircksz, timmerman, geboren ca. 1570 te Woudenberg, overleden 1625

Ondertrouwd op 10 februari 1592 (#) te Amersfoort met

20501  Jacobgen Otten, geboren ca. 1570 te Amersfoort, overleden 1637

Op 19 januari 1600 lenen Herman Dirxz, timmerman, en Jacobgen zijn vrouw, van Jacob Thoenisz Celen en Neltgen zijn vrouw, 25 gulden. Onderpand is hun huis in de Slijckstraat (Arnhemsestraat). Jacob Thoenisz verklaart op 19 mei 1617 van Harmen Dirxz de schuldsom ontvangen te hebben.

Op 17 oktober 1609 kopen Herman Dirckss, timmerman, en zijn vrouw Jacobgen, van Hendrick Henrickss van Hardesteijn en zijn vrouw Anthonia, een huis en hofstede in de Arnhemsestraat voor van de straat tot op de grond van de verkopers in de lengte zoals Henrick Jacobsz voorheen, en nu Henrick Petersz Schaij. Met overeenkomst betreffende gebruik en onderhoud van weg, beplanting en poort.

Op 17 december 1625 lenen Goris Aertsz, zijn vrouw en hun erven 625 gulden aan Marritgen Dircx, weduwe van Peter Aertsz, Henrick Rijcksz met Jacobgen Otten, weduwe van Harman Dircksz, Dirck Andriesen, scheepmaker te Woerden met Wallingh Jansen voor Marritgen Dircx voornoemd en allen borgen. Als onderpand de helft van een schip met toebehoren en nadien de andere helft, die zij mag blijven gebruiken zolang zij weduwe is.

Op 11 september 1629 lenen Jacobgen Otten, weduwe van Harmans Dircksz, en haar erven 100 gulden aan Cornelis Cornelisz Cremer en zijn vrouw Jannitgen Petersdochter. Als onderpand een huis, hof en hofstede in de Arnhemsestraat strekkende voor van de straat tot achter aan de hof van de weduwe en erven van Elbert Goris.

Op 15 juli 1634 machtigt Goris Aertszn Botter, borger en wonend in Amersfoort, Jacobgen Otten, weduwe van Harman Dircxzn, timmerman, zijn huijsvrouws moeder, om uit zijn naam te vorderen van Claes Claeszn Verschuer, wonend te Hoorn, 376 gulden, 11 stuivers en 4 penningen met de rente. Comparant heeft zich voor dit bedrag, waarvan de betaaldag onlangs is verstreken, als principale debiteur verobligeert voor Claes Verschuer ten behoeve van Hendrick van Nulde tot Nijkerken, alles volgens een zeker accoord gedateerd 5 april 1634. Verder de penningen te ontvangen, quitantie te passeren en alles te doen wat hij zelf zou doen.

In 1637 vindt de inschrijving in de weeskamer plaats van Jacobgen Otten, weduwe van Herman Dircksz.

Op 28 maart 1638 verkopen de erfgenamen van Herman Dircx en zijn vrouw Jacobgen Otten een huis en schuur met toebehoren staande en gelegen in de Arnhemse straat (Slijkstraat) te Amersfoort aan Franck Cornelissen, timmerman, en zijn vrouw Arisgen Sanders. De verkopende erfgenamen zijn Elis Hermansen, bakker, en zijn vrouw Annigen Willems, Jan Hermansen woonachtig te Utrecht voor hemzelf en zich sterkmakend voor zijn vrouw Marritgen Jans, Cornelis Hermansen voor hemzelf en zich sterkmakend voor zijn vrouw Gerbrecht Peters, Thomas Hermansen ook voor hemzelf en zich sterkmakend voor zijn vrouw Judith Dircx, Henric Rijcx, schipper, en zijn vrouw Dirckgen Hermans, Goris Aerts Botter als vader en momber van zijn onmondige kinderen behouden van Elisabeth Hermans zijn overleden vrouw, Evert Henricx, kuiper, als man en voogd van Adriaentgen Hermans en dezelfde Adriaentgen, Henrickgen Hermansdochter, Hendrickgen Hermans de jonge en Maritgen Hermansen allen voor henzelf en zich sterkmakend en caverende voor Anthonis Hermansen hun uitlandige broer en schoonbroer, en tevens de genoemde Elis Hermansen als gemachtigde van zijn broer Peter van den Treek, schout van de Domkerk te Utrecht. Allen kinderen en erfgenamen van Herman Dirckx en zijn vrouw Jacobgen Otten.

Op 11 februari 1641 verkopen de erfgenamen van Jacobijn Otten, in haar leven weduwe van Herman Dircxz, een huis en hof op de Singel aan Rens van Treek, schout van de edele heer ten Dam te Utrecht. De genoemde verkopende erfgenamen zijn Henric Rijcxz, schipper, mede voor zijn vrouw Dirckgen Hermans, Goris Aertsz Botter als vader van zijn kinderen bij Lijsbet Hermans zijn overleden vrouw, Elis Hermansz, bakker, en zijn vrouw Annitgen Willemsz, Evert Henricxz, kuiper, en zijn vrouw Adriaentgen Hermansdochter, Henrickgen Hermans de oude en Henrickgen Hermans de jonge, mitsgaders Maritgen Hermansdochter. Op 21 mei 1642 kopen Elis Hermans, bakker, en zijn vrouw en hun erven drie huizen op de Singel bij het Sint Agneta Convent van de overige erven van Jacobgen Otten, weduwe van Herman Dircxz, hun moeder en schoonmoeder. De genoemde verkopende erfgenamen zijn Goris Aertsz Botter als vader van zijn onmondige kinderen bij zijn overleden vrouw Lijsbet Hermans, voor zichzelf en voor Johan Hermanss, Cornelis Hermanss en Thomas Hermanss van Treek en hun echtgenoten, Evert Henricx Cuijper en zijn vrouw Ariaentgen Hermans, Henrickgen Hermans de oude en Henrickgen Hermans de jonge, Maritgen Hermans. Op 25 mei 1642 verkopen Elis Hermansz, bakker, en zijn vrouw Annitgen Willemsdochter, twee van de drie huizen door, te weten een huis op de Singel bij de Sint Andriesstraat aan Eduard Egbertsz Schut, tafellakenmaker, en zijn vrouw en hun erven, en een woning met hofstede daarachter aan de Singel bij de Sint Andriesstraat met gebruik van de put aan Herman Thijmanss, schipper, zijn vrouw en hun erven.

Op 26 oktober 1642 verkopen Elis Hermanss, bakker, en zijn vrouw Annitgen Willems en Goris Aertsz Botter als vader en voogd van onmondige kinderen, als mede-erfgenamen van Jacobgen Otten hun grootmoeder, samen voor de mede-erfgenamen, een huis op de hoek van de Sint Andriesstraat, met opkamer en paardenstal daarachter en de gang daarbij aan Marmeduck Pietz, tabakspijpenmaker, zijn vrouw Rebecca en hun erven.

Op 4 mei 1644 compareert Jan Cornelisz, mede erfgenaam van zaliger Weijmtgen Aris Jansdr, weduwe van Wouter Loogenszn, en daarbij is hetm de navolgende obligatie toegescheiden. Hij machtigt Dijrck Matheijszn van Cortricht, borger van Amersfoort, om uit zijn naam te vorderen van de erfgenamen van zaliger Harman Dircxzn en Jacobgen Otten, in leven echtelieden, al hetgeen hem, comparant, in voornoemde kwaliteit toekomt, zowel in kapitaal als verlopen rente, volgens obligatie door Harman Dircxzn ten behoeve van Weijmtgen Aris Jansdr op 30 januari 1625 gepasseerd. Penningen te ontvangen, quitantie te passeren enzovoorts en alles te doen wat hijzelf zou doen.

Uit dit huwelijk:

1  Thomas Hermansz, gedoopt 19 oktober 1595 te Amersfoort. Gehuwd met Judith Dircx

2  Dirckgen Hermans, geboren ca. 1597. Ondertrouwd op 6 juli 1617 te Amersfoort met Martijn Jeronimussen. Ondertrouwd op 15 oktober 1623 te Amersfoort en gehuwd te Harderwijk met Henric Rijcxsen, geboren te Harderwijk

Elis Harmansz

4  Elisabeth Hermans, geboren ca. 1602, begraven 17 augustus 1634 in de St. Joriskerk te Amersfoort. Ondertrouwd op 19 juni 1624 te Amersfoort en gehuwd te Hoevelaken met Goris Aerts Botter, overleden 1659

5  Anthonis Hermansz

6  Peter Hermansz van den Treek, schout van de Domkerk te Utrecht

7  Jan Hermansz. Gehuwd met Marritgen Jans

8  Hendrickgen Hermans

9  Cornelis Hermansz. Gehuwd met Gerbrecht Peters

10  Adriaentgen Hermans, geboren ca. 1615. Ondertrouwd op 25 maart 1637 te Amersfoort (get: vader Henrick Reijersen, moeije Catharina Rafat) met Evert Henricx, kuiper

11  Hendrickgen Hermans de jonge

12  Maritgen Hermans


20522  Lambert Hoevenaer (alias Vermeij), lakenkoopman (1559), kleermaker (1562), brouwer, wijnkoopman (1580), schepen en stadsburgemeester van Culemborg (1597-1600), zoon van Nicolaes Hoevenaer en Christina NN, geboren 1532, overleden 1613-1614

Gehuwd met

20523  Elisabeth Peter Gerritsz van Eijndhoven, dochter van Peter Gerritsz van Eijndhoven en Hilleken Cuijl, overleden 1614 te Culemborg

Op 14 maart 1555 wordt Lambert Vermeij alias Hoevenaar beleend met de helft van 3½ morgen land boven de stad Vianen in de Haag in het land van Hagestein, strekkend van de Haagwetering over de dijk tot de kil, bij dode van Nikolaas zijn vader. Op 26 april 1614 gaat het leen naar Frederik Hoevenaar, bij dode van Lambert Hoevenaar zijn vader. Op 29 mei 1585 wordt Lambert Hoevenaar te Culemborg beleend met een halve hoeve land in Boeikop, voor Wouter van Kraaiestein Boudijnsz, bij dode van Boudijn Adriaansz diens vader. Op 23 januari 1605 wordt Rikout Willemsz Bosman, secretaris van Vianen, voor Frans Willemsz van Everdingen, lakenkoper en burger van Alkmaar, zijn neef, beleend met een halve hoeve in de Biesen op de Mijl, waarna overdracht aan Lambert Hoevenaar. Op 26 april 1614 gaat het leen naar Frederik Hoevenaar bij dode van Lambert, zijn vader (bron: J.C. Kort, Leenhoven van de Heren van Vianen 1292-1666).

Op 17 mei 1561 Lambert Hoevenaer constitueert onder ander Elijsabeth Petersdr zijn echte huijsvrouw. Op 7 november 1566 Lambert Hoevenaer constitueert Hubert de Voicht, Mathijs de Castro, Cornelis Lambertsz Vermeij, Cornelis Dirckx en Jan Arijaensz.

Lambert Hoevenaer onderhoudt contacten met de Floris van Pallandt, graaf van Culemborg, en neemt deel aan de beeldenstorm op 14 september 1566, onder andere in de Barbarakerk te Culemborg. Hij komt voor op de lijst van personen van Robert van Lijnden, Spaans gouverneur van Culemborg, die opdracht heeft om de goederen van degenen die aan troebelen van 1566 hebben deelgenomen, te inventariseren (bron: Hans Hoevenaar, Genealogie en geschiedenis van het Geslacht Hoevenaar).

Op 28 december 1578 compareert Lambert Hoevenaer, als man en vocht van Elisabeth Petersdochter, erfgename van Marichjen Gerritsdochter weduwe van Peter Jans, die mede erfgenaam is geweest van Maijcken Dirck Jansdochter, weduwe.

Op 25 februari 1580 Gerijt Peterss, Hendrick de Reuse gehuwd met Margriet Petersdr, Cornelis Cornelisz Brouwer gehuwd met Baetken Petersdr, constitueren Lambrecht Hoevenaer hun zwager in verband met de boedel van Hillegont Peter Gerijtsweduwe. Op 14 mei 1590 Lambert Hoevenaer gehuwd met Elisabeth Petersdr als procuratie hebbend van Gerijt Peterss, Hendrick de Reuse gehuwd met Margriet Petersdr, Cornelis Cornelisz Brouwer gehuwd met Baetken Petersdr, constitueert.

Op 2 maart 1582 Lambert Hoevenaer heeft de coop gedaan op Jan Versteech opte goederen van zaliger Mechtelt zijn huisvrouw. Koper Aert Jansz van Schuijlenburch, gecasseerd 23 maart 1583. Op 29 mei 1585 is Lambert Hoevenaar te Culemborg door de heren van Vianen beleend met een halve hoeve land groot 8 morgen in Boeikop, voor Wouter van Kraaiestein Boudijnsz, bij dode van Boudijn Adriaansz diens vader.

Op 29 november 1594 legt Lambert Hoevenaer, burger van Culemborg, namens zijn broer Peter Hoevenaer, burger van Breda, te Utrecht een verklaring af over het gevangen houden twee burgers in verband met een onduidelijke affaire inzake de Munt te Culemborg.

Oudschildgeld Hagestein 1600: Lambert Hoevenaers, wonende Culemborg, 3 morgen binnendijks en ½ morgen buijtendijckx.

Op 23 januari 1605 wordt Rikout Willemsz Bosman, secretaris van Vianen, beleend met de helft van een halve hoeve in de Biesen op de Cuijl, voor Frans Willemsz van Everdingen, lakenkoper en burger van Alkmaar, zijn neef, bij dode van Jan van Hensbeek, diens oom, waarna overdracht aan Lambert Hoevenaar. Op 26 april 1614 Frederik Hoevenaar bij dode van Lambert, zijn vader.

Op 22 juni 1613 Lambert Hoevenaer gehuwd met Elijsabeth Petersdr testeren. De jongste zoon Frederick is ongehuwd, HIlleken hun jongste dochter, Christijn gehuwd met Meeus Tonisz, Amelij, Claes Hoevenaer soonken van Jan Gijsbertsz des comparants swager etc.

Op 24 oktober 1651 benoemen fedei-commissaire mede-erfgenamen van Hubert de Moelre de procureur binnen Cuijlenborch Hector van Leerdam om in of buiten rechte vorderingen van de boedel van Lambert Hoevenaer te innen. Genoemde erfgeanmen zijn Willem de Gruijter raedt in de vroetschap en schepen van Utrecht, Peter de Gruijter vader van Willem de Gruijter, Dirck van Ravenswaije neef van Willem de Gruijter, Henrick Hoevenaer, Philips Hoevenaer, Hubertus van Heijcop, broers en zuster van Hubertus Heijcop, en Hillegonda Hoevenaer weduwe van Thomas Heurnius in leven raedt en rentmeester-generaal van de domeijnen ‘s lants van Utrecht.

Op 12 juni 1655 stelt Hillegonda Hoevenaer, weduwe van Tomas Heurnius in leven raedt en rentmeester-generaal van de domeijnen ‘s lants van Utrecht, eerder weduwe van Adriaen van Helsdingen, wonende te Utrecht bij de St. Jacobskercke in ‘t achterste quartier der huijse van predicant Heijcopius, haar testament op. Ze benoemt tot erfgenamen de (kinds)kinderen van haar broer Frederick Hoevenaer, de (kinds)kinderen van haar zuster Amelia Hoevenaer en Johan Gijsbertss van Heijcop, Huijbert Janss van Heijcop, Lambert van Heijcop, Elijsabeth van Heijcop, Mechtelt van Heijcop, de kinderen van Cornelis van Heijcop en Hillegonda van Heijcop c.s. De helfte van een hoff aan de Hoochlantsesteech buijten Utrecht gaat naar Lambert van Heijcop. Een hoff en huijsinge aan de Hoochlantsesteech gaat naar Hillegonda van Heijcop. Frederick Hoevenaer, in leven burgemeester en gehuwd met Josina de Moelre, Johan Gijsbertss van Heijcop in leven burgemeester te Vianen, Maeijge Boschhuijs weduwe van Cornelis van Heijcop in leven predikant en moeder van Hillegonda van Heijcop, krijgt lijftocht aan hof en huis aan haar dochter geprelegateerd met uitsluiting van de weeskamer, met benoeming van Lambert Hoevenaer, Adam Gresnich, Huijbert Janss van Heijcop en Lambert Janss van Heijcop, neven, tot executeurs.

Uit dit huwelijk:

1  Hendrick Hoevenaer, geboren ca. 1565, overleden > januari 1640. Gehuwd op 29 augustus 1587 te Londen (GB) met Suzanne Godschalck

2  Huijbert Hoevenaer, geboren a. 1570. Gehuwd op 26 juli 1592 te Rotterdam met Margaretha Dircx van Geffen, geboren te ‘s Hertogenbosch, overleden 1597

3  Mechteld Hoevenaer, overleden 1601-1602, begraven in de St. Barbarakerk te Culemborg. Gehuwd met Adriaen Jelisz de Moolre, schout, richter, raad en burgemeester te Culemborg

4  Geertruijd Hoevenaer, overleden < 1612. Gehuwd met Jan van Riebeeck, overleden < 1612

5  Christina Hoevenaer, overleden < 1636. Gehuwd met Meeus Anthonisz van Diemen, schipper, burgemeester van Culemborg

6  Steven Hoevenaer, goudsmid te Utrecht, overleden < 30 november 1648. Gehuwd met Maria de Maubus

7  Hillegonda Hoevenaer, geboren ca. 1590 te Culemborg, begraven 2 mei 1657 te Utrecht. Gehuwd op 29 december 1615 te Culemborg met Adriaen van Helsdingen. Gehuwd op 25 juli 1624 te Utrechtmet Thomas van Heurn, doctor in de rechten, notaris, rentmeester van de domeijn ‘s lants van Utrecht, gedoopt 26 september 1583 te Leiden, overleden 1 mei 1633 en begraven 6 mei 1633 te Utrecht

Amelia Hoevenaer

9  Frederick Hoevenaer, brouwer, schepen en burgemeester te Culemborg, geboren ca. 1595, begraven mei 1653 in de Barbarakerk te Culemborg. Gehuwd met Josina de Moelre, overleden 1665-1670


20524  Cornelis Mode

Kinderen:

Willem Cornelisz Mode

2  Aert Cornelisz Modeus, korenkoper, ouderling, diaken (1622-1624, 1629-1631), begraven 21 november 1636 in de Geertekerk te Utrecht. Gehuwd op 8 februari 1611 te Utrecht met Geertruijt Willems van den Berch, overleden > 14 april 1671

3  Annechen Cornelis Mode, begraven 29 april 1639 in de Jacobikerk te Utrecht. Gehuwd op 8 juni 1611 voor het gerecht te Utrecht met Hendrick Lambertsen. Ondertrouwd op 13 december 1618 te Utrecht met Hendrick Gerritsz Goldewijck, molenaar, begraven 13 oktober 1634 te Utrecht

4  Sijmon Cornelisz Mode, koperslager, begraven 8 mei 1626 in de Buurkerk te Utrecht. Gehuwd op 5 juni 1621 te Utrecht met Hilleken van Muijden


20526  Claes van Hogerbrug

Kinderen:

Metjen Claes van Hoogerbrugh

2  Trijntien Claes van Hogerbrug. Gehuwd op 18 okober 1614 te Utrecht met Evert Tijnagel, geboren te Wageningen

3  Jan Claesz van Hoogerbrug, begraven 3 maart 1628 te Utrecht. Ondertrouwd op 20 april 1617 en gehuwd op 27 april 1617 in de Janskerk te Utrecht met Lijsbeth Cornelis, overleden 1617-1618. Ondertrouwd op 16 augustus 1618 te Utrecht met Judith Theunis

4  Sijntghen Claes van Hogerbrugh. Ondertrouwd op 1 november 1618 te Utrecht met Aert Jansen van Tillert


20536  Gerrit Sem, collecteur van de impost op den ontgrondinge van den turff en de verhoging van de wijnen op de Grebbe, overleden < 14 november 1591

Gehuwd met

20537  Lucretia Baltus de Loefs. Ondertrouwd op 14 november 1591 en gehuwd op 23 november 1591 in de Geertekerk te Utrecht met Geurt Christiaensen Bor

Van 16 november 1577 dateert een stadbrief van Utrecht, waarbij Gerrit Sem c.u. erkent schuldig te zijn aan Jan Buth, 25 Keizersgulden en een rente van 25 gulden, losbaar met 400 gulden, en daarvoor als onderpand stelt een huis in de Saelstraat nz aldaar. Met akten waarbij deze rentebrief wordt overgedragen aan Lubbert Jansssoen van Pallaes c.u. en het huis der Arme Melaten buiten Utrecht, dd 11 januari 1586 en 31 augustus 1604.

Uit 1599 dateert een eigendomsbewijs voor Gerrit Sem van twee woningen aan de oostzijde van de Springweg tegenover het Duitse Huis op de zuidhoek van het Blinde steegje, verkocht door de landcommandeur.

Op 30 oktober 1600 wordt Gerrit Sem benoemt als pander van de generale middelen in de stad Rhenen, Amerongen, Ginkel, Over- en Nederlangbroek, Sterkenburg, Hardenbroek, Leersum, Doorn, Darthuizen, Zeist, Driebergen, Rijsenburg, De Bilt, Oostveen, Westbroek en Achttienhoven.

Op 30 april 1613 vindt transport plaats door Aert Henricks van Rhenen, procureur van het Gerecht, en Maria Bruijn Fredericks, van een huis en hofstede met kelder en kluijs aan de oostzijde der Oude Gracht bij de St. Geertruijdebrugge, aan Willem Cornelis van Portengen de jonge, lakenkoper. Een plecht van 125 gulden ten behoeve van Gerrit Sem. Idem ten behoeve van Cornelia Croocken en Willem Sijmons van der Horst. Voorts 743 gulden ten behoeve van Frederick Brunt enz.

Uit dit huwelijk:

Michiel Sem

2  Jan Sem, rentmeester van de Vrouwe van Gent, overleden 30 november 1637 te Utrecht. Gehuwd op 12 januari 1605 voor het gerecht te Utrecht met Adriaentgen Fredericks van Gent, overleden 10 mei 1647 te Utrecht


20540  Hendrick Both, klokkengieter, busgieter, zoon van Thomas Both en Cornelia Hendricks, geboren ca. 1560, begraven 15 mei 1599 in de Buurkerk te Utrecht

Gehuwd met

20541  Emmerentia Bogaert, dochter van Geurt Bogaerd en Wendelmoet van Honthorst, geboren ca. 1565, overleden (?) 15 februari 1651. Gehuwd op 16 september 1603 voor het gerecht te Utrecht met Joost Willemsz van de Nijepoort, overleden 28 november 1630 te Utrecht

Hendrick is als klokkengieter de opvolger van zijn vader Thomas Both. Klokken van Hendrick Both beslaan de korte periode 1588-1597. Zo leveren zij in 1592 en 1594 de klokken voor de Hillegonda kerk te Hilligersberg. Hendrick verklaart op 10 maart 1592 dat de klok, die hij aan schout en gerechte van Hilligersberg leverde, de grootste was van de vijf klokken welke hij had gekocht van de stad Zutphen en waarvan hem onder stadszegel een certificatie dd 30 november 1590 was afgegeven. Volgens een kerkrekening van 1594 woog de grootste klok 2845 ponden (bron: Chr. van den Berg. De Hillegonda-kerk te Hilligersberg).

Na de dood van zijn vader is hem aangeboden om het klokkenspel voor Monnickendam te gieten, een opdracht die zijn vader had gekregen. Hendrick verklaart echter ” dat van het oude accoord niet sal worden afgeweken” en dat hij “‘t warck sal leveren op een nieu besteck” , dat de aanneemsom verhoogt met 100 daalders aangezien “dij materialen alle dagen dierder worden”. Op 25 augustus 1595 blijkt dat de burgemeester geen groot vertrouwen in de jonge Both hebben want beide partijen ontheffen elkander omhet verdere bestek “van de speelende clocken” in de nieuwe toren te leveren of in ontvangst te nemen en te betalen.

Item XVa Maij (1599) super obitu Henrici Both (kerkrekening Buurkerk: clockegieter), bis Maria facit – VIII flor (bron: Recepta ex pulsatione campanarum in funeribus defunctorum. Archief Domkapittel no 651 en 702).

Op 6 december 1599 verklaart Johan de Roij, dat Henrick Both, in leven busgieter te Utrecht, 2 of 3 jaar geleden f 400-0-0 heeft geleend van Cornelia Krooken, lijnwadierse te Utrecht. Het bedrag werd uitbestaald ten huize van Caerl Mans te Utrecht en Henrick Both heeft vervolgens de helft van het bedrag overdragen aan Lambertgen Harman Crommen, bussengieter te Amstelredam, zijn nicht, die hem een schuldbekentenis of garantie verstrekte. Henrick Both verklaarde dat hij niet bang was dat hij schade zou lijden en dat hij zijn vordering zou kunnen verhalen op koopmanschap van rekwirante en haar man.

Op 3 oktober 1600 stellen de weduwe en erfgenamen van Herman Crom, Cornelis van Brouckhuisen aan om een oudeigen, gevestigd op een huisje aan de Neude, te lasten casseren ingevolgde aflossing door de weduwe van Henrick Both.

Op 4 januari 1631 benoemt Geertgen Mathijs, laastst weduwe van Adriaen Ghijsbertsz, Grietgen Jurriaens van Oostrum, weduwe van Ghijsbert Adriaensz Voerman, om voor een koopmansbrief van f 200-0-0, oorspronkelijk ten behoeve van Emmerentiana Goert Bogaerts, tegenwoordig door huwelijk met Walburga Both in bezit gekomen van Johan de Munter, advocaat Hof van Utrecht, als onderpand te stellen het huis Achter het Vleeshuijs te Utrecht, nagelaten door Adriaen Ghijsbertsz.

Op 17 maart 1640 benoemt Annelina Saell van Vijanen, weduwe van Johan Smith, haar broer Johan Saell van Vianen, om legaat van oom Johan van Oort, in leven drossaard van De Vaart en haar aandeel in legaten, door overlijden van broer Benjamin Saell van Vijanen en zusters Geertruijt Saell van Vijanen en Anna Saell van Vijanen op haar gekomen, te ontvangen, begrafeniskosten van haar broer en zusters te voldoen, plecht van f 600-0-0 te transporteren ten behoeve van Emmerentiana Bogaerts, weduwe van Joost Nijpoort en om huis zuidzijde Potterstraat te transporteren ten behoeve van Dominicus Schaffelaer.

Op 9 oktober 1648 benoemen de dochters van Goverde Bogarts en Wijndelmoet van Honthorst, in leven echtelieden, Wilhelm van der Nijpoort om vanwege vermissing nieuwe lijfrentebrieven van ieder f 16 ‘s jaars ten laste van de stad Antwerpen te verzoeken en de lijfrenten te innen. Genoemde dochters zijn Obborth Bogarts, wonende aan de Keijserstrate te Utrecht, en Emmeken Bogarts, wonende aan de Coornmarct / Neude te Utrecht. Op 9 juni 1649 benoemen de beide dochter Wilhelm van der Nijpoort en Pieter Koeck om lijfrenten ten laste van de stad Antwerpen te innen.

Op 22 januari 1649 de erven van Henrick Both constitueren Hendrick van ‘t Heerenveen en Dirck van RIjssen om voor het gerecht van Utrecht huizen, cameren en erven, gelegen aan de zuidzijde van de Wittevrouwenstraat, de noorzijde van de Rietsteeg en in de Blindesteeg genaamd Kloksteeg, te transporteren aan de respectieve kopers. De genoemde erfgenamen zijn Walburge Boths, dochter en weduwe van Johan de Munter in leven advocaet hove van Utrecht, Cornelia Rijcken weduwe van Folckert Both, mede-kinderen van Anthonia Both, dochter, en Folphert van der Nijpoort weduwenaar van Anthonia Both, Johan van der Nijpoort, Wilhelm Wttenbogaert gehuwd met Cornelia van der Nijpoort, Johan Saell van Vijanen weduwenaar van Wilhelmina Both, Emmerentiana Saell kleindochter, en Gerart Sem gehuwd met Nicolaa Both dochter van Thomas Both zoon. Folphert van der Nijpoort, rentmeester van het kapittel van St. Marie heeft het recht verkregen van zijn overleden zoon Hendrick Nijpoort. Thomas Both in leven advocaat hof van Utrecht.

Op 17 augustus 1649 benoemt Emmerentiana Bogaerts haar neef Johan van der Nijpoort om, desnoods rechtens, een restant van een vordering van f 124-15-0 vanwege het gieten van een nieuwe klok te innen op de kerkmeester van Neer Andel en een vordering op schout en gerecht van Poederoijen.

Op 30 mei 1650 bevestigt Emmerentiana Bogerts de ontvangst van een bedrag van f 350 van Balthasar van Postel ter aflossing van twee plechten gevestigd op het huis in de Springweg hoek Visserssteeg. Tevens procuratie op Cornelis Both, medicijnen doctor, om voornoemde plechten en een plecht van f 300, gevestigd op een huis aan het Oudkerkhof, te laten casseren.

Op 14 juli 1657 benoemt Thomas Both, zoon van Folcken Bot ende Cornelia Rijcken, in leven echtelieden, Willem Wttenbogaerdt om van broer en zwager doctor Cornelis Bot en apothecaris Floris Sas te Utrecht een kopie van het laatste testament van zijn moeder te verzoeken, staat en inventaris te vorderen van de boedel van zijn ouders en om na scheiding van zijn aandeel in de boedels van zijn overleden ouders, grootmoeder Emmerentia Bogarts, oom Wouter Bot en zuster Weijntgen Bot te ontvangen.

Op 15 februari 1659 transporteren de mede-erven van Emmerentiana Bogaerts en van Gerrit Both en Geurt Both, voor het gerecht van Oostveen een perceel land ten behoeve van de executeurs van het testament van Huijbrecht Emont van Buchell, alsmede voor het gerecht van Utrecht het huis de Clock en de Busle in de Wittevrouwenstraat ten behoeve van Gerrit Cornelissen van Geeff en het huis en erf het Ramshooft aan de Neude ten behoeve van de koper, alsook een partij land en rosmolen c.a. te Heusden in de Neder-Betuwe en een partij land te Eemnes ten behoeve van de respectieve kopers. Genoemde erven zijn Florens Zas gehuwd met Anna Both, Nicolaa Both, Johan van der Nijpoort, Willen Uijttenbogaert gehuwd met Cornelia van der Nijpoort, de kinderen en mede-erven van Walburga Both in leven weduwe van Johan de Munter. Op 15 april 1659 benoemen Henrick van der Horst en de erven van Joost van der Nijpoort, Seger van Achtevelt om te procederen, speciaal om een zaak tegen de erven van Emmerentiana Bogaerts, stiefmoeder van Folphert van der Nijpoort, voort te zetten.

Op 26 oktober 1664 transporteren de erven of rechthebbenden van Henrick Both, Geurt Both en Emmerentia Bogaerts het huis c.a. genoemd Die Busse ende Clock, gelegen aan de Wittevrouwenstraat ten behoeve van Gerrit Cornelissen van Geesthuijsen, bakker te Utrecht. Op 18 juni 1670 casseren de erven van Emmerentiana Bogaerts voor het gerecht van Utrecht een plecht van f 2000 ten laste van Peter Verlaen vanwege aflossing.

Uit dit huwelijk:

1  Geurt Both, begraven 21 juni 1624 in de Buurkerk te Utrecht

2  Folckert Both, wijnverlater, begraven 4 december 1626 in de Buurkerk te Utrecht. Gehuwd met Cornelia Cornelis Rijcken in ‘t Geleij, begraven 1 juni 1657 in de Buurkerk te Utrecht

3  Gerrit Henricxsz Both, klokkengieter, overleden 1615. Gehuwd op 11 mei 1606 voor het gerecht te Utrecht met Neeltje Wouters van Zanthen

4  Anthonia Both, begraven 8 augustus 1625 in de Buurkerk te Utrecht. Gehuwd op 15 januari 1614 voor het gerecht te Utrecht met Folphert Joosten van der Nijpoort, rentmeester van het kapittel van St. Marie (1637-1649), begraven 8 juni 1657 in de Mariakerk te Utrecht

5  Wouter Both, klokkengieter, begraven 22 januari 1644 in de Buurkerk te Utrecht

Thomas Both

7  Wilhelmina Both, begraven 3 mei 1641 in de Buurkerk te Utrecht. Gehuwd op 5 oktober 1622 voor het gerecht te Utrecht met Johan Saell van Vijanen, wijnkoper, advocaat te Utrecht, overleden > 12 april 1662

8  Walburge Both, begraven 27 mei 1656 in de Buurkerk te Utrecht. Gehuwd op 3 december 1625 voor het gerecht te Utrecht met Johan de Munter, advocaet hove van Utrecht, overleden 7 maart 1648 en begraven 20 maart 1648 in de Buurkerk te Utrecht

9  (?) Dominicus Both


20542  Claes Jansz de Leeuw, overleden 1 mei 1621 te Utrecht

Gehuwd met

20543  Maria Beernts van Bochoven, dochter van Beernt Hermans van Bochoven en Joesgen Henrick Gerrits, begraven 28 oktober 1639 in de Jacobikerk te Utrecht (#)

Op 12 augustus 1617 kopen Claes Jansz de Leuw en zijn vrouw Maria Berents van Bockhoven een huis, plaats en hofstede op het Spui te Amersfoort van Ghijsbert Jansz Vlugh voor zichzelf en voor zijn vrouw Sara Adams van Haeren, vrij zonder lasten en “voorcommer”. De verkoper belooft de kopers hiervan te vrijwaren, evenals van erfkoop. De kopers en hun nakomelingen zullen echter de voorwaarden moeten volgen van het transport bij de verkoop destijds van het voornoemde huis van het Convent van St. Agatha aan Cornelis Gabrielszn op 27 juni 1595. Tevens is overeengekomen dat dit verkochte huis en het huis van Cornelis Martenszn tezamen de geul moeten onderhouden die grachtwaarts strekt. Voor voldoening en koop van het voornoemde huis, en wat daarbij hoort, hebben de kopers aan de verkopers de som van 400 carolus gulden betaald, die de verkoper bij de ondertekening van deze overeenkomst verklaarde te hebben ontvangen. Er zal behoorlijk transport worden gedaan. De 40e penning zal de koper betalen. Er is nog overeengekomen dat de kopers of hun nakomelingen nooit mogen nemen of betimmeren de lichtinval van het huis van Gabriel Cornelis, dat hij in zijn huis krijgt door de lege plaats van het verkochte huis.

Op 1 juni 1621 wordt de klok van de Dom geluid voor het overlijden of begraven van Nicolaes Jansz de Leeuw (bron: Overluidingen te Utrecht 1614-1651).

Op 14 december 1637 stelt Maria Berntsdr van Bockhoven weduwe van Claes Janss de Leeuw, haar testament op. Zij legateert aan Claesgen Both, eenige dochter van Mr. Thomas Both, in sijn leven, advocaat ‘s hooffs van Utrecht en Josina de Leeuw, haar dochter saliger.

Op 4 december 1639 benoemt Rutger van Bockhoven, Jan Willemsz Holl om in het sterfhuis van Maria Beernts van Bockhoven, in leven weduwe van Claes Jansz de Leeuw, zijn tante, mede in zijn naam haar boedel te laten inventariseren. Jan Willemsz Holl en Rutger van Bockhoven zijn beiden executeur van het testament van Maria Beernts van Bockhoven. Jan Willemsz Holl is vanwege een verwonding aan zijn been niet in staat zijn werk als executeur uit te voeren.

Uit dit huwelijk:

Josina de Leeuw


20608   Acrijn Gerritsz

Gehuwd met

20609  Anna Roelofs

Uit dit huwelijk:

Willem Acrijnsz


20624  Rochus van der Stoop

Kinderen:

Cornelis Rochusz van der Stoop

2  Adriaen Rochusz van der Stoop. Gehuwd op 19 januari 1588 voor het gerecht te Utrecht met Marrigen Rutgers Verhoven


20642  Beernt van de Well

Kinderen:

1  Marichgen Beernts van der Well. Ondertrouwd op 1 april 1602 en gehuwd op 27 april 1602 te Utrecht met Jan Henrix Cleutingh

Hubertje Berents van der Well

3  Dirck Berntsz van der Well, kistemaecker, overleden > 2 juli 1623


20644  Frans van Bemmel

Kinderen:

Dirck Fransz van Bemmel

2  Steven Fransz van Bemmel

3  Jan Fransz van Bemmel. Gehuwd met Metgen Gerrits. Gehuwd op 27 september 1622 voor het gerecht te Utrecht met Catarina Cornelis Pereboom

4  Thomas Fransz van Bemmel, begraven 30 juni 1673 te Utrecht

5  Lijsbeth Frans van Bemmel. Gehuwd op 12 augustus 1627 te Jutphaas met Anthonis Aertsz Bongenaer, deken (1635) en kerkmeester (1642) te Jutphaas


20650  Herman Cornelisz van Voorn, begraven 17 juni 1639 in de Buurkerk te Utrecht (#). Gehuwd op 20 oktober 1627 voor het gerecht te Utrecht (#) met Gijsbertje Hermans van Enschede

Gehuwd met

20651  Teuntgen Hendricks, overleden < 1627

Op 3 augustus 1618 Marichgen Willems wonende opt Cingel buiten St. Catharijne vstw Herman Cornelisz van Voorne ook aldaar wonend, een rentebrief spr op Willem Fransz Peerboom en Gerrichgen Hermansdr.

Op 30 maart 1630 Elisabeth Hermansdr weduwe Hermans Joostensz is nu zelf ook overleden, woonde in de Nieuwe Weerde. Erfgenamen Hermen Cornelisz van Voorn 1/3e deel, Herman en Willem Hubertsz van Voorn en Geertgen Huberts van Voorn oft haar kinderen (te weten Huijbert Adriaensz van Bijlevelt met zijn broers en zusters) 1/3e deel en Herbert Hermansz hun broeder voor 1/3e deel. Deze Herbert is nu ook overleden nalatend Cornelia Herbertsdr, weduwe Gerrit Quintss met Jan Jan Hermansz van Oostrum en Jan Laurensz Spruijt gehuwd met Aeltgen Herberts mitsgaders Jan Hermensz van Oostrum als medevoogd van de onmondige kinderen van zaliger Herman Herbertsz en met de voorschreven Spruijt zich sterk makende de onmondige kinderen van Hermen Cornelisz van Voorn.

Op 27 oktober 1632 Herman Cornelisz van Voorn gehuwd met Ghijsbertgen Hermans van Enschede, wonende te Utrecht, benoemt Henrick Meerlingh en Dieloff van de Poell, procureurs voor het gerecht van Utrecht, om te procederen.

Uit dit huwelijk:

Gerrichje Hermans van Voorn


20660  Jelis Gijsbertsz van Otterspoor

Kinderen:

Gerrit Jelissen van Otterspoor

2  Gijsbert Jelis Gijsbertsen van Otterspoor, begraven 11 juli 1636 te Utrecht. Gehuwd (?) op 14 april 1627 voor het gerecht te Utrecht met Jannichgen Gijsbert Claesz, begraven 4 juli 1636 te Utrecht

3  Tonis Jelisz van Otterspoor, overleden > 21 juli 1652


20808  Henrick ten Hanenberch, zoon van (?) Wolter ten Hanenberch en Ffennen NN, geboren ca. 1535

Gehuwd met

20809  Greten Jacobs Varwer

Uit dit huwelijk:

1  (?) Hendrick ten Hanenberch, burgemeester van Oldenzaal (1585-1590). Gehuwd met Merrien NN

2  (?) Willem van Hanenberch

3  (?) Everdt ten Haene

4  (?) Ffenneken ten Haene


20810  Merten Smidt, overleden < 14 december 1602

Gehuwd met

20811  Merricken NN, overleden > 14 december 1602

14 Decembris 1602: Merricken die nhagelaetene weduwe van zalige Merten Smijdt, dorch Claess Laurents oeren ijn dusser saecke gekoerenen momber gijfft bij maniere van testamente offte utherste wijlle Gerritt unnd Derick Smijdt oeren sohns, Lijssen der huijsfrouwe van Wilhelm ten Hanenbergh und Hermeken der huijsfrouwe van Lambert Guilkers oeren dochters ider eijnenn goltgulden kennende sie daermedde voer erffgenaem, ende wijllende dat sie daermedde van oeren guideren nha oerer doedt gansslich affgemoedet, unnd affgesoenet sollen sijn unnd blijven, die andere oere nha oerer doodt averblijvende guider sie sijnnen dan bewechlick edder unbewechlick, woe ende woer dieselven gelegen unnd tho bekhommen, unnd einen nhaemen hebben moghen, jegenwordich unnd thokumpstick nichtes ijnt kleijne edder groete daervan uthbescheiden, gaff, unnd gijfft sie.

Uit dit huwelijk:

1  Gerrit Mertensz Smidt

2  Dirck Mertensz Smidt

Lijssen Mertens Smidt

4  Hermeken Mertens Smidt. Gehuwd met Lambert Guilkers


21364  Lucas van Ammel

Op 22 februari 1649 wordt voor het gerecht van Utrecht een plecht van f 400 getransporteerd gevestigd op een huis c.a. aan de noordzijde van de Gortsteeg. De helft van de plecht is voor Maria Lucas van Ammel, aangekomen door overlijden van haar broer Frans van Ammel.

Kinderen:

Aernt Lucasz van Ammel

2  Frans Lucasz van Ammel, overleden < 22 februari 1649

3  Maria Lucas van Ammel, overleden > 22 februari 1649


21408  Johan van der Marssche, schepen (1524-1540) en camener van Zwolle, zoon van Bitter van der Marssche en Elisabeth ten Bussche, geboren ca. 1500, overleden 1540-1542

Gehuwd < 1526 met

21409  Aleid van Schroeijensteijn, dochter van Jacob Willemsz van Schroijensteijn en Christina Knoop, overleden > 1564

Uit 1535 dateert een akte waarbij de momber van de nagelaten kinderen van wijlen Jacob Tjesens belooft Johan van der Marssche en zijn vrouw Aleid van Schroeiensteijn schadeloos te houden, wegens te betalen renten uit een huis te Zwolle, dat Johan van Jacob gekocht had.

Op 18 september 1537 ‘dinxdage post Lamberti’ Henrick Mulert, dijkgraaf van Sallant, met zijne heemraden en vroeden als Otto van Rechteren, Herman Muelart en Ernst van Ittersum, bij afwezigheid van den drost van Sallant, Seijno Mulert die ziek was, en de ‘vrunden’ van de steden als voor Deventer Gerrit Swaefken en Hermen ter Beecke, voor Kampen Gert Boerchgers en Johan van der Vecht, en voor Zwolle Thomas Knoppert en Johan van der Marssche, beschrijven en besluiten de rechten en recessen door onzen genedigen heeren met ridderschap en steden gemaakt op de hoofden te Veecaten.

In 1540 een akte van schuldbekentenis door de stad Zwolle aan Thomas Knoppert en Johan van der Marssche van 600 goudguldens, dienende tot aflossing van de ‘Kettelers renthen’, die uit naam van keizer Karel V zijn betaald vanwege een schuld uit het landrentambt van Salland. Met aantekening dat deze schuld geconverteerd is op een jaarlijkse rente uit het rentambt van Salland.

In 1547 een akte van transport van de mombers van de kinderen van wijlen van Ens aan Aleid, weduwe van Johan van der Marssche, van een huis en were in de Nieuwstraat in Zwolle. Aansluitend vestgit Aleid een jaarlijkse rente uit haar huis in de Nieuwstraat ten behoeve van de erfgenamen van Peter van Ens. In 1547 overhandigt Jan van Steenwijk een kwitantie aan de weduwe van Johan van der Marssche wegens de aflossing van een jaarlijkse rente uit het erve en goed De Baulekamp in de buurschap Herxen, schoutambt Wijhe.

Uit 1552 dateert een akte, waarbij Jan van Cuijck, Bruno van Cuijck, Jan Boll en Cornelis van Leeuwen ten behoeve van Aleid van Schroeiensteijn, weduwe van Johan van der Marssche, gevestigd hebben een jaarlijkse rente, gaande uit hun goederen in de stad en de provincie Utrecht.

In 1553 een akte waarbij Aleid van Schroeiensteijn, weduwe van Johan van der Marssche, ten behoeve van hun zoon Jacob een lijftente vestigt, ten laste van de stad Utrecht.

In 1554 transporteert Jacob Tjairssen, zijn vrouw Lutgert en hun zuster Hadewijch van Vilsteren, met Albert van de Vilsteren, schout te Wije als haar momber, aan Alidt, weduwe van Johan van der Merssche, een maat in Bladeloch, bij de Voersterpoerte, strekkende van de straat tot aan het land van heer Johan Kockman.

In 1564 lost Alidt, weduwe van Johan van den Marsch, een rente van 3 goudguldens af, die de broederschap van Sanct Michiels te Zwolle uit haar huis en were in de Nijestraete had.

Uit dit huwelijk:

Bitter van der Marssche

2  Jacob van der Marssche, geboren ca. 1530, overleden < 1604


21410  Johan Zoudenbalch, ridder, heer van Urk en Emmeloord (1530-1560), ambachtsheer van de Weert bij Utrecht (1555), lid van de Kleine Kalende broederschap, zoon van Evert Zoudenbalch en Maria van Brienen, geboren 1503, overleden 12 december 1558 te Utrecht

Gehuwd op 16 oktober 1536 met

21411  Johanna van den Boetzelaer, dochter van Rutger van den Boetzelaer en Bertha van Arkel, geboren ca. 1508, overleden 4 juni 1586

Johan Zoudenbalch en verschillende van zijn voorouders en nakomelingen komen met overlijdensdatum voor op de lijst van de leden der Kleine Kalende-broederschap. Op de afbeelding links het wapen van de Zoudenbalchs als onderdeel van de anonieme tekening van de afbeelding van de wapens van de leden van de Kleine Kalende broederschap in een venster aan de noorzijde van de Buurkerk te Utrecht. Het doel van de broederschap was de bediening van kapellen en altaren (welke kaland of kalend kapellen worden genoemd), het houden van missen voor de zielen van de gestorven leden, het uitdelen van aalmoezen en het houden feesttijden. De kalende broederschap had statuten die voor alle leden bindend waren.

Johan is op 31 december 1530 beleend met Emmeloord en Urk na het overlijden van zijn vader. Hij erft tevens het grote huis in de Donkerstraat. Dit bezit vererft vervolgens op 21 maart 1559 eerst naar zijn zoon Evert en, na zijn overlijden, op 23 juni 1567 naar diens broer Gerrit. Evert blijft ongehuwd en Gerrit sterft kinderloos, waarna het bezit op 12 augustus 1599 gaat naar Johan’s dochter Walravina. Als zij en haar man overleden zijn, blijken de schulden groter dan de bezittingen. Zo verdwijnen de heerlijkheden van Urk en Emmeloord en de ambachtsheerlijkheid De Weerd op 20 januari 1615 uit de familie. Zoon Gerrit blijkt zeer vermogend, mogelijk mede dankzij zijn huwelijk. Hij leeft op grote voet. Zo heeft hij in 1589 bij een herbergier ruim 225 gulden aan schulden, iets wat hij voor zijn vrouw verborgen heeft gehouden. De boekhouding van het echtpaar is voor een groot deel bewaard gebleven.

Op 19 januari 1532 is Johan beleend met 14 hont land op Haarveld, bij dode van Evert Zoudenbalch, zijn vader. Op 15 juli 1559 gaat het leen over op Johan’s zoon Evert. Op 10 april 1568 verkijgt Johan’s andere zoon Gijsbert het leen, bij dode van Evert.

Op 22 januari 1545 wordt Johan genoemd in het testament van zijn schoonvader.

Johan is op 29 juli 1551 bij dode van zijn broer Evert beleend met 4 morgen in Wijk bij Duurstede in het goed Vogelpoel, strekkend van de Wijkerslootse weg tot de middelkamp van Vogelpoel. Het leen gaat op 22 november 1559 over naar Evert Zoudenbalch bij dode van Johan, ridder, zijn vader. Op 5 april 1568 gaat het leen naar Gerard bij dode van Evert, zijn broer. Gerard splitst het goed op 19 september 1584 en doet het dan van de hand.

Uit dit huwelijk:

1  Elisabeth Zoudenbalch, geboren 1 augustus 1537 en gedoopt 6 augustus 1537 te Utrecht (get: Maria Zoudenbalch), overleden 5 januari 1602 te Utrecht. Gehuwd op 27 juli 1563 te Utrecht met Johan van Abcoude van Meerten, geboren 1 december 1529, overleden ca. 1598

2  Walravina Zoudenbalch, vrouwe van Urk en Emmeloord (1599-1614), geboren 23 december 1538, overleden 1616. Gehuwd met Johan Ruijsch van Pijlsweert, ridder, heer van Pijlsweerd, overleden 1615

3  Evert Zoudenbalch, heer van Urk en Emmeloord (1560-1567), ambachtsheer van De Weerd (Utrecht), lid van de Kleine Kalende broederschap, geboren 18 mei 1540, overleden 20 april 1567

4  Gerrit Zoudenbalch, schepen van Utrecht (1576), dijkgraaf Lekdijk bovendams (1568), heer van Urk en Emmeloord (1567-1599), lid van de Kleine Kalende broederschap, geboren 5 november 1541, overleden 20 april 1599, begraven 31 mei 1599 in de Mariakerk te Utrecht. Gehuwd ca. 1569 met Barbara Meerten van Essensteijn, geboren < 1549, overleden 1614

Josina Zoudenbalch

6  Rutgera Zoudenbalch, geboren 23 oktober 1549, overleden 14 september 1589. Gehuwd op 28 januari 1585 met Hendrick van Holthe, burgemeester van Zwolle (1556), overleden < 10 november 1598

7  Mechteld Zoudenbalch, begraven in het Agnietenklooster te Utrecht. Gehuwd met Dirk Gerrits van Honscamp, slotvoogd van het Hof van Utrecht, overleden 1538


21412  Boudewijn Willemsz van der Boije, notaris te Den Haag (1545), schepen van Den Haag (1553-1555), commissaris van de Hollandse Rekenkamer (1554), rekenmeester van Gelre te Arnhem (1559), rekenmeester te Roermond (1580), zoon van Willem van der Boije en NN van Swieten, geboren ca. 1515, overleden 1585 te Roermond. Gehuwd met Margriet van Heerde

Gehuwd met

21413  Alidth Booth, dochter van Aernt Booth en Geertruijd Gijsberts van Leeuwen, geboren < 1532, begraven 7 augustus 1558 te Den Haag

Boudewijn is op 5 oktober 1545 door het Hof van Holland geadmitteerd als notaris te Den Haag. Op 1 januari 1551 is een jaarrente verzekerd op onder andere 1½ hont lands van Adriaen Claesz te Huijtgenshoek in 5½ morgen gemeen met de heer van Arenberghe en Boudewijn WIllemsz in den Haghe. Op 13 februari 1554 committeren schout Floris van Dam en gerecht van den Hage, Willem van der Crijep, Sijmon van der Does ende Boudewijn Willemsz, schepenen en Adriaen Mathijszoon, secretaris van den Hage, tot het uitvoeren van een taak. Op 15 februari 1554 is Baudewijn van der Boe Willemss door koning Karel benoemd tot Commissaris van de Rekenkamer van Holland, Zeeland en Vriesland in den Hage. Deze benoeming is op 28 juli 1556 bevestigd door koning Philips van Castillie.

In 1557 verhuurt Boudewijn Willemsz in den Haech 6½ hont lants mit sijn buitenland in Polder Huijtgenshoeck en 7 hont lants in Polder Den Broeck in Vlaardingerambacht. In 1561 verhuurt hij 1/3 van 20 hont lants met buitenland in de Polder genaamt Hoechstadt, 7 hont lants met buitenland gaende langs de Brouckweg en hij verhuurt 1/5 deel van 5 morgen en 2 hont lants aan de Ketelweg, alles in Vlaardingerambacht.

Op 9 februari 1559 vindt de oprichting plaats van de rekenkamer van Gelre in Arnhem en de benoeming tot rekenmeesters door koning Philips van Spanje, van Reijer van der Does en Bauduin van der Boe met Dirick van Bueren als auditeur en Gedeon van Houve als klerk. Met een verslag van comissies die Boudewijn voordien voor de koning en zijn vader Karel heeft uitgevoerd.

Op 26 april 1559 is Boudewijn van der Boe beleend met 3 morgen land in Den Haag aan de Denneweg. Hulder is Cornelis van Leeuwen, burger van Utrecht. Op 29 juli 1561 draagt Boudewijn het land over aan Jacob, heer van Cabauw. Op 12 november 1561 is Boudewijn genoemd bij het transport van het huis Leeuwenburch: ‘Gerrit Boot, Arent Boten soon, Willem van Zuijlen van Nijvelt en Joffrou Aecht Boot sijn huijsvrou, Johan Boot haeren broeder, Boudewijn van der Boeij boedelharder zijner kinderen geprocureert en naegelaten bij Joffrou Alidt Boots zijn huijsvrou, Joffrou Anna en Mechtild zaliger Aernt Booth dochteren geprocureert bij Jofrou Geertruijdt van Leeuwen sijn wijff, allen erfgenamen van de voornoemde Aernt Boots en Joffrou Geertruijt van Leeuwen, transporteren haer huijs bij St Geertenbrugh, ten behoeve van Johan Calvo en Joffrou Johanna Vincke sijn wijff, nu genaemt Leuwenborch eertijt het Huijs ten Heiligen Lande oock ten tijden van Gijsbert van Leeuwen, vanouts het huis te Hombout’.

Boudewijn wordt in de periode 1557-1561 genoemd in de Kohieren 10e Penning van Vlaardingen als Boudewijn van de Boe Willmesz en als Boudewijn Willemsz in den Hage. In 1567 doet Boudewijn van der Boe, rekenmeester van Gelderland te Arnhem, zijne twee zonen Arnold en Willem, bij Mr Dirk van der Goude, schoolmeester van de St Hieronymusschool, op school en in huis, ieder voor 44 Caroli gulden. Voor dat bedrag wordt ieder kind onderhouden ‘in havenen van ‘t lichaem, wormcruijt geven ende in lappen, benaijen, waschen, vier ende licht, eeten, drinken, besorgen van voor ijder een bedde ende decxelen’.

In 1568 en 1569 vinden in opdracht van de Bloedraad in Brussel, inbeslagnemingen van goederen plaats van opstandeling in de Betuwe, onder andere van Floris van Culemborg. Hierbij is Boudewijn van der Boe, samen met Pieter van St Pieters, betrokken. Op 14 oktober 1573 wordt Boudewijn beleend met ‘t Huijsken, genoemt de Gulden Spijcker, gelegen buiten de stad Arnhem. Het huis gaat op 16 augustus 1596 naar zijn zoon Daem van der Boe. Het huis is op 12 maart 1612 in het bezit van Arnt van der Boe. Op 30 oktober 1574 vindt correspondentie plaats betreffende de kist met privilegien van de stad Zutfen, door Willem van Gend en Boudewijn van der Boe in beslag genomen.

In november 1578 worden Thomas Gramaije en Boudewijn van der Boe, rekenmeester van Gelre te Arnhem, samen met auditeur Dierick van Bueren en klerk Cornelis Gamaije, ontslagen door de Staten van Gelre en stadhouder Jan van Nassau, omdat zij koningsgezind waren. Zij vestigen zich in Huissen in het Kleefse, net ten zuiden van de Rijn tegenover Arnhem. In januari 1581 worden Boudewijn van der Boe en Dierick van Bueren naar Roermond gedirigeerd om daar de Habsburgse Gelderse Rekenkamer voort te zetten en de financiële zaken te behandelen van alle Noord Nederlandse gebieden die nog onder Spaans gezag staan. In april 1582 wordt Boudewijn benoemt tot eerste Rekenmeester van de Habsburgse Hollands-Gelderse Rekenkamer te Roermond. In 1585 wordt hij, na zijn overlijden, opgevolgd door zijn zoon Arnold van der Boe.

Uit dit huwelijk:

Arnold van der Boije

2  Willem Boudewijn van der Boije, canonick te St. Gereden tot Colen

3  Jakob van der Boije, capiteijn

4  Mechteld van der Boije, begraven te Huissen bij Arnhem in het hertogdom Kleef

5  Geertruijd van der Boije, begraven te Huissen bij Arnhem in het hertogdom Kleef

6  NN van der Boije, begraven 4 augustus 1558 in het Voorhout te Den Haag


21414  Emont van Baerle, heer van Overen, Berckt en Roesdonk, lid van het Ridderschap van Overkwartier (1555-1579), zoon van Peter van Baerle en Anna van Dursdael, geboren 20 december 1515, overleden 3 juni 1589

Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 24 oktober 1554) met

21415  Agnes van Eijl, dochter van Willem van Eijll en Christina van den Sande, geboren 1523, overleden 9 oktober 1602

Op 11 mei 1535 vindt te Roermond de deling plaats van goederen uit de nalatenschap van Emont’s vader Peter van Baerle tussen Emont en zijn zuster Eva van Baerle. Eva verkrijgt onder andere de hof Westering te Maasbree. Getuigen zijn Rabet van Dursdael, grootvader, Jan Moreel, Henrick, Christoffer, Arnt en Wijnand van Dursdael, ooms, Derick van Cruchten, schout van Roermond, Dederick Houfft, Lambert van Cruchten en Mechteld van Cruchten, weduwe.

Op 8 juli 1544 en 21 april 1556 verheft Emont van Baerle Overen. Emont’s opa, Rabeth van Dursdael sterft in 1544. Van 18 oktober 1544 ‘op sente lucasdach des heijligen evangelisten’ dateert de brief van scheiding en deling tussen Johan van Lom en Emont, handelend over de goederen, die na hun de dood van Rabeth toegevallen zijn. Zelf moeten ze die verdelen in twee gelijke delen. Deze brief wordt bezegeld door Willem van Hushaeven en Arnt van Dursdael, schepenen van Roermond. De erfenis bestaat uit Rabeths’ huis, op de Dries gelegen, de huidige Voogdijstraat, ‘mitten huysen darover gelegen’, de pacht en de hof Ter Beke te Grefrath, 11 bunder land voor de stad Roermond, 10 morgen land in de Weerd, 20 goudgulden jaarlijks op het land van Horn en 4 gougulden ieder jaar van de stad Roermond. Het halve huis in de Steegstraat en daarbij nog de ‘clumpemekers Schruyre’. In 1548 worden Emont en Anreas Pollart verzocht als scheidsmannen te fungeren in een erfeniskwestie.

Op 21 februari 1551 verkoopt Mathias Vinck, deken van de Heilige Geest, voor zich en namens Emont van Barle c.s., hun recht op een huis in de Oliestraat tussen Goessen van Dulcken en wijlen Johan van den Grient, aan Goessen van Dulcken voornoemd. Op 8 mei 1553 ruilen Johan van Lomme en Mathias Severijns, schepenen van Roermond, provisoren van het gasthuis op de Steenweg, met toestemming van de raad der stad met Emont Baerle de erfrente van 2½ malder rogge, die Emont aan het gasthuis schuldig is, gaande uit het goed ‘der alder off wuester schueren’ te Averen, tegen een erfrente van 2 malder rogge gaande uit het goede ‘die Slaij’, en een van 1 malder gaande uit 2 morgen beemd van Leonart Huijlartz in de Oe onder de dingbank Herten en Ool, volgens de akten die de provisoren hebben ontvangen. Op 8 oktober 1592 vindt aflossing plaats.

Op 22 april 1554 verklaren Jan Kuper, Gijs Rameck van Lijn, Jan Rameck van Lijn en Daniel van Lijn schuldig te zijn aan Emont van Barle 40 daalders wegens hout, te betalen voor St Jan a.s. 20 daalders en 20 op Remacli e.k. Borgen zijn Peter van Kessel de timmerman en Herman Kee van Lijn. Op 24 oktober 1554 worden de huwelijkse voorwaarden opgesteld tussen Emondt van Barle en Agnes van Eijll. Het huwelijkscontract wordt bezegeld door Johan van Lom, Christoffer van Dursdael, Arnt van Dursdael, Johan van Stalbergen, die getrouwd is met Catharina van Lom, Jacob van Eijll, Johan van Wijttenbhorst, Frederick Schellart van Obbendorp en Thomas van Apeltheren. Op 9 maart 1555 verkopen Thijs Boetzkens van Breij en Luijte, echtelieden, een plaatsje in het vierkant met kelder aan zijn huis op de Swalmerstraat, uitgaande aan Emont van Barle achterste muur zoals is afgepaald, aan Emont van Barle. Emont moet een muur vanaf de straat achterwaards optrekken tot 45 of 46 voet, waar Thijs bij herbouw mag inbalken en nadere voorwaarden. Op 14 december 1555 zegelt Emondt van Barll bij de huwelijkse voorwaarden tussen Godaert Pannekoeck, raad van Philips II als koning van Engeland, en Elisabeth van Eijll, dochter van wijlen Wilhelm en Christina van den Sandt.

Op 19 november 1557 wordt te Roermond geboren Anna van Baerle, dochter van Emont en Agnes van Eijll. Doopheffers zijn Emonts neef Henrick van Barick, zoon van Hendrik van Balderick genaamd Barick en van Eva van Brede uit 2e huwelijk, die 1 daalder en 1 nobel pillegift geeft, en ‘ons moen van Bavilo’. Op 17 november 1559 machtigt Emont van Barlo, Willem Botz in alle zaken voor het gerecht Roermond tot wederroepens.

Op 18 februari 1560 beleent Sijbert van Berensou, leenheer van het Huis Bree, Emondt van Baerll met de hof Braukshoiff angenn Broich, gelegen in het kerspel Bree. Op 20 mei 1561 beslechten Johan van Wijttenhorst, drost van Kessel, Adolph van Ghoer en Johan van der Voert, landscholtis van Kessel, als scheidslieden, een geschil tussen de ingezetenen van Baarlo en Maasbree over een beemd op de gemeente en broek van Bree. De dingslieden namens Maasbree zijn onder andere Sijbert van Bernsouw, Reijner Hillen en Lambert van Cruchten, burgemeester van Roermond; namens Baarlo onder andere Johan van Eijl, Johan van Holtmolen en Edmond van Barlle. Op 10 juli 1561 dragen Eva van Impell en Marten van Oienn de jonge, aan Johan van Wijck, stadhouder der lenen van het huis Huis Broekhuizen, verschillende leengoederen onder andere hoeve Enckevoirt te Baarlo op, die daarmee Emoendt van Barloe ten behoeve van die van Barick en die van Impell beleent.

Op 2 oktober 1563 ‘des anderen daghs nae senct remeijsdach episcopi’ oorkonden Johan van Lom en Wijhelm van Hushaven, schepenen te Roermond, dat Emondt van Baerle een zekere som mag aflossen aan Cathrijn, huisvrouw van Godert Houffts. In 1563 beleent Goessen van Raesfeldt zu Eijll, Emundt van Barle mede ten behoeve van Johan van Eill zo Baerlo met het goed Koesdunck en het goed zom Berckten. Op 6 december 1564 attesteren richter en schepenen van Ophoven en Geistingen inzake een som geld uit te betalen aan Emondt van Bairle en diens vrouw Agnes van Eijll. Daarbij is ook sprake van de familie Heister. Op 9 augustus 1566 verklaart Simon Dorman genaamd Bruijn, dat hij op een huis op den Oeveren gelegen heeft gebouwd en getimmerd toebehorend aan Emont van Barloe en geeft garantie. Staat garant met al zijn goed te Roermond. Op 12 oktober 1566 is Henrich van Doren betaald wegens de plaats Achter de Luif die Emond van Barloe van hem gekocht had voor 120 gulden brab, onder voorbehoud dat 9½ gulden brab die Emond inhoudt tot Henrich met de parochiekerk tot een accoord is gekomen, vermoedelijke over de aflossing van een rente.

Op 30 september 1570 attesteren Willem van Merwijck, drost van Montfort, en Emondt van Barloe, als leenmannen en Lambrecht van Cruchten en Gerart van Hamerstein, schepenen van Roermond, dat op verzoek van jonkvrouw van Wittenhorst, vrouwe van Hemert, aan Lutger van Vlodorp, erfvoogd van Roermond, betaling van hoofdsom en verlopen rente is gevorderd vanwege de overeenkomst eertijds gesloten tussen Gerart van Vlodorp, vader van Lutger, en Lubbert Torck, waar op Lutger geantwoord heeft dat de zaak ook anderen betrof waaronder de heer van Schinnen, Wijnck Kellener en ander niet aanwezigen. Op 12 februari 1571 verklaren de gezamenlijke schepenen van het ambt Montfort de leden van de ridderschap van het ambt Willem van Merwick, drost, Willen Frijmersum, Emont van Barle en Johan van Houlthousen, die zich garant hebben gesteld voor betaling van schatting aan de koning in 1571-1574 van het ambt, schadeloos te zullen houden.

Uit dit huwelijk:

1  Peter van Baerle, geboren 8 september 1555 te Roermond, overleden 1556

2  Christina van Baerle, geboren 25 september 1556, overleden 13 september 1622

3  Anna van Baerle, geboren 19 november 1557 te Roermond

4  Wilhelm van Baerle, heer van Overen, geboren 25 oktober 1559, overleden 13 mei 1602. Gehuwd op 8 mei 1593 met Anna van Spee

Elisabeth van Baerle

6  Eva van Baerle, geboren 12 juni 1563 te Roermond

7  Agnes van Baerle, geboren 28 mei 1568 te Roermond. Gehuwd met Godert van Hardenraet


21416  Elias van Weede, raad te Amersfoort (1565), zoon van Elias van Weede en Margrijet Reijer Peters, geboren ca. 1540, overleden 7 oktober 1587

Gehuwd met

21417  Cornelia van den Berch, dochter van Daniël Pouwelsz van den Berch en Jacobgen de With, overleden 1568

Beleend met de Thiend van Boelenhove op 5 februari 1558.

Op 9 mei 1573 leent Elias van Wede Elisz een bedrag van 300 karolusgulden aan Elijsabeth Jan Lubberszdochter, weduwe van Joachim Aert Boldewijnsz mede voor haar kinderen en andere erfgenamen. Op last van 400 gulden van Henrickgen, de weduwe van Jan Lubbertsz, haar moeder met haar kinderen. Nog uit een kamertje met een hof met toebehoren in de Koninckstraat belast met 12 stuivers per jaar aan de Onze Lieve Vrouwekapel. Elias van Wede verklaart op 15 februari 1583 dat Jan Willemsz Schaij de schuldsom heeft voldaan.

Op 3 juli 1574 verkopen Elias van Wede, Peter van Wede, Aert van Zijl als man van Lamberich, Anthonia van Wede met voornoemde Peter als momber, als erfgenamen van Elias van Wede en zijn vrouw Margriet, hun overleden ouders een eigendom aan Claes Jacopsz, bakker.

Uit dit huwelijk:

Daniël van Weede

2  Peter van Weede, licentiaet en advocaat te Utrecht, geboren 1567, overleden 31 januari 1622 te Utrecht

3  Elias van Weede, advocaat van de Hove van Utrecht, regent van het Sint Elisabeth Gasthuis te Amersfoort (1590-1647), regent van de Armen de Poth in Amersfoort (1597), gasthuismeester van het Sint Pieters Gasthuis te Amersfoort (1627), heemraad van Leusbroek (1631), geboren ca. 1570, overleden > 24 juni 1648. Ondertrouwd op 16 augustus 1593 voor het gerecht te Amersfoort met Cecilia van Schaijck


21418  Francois Jansz van Sneeck, heer van Oudaen, wijnkoper, cameraar (1582), raad van Utrecht (1576-1592), burgemeester van Utrecht (1597-1598), schepen van Utrecht (1599), stichter van de huisjes in het Paaijenborgsteegje, zoon van Jan Meertensz van Sneeck en Maria Franck Folperts, geboren ca. 1545 te Utrecht, overleden 30 januari 1600 te Utrecht. Gehuwd ca. 1573 met Adriana Goossen van Nijendael. Gehuwd met Alijdt de Drousselaer, begraven 10 december 1613 te Utrecht

Gehuwd met

21419  Christina Cornelis van Schoordijck, dochter van Cornelis Cornelisz van Schoordijck en NN van Hamersfelt, begraven 2 januari 1592 te Utrecht

In 1576 doet Jan Jansz een verzoek tot insinuatie aan Francoijs van Sneeck, wijnkoper, burger van Utrecht, betreffende vordering van Hubertgen Cornelis, erfgename van Marijgen, weduwe Cornelis Hubertsz te Vianen, in verband met vordering Jan Jansz op Hubertgen Cornelisz wegens achterstallige renten. Akte van codemnatie dd 30 januari 1576 voor het Hof van Holland.

Francois van Sneeck is op 5 maart 1578 door de bisschop van Utrecht beleend met het Huis Oudaen en 45 morgen land in Breukelen-Sint Pieters, na opdracht door Dirk van Zuijlen en zijn echtgenote Josina van Drakenborch. Tevens beleend door het leenhof van Nijenrode met de “Van den Engh” hofstede op 5 morgen land, gelegen aan de Vecht in Breukelen-Sint Pieters. In 1601 gaan de lenen over aan Johanna van Sneeck na de dood van Francois van Sneeck.

Op 26 april 1581 heeft Francoijs van Sneeck, wijnkper te Utrecht, een paspoort gekregen voor 14 toelasten wijn, gelegen in het schip van Herman Arentsz, schipper van Arnhemn, om deze te vervoeren naar de weduwe van Henrick Schilt te Amsterdam. Op 18 mei 1581 protesteert Geraerdt, heer tot Poelgeest tegen het niet nakomen door Francoijs van Sneeck van het akkoord, waarbij overeengekomen was dat Francoijs van Sneeck f 200-0-0 zou betalen inzake fout in de licentie op wijnen.

Op 7 november 1584 zijn Jelis van Vlins, apotheker te Utrecht, en Francoijs van Sneeck in proces overeengekomen dat Francoijs van Sneek een schuld van f 500-0-0 zou kwijtschelden. Tevens akkoord met Adriaen Aertsz te Loosdrecht betreffende de kosten van ongeveer f 8-0-0 waarop Francoijs van Sneeck in naam van Adriaen Aertsz f 5-0-0 gaf, die afgetrokken werd van hetgeen Jelis van Vlins nog schuldig was aan Francoijs van Sneeck.

Franchois van Sneeck koopt op 17 juli 1587 een huis in de Wittevrouwenstraat.

Op 13 mei 1597 is te Amersfoort een akte afgegeven door het gerecht met een verklaring van Bata van Droffelaer, weduwe van jonkheer Gijsbert van Zuijlen van Nijvelt, met haar zoon Anthonis en Franchois van Sneeck, man en voogd van Aleid van Droffelaer, dat twee kampen land in Molenbroeck krachtens de huwelijksovereenkomst tussen Jorden van der Maeth en Johanna van Droffelaer aan hun is toegevallen na de dood van Johanna. Dat die tot dan toe in bezit gehouden zijn door Jorden van der Maeth, de man van Johanna. De comparanten stellen dat zij de twee kampen daadwerkelijk in bezit nemen en hebben daartoe actie possessoir ondernomen door op het land aarde- en grafroeringe te doen en waarvan zij nu een akte vragen, zodat de pachtinkomsten voortaan aan Bata en Franchois betaald worden.

Overluidingen 1562-1614 van de Domkerk: “Item op den IIen Januarii over Cristina van Schoordijck, huijsfrou van Franchoijs van Sneek. Salvator twe ure facit, XII gl”.

Op 6 augustus 1646 benoemen de (klein)kinderen van Johan van Renesse, Maximiliaen van Renesse, Margreta van Renesse van Wijlp en de onmondige kinderen van Cornelia van Renesse in leven weduwe van Ernst van Rheede, Niclaes Derout en Cornelis Lipsen om een goed genaamd Den Ever, gelegen in ambacht Roosendaal te Brabant, te transporteren aan de erfgenamen van Franchois van Sneeck, in leven burgemeester van Utrecht. Op 19 augustus 1646 accepteren de erven van Francois van Sneeck het goed. De erven zijn Johanna van Sneeck, weduwe van Jacob van den Burch van Oudaen, Francois van Weede, Francois van der Burch en de overige erfgenamen.

Uit dit huwelijk:

Maria van Sneeck

2  Deliana van Sneeck, vrouwe van Wijnesteijn te Jutphaas, overleden 13 oktober 1626 en begraven 23 oktober 1626 te Utrecht. Gehuwd op 18 oktober 1600 voor het gerecht te Utrecht met Pieter Pietersz van der Burch, heer van Wijnesteijn, geboren 25 april 1571 en gedoopt 26 april 1571 te Schiedam, begraven 17 juni 1625 te Utrecht

3  Johanna van Sneeck, vrouwe van Oudaen, overleden 23 oktober 1652 en begraven 8 november 1652 te Utrecht. Gehuwd op 7 juni 1606 voor het gerecht te Utrecht met Jacob Pietersz van der Burch, heer van Oudaen, geboren 3 mei 1579, overleden 1625


21420  Johan Gevertsz van Amerongen, burger hopman, procureur van de proost van St. Jan en St. Marie te Utrecht, zoon van Gevert Petersz van Amerongen en Sophia van Brouchoven, geboren ca. 1540, overleden ca. 1576

Gehuwd in 1564 (huwelijkse voorwaarden 25 oktober 1564) met

21421  Francisca van Diepholt, dochter van Coenraet van Diepholt en Fransken van IJsselstein, overleden en begraven 13 juli 1605 te Utrecht. Gehuwd met Philips Hardeman, drossaard van Leerdam

Jan Govertsz van Amerongen wordt op 29 juli 1561 beleend met landt in Vreeswijk. Op 1 juni 1569 wordt hij beleend met een hofstede in Schalkwijk bij dode van zijn moeij Maria van Broeckhoven krachtens testament van Jacob van Broeckhoven, raad, van 4 februari 1554.

Op 25 oktober 1564 wordt de akte van huwelijkse voorwaarden opgesteld tussen Jan Geurtsz van Amerongen en Francisca Coenraedtsdr van Diepholt.

Op 20 december 1577 Na dode van Jan Gevertsz van Amerongen ontvangt Gevert van Amerongen, als oudevader van Peter, Jan van Amerongens oudste zoon, een viertel in Achttienhoven bij de zijdewij. Op 7 april 1578 spreekt het Hof van Utrecht een vonnis uit waarbij ten verzoeke van de potmeesters een halve hoeve te Tienhoven, toebehoorende aan Francisca van Diepholt, weduwe van Jan van Amerongen, executabel wordt verklaard voor een daaruit gaande rente van 40 gulden ‘s jaars. Met executoriaal 5 maart 1579.

Op 27 juli 1581 leent Willem Jansz van Schoonhoven namens Margrijt, zaliger Andries van Broeckhovens weduwe, met Lambert Wijnen haar momber, een hoofdsom van 650 gulden van Jan Willemsz. Jan Willemsz zal schadeloos gehouden worden van borgtocht in ‘t proces tussen Margrijt en Jan Amerongen Gevertsz nagelaten weduwe.

Op 16 januari 1583 sluit Mechtelt Vorlinx te Utrecht een plecht bij Francoise Diepholt, weduwe van Jan van Amerongen op een huis aan de westzijde in de Vorderstraat te Wijk bij Duurstede. De hoofdsom bedraagt 100 Carolus gulden.

Opmetingen Lekdijk: 580: 22 mei 1592 de erfgenamen van Jan van Amerongen in plaats van Gevert voorschreven en Melchior Weijman in plaats van alsvoren samen een halve hoeve, 1602 de erfgenamen van Jan van Amerongen in plaats van Gevert van Amerongen, Willem Cornelisz en Gerrit Dirckx opte Vaert in plaats van Melchior Weijman samen een halve hoeve. 581: 19 mei 1572 Jan van Amerongen en Dirck van Oostrum een halve hoeve, 15 mei 1582 Benjemin van Oostrum in plaasts van Dirck van Oostrum en Jan van Amerongen een halve hoeve, 22 mei 1592 de weduwe van Jan van Amerongen een viertel, 6.2 x 1.

Op 25 april 1595 benoemt Mechtelt Corlincx Thomas de kinderen van Jan van Amerongen Gevertsz en Francisca van Diepholt tot haar erfgenamen, met benoeming van Philips Jolijns, kanunnik van de St. Peter te Utrecht, en Pouwels Soest, advocaat, tot executeurs. Op 16 november 1596 de erfgename van Johan van Amerongen, met name Fransisca van DIepholt eerder weduwe van Johan van Amerongen, Fransisca van Amerongen dochter, en Philips Hadderman, benoemen Coenraert van Amerongen, zoon van Fransisca van Diepholt om voor het gerecht van Amerongen aan Henrickgen Gerrits van Schaffelaer, weduwe van Jan Quint, twee percelen land te transporteren, een genaamd Die Drie Kijntsdeelen gelegen op Gerborchweerdt ‘s lands van Gelre, het ander genaamd De Drie Kijntsdeelen van den Lande gelegen op de Ameronger Eng. De moeder machtigt haar man, de dochter machtigt haar broer percelen uit de nalatenschap van de grootvader van de overleden zoon en de dochter.

Op 2 augustus 1604 Haijo van Roussell constitueert Dirck Roeloffsz om voor het gerecht van Vinkeveen f 400-0-0 ten laste van de erfgenamen van Johan van Amerongen en Franchoijse van Diepholt te transporteren aan Cornelis Herpertsz. Akte dd 27-04-1588 voor gerecht van Vinkeveen.

Overluidingen 1562-1614 van de Domkerk: “Die XIIIa Julij 1605 in obitu et funere domicelle Fransisce de Dieffholt, uxoris Philippi Hardeman, drossati in Leerdam, Salvator bis, XII fl.”.

Uit dit huwelijk:

1  Peter Jansz van Amerongen, overleden < 1591

2  Jacob van Amerongen, overleden 1622-1628. Gehuwd op 12 november 1614 te Utrecht met Heijlwich van Hattem van Rijnesteijn, overleden 1636-1639

3  Coenraet van Amerongen, begraven 9 april 1610 te Utrecht

Steven van Amerongen

5  Roeloff van Amerongen, overleden 1592-1599. Gehuwd met Catharina van Wijck

6  Johan van Amerongen, overleden < 1596

7  Francisca van Amerongen, begraven 24 oktober 1636 te Utrecht. Ondertrouwd op 21 november 1613 en gehuwd op 28 november 1613 in de Jacobikerk te Utrecht met Elbertus Zoesius, raad ordinaris in de hove van Utrecht

8  Sophia van Amerongen, overleden 1638 op Huis Duurstede te Wijk bij Duurstede. Ondertrouwd op 26 juni 1590 en gehuwd te Utrecht met Matthijs Kamp, jonker. Ondertrouwd op 11 augustus 1616 en gehuwd op 20 augustus 1616 te Utrecht met Johan van Hatttem van Rijnesteijn, commandeur op het Huis Duurstede, schepen (1615, 1627) en burgemeester (1629-1637) van Wijk bij Duurstede, overleden 1638 te Wijk bij Duurstede

9  Jacoba Maria van Amerongen. Gehuwd met Michael Kloecke, burgemeester van Aken. Gehuwd met Jonker Johan Weller van Sollenfelten


21422  Evert van Schuijren ter Horst, heer van Horst (1552), beleend met Steinhaus (Kleefs leen) (1582), zoon van Adolf van Schuren en Anna van Diepholt, geboren ca. 1540, overleden 21 mei 1597, begraven te Essen (D)

Gehuwd met

21423  Veronica Knipping tot Mathena, dochter van Albert Knipping en Margareta Remberts van Callenberg, geboren ca. 1540, overleden 4 mei 1621, begraven te Essen (D)

Links het huis Horst aan de Roer. Het huis ligt cirac 3 kilometer ten zuidoosten van Essen-Steele, aan de noordoever van de Roer.

Het merendeel van onderstaande akten zijn vertaald uit het duits. Vertaalfouten zijn mogelijk. De originele duitse omschrijvingen zijn te vinden op http://wiki-de.genealogy.net/Herrlichkeit Horst.

Van 7 juli 1550 dateert een missive van het Hof van Gelre en Zutphen aan de schout van Barneveld dat hij het verzoekschrift van Evert van der Schueren aan Lubbert Wolffs moet voorhouden en diens antwoord daarop vernemen. Van 18 november 1550 dateert een missive van het Hof van Gelre en Zutphen aan de schout van Barneveld, dat Lubbert Wolffs des verkiezende binnen 14 dagen op de hierbij gaande declaratie van kosten van Evert van der Schueren mag diminueeren. Op 16 februari 1560 verzoekt de stadhouder aan de weduwe van Johan Schrasser, Evert van der Schuijr en Evert van Nulde, dat zij afstand moeten doen van de door ten onrechte van de gravin van Benthem gepachte tienden en die overlaten aan de vrouw van Batenburg en den heer van Anholt.

Op 10 december 1561 geeft Neijse, weduwe van Elbertz ter Lunen, burgers van Essen, Everdt van Schuijren ther Horst het terugkooprecht van een rente. In 1562 vindt de erfdeling plaats na de dood van Bruen van Schüren tussen Evert van Schüren als broederkind en Johann van Aldenbockum als zusterkind. In 1562 verwisselen Diderich van Asbeck tot Berge en zijn echtgenote Anna een haag tegen de berging met een weiland achter de berging met Evert van Schuiren ter Horst. In 1563 verkoopt Evert van Schuijren ter Horsth op de Roer aan Metten, weduwe van Wenemars Fuijlramens, een in Essen betaalbare rente uit het goed Weientorp in het sticht Essen. Op 22 februari 1564 staat Irmgard, gravin van Diepholz, abdis van Essen, het echtpaar Dirichen van Nijrenkreij en Elsen de verkoop toe van een graanrente uit het Hof Nijrenkreij in het bisschop Essen, die behoort aan het Hof Eickenscheidt, aan Evert van Schuiren van Horst op de Roer.

Op 10 maart 1565 verpacht Irmgard, gravin van Diepholz, abdis van Essen, aan Evert van Schuren van Horst op de Roer, de beide visserijen in de Roer, waarmee het pachtverdrag van 14 oktober 1504 van de abdis Metta van Oberstein met Herman Smidtz, Everdt Steelman en Johan Feggeler van Steele, beëindigd is. Op 24 maart 1565 geven Elisabeth en Elsbeth, gravinnen van Manderscheidt en Blanckenheim, Pröpstin en Dechantin, en Margaretha, gravin van Honstein, hun toestemming aan de verpachting van de visserij op de Roer bij Steele door de abdis Irmgard van Diepholz aan Evert van Schuren waarmee het pachtverdrag met Herman Smidt, Everdt Steelman en Johan Feggeler eindigt.

Op 7 maart 1568 getuitgt Jürgen Schell uit naam van Evert van Schuren van Horst op de Roer voor Herman Marck, richter te Rellinckhausen, en notaris Weirich Hiltropf, klerk van het gerecht Keulen, dat hij met Herman Brinck, burger van Essen, bij de Kapitularen van Rellinckhausen en de gedeputeerde Herman Voellhaever, pastoor, en Johan Cappert, vicaris, een losbrief betreffende een rente uit Spillenborgs Mollen, overgedragen heeft, die echter niet aangenomen is. Op 10 juni 1569 verkopen Hinrich Bierman, burger van Essen, en zijn echtgenote Fie, aan Eberhardt van Schüren, heer van Horst op de Roer, en zijn echtgenote Veronika Knippinck, de stichtse Essensche hoeve Biermanshoeve in het ambt Blankenstein, die tot de hof Eickenscheidt behoort, met toestemming van de abdis Irmgard gravin van Diepholz. Op 26 juli 1569 toont Eberhard van Schüren, voor Dieterich Kuleman, notaris, en Johann Schmeling, afgevaardigde van de abdis van Essen, aan dat Adolff Steinhaus het goed op de Hüls en de Woppenberg bezeten heeft, en later diens echtgenote Stephana op de Berg zonder erfgoed overleden is, en die goederen aan Albert Knippinck tot Dickern toegevallen zijn. Hij verlangt namens zijn zwager en zijn eigen vrouw Veronica Knippinck, eigendom over de goederen, waarvan Goswin van Raesfeld van Eill direct gebruik heeft. Op 3 augustus 1569 toont Eberthardt van Schüren, heer van Horst, tevens als gevolmachtigde van zijn zwager Albert Knipping tot Dinkkern, aan, dat Adolph van Steinhaus van Essen zonder erfgoed overleden is, en dat deze goederen als erve van zijn echtgenote Steffanie op de Berghe aan Albert Knipping toegevallen zijn, met een volmacht van Melchior van Delwigh, drost van Bochum, met betrekking tot overdracht van de eigendom, waarop deze aan het Schultengoed van Varenholte, waar Jürgen Schulte woont, toebedeeld wordt.

Op een onbekende datum in 1569-1570 worden afspraken gemaakt over de aflossing van een rentebrief van Everd van Schüren aan M. Herman Brinck, burger van Essen in de Borgh, die ten gunste van het sticht Rellinghausen is afgesloten, waarbij Herman Voelhaever, pastoor, Johan Capp, Johan Knop en de kanunnik Henrich … en Joist … toebedeeld zijn. Op 11 maart 1570 is een verdrag gesloten tussen Fredtreich van Pallant, heer van Varst en Keppel, als erven van Steffane op de Berge, weduwe van Adolf Steinhaus, en Wilhelm en Gerdruid van Tillen enerzijds, en Evert van Schuren, heer van Horst op de Roer, in plaats van Albert Knippinck en Veronica Knippinck, zijn vrouw, anderzijds, waarbij Wilhelm van Til afstand doet van het goed Vaihrenholte in het ambt Boickum, evenals het goed Ockelburg in het sticht Essen, het land Voisskule dat Heinrich Steinhausen in Ludenscheit in eigendom had, het tiend van Wechman van Brandorff, en waarbij Evert de rente uit het Steinhauskamp aan de kanunnik van Essen zal betalen.

Op 3 oktober 1570 bevestigen Gertrudt van Tijll, weduwe van Johans ingen Haiff, en hun dochter Anna van Loin, echtgenote van Liffs ingen Haiff, dat laatstgenoemde als voogd en gevolmachtigde benoemen bij het afsluiten van een verdrag met Everhardt van Schuren, heer van Horst. Op 10 oktober 1570 toont Loiff ingen Haiff, als gevolgmachtigde van Gertrud van Tijll weduwe van Johan ingen Haiff, zijn moeder, en zijn vrouw Anna van Loin, een volmacht van de bisschop van Berck (Rheinberg), Johan ingen Have en Adam ten Wege, en verkoopt aan Everdt van Schüren, heer van Horst op de Roer, en zijn vrouw Veronica, het goed Hüls en de Ockelburg en het land de Vosskuhle in het sticht Essen en gericht Volmestein, welke goederen hen door vererving van wijlen Stephanie op de Berge, weduwe Steinhaus, toebedeeld zijn.

Op 12 februari 1571 verkopen Wenemar van Hoentzeler en zijn echtgenote Catharina, een rente uit het goed van burgemeester Jürgen Wijsman en zijn echtgenote Catharina, aan Everdt van Schuren, heer van Horst op de Roer en zijn echtgenote Veronica. Op 29 december 1573 draagt Henrick Eixkens een rente uit het goed van Evert van der Schueren, heer van Horst, over aan Marten van Broickum. Op 22 maart 1574 geven Christoffer Luekens, burger van Essen, en zijn echtgenote Alheidt, aan Eberdt van Schüren, heer van Horst op de Roer, en zijn echtgenote Veronika, het recht tot terugkopen van een rente op het goed Weijentorp in het gericht Essen, waarop Bernd nu woont. Op 8 november 1575 geven Andries Zanders en zijn echtgenote Jasper, aan Eberhardt van Scheuren, heer van Horst, en zijn echtgenote Veronica Knipping, het recht tot terugkopen van een rente. Op 13 juni 1580 belenen Eberhard van Schüren van Horst op de Roer en zijn echtgenote Veronica Knippinck, Eberwin op de Brinck en zijn echtgenote Grete, met het goed op de Brinck bij Langenberg in de heerlijkheid Langenberg.

Op 10 november 1580 wil Jorgen Scheel, burger van Essen, uit naam van Evert van Schüren, heer van Horst, 12 rijksdaalders overdragen aan Dietrich Kuilman, rentmeester van de abdij van Essen, als pachtgeld voor de visserij op de Roer, maar deze weigert. Ook de richter van Essen, Evert van Eickell, wil het geld niet in bewaring nemen voordat de abdis is teruggekeerd. Op 10 januari 1581 oorkonden burgemeester en de gemeente Steele dat de op 28 juni 1575 overleden abdis Irmgard gravin van Diepholz, de armen van Steele 200 daalders nagelaten heeft, welke som heden door de executeur testamentair van de abdis, Dietrich van der Horst, ambtman van Düsseldorf en Angermund, Hinrich Knippinck van Grimberg, Everhard van Schüren van Horst op de Roer en Thomas Reppelmundt, is uitbetaald en waarvoor Everhard van Schüren een rente verkoopt.

Op 10 mei 1585 verkopen Franciscus Kartz van Linnich, pastoor, Elbert Kolman, Johan Raetman, kerkmeester, Henrich Tossen en Henrich Schmidt, burgemeesters van Scheele, Eberdt Dorneman, Johan van Velde, Henrich Schulte van Issingk, Eberdt Kallepell, Jürgen Schulte van Schonscheidt, parochieleden, Herman op de Brinck, Dieterich in de Stein, Laurenz Bierman, Eberdt Wijtken, Eberdt Bierman, Johan Schundt, Eberdt Schomecher, burgers van Steele, aan Eberhard van Schüren, heer van Horst op de Roer, en zijn echtgenote Veronica Knipping, een kamp in Boeler Aijen.

Op 8 juli 1589 geeft Arndt van de Vitinckhoefe aan Everd van Schüren van Horst op de Roer het recht om een rente terug te kopen. Op 22 juli 1591 oorkondt Dithmar van Dinsing van Berentopf, richter van Bochum, dat Eberhard van Schüren van der Horst op de Roer, en zijn echtgenote Veronica Knipping, het allodiaal goed Hinderfeld in het ambt Bochum, aan Jürgen Borcherics, burgemeester van Hatneggen, verkocht hebben. Op 30 juli 1592 verpachten Eberhard van Schüren van der Horst op de Roer en zijn echtgenote Veronika Knipping, het goed in de Dornen aan Johan in de Dornen en zijn echtgenote Niesen.

Op 5 september 1597 sluit Veronica Knipping, weduwe van Schüren van Horst op de Roer, een verdrag met Dietrich Tossen van Boel, Ebert Wijtkhens en Johan in de Haekhe, burgers van Steele, waarna de weduwe het land in Boeler Aijen op de Wehrsbrinck op de Hanenkhamp aan Dietrich Tossen overdraagt en daarvoor land in de Boeler Mark, land op de Hohnholte, op de Edelchloe, op de Hülsberge en op de Holteijerkamp tussen de vertakkingen van de Roer behoudt. Op een onbekende datum omtrent 1597 bekent Veronica Knipping, weduwe van Eberhard van Schüren van Horst op de Roer, een schuld tegenover Gertgen Scheel, burger van Essen, en zijn echtgenote Anna Gossens.

Uit dit huwelijk:

Margareta van Schuijren van der Horst

2  Everhard van Schuren tot Horst, heer van Horst (1604)


21440  Willem Willemsz de Cruijff den jongen, leenman van de Dom, zoon van Willem Willemsz die Cruve en Elijsabeth Wouters de Wijs, geboren ca. 1495

Op 14 februari 1517 ontvangt Jonghe Willem dije Cruijff Willems van de Domproost de thinsweer van een huijs en hofstede mit alle hare timmeringe zo zij nu ter tijt staat ende begrepen heeft en 12 morgen land die achter die husinge en hofstede voorschreve gelegen zijn ende mitte bosschen dat daer toebehoort ende een halve hoeve land gelegen gemeen mitte choralen van de Dom met alle hare toebehoren ende bepalinge boomen ende boorden eggen ende eijnden zoe die voorschreve goederen gelegen zijn tot Darthesen, strekkende mitte ene eijnden van den gemenen wech geheten de Madewech ende mitten andere eijnde in de Goijerwetering.

Op 4 mei 1527 erkent Willem Willem Willems die Cruve, in een gerechtsbrief van Nederlangbroek, van de gemeene vicarissen en koorgezellen van het kapittel van St. Pieter in erfpacht te nemen een halve hoeve land geheten die Rijesmuer aldaar op voorwaarden vervat in ‘s Kapittels ingelaste brief dd 2 mei 1527.

In 1535 is Willem die Cruijff Willems aangeslagen voor 1 pond 8 stuivers thins van drie hofsteden onder Cothen, noch Willem voorschreve aangeslagen voor 12 stuivers thins van een hofstede onder Cothen, noch denselve Willem die Cruijff aangeslagen voor 1 pond thins van twee hofsteden onder Cothen.

Op 21 november 1537 zijn Willem dije Cruijff en Cornelis de Ridder als leenmannen van de Dom aanwezig bij de belening van Gerijt Dircks met 5 morgen in de gerechte van Nijendijck in de kerspele van Werkhoven.

In 1543 draagt Willem die Cruve in Coten een erfpacht van de St. Pieter over aan Nicolao Theodorici in Cothen, blijkens een extract uit de extra ordinaris ontvangsten anno 1543.

Kinderen:

1  Antonia Willems de Cruijff. Gehuwd met Jacob Arnoutsz Mom

2  (?) Roeloff Willemsz de Cruijff


21456  Antonis Mom

Kinderen:

Aert Anthonisse Mom

2  Willem Anthonisse Mom. Gehuwd met Sophia Christoffels. Gehuwd in september 1624 te Rijswijk met Belichje Wilms van Santen. Gehuwd op 29 mei 1633 te Wijk bij Duurstede met Aelbertje Adriaens

3  Jan Thonisz Mom


21460  Jan Thonisz Verkerck, zoon van Thonis Aertsz Verkerck, geboren ca. 1545, begraven (?) 2 februari 1638 te Beusichem

Gehuwd ca. 1565 met

21461  Jannetje Jelis

Uit dit huwelijk:

Jelis Jansz Verkerck

2  Hendrick Jansz Verkerck, geboren ca. 1568, overleden ca. 1628

3  Aert Jansz Verkerck, geboren ca. 1570, overleden ca. 1632. Gehuwd met Aeltje Claes

4  Aert Jansz Verkerck, geboren ca 1573, overleden ca. 1637. Gehuwd met Ursula Jans

5  Dirck Jansz Verkerck, geboren ca. 1576


21504  Willem Leendertsz Koning, taxateur, geboren ca. 1543, overleden 1617-1622

Op 22 maart 1617 wordt een verklaring opgesteld, gedaan voor Govert Gerbrants schout en Heijndrick Corneliszn en Jacob Roels schepenen van Zandvoort, door Claes Maerts oud omtrent 85 jaar, Roeloff Maerts oud omtrent 80 jaar, Volckert Jacobs oud omtrent 70 jaar, Willem Leenderts Coningh oud omtrent 73 jaar, en Willem Meens oud omtrent 56 jaar, betreffende de uitgestrektheid der jurisdictie van Zandvoort.

Kinderen:

1  Dirck Willemsz Koning, overleden < 1623

2  Jacob Willemsz Koning, overleden 1610-1623

3  Heinderick Willemsz Koning

Leendert Willemsz Koning


21506  Saijer Maertsz

Kinderen:

Erm Saijers


21560  Meerten NN

Kinderen:

Willem Meertensz

2  Jeroen Meertensz


22096  Heijndrick Pietersz Taal, zeeman, zoon van Pieter Hendricksz Tael en Alijt Jans, geboren ca. 1569 te Scheveningen, overleden 30 juli 1603 te Scheveningen

Gehuwd met

22097  (?) Nelleke Gerrits, geboren ca. 1569 te Scheveningen, overleden 6 juni 1640 te Scheveningen

Links tekening van het handmerk van Hendrick Pietersz Tael, op 5 december 1595 gebruikt voor ondertekening (bron: www.stamboomplein.nl).

Schoorsteengeld 1606: De weeduwe van Hendrick Pieterszoon heeft een scoorsteen coompt j f x st. Is een schamaer vrou leeft van de aelmijs.

Uit dit huwelijk:

1  Alijt Hendricks Taal

Jan Hendricksz Taal


22098  Gerrit Cornelisz Schilperoort, kleermaker, zoon van Cornelis Jacobsz Schilperoort en Corsgen Joris Oosterbaan, geboren 1565, begraven 19 februari 1644 te Scheveningen

Gehuwd op (?) 7 april 1589 te Scheveningen met

22099  Maritge Wouters Bom, dochter van Wouter Jansz Bom en Leuntgen Arents den Jagher, geboren 1564, begraven 1602 in de Oude Kerk te Scheveningen

Links tekening van het handmerk van Maritge Wouters, in 1602 gebruikt voor ondertekening (bron: www.stamboomplein.nl).

Schoorsteengeld 1606: Gerrit Corneliszoon heeft drie scoorsteenen compt iiij f x st.d

Uit dit huwelijk:

1  Wouter Gerritsz Schilperoort

2  Maarten Gerritsz Schilperoort

3  Leuntgen Gerrits Schilperoort

4  Ermken Gerrits Schilperoort

Claertje Gerrits Schilperoort

6  Cornelis Gerritsz Schilperoort

7  Maritgen Gerrits Schilperoort


22100  Cornelis Jol

Gehuwd met

22101  Grietje Meijnderts

Uit dit huwelijk:

Gijsbert Cornelis Jol


22110  Cornelis Dircks Coolen (alias Jonge Bouff), overleden < 1606

Gehuwd met

22111  Alijt Dircks, overleden > 1611

Op 12 februari 1571 koopt ‘Cornelis Dircxs alias jonge Bouff’ een huis in de Gasthuijsstraat. Hij verkoopt het huis weer op 6 februari 1584.

Schoorsteengeld 1606: De weduwe van Cornelis Dirckxzoon Coolen heeft twee scoorsteenen compt iij f.

Op 19 mei 1611 verkoopt ‘Alijdt Dircxsdr weduwe van Cornelis Dircxs Colen wonende op den dorpe van Scheveningen geassisteerd met Cors Cornelis Colen’ aan ‘Adriaentgen Cornelis haer dochter weduwe van Sijmon Jacobs geassisteerd met Claes Dircxs Buns haer oom’ [Toet, huis nummers 40 en 42]. Dit pand was op 20 mei 1578 aangekocht door Cornelis Dircxs Colen. In 1606 is de weduwe van Cornelis Dirckxzoon Coole voor in dit huis aangeslagen voor 2 schoorstenen, te weten fl. 3,-.

Uit dit huwelijk:

1  Cors Cornelis

Ariaentje Cornelis Coolen


22128  Pieter Weijns, beenhouwer, geboren ca. 1540 te Cassel (België)

Kinderen:

Matthijs Weijns


22130  Pieter Gabriëlsz, françois schoolmeester, geboren ca. 1540, begraven 4 februari 1602 te Leiden (#)

Gehuwd met

22131  Claertje Cornelis, dochter van Cornelis Jansz en Claartje van der Wartel, geboren ca. 1540 te Leiden, begraven 14 mei 1604 te Leiden (#)

Uit dit huwelijk:

Maartje Pieters

2  Elisabeth Pieters, geboren ca. 1575 te Leiden. Gehuwd in 1595 met Quirijn Quirijnsz

3  Annetje Pieters, geboren ca. 1577 te Leiden. Gehuwd in 1597 met Jan Vachters

4  Trijntje Pieters, geboren ca. 1580 te Leiden. Gehuwd in 1600 met Andries den Duijtscher


22132  Cornelis Maertens Robol, weeshuismeester te Katwijk, zoon van Maerten Cornelisz Rebel en Maritgen Cornelissen, geboren te Katwijk aan Zee

Kinderen:

Teunis Cornelis Robol


22756  Cornelis van Montfoort, kaartmaker, procureur en notaris te Amersfoort, overleden 1599-1602

Gehuwd met

22757  Marritgen NN, overleden > 28 mei 1602

Op 10 mei 1597 is besloten dat Cornelis van Montfoort, kaartmaker, de verdeling van de vakken langs de Eem voor het graven zal maken.

Op 28 mei 1602 vindt het transport plaats van een huis, hof en hofstede op het Sint Joriskerkhof. Kopende partij is Mr. Jan Wijnoltsz, wonend in ‘t Renense veen en zijn vrouw Maria. De verkopende partij is Margrijet en Geertruijt Everts met hun momber Clemens Fransz met consent van Marritgen, weduwe van Cornelis van Montfoert, met Cornelis van Montfort haar zoon en momber samen voor Ariaen en Jan van Montfoert en voor ‘t onmondige kind van Dirck van Montfoert haar zoon, genaamd Lambertgen Dirx, geprocreerd bij zijn vrouw Maria Lamberts.

Uit dit huwelijk:

1  Dierck van Montfoort. Gehuwd op 9 maart 1598 te Amersfoort met Merritgen Lamberts

2  Ariaen Cornelissen Monfoort. Gehuwd op 1 maart 1601 te Amersfoort met Annitgen Peters van Steenweel

Cornelis Cornelissen Montfoort

4  Jan Cornelissen Montfoort

5  Willem Cornelissen Montfoort, gedoopt 23 oktober 1586 te Amersfoort (get: cappeteijn Jan Petersen, cappeteijn Joost Hermissen ende dij wachtmeesters vrou Catarina Antonisdochter)


23018  Cornelis Adriaensz, stoeldraaier, geboren ca. 1570, overleden 1623-1626

Ondertrouwd op 28 oktober 1594 te Amersfoort en gehuwd (#) met

23019  Aeltgen Jans, geboren ca. 1570, overleden 1623-1626

Op 27 augustus 1623 maken Cornelis Adriaensz, stoeldraeijer, en Aeltgen Jans, sijeck van lichaeme te bedde leggende, hun testament op. Over en weer bemaken zij elkaar de lijftocht van al hun na te laten goederen met een volkomen bewind en administratie, tot het hertrouwen toe van de langstlevende. Zij secluderen de Weeskamer. Al hun na te laten goederen bemaken zij in gelijke portien aan hun kinderen: hun zoon Jan Cornelis en hun dochters Adriaentgen en Gijsbertgen Cornelis, of in geval van vooroverlijden aan hun na te laten geboorte met eenre hant. Na de dood van de comparanten zullen de kinderen die uitgehuwelijkt zijn, of nog voor de dood van de comparanten uitgehuwelijkt zullen worden, hun huwelijksgoed inbrengen alvorens zij ter gemene deling zullen mogen komen. Aeltgen Jans, mede-testatrice, prelegateert nog aan haar jongste dochterken Gijsbertgen Cornelis al haar klederen, haar twee dochters zullen haar linnen ten lijve met hen beide delen.

Op 1 juli 1626 verkopen Jan Cornelisz en Grijetgen Claes zijn vrouw, Claes Evertsz en Henrick Heijmansz van Estvelt als mombers van Gijsbertgen Cornelis, allen samen voor Willem Henricksz en Adriaentgen Cornelis zijn vrouw, een huis, hof en hofstede op de Kamp aan Lourens Jansz en Gerritgen Peters zijn vrouw.

Uit dit huwelijk:

1  Adriaentgen Cornelis

2  Jan Cornelisz, geboren 1598-1599. Ondertrouwd op 1 oktober 1623 te Amersfoort en 7 oktober 1623 te Amsterdam en gehuwd te Amsterdam met Grietgen Claes

3  Gijsbertgen Cornelis


23170  Willem Hendricksz van Hardevelt, schepen (1541) en raad (1551-1553) van Amersfoort , geboren ca. 1500, overleden 1560-1568

Gehuwd met

23171  Geertruijt NN

Op 25 augustus 1540 quarta eodem die sero sluiten Willem van Herdevelt en zijn wijf Geertruijt een tegoedschelding van een huis en hofstede gelegen op de Camp met Gosen Rumeler en zijn wijf Engell. Op dezelfde datum sluiten beiden een leenovereenkomst waarbij Willem van Herdefelt drie gulden en 5 stuivers leent, te betalen op 1 mei aanstaande.

Op 4 januari 1541 vindt de benoemingen plaats van schout, burgemeesters en schepenen, waarbij Willem van Herdefelt genoemd wordt als een van de schepenen. In 1542, op manendach post Judica, koopt Willem Henricsz op Herdefelt burgerrechten van de stad Amersfoort.

Op 14 april 1552 is een leenovereenkomst opgesteld tussen Dirck Vos Ariszn en Evert Willemszn tegen 1 keizersgulden te renten uit twaalde deel van drie vierdelen land, gemeenschappelijk met Willem van Herdevelt en zijn medewerkers, gelegen op de Meent in het Zwarte Land. Hetzelfde land is genoemd in een leenovereenkomst tussen Cornelis Vos Dircxzn en Claes Goertszn op 6 mei 1556. Op 18 juli 1554 is Willem van Herdevelt is genoemd als gebruiker van een lege hofstede, belendend aan een halve hof in de Pothoff. Op 4 november 1554 is Willem van Hardevelt met zijn kinderen genoemd als belender van een huis staande in de Kamper Vijpoort (Kamerbinnenpoort). Op 21 oktober 1556 is Willem van Herdevelt genoemd als belender van land gelegen in het Zwarte Land buiten de Campoort (Kamperbinnenpoort).

Op 21 november 1556 verkoopt Willem van Hardevelt een vierdel land zoals dat gelegen is binnen de vrijheid van Amersfoort, genoemd Den Doorncamp, strekkende van de Laege Wech aan de Groone Steech toe, aan zijn zoon Gerijt Willemss en zijn dochter Jannitgen. Als een van hun beide overlijdt zonder nakomelingen, dan zal hun broeder Jacob of hun zuster Gerberich erven.

Op 3 maart 1558 en 16 april 1558 is Willem van Herdevelt genoemd als belender van een huis in de Langestraat in de Muerhuijsen. Op 22 november 1558 verkopen Jannitgen, Willem van Wede weduwe, Willem Willemszn, Davidt WIllemss, Gerijt Corneliszn als man van Petertgen, Cornelis Ariaenss als man van Gerberich, allen kinderen van genoemde Jannitgen met haar gekozen voogden Willem van Herdevelt en Ghijsbert Rijcxzn en met de gestelde curateurs, aan Sander Pouwelszn en zijn vrouw Willemtgen, een erf en goed geheten Calveen dat genoemde Sander nu gebruikt, gelegen onder het gerecht van het Hoogelandt en ook behorende onder de heerlijkheid van de domproost te Utrecht voor 1775 karolusgulden. Het goed is belast met twee gouden guldens van 28 stuver per stuk aan de vicaris van de Sint Annavicarie, ook nog 10 schepel rogge, Amersfoortse maat, die Jannitgen aan haar behoudt te lossen met 100 karolusgulden. Er loopt nog een rechtvordering voor het Hof van Utrecht tussen Jannitgen van Weede ter ene en Weijmtgen van Daveler ter andere zijde. Verder nog belast met 27,5 karolus gulden aan genoemde Jannitgen en 17,5 gulden aan Willem van Herdenvelt.

Op 26 april 1560 lenen mr Anthonis Quijnt en zijn vrouw Margrijet, Willem van Hardevelts dochter, aan Willem van Hardevelt, weduwenaar, een bedrag met een losrente van 5 keizersgulden sjaars met als onderpand een huis, hof en hofstede waar hij tegenwoordig in woont. Op 10 oktober 1607 stilo veteri verschijnt Daem Foeijt en verklaart dat deze plecht is afgelost door Thomas ter Berch, als bezitter van de hypotheek.

In 1560 wordt Willem Henricksz van Hardevelt beleend door opdracht van Otto van Wolffswijnckel, namens zijn neef Eelgis van Wolffwijnckel, schout van Scherpenzeel, ‘tezer tijt vuijtlandich wezende’ en zijn broers en zuster, zo mondig als onmondig, om de boedel van hun vader Marten van Wolffswijnckel te vrijen en ‘den meesten schaeden te schutten’ met een rente van 30 Carolus gulden uit Groit Oirloch en Breeschoeten. In 1560 wordt Willem Henricksz van Hardevelt tevens beleend door opdracht van Gerrit Willemsz, momber van Feuse, weduwe Martens van Wolffswijnckel, met een rente van 30 Carolus guldens per jaar. 

Op 13 april 1568 verkopen Jacob Botter van Herdevelt en zijn echtgenote joffrouw Alijdt en Gerrit Botter van Herdevelt en zijn echtgenote joffrouw Geesken een Henrick Evertzoon van Soudenbalch en zijn vrouw Anna een schuur, hof en hofstede met twee bergen daarachter, met de steeg en grond en alles wat aard- en nagelvast is. Gelegen bij de Sint Johanskerk en nagelaten door hun overleden vader Willem van Hardevelt.

Uit dit huwelijk:

Margriet Willems van Hardevelt

2  Gerrit Botter van Herdevelt, cameraar, kerkmeester (1577), raad van Amersfoort (1578), dispensier (1577) en rentmeester (1584) van de Armen de Poth te Amersfoort, schepen (1590, 1593) en burgemeester (1594) van Amersfoort, ontvanger der imposten (1590-1592), overleden 1595-1596. Gehuwd met Geesken Hoeffs Korsen

3  Jannitgen Willems van Hardevelt. Gehuwd < 1560 met Cornelis Evertsz van Schaijck

4  Jacob Botter van Herdevelt, leenman (1567), dispensier (1566-1567) en rentmeester (1571) van de Armen de Poth te Amersfoort, schepen van Amersfoort (1566-1568), dispenseur van de Heilige Geestschool (1569-1570), kerkmeester van de St. Janskerk te Amersfoort (1570), overleden > 30 januari 1588. Gehuwd met Margriet Evert Jans, overleden < 22 november 1566. Gehuwd met Alijdt NN

5  Gerberich Willems van Herdenveldt. Gehuwd < 1559 met Ammel Ghijsbertsz van Schaijck


23296  Goirt van Steenbeeck, dienstman van de hertog van Gelre

Op Sinte Philips ende Sint Jacops dach apostolrum (1 mei) 1544 geeft Martijn van Scerpenzeel, onderschout van Ede, een acte af van de verklaring, ten overstaan van hem en Goert van Steenbeeck en Gerit Smeeman, vrije dienstmannen van de hertog van Gelre, afgelegd door Gerit Francken, Symon Francken en Melis Pot, betreffende de mishandeling van Evert Wulfers door gerechtsdienaren van de stad Amersfoort tijdens de markt na een handgemeen als gevolg van een twist met enige burgers van de stad over de prijs van een paard.

Op een zitting van het rondreizend Veluws landgericht te Barneveld op 30 juni 1551 wordt de zaak behandeld van twee edellieden Mor van Dompseler en zijn zwager Johan Hackfot, die samen met 26 anderen waaronder Goert van Steenbeeck, optrokken tegen Andries Gerrits te Nunspeet die een ‘heerlosen knecht’ gedood had, en pleegden in dat dorp gewelddaden.

In het overzicht van 1 juni 1555 ‘van de nijhen aingemaeckte landen inden Ampte van Barnefelt aingemaeckt ongeveerlick zedert twijntich ind vijfentwintich jaere harwertz’ ís onder ‘de buijerscap van Essen in den kerspell van Gardere’ vermeld ‘Bernt Pijlgrimsz hiefft vant maelle velt van Ess dat hij nu gebruijckt ain laete grave een scepell zaetlants vertijent Goirt van Steenbeeck’ en ‘Gerrijt Pilgrimsz aingemaeckt anderhalff molder zaetlants dat hij nu gebruijckt vertijent Goort van Steenbeek’.

Kinderen:

Lubbert Goortsz van Steenbeeck


23298  Jan Wencken

In zijn testament van 21 november 1613 vermaakt Matheus Gerbrantsz aan Rutger Matheus, zijn jongste zoon, de hof of boomgaard met de Maet en het Jan Wencken land, strekkende van de brynck tot aan de Eem. Dit testament herroept hij in een nieuw testament op 16 november 1627 waarin Matheu Gerbrantszn, wonend aan de Molm onder het gerecht van Soest, aan zijn dochter Gijsbertgen, of haar geboorte, vermaakt de hofstede, boomgaard, de helft van de Jan Wencken landen aan de zuidoostzijde, in plaats van haar moeders goed, en de andere helft van de Jan Wencken landen aan de noordzijde.

Kinderen:

Woutertgen Jan Wencken


23404  Wouter Brinck

Kinderen:

Jan Woutersz Brinck

2  Anthonia Wouters Brinck, overleden < 1620. Gehuwd met Clemens Andries, overleden < 1643

3  (?) Lambert Woutersen


23406  Jacob Saren, zoon van (?) Sair Jacobsz en Petergen NN, overleden < 18 mei 1604

Gehuwd < 1 juli 1567 met

23407  Aeltgen Everts

Op 1 juli 1567 lenen Jacob Saerzoon en zijn vrouw Aeltgen van Jacob Janzoon intWael en zijn vrouw Gerritgen een bedrag van 175 keijser gulden met een rente van 10½ keijser gulden jaarlijks. Als onderpand een huis, hof en hofstede met een doorgang strekkende in Onser Liever Vrouwenstraet toe. Cornelis Ariaenss en zijn vrouw Margrijet Engbers verklaren op 6 juli 1577 dat Jacob Saeren de helft van deze 10½ gulden jaarlijks afgelost heeft, hetgeen op de buitenkant van de orginele akte is aangetekend. Meijns Hubertszoon verklaart op 27 augustus 1579 dat de andere helft door Jacob Saeren is betaald.

Op 5 februari 1578 kopen Jacob Saren en zijn vrouw Aeltgen Everts van Harman Janszn en zijn vrouw Henrickgen twee morgen land gelegen in Knoidthoff gemeenschappelijk met Sint Aegten convent.

Op 21 augustus 1585 kopen Jan Borren en zijn vrouw Jacobgen een boomgaard buiten de Bloemendalse poort genaamd Frans Hoffelaets bongaert van Jan Cornelisz Hoffelaet, wonende te Texel, en zijn vrouw en van Marritgen Janss, weduwe van Claes Gerritsz, en haar kinderen uit dit huwelijk. Jan Cornelisz moet bewijs overleggen van toestemming van zijn vrouw en van Marritgen en haar kinderen. Op last van 4 gulden 15 stuivers per jaar waarvan Dirck Dircxz 36 stuiver en 4 penningen krijgt, Jacob Saren 15 stuivers, Agniesgen van Groetvelt 14 stuivers, Aert Thonisz 14 stuiver, heer Jan Claesz 16 stuivers.

Op 3 februari 1586 is Jacob Saren belender aan een huis in de Langestraat. Op 30 januari 1588 sluiten Jacob Saren en Aeltgen zijn vrouw een lening af van 200 Carolij gulden bij Jacob Theijensz en Lijsgen zijn vrouw. Als onderpand zeker land gelegen buiten de Utrechtse poort. Op 23 februari 1588 is Jacob Saren belender van een zeker stuk land gelegen buiten de Utrechtse poort.

Op 2 september 1592 verkopen Jacob Saeren, Jan Woutersz als man ende voocht van Goortgen sijn huijsvrouwe, Goort Jacobsz, Willemtgen Jacobs dochter ende Derickgen Jacobs dochter mit voornoemde Goort haer gecosen momber in dese saecke, allen kijnderen van Jacob Saeren, seeckere stuck lants gelegen buijten die Utrechtse poert, soe die ontfangers ‘t selve tegenwoordich gebruicken.

Op 21 februari 1593 sluit Jacob Saren voor hem selven, Jan Woutersz als man ende voocht van Goortgen sijn huijsffrouwe en de hem sterckmaeckende voor sijn huijsffrouwe en broeders en susters, een lening af bij Jacob Teusz ende Lijfgen sijn huijsffrouwe. Een jaerlixe losrente van twaalf gulden tijen stuivers, te lossen met twee hondert gulden hoofdsomme. Als onderpand d’huijsinge die de voorsz Jacob tegenwoerdich bewoent ende voorts sijn goederen die hij heeft ofte vercrijgen mach, int welck die comparanten t’haere versoucke gecongt sijn ende hijer mede resseert seeckere plechte eertijds bij Jacob Saren ende Aeltgen sijn huijsfrouwe beleden in date den 30 januari 1588. Op 21 maart 1593 leent Jacob Saeren van Cornelis Willemsz ende Nennitgen sijn huijsfrou een hooffsomme van tweehondert gulden met een jaerlicxe losrente van twaalf gulden tijen stuivers. Als onderpand dient een huijsinge daer sij comparante tegenwoordich inwoent. Welverstaende dat nae afflijcheijt van de voorz Nennitgen deze voorschreven rente ende hoofsomme commen ende arven sal op die broeder ende suster van de voornoemde Nennitgen, genaempt Evert Jansz ende Margreit Jans. Opten 17 januari 1614 compareerde opte secretarie der stadt Amersfort Henrick Jacob, organist alhijer ende bekende aen zijnen handen affgelost ende voldaen te zijn van de plechte ende verschenen rente vandijen bij Rijckgen Jacobs.

Op 18 mei 1604 kopen Jacob van Dam en zijn vrouw Margrita Anthonis Reijersszdochter een huis, hof en hofstede aan de Varkensmarkt te Amersfoort, strekkende van de straat tot achter het huis van zaliger Jacob Saren.

Op 6 juli 1607 zijn de erfgenamen van Jacob Zaren belender van een huis in de Langestraat.

Op 21 mei 1609 stelt Ghijsbert Henricx Cleutinck, zijn vijf zinnen en verstand nog machtig zijnde, zijn testament op. In het testament neemt hij onder andere op dat zijn nicht Rijckgen van Hees, huisvrouw van Harman Peters de Ruijch of haar erfgenamen, de nabeschreven percelen, te weten een rentebrieff van 100 gulden hoofdsoms, sprekende op Jacob Zaren, in de huijsinge naast de vier Heemskinderen staande, aan Langestraat, met nog een halve rente tot Utrecht. Op 17 oktober 1609 vindt de verkoop plaats van een huis, hof en hofstede met de opgang van de put aan de Langestraat, op last van onder andere 50 gulden aan de erven van Jacob Saren.

Jacob Saren is op 14 maart 1614 belender van een huis aan de Langestraat. Op 22 juli 1620 zijn de erfgenamen van Jacob Saris belender van een huis, hof en hofstede op de Langestraat genaamd de vier Heemskinderen.

Uit dit huwelijk:

Goutje Jacobs

2  Jacobje Jacobs. Gehuwd met Jan Bor, overleden < 1607

3  Rijckje Jacobs, overleden > 17 januari 1614

4  Willemtgen Jacobs

5  Derrickgen Jacobs


23416  Reijer Dircksz van Langelaer, deurwaarder (1577), geboren ca. 1530, overleden < 11 januari 1607. Gehuwd met (?) Aeltgen Voucken, overleden 1607-1614

Gehuwd met

23417  Gijsbertgen Dircks, dochter van (?) Dirck Aertsz, overleden < 1 oktober 1562

Op 1 oktober 1562 Cornelis Jacobsz, wonende Odijk, mitsgaders Adriaen Dircksz, wonende Ganssteeg te Utrecht, als voogd en momber over de onmondige kinderen van Dirck Aertsz, te weten Lijsbeth, Alit en Belij, doen afstand ten behoeve van Reijer van Langelaer van alle goederen hen aanbestorven door dode van Gijsbertje Dircksdochter, huisvrouw van Reijer van Langelaar. Op 24 november 1562 Willem Jansz Verwer en Marie Petersdr met haar gekozen momber in deze zaak, Reijer van Langelaer, lijftocht zijn vrouw in al zijn goederen.

Op 4 februari 1577 vindt het transport plaats van een huis en hofstede op de hoek van het Weduwestraatje te Wijk bij Duurstede van Reijer van Langelaer aan Adriaen van Bosch.

Op 11 november 1590 Henrickgen van Diepenbroeck, Gerrit Matheuss wonend Ravenswaeij als oom en voogd van Jannighen van Diepenbroeck, mede vervangend Reijer van Langelaer vertegenwoordiger van de erfenis van Jannichgen Mattheusdr van Langelaer hun zaliger moeder (x Henrick van Diepenbroeck).

Op 11 januari 1607 is de weduwe van Reijer van Langelaer genoemd als belending. Op 14 mei 1614 zijn dat de kinderen van Reijer van Langelaer.

Uit dit huwelijk:

Dirck Reijersz van Langelaer

2  Anthonis Reijersz van Langelaer, overleden < 12 november 1634. Gehuwd op 6 oktober 1597 te Wijk bij Duurstede met Anne Meertens van der Slede, overleden < 9 januari 1656

3  Dirckgen Reijers van Langelaer, overleden < 19 mei 1606. Gehuwd met Jan Jorisz van Baden, overleden < 5 november 1606

4  Gijsbertgen Reijers van Langelaer, overleden > 22 augustus 1635


23420  IJsbrant Jacobsz, overleden < 1 oktober 1604

Gehuwd met

23421  Anna van Beijnum, overleden > 28 april 1617

Op 19 april 1577 verkopen Willem Harmans en Maria Aelberts een huis aan de zuidezijde in de Peperstraat te Wijk bij Duurstede aan IJsbrant Jacobs. Het huis is belast met 32 stuivers ten behoeve van ‘t Convent en 6 stuivers ten behoeve van St. Barbara Broederschap.
Op 24 februari 1590 verschaft Gerrit Willems een plecht aan IJsbrandt Jacobs voor een huis en hofstede in de Stroijstraat. Op 20 mei 1591 verkoopt IJsbrant Jacobss in de Pellicaen een huis en hofstede in de Stroijstraat aan Cornelis Janss van Berck.

Op 1 oktober 1604 stelt Anna van Rijndop, weduwe van IJsbrant Jacobsz, te Wijk bij Duurstede haar testament op. Op 5 januari 1605 verkopen de kinderen van Henrick van Schuijlenborch 10 hont en 8 hont land op de Oude Wetering aan Anna van Wijndop, weduwe van IJsbrant Jacobss. Het land is belast met 400 gulden ten behoeve van Jan Gerrits van Lith en 40 gulden ten behoeve van de weduwe van Cornelis Claes Cocq. Op 30 mei 1608 en 30 oktober 1612 is de weduwe van IJsbrant Jacobss genoemd als belendster in transportakten te Wijk bij Duurstede.

Op 28 april 1617 verkoopt Anna van Beinum, weduwe van IJsbrant Jacobss, 3 morgen land aan de Oude Wetering aan Mathijs en Margriet IJsbrants.

Op 16 september 1626 verkoopt Jacob Isbrandtsz 3 morgen land op de Oude Wetering aan Mathijs Isbrandsz. Het land is belast met 400 gulden ten behoeve van de erfgenamen van Jan Gerritsz van der Lith c.s. Adriaentge Isbrants en Jan Jacobs Knijff, als man van Grietgen Isbrants, allen erfgenamen van Anna van Beijnhem. Mathijs Isbrantsz c.s. verkoopt daarnaast weer aan Jacob Isbrantsz een huis in de Oeverstraat waar de “Pellekaen” uithangt. Het huis is belast met 500 gulden ten behoeve van Gerrit van Ommeren, gelost 4 december 1628. Ook op dezelfde dag verkoopt Jacob Isbrantss aan Adriaentgen Isbrants, weduwe van Cappiteijn Wijborch, erf en besterf.

Uit dit huwelijk:

1  Adriaentge Isbrants. Gehuwd met Walraven van Wijborch, capiteijn, overleden < 16 september 1626

Jacob IJsbrantsz Fontain

3  Mathijs IJsbrantsz. Gehuwd in januari 1604 te Wijk bij Duurstede met Mechtelt Adrianis, geboren te Brielle

4  Grietgen Isbrants. Gehuwd in oktober 1608 te Wijk bij Duurstede met Jan Jacobsz Knijff


23468  Harman Jansz, soldaat (1604), geboren ca. 1580 te Osteel (D), overleden > 19 december 1638

Ondertrouwd op 10 maart 1604 en gehuwd op 18 maart 1604 te Amersfoort (#) met

23469  Aeltje Claes, dochter van Claes NN, geboren ca. 1580 te Amersfoort, overleden > 19 november 1636

Op 19 november 1636 herroept Peter Claesz, weerdt te Amersfoort, alle eerder gemaakte disposities, uitgezonderd de lijftocht tussen hem en zijn overleden huijsvrouw gemaakt. Hij vermaakt al zijn goederen, heerlick, deijlbaer, onroerende, rentebrieven, obligatie, acten en credieten aan de kinderen van Aeltgen Claes, huijsvrouw van Harmen Jansz, voor de ene helft. Aan de kinderen van Grietgen Claes, voor de andere helft, op voorwaarde dat Aeltgen en Grietgen en niemand anders daarvan de lijftocht zullen hebben, hun leven lang. Hij prelegateert nog aan Jannichgen Hermans, zijn zusters dochter, of bij haar overlijden haar kinderen, al zijn inboedel en huijsraad, gelt, goudt, silver, provisie, linnen, wollen, bedden en dekens, clederen tot zijn lijve behorende, geen gereede goederen uitgezonderd, om door haar aanvaard te worden zonder iemands bezwaar en zonder verantwoording aan de erfgenamen. Daarbij prelegateert hij haar of haar nalatende geboorte nog 500 carolus guldens uit zijn verdere goederen en zijn halve graf in de St. Joriskerk. “All sonder aftreck van de portie off wet falcidice die van de legaten anders afgetogen mach worden, die hij testateur wilde dat geen plaets in desen hebben sall”. Hij legateert nog aan Steven Claesz, zijn broeder, indien hij testateurs dood beleeft en anders niet, 50 carolus guldens eens en aan Herman Jansz, zijn zwager, indien die zijn dood beleeft, zijn dagelijkse mantel en gekleurde rijrock met zilveren knopen. Hij secludeert de weeskamer.

Op 19 december 1638 compareren Jan Harmanzn, Jacob Harmanzn, zich tevens sterk maken voor Gerrit Harmans en Claesgen Harmans, wegen hun afwezigheid, Peter Harmanzn, Gijsbertgen Harmans en Annetgen Harmans, allen broeders en zuster en mede-erfgenamen van wijlen Peter Claeszn, hun oom, en tesamen kinderen van Harman Janzn en Aeltgen Claes. Zij allen machtigen hun vader, Harman, om uit hun naam te verkopen hun gedeelte van het huis aan de Chingel te Amersfoort en van de hof buiten de Trijskenspoort, transport aan de kopers te regelen, kooppenningen door de heer Cois te ontvangen, op rente te zetten en aan hun moeder Aeltgen, die rente te doen toekomen, bij het wegvallen van de lijftocht van dit goed. Ook met de genoemde heer Cois de boedel te doen redden en verder alles te doen wat zijzelf zouden doen.

Uit dit huwelijk:

1  Jan Harmansz

2  Jacob Harmansz

3  Gerrit Harmansz

4  Claesgen Harmans

Peeter Harmenssen

6  Gijsbertgen Harmans

7  Annetgen Harmans


24132  Jan de Remout, overleden > 9 mei 1603

Kinderen:

Jacques de Remout


24134  Pieter Jansz, zoon van Jan NN en Neeltgen NN, geboren ca. 1550

Ondertrouwd op 28 mei 1575 te Leiden (get: Neeltgen, moeder) (#) en gehuwd met

24135  Niesgen Claes, geboren ca. 1550, overleden > 9 mei 1603

Uit dit huwelijk:

Annetgen Pieters


24354  Corst Oepen, zoon van Johann Oepen en Helena Kurrt, geboren te Golzheim (D)

Gehuwd met

24355  Lein NN

Uit dit huwelijk:

1  Eva Oepen. Gehuwd met Reinhardt Buschman

2  Christina Oepen. Gehuwd met Theiss Schleusgen

3  Henrich Oepen. Gehuwd met Sophia NN

Judith Oepen

5  Franz Oepen. Gehuwd met Flein Zaun


24392  Adriaen Arrisz van Dijck, corencoper, overleden > 1603

Op 25 april 1584 Adriaen Arrisz van Dijck, wonende Jutfaes, constitueert in verband met kwestie tegen Willem van Zuijlen van Nijevelt. Op 20 juni 1584 Aert Adriaensz van Dijck in Jutphaes, constitueert in verband met pacht heer Cornelis van Rijswijck of heer Gerrit van Wijckersloot.

Kinderen:

1  (?) Gijsbert Adriaensz van Dijck

2  Aert Adriaensz van Dijck


24752  Henric Gerritsz Cruijff, zoon van Gerijt Hendricksz Cruven en Mechtelt Lambert Jans, geboren ca. 1465, overleden < 1 juli 1541. Gehuwd met Weijmtgen NN

Gehuwd met

24753  Griet NN

Op 17 januari 1488 Henrick de Cruve Gerijtsz heeft verwilkoert Henrick Henrickx 15 Rijnsche Guldens en 12 stuvers. Op 19 december 1488 Henrick de Cruve Gerijtsz heeft verplogen heer Johan Foeijt, canonick ten Doen, 19 Rijnsche Guldens. Op 26 januari 1492 Henric de Cruve heeft verwilkoert Jacob Francken 13½ gulden goet gelts.

In 1499 is Henric Cruif Gerritsz beleend met veen in Amerongen, belast met 2 penning, waarna Hendrik Mom. In 1499 zijn Henrick Cruijff en Rudolf Gijsbertsz beleend met een akker strekkend van de Amerongse grift tot het goed Nieuw Amerongen.

Op 10 mei 1503 oorkonden Dirck van Zuelen, schout, Cornelis Hermanss en Gerit Mathijss, gerechtslieden van Amerongen, dat Matheus en Henrick van Zulen van den Nathewisch overgedragen hebben aan Jan Roelofssoen de halve eigendom van en stuk veen in het Ameronger veen, strekkende van de Woutsloot tot aan een stuk dat vanouds toebehoorde aan Henrick die Cruijff Geritss.

In 1511 te Woudenberg aangeslagen voor morgengeld ‘op Carthuizerland, Gerijt Bor 27 morgen, tsamen 20 goede morgen, betaalt Henric Cruijf (7 stuivers per goede morgen). Woudenbergh het olde gericht, Huijg Berne en Wouter Willemsz 25 o sc, betaal Hen Cruijf 12½ morgen en Jacob Cruif 12½ morgen (7 stuivers per goede morgen)’. In 1516 Henric Gerijtsz die Cruve gebruikt 10 morgen in Woudenberg van St. Bertelmeeus.

Op 1 september 1525 (Sexta post Decollationis) Heijnrick Cruijff ende Grijet zijn wijf scelden te goede aan Meister Aert van Scaick haer kints deel vanden andere helft vande enckel gulden voerscreven den olden brieff inholt.

In 1535 Peter van Dam en Evert Bot Henricksz ter eenre, Henrick Kruijf voor hem selven ende als momber van sijn kinderen met Henrick Cruijf ende Huijch Cruijff als naeste vierendelen ter andere sijden.

Op 1 juli 1541 (Sexta post Petri et Pauli) Weijmtgen Henrick Cruijffe weduwe leent aan Ghijsbert Rijcksoen en zijn huisvrouw Rijckgen, twee hollandse guldens aan rente jaarlijks te betalen op den meijdach te lossen de penning met twintig. Als onderpand alle goed dat zij hebben of verkrijgen mogen in het gerecht van Amersfoort. Op dezelfde 1 juli 1541 verkoopt Weijmtgen Henrick Cruijffven weduwe met haar gekozen momber Huich Cruijff aan Gijsbert Rijcksoen en zijn huisvrouw Rijckgen een tegoedschelding van een halve schuur met de hof en hofstede, gelegen in Den Haich in de Collant, strekkende totaan onze stadswal toe.

Uit dit huwelijk:

Gerrit Hendricksz Cruijff


24756  Cornelis Rijksz, geboren ca. 1508, overleden > 1542

In 1536 in Leusden aangeslagen voor oudschildgeld: Cornelis Rijcken te Amersfoort ‘een maet groot 2,5 mergen lants, bruijckt Aert Reijersen sjaars om 10 Karolus guldens 4 Outs 32 Stuijvers’.

Kinderen:

Rijck Cornelisz van Blootenburg


25424  Cornelis Adriaensz

Kinderen:

Adriaen Cornelisz

2  Gerrit Cornelisz


25440  Andries Heinen van Overeem, zoon van Hein Andriessen van Overeemdt, geboren ca. 1465

Uit dit huwelijk:

Heijnrick Andriesz van Overeem

2  Cozijn Andriesz van Overeem, geboren ca. 1500


25504  Gerrit Reinersz, dienstman van de Jonkheren van Bronckhorst, zoon van Reiner Brantsz en Geertgen Lubberts Hissinck, geboren ca. 1505

Gehuwd met

25505  Grietje Arends ten Have, dochter van Arend ten Have

Uit dit huwelijk:

Willem Gerritsz

2  Arend Gerritsz

3  Jan Gerritsz. Gehuwd met Grietjen Jansen Hissinck

4  Geertien Gerrits

5  Wijsse Gerrits. Gehuwd met Hendrick Hamer


25856  Johan Arends Vermeer, gerichtsman in Overbetuwe (1563), gegoed onder Randwijk en Zetten en het huis en hofstad Oosterveld te Herveld, zoon van Arndt Vermeer en Fuels NN, geboren ca. 1500 te Randwijk, overleden 5 november 1563 te Randwijk

Gehuwd ca. 1522 met

25857  Ghebe NN, geboren ca. 1499, overleden 1586 te Nijmegen

Op 12 mei 1538 (St Pancrasdag) bekennen Johan Vermeer en Ghebe, zijn huisvrouw, te hebben verkocht aan Marrij van Behem, een rente onder verband van hun huis en hofstad met omtrent vier morgen, geheten Oosterveld, in de kerspel Herveld.

Op 13 september 1553 ‘besaet op de goederen van Johan Rutgers en van Johan Vermeer onder Herveld umb kondtschap der wahrheijt tho geven’, volgt de getuigeverklaring van 18 juni 1554. Op 5 mei 1559 is Johan Vermeer Arends procespartij terzake besaet gedaan op zijn goederen onder Randwijk en Zetten. Op 5 november 1563 is Johan Vermeer genoemd als gerichtsman.

Uit dit huwelijk:

Gijsbert Vermeer

2  Johan Vermeer, pachter der domheeren tiend, geboren ca. 1526. Gehuwd ca. 1565 met Geertruijt NN. Gehuwd < 1584 met Jutte NN

3  Nicolaas Vermeer, burger van Nijmegen (1557), rentmeester van het Nijenclooster over de goederen onder Elst en Gendt (1558), grootburger van Nijmegen (1572), gerichtsman in Overbetuwe (1568-1601), buurmeester van Bemmel (1574), schout en gezworen peinder te Bemmel (1594-1609), geboren ca. 1530, overleden 1619 te Bemmel. Gehuwd ca. 1558 met Clara Duijs, geboren ca. 1535, overleden 24 september 1625 te Bemmel

4  Willem Vermeer, gerichtsman in Overbetuwe, geboren ca. 1535, overleden > 1571


25888  Geerlich van Rijswijck

Kinderen:

Otto van Rijswijck


25894  Claes Wijntgens, koopman in wijnen, zoon van Hendrik Wijntgens en Hilleken de Vreede, overleden 5 december 1559 te Deventer, begraven in Onze Lieve Vrouwe Kerk te Deventer

Gehuwd < 1537 met

25895  Geertgen Munters, dochter van Evert Munters en Meth van Wamel

Claes Wijntgens is op 5 december 1559 met zijn zoon Hendrik buiten de Poort te Deventer vermoord, op de ontdekking waarvan de regering bij publicatie 100 jochimsdaalders uitloofde met een goed nieuw kleed van ‘t hoofd tot de voeten, terwijl ook in de muur een gedenkteken aan die gebeurtenis geplaatst werd, dat nog in het begin van de 17e eeuw aanwezig was (De Nederlandsche Leeuw 1915, jaargang 33).

Uit dit huwelijk:

Nelisken Wijntgens

2  Hilleken Wijntgens, begraven in de Grote Kerk te Arnhem. Gehuwd met Hendrik Bongart, begraven in de Grote Kerk te Arnhem

3  Gaert Wijntgens, schepen van Arnhem (1586-1587), overleden 24 september 1587. Gehuwd met Geesken Huijckeshorst, overleden > 16 juli 1604

4  Hendrik Wijntgens, overleden 5 december 1559 te Deventer

5  Peter Wijntgens, overleden < 14 oktober 1607. Gehuwd met Catharina Smitmans, overleden > 14 oktober 1607


25896  Hendrick Verstegen, zoon van (?) Peter Verstegen en IJtgen NN, overleden < 1593

Gehuwd met

25897  Ermken Nooten, overleden > 1614. Gehuwd met (?) Rutger Hoijmaecker

Op 31 maart 1561 verkoopt Hanrick Verstegen te Nijmegen een huis aan den Aelboom en een hofstad aan de Kerkstraat, beide in ‘t kerspel van Oij, vrij behoudens tinsen onder andere aan de Geertruidakapel en het Heilige Geesthuis, aan Lambert Broeckman. Gegeven int jaer ons Heren duijsent vijffhondert ende een ende sestich op dijnxdach Onser Liever Brouwen dach Annuntiationis.

In 1593 is te Nijmegen een akte opgesteld waarbij Ergmardt Nooten, weduwe Hendricke Verstegen, aan haar zoon Peter Verstegen, secretaris van de stad Arnhem, en zijn vrouw Christine Schrieck, verkoopt een jaarrente van 18 lopende Brabantse gulden ten laste van de stad en geldende op Petri ad Cathedram.

Op 26 januari 1612 wordt te Nijmegen een akte opgesteld waarbij Ermken Nooten, weduwe van Hendrick Verstegen, handelend voor zichzelf en voor Peter Verstegen, overleden, Hilleken begunstigt. In 1614 is Ermken Noten in een schepenprotocol te Nijmegen genoemd als weduwe van Henrick Verstegen.

Uit dit huwelijk:

Peter Versteghen

2  Willem Henricksen Verstegen, soldaat onder luitenant Derick van Braeckel (1592). Ondertrouwd op 25 juni 1592 te Nijmegen met Olgen Henrichs

3  (?) Hilleken Verstegen


25898  Johan van Schrieck

Gehuwd met

25899  Johanna van Trier, overleden > 3 maart 1608. Gehuwd met Johan van der Burcht

Het is niet duidelijk of volgende twee akten betrekking hebben op deze Johan van Schrieck: Op 9 mei 1572 oorkondt Johan van Schrieck, stadhouder van Andriess van Anderlecht, landdrost, kapitein en superintendant van het land van den Bergh, dat op verzoek van de heer Herman Scholten en heer Gerart Vischer, Marij Scholten een verklaring aflegt over 2 malderzaad land, behoorende aan de St. Victor vicarie te Embrick en in pacht geweest bij Warnerus Elferdinck. Op 18 maart 1589 erkent Johan van Schrieck, burgemeester van Reess, in leen ontvangen te hebben van Geitraudt, dochter zu Meilendunck, vrij- en bannervrouwe zu Anholt, Bair en Lathum, het Rouven, gelegen in het kerspel Zevenaer.

Op 3 maart 1608 heeft Johan van Schrieck geratificeerd, geapprobeerd en bestedigd de opdracht en vertichnisse, door zijn lieve moeder Johanna van Trier, lest nagelaten weduwe van zaliger Johan van der Burcht, en met toedoen van Elisabeth en Hester, haar beide dochters, belovende en zich sterk makende voor haar andere kinderen op 7 december 1593 stilo novo voor de stadhouder van de landdrost der graafschap Bergh aan haar schoonzoon Peter Verstegen en haar dochter Christina van Schrijck echtelieden gedaan over de gerechte helft ener weidemathe lands, geheten Arnhems Goor, in de graafschap van Bergh in de kerspel van Zedem onder de buurschap Lengell gelegen, waarvan de wederhelft de voorzegde echtelieden toekwan, naast erfenis des graven van den Bergh ter ener en der van Bilheum ter andere zijde.

Uit dit huwelijk:

1  Johan van Schrieck, begraven 27 oktober 1636 te Arnhem. Gehuwd met Geertruijt Sluijsken, begraven 8 april 1650 te Arnhem

Christina van Schrieck

3  Elisabeth van Schrieck, begraven 20 juli 1634 te Emmerick (D). Gehuwd op 28 december 1595 te Emmerick (D) met Abraham van Lennep, brouwer, raadsverwant, hospitaalprovisor, rentmeester, schepen te Emmerich, gedoopt 16 augustus 1570 te Emmerick (D), begraven 24 augustus 1636 te Emmerick (D)

4  Hester van Schrieck


25900  Johan Sluijsken, schepen van Arnhem (1539-1542, 1544-1546), burgemeester van Arnhem (1543), lid (1525-1553) en huismeester van de St. Nicolai Broederschap te Arnhem, kerkmeester (1545), zoon van (?) Pouwel Sluijsken en Alijt Gaijmans, geboren ca. 1490, overleden 1 juni 1553, begraven in de Grootekerk te Arnhem

Gehuwd met

25901  Alijt van Doornick, dochter van Willem van Doornick en Stijna van Dalen, overleden 5 mei 1564, begraven in de Grootekerk te Arnhem

Links het alliantiewapen Johan Sluijsken / Watze Eelken. Sluijsken: Sluijsken. Eelken: een ruitvormig schild, in goud en zwart een leeuwhondje op een grond. Helmteken en dekkleden: Sluijsken.

Links het zegel van Johan Sluijsken, schepen te Arnhem. De voorstelling is een fantasieschild met omgewende zittende hond. Het randschrift luidt “IAN SLVESKEN”. Het getoonde zegel is van een charter van 18 november 1539 (Gelders Archief, nummer 2001 – 439-286/2).

Op 19 februari 1529 des fridaiges nae den sonnendach Invocavit oorkonden Wijnant van Doernijnck en Oliphier Hackfort, schepenen te Arnhem, dat Gaert Henrichssoen en zijn vrouw Margriet overgedragen hebben aan Gerrijt then Broick en Johan Sluijsken, ten behoeve van de Broederschap te Arnhem, aan het Lant van der Merck gelegen, een stuk land buiten de Velperpoerte, tussen het land van de Broederschap en dat van het Sint Catharinagasthuis.

Op 11 april 1542 dess dinxdaegs nae den heijligen Paesschdach oorkonden Wijnandt van Doirnijnck en Johan Sluijssken, schepenen te Arnhem, dat Johan Sluijssken, mede als gevolmachtigde van zijn zusters, en Gaert Gaemus, als erfgenamen van wijlen Otto van Hoickelum aan Rutger Huijsswerdt en Evert Vermaet, gevolmachtigden voor de Zieltafel in de Moederkercke te Arnhem, hun losbare rente van 2 gulden hebben overgedragen uit huis en hofstede half toebehorend aan de Zieltafel en half aan Herman die Vrijese, gelegen bij de Sabelsche Poerte aan de stadsmuur, tussen huis en hofstede van Steven die Baede en huis en hofstede van wijlen Tijss Pennijnck, en voorts een losbare jaarrente van 5 oort Philipsgulden uit huis en hofstede van wijlen Thijs Pennijnck, gelegen tussen het voornoemde goed en dat van Heijnrick die Groeff Ercklens, alles te betalen met Pasen.

Op 22 december 1545 oorkonden Ghiesbert van Wiilre en Wijnanndt van Presickhoff, schepenen te Arnhem, dat heer Johan Grunewalt en heer Lucas Evertsz, vicarissen, namens de vicarissen van St. Walburgen aldaar verklaard hebben dat Johan Sluesken en Herman Driever, kerkmeesters der moederkerk, afgelost hebben een rente van 16 schellingen en 3 penningen ‘s jaars, gaande uit de kerkegoederen binnen de stadsvrijheid. Gegeven int jaer onnss Herenn duesent vijeffhondert vijeff ind veertich, up Dinsdach nae Suncte Thomas’ dach des heiligenn apostels.

Op 10 januari 1547 voor het Hof van Gelre en Zutphen een missive van den Stadhouder aan den ambtman Derck van Welij en het gericht van Elst begeleidende een request van Arnoldus van Hoecklum, die klaagt dat, ondanks des Stadhouders bevel het gericht van Elst zijn vordering tegen Johan Sluijsken weder op de lange baan geschoven heeft. Derhalve herhaalt Schr. het bevel door hem in dezen bij brief van 24 october l.l. No. 488 gegeven.

Op 9 maart 1549 op verzoek van Johan Sluijsken, een verzoek van het Hof van Gelre en Zutphen aan de Kleefsche Raden de zaak te laten rusten tot de bezichtiging van de twistige plaats.

Uit dit huwelijk:

1  Pouwel Sluesken, burgemeester van Arnhem, lid (1565-1586) en huismeester (1575) van de St. Nicolai broederschap te Arnhem, overleden 1586

2  Stenella Sluijsken, overleden 1560. Gehuwd in 1533 met Aernout Bitter, overleden 1599

Wilhem Sluijskens

4  Evert Sluijsken, overleden < 19 april 1591. Gehuwd met Catharina NN

5  Margaretha Sluijsken, overleden 8 augustus 1579 te Arnhem. Gehuwd in 1548 met Arend van Brienen, schepen en burgemeester van Arnhem, geboren 5 maart 1523 te Arnhem, overleden 25 juni 1612 te Arnhem

6  Lucia Sluijsken. Gehuwd met Johan Huijghens, overleden 8 juni 1557


25902  Evert Tulleken, leenman, burgerhopman (1568), lid (1565-1586) en huismeester (1572-1586) van het St. Nicolai broederschap te Arnhem, zoon van Rutger Tolleken en Hese Ketelbuijters, geboren ca. 1525, overleden 26 januari 1586. Gehuwd > 26 juli 1582 met Truij ten Haeff

Gehuwd in december 1552 met

25903  Hilleken Gaijmans, dochter van Evert Gaijmans en Elsken Bongaerts, geboren ca. 1530, overleden 1581-1582

Evert is in 1559 en 1563 beleend met het Broeckstuk en Truijkens halve hoeve. Op 10 december 1559 beleent Karll van Middachten, als oom en momber van Anthonis van Middachten oudsten zoon van zijn overleden broeder Henrick, Evert Tolleken bij doodde van diens vader Rutger Tolleken, met 4 morgen land in Westervoerder broeck gelegen, ten Zutphensche rechten, te verheergewaden met een pond goed geld. Ten overstaan van Gijsbert van Camphusen, leenman van Gelre en Henrick Engelen, leenman van den heer van Egmont, bij gebrek aan leenmannen van het huis Middachten.

Op de francijne rol van de St. Nicolai broederschap te Arnhem, waarop nieuwe leden zijn aangetekend, staat in 1565: “Evert Tolleken, obijt anno 1586”.

Op 12 juni 1566 zegelt Everdt Tolleken als leenman een akte waarin Johan van Broichuijsen verklaart dat Dederick van Bronchorst en Baetenborch, heer tot Aenholt etc., hem beleent heeft met de visserij in de hank te Baer, zijnde een nieuw Baer’s leen, en dat om als stadhouder van de lenen te kunnen optreden.

Evert wordt in 1568 verdacht van protestantse neigingen.

Op 23 augustus 1574 hebben Evert Gaemis en Evert Tholleken en Johan die Greeff aan beide zijde versproken bij een poene van 25 goud gl. dat voor stadmeesters van de muur in kwestie tussen de weduwe Tholleken (van Evert’s broer Rutger) en voorgemelde Jan die Greef erkende na te zullen komen, die men de onwillige zoude afnemen.

Op 5 juni 1575 geeft Everdt Tolleken, huismeester van het St. Nijclaes Hospitael te Arnhem, opdracht tot overdracht van een kamp land te Velperbrouck. Op 1 september 1576 heeft Jenneken, weduwe van zaliger Henrick Verbruggen, beloofd aan handen van Evert Tholleken, als huismeester indertijd van St. Niclaes Broederschap, te betalen de pacht die maart 1575 verleden verschenen is en toekomende maart verschijnen zal van alzulke 5 morgen lands, gelegen in Velperbroeck, als zij van zaliger Wilhem van Poelwick gepacht heeft, die nu gedachte Poelwick tot een kleding jaarlijks van een arme man gegeven heeft, luid de brief, daarvan zijnde.

In 1579 sluiten Evert Tulleken en zijne vrouw Hilleken Gaemis ten eenre, en het gasthuis ter andere zijde, een overeenkomst waarbij het gasthuis in ruil voor eenige landerijen in het Arnhemsche Broek bij IJseloord, 6 morgen, 1 hond en 34 roeden land in het kerspel Elst in de buurschap Rijkerswoerd ontvangt.

Op 26 maart 1579 is vermeld dat “der Edell und Erentueste Juncker Henrick van Wittenhorst unse drost tho Huiszen” tezamen met zijn echtgenote jonkvrouwe Uland het nieuw verworven goed De Waede verhypothekeeren moest voor schepenen van Huissen terzake van een geldschuld groot 200 daalder, rentende 6% en ten gunste van den Arnhemschen burger Evert Tulleken met diens huisvrouw Hilleken, “mitter eener ziede, langes die Bloem schitende voirt auer de dick an Pollicks Wardt, mitter andere siede neigst dat Lontingshce straetgen voirt tho Warst auer, langes dat Hoff guith hert auer den dick an dat Angersche hecken mit dat eijne eijnde an die Uplage mit dat ander einde an die Huissensche gemeint genandt dat Sande”. Op 26 februari 1626 is hiervan een acte van roijement opgesteld.

Op 24 februari 1580 compareren Wilhem van Huckenhorst en Henrick Palender, beide als mannen en mombers hunner huisvrouwen, als pandschap hebbende van 2 scharen weiden, gelegen in Arnhemmerbroek in Lubbert Gaijmans kempken, de Hoickkamp ab una en St. Catharinen gasthuis land ab altera, welke echtelieden verpandschapt waren voor 80 daler, welke voorzegde 80 daler zij, comparanten, zich de weduwe van Goesen van Waemel en haar zoon Florens bedanken goede betaling, hunluiden de pandschap vrij, los en ledig slaande, en hebben, zo dit geschied was, de weduwe met Johan Aelberts als haar gekozen momber en haar zoon Florens van Waemell de voornoemde 2 scharen weiden opgedragen en met hun vrije wil vertegen aan Evert Tulleken en Hilleken Gaijmans, zijn vrouw, gelegen gelijk voorzegd in Lubbert Gaijmans kempken, voorbehouden nochtans dat Judit weduwe en haar zoon Florens voorzegd deze 2 scharen weiden wederom aan zich mogen lossen met 110 daler.

Op 20 september 1581 verkoopt de erendeugendrijke Joffrou Belia van Steprade, nagelaten weduwe van zaliger Johan van Zallandt, met Cornelis van Zallant als haar momber, aan Evert Tulleken en Hilleken Gaijmans zijn vrouw, 3 morgen weilands gelegen in Arnhemmerbroek, geheten Doerninx kempken, op Petri ad Cathadram toekomende aan te vangen, voorbehouden het recht om die 3 morgen te mogen lossen met 500 keizers gl. na omgang der eerste 3 of 6 jaren. Op 26 juli 1582 verkoopt Jutta Claes dochter, nagelaten weduwe van zaliger Henrick Taemerling, met Gerrijt Taemerling haar zaliger mans broeder als haar gekozen momber en mede als naaste bloedmomber van haar kinderen bij gemelde broeder geprocreerd, aan Evert Tulleken alzulke morgen weilands, gelegen in Arnhemmerbroek in Lubbert Gaijmans kempken, als zij de voorgemelde Evert Tulleken en Hilleken Gaijmans zijn huisvrouw, doemaals nog in leven zijnde, voor de somme van 200 daler in pandschap gedaan had, voorbehoudens nochtans dat de weduwe of haar kinderen deze morgen weiland op St. Petersdag ad Cathadram weder om aan zich zullen mogen vrijen en inlossen met 200 daler.

Op 10 april 1585 erkennen Johan van de Zande en Evert Tolleken, huismeesters van de Broederschap, ontvangen te hebben van Herman Oerinck 200 daalders, waarvoor zij tot onderpand hebben gesteld de waard van de Broederschap op de Proost, groot 28 morgen, in het oosten begrensd door de Meijnderwijcksche Dijck, in het westen en oorden door het land van de heer van Meinerswijck en door Oemens Camp (dat toebehoort aan Thomas Roost), waarvan de pachter Guert Wilhesen de rente van 12 daalders ‘s jaars zal betalen.

Op 23 januari 1587 Alzo zich misverstand erholt tussen de kinderen en erfgenamen van zaliger Everth Tulleken eens- en deszelven Everts nagelaten weduwe anderdeels en zulks op den effecte der huwelijksvoorwaarden tussen beiden opgericht, in kraft van welke de weduwe verzoekt verzekering van een jaarlijkse rente van 50 gl., waarvan de erfgenamen sustineerden dat zijn om zulks te doen om redenen ongehouden zijn, zo is het dat alzulke kwestie gesteld is tot erkentenisse enes eerbaren raads dezer stad, in zulker gestalt dat ieder der partijen zijn redenen tot verificatie, te hunner intentie dienende, de heren burgemeesters, schepenen en raad gelijkelijk en op een dag schriftelijk zullen overgegeven om daarin sommarie erkend te worden, tot welke einde de voornoemde erfgenamen, nl. Wilhelm Sluijskens als man en momber van Heesken Tulleken zijn huisvrouw, Arndt en Rutgher, voorts Christina en Ermgardt Tulleken met Peter van Stralen, hun gekozen momber, alsook Jacob van Ommeren als overste momber vanwege Wilhelm Tulleken, nog onmundig wezende, voor Arndt van Brienen en Zeger van Uchelen verschijnen zijn, de erkentenis over de voornoemde zaak aan de heren burgemeesters, schepenen en raad voorzegde stellende, belovende dezelve erkentenis na te komen en te achtervolgen. Op 14 februari 1587 verkoopt Ermgart Tulleken aan Truij ten Haeff, weduwe zaliger Tullekens, 8 gl. 6 stuiver achtenhalve penning jaarlijks van haar quota van alzulke 50 gl. als de weduwe in huwelijks voorwaarden door haar man zal. Evert Tulleken ter rechter lijftocht is gemaakt uit de halve behuizing aan de Oude markt naast de stadmuur staande, te betalen op alle St. Valetijns dag, 1588 eerstaan en zo voort aan tot haar sterfdag toe en niet langer. Op 24 maart 1587 verkoopt Christina weduwe van Wolter Doerninck, met Willem Sluijsken als haar gekozen momber, aan Truij then Haeff 8 keizers gl. 6 stuivers 8½ penning (jaarlijks) voor haar quote als de weduwe in huwelijksvoorwaarden door haar man zaliger Evert Tulleken ter rechter lijftocht is gemaakt uit de helft van vijtenhalve morgen lands, in Arnhemmerbroek gelegen, te betalen op St. Valentins dag 1588 eerstaan en zo voort tot haar sterfdag toe en niet langer. Op 24 maart 1587 verkoopt Rutger Tulleken aan Truij then Haeff, weduwe van zaliger Evert Tullekens, 8 gl. 6 stuiver 8½ penning jaarlijks voor zijn quote van alzulke 50 gl. jaarlijks als de weduwe in huwelijksvoorwaarden door haar man zaliger Evert Tulleken ter rechter lijftoch gemaakt is uit de wederhelft van vijftenhalve morgen lands, in Arnhemmer broek gelegen als boven, te betalen als boven en zo voort tot haar sterfdag toe en niet langer. Op 24 maart 1587 verkopen Wilhelm Sluijsken en Heesken zijn vrouw aan Truij then Haeff, weduwe zaliger Evert Tullekens, 8 gl. 6 stuiver 8½ penning jaarlijks voor hun quote van alzulke 50 gl. als haar in huwelijksvoorwaarden door haar man zaliger Evert Tulleken ter rechter lijftocht is gemaakt uit de halve behuizing aan de Oude markt naast de stadsmuur staande, te betalen op alle St. Valentins dag, 1588 eerstaan en zo voort en tot haar sterfdag toe en niet langer. Op 24 maart 1587 verkopen Arnt Tulleken en Vreesken zijn vrouw aan Truij ten Haeff, weduwe zaliger Evert Tullekens, 8 gl. 6 stuiver 8½ penning jaarlijks voor hun quote van alzulke 50 gl. als haar in huwelijksvoorwaarden door haar man zaliger Evert Tulleken ter rechter lijftocht is gemaakt uit huis en hofstad staande in de Kerkstraat, huis en hofstad van Rolijff dije Muller, te betalen op St. Valentinsdag 1588 eerstaan en zo voort tot haar sterfdag toe en niet langer.

Op 24 juni 1588 Engel then Nijenhuiss juratus dixit se expandasse op 19 juni 1588 ter instantie van de erfgenamen van zaliger Evert Tulleken aan huis en hofstad staande aan St. Johans poort, toebehorende Thijs in den Rinck, waarin eertijds Egbert van Kloppenburch gewoond heeft, voor 7 jaren rente, jaarlijks 5 rijder gl., vermogens zegel en brief, verschenen op Petri ad Cathedram, zijnde het laatste jaar Petri ad Cathedram 1588 verschenen, alles ter goeder rekening. Op 3 juli 1588 hebben Johan Gruitter en Elizabet Jorden zijn vrouw verlijd en bekend – Alzo hun vader Peter Jordens zaliger dat huis van Macharis van Mouwick zaliger ter helfte toe op zekere condities door Evert en Rutger Tullecken verkocht en opgedragen is, dat daaruit zouden blijven gaan 3 gl. current vermogens schepenopdrachtsbrief, daarvan zijnde, en dat zich dan daarna bovenden dat in plaats van de voorgaande 3 gl. current 3 Carolus gl. of 2 daalders jaarlijks door de erfgenamen van zaliger Willem Floriss vermogens brief en zegel gevorderd en ook in kraft van dien betaald worden, daqt zij daarom van hetgeen die 2 daalders of die 3 keizers gl. meer dan die 3 current gl. zo aan hoofdsomme als betaalde rente belopen, zoveel die helft van dien betreft, door de erfgenamen van Evert en Rutger Tullekens zaliger vernoegd en betaald zijn, bekennende daaraan geen aanspraak noch verder recht te hebben noch te behouden in generlei wijze, hun goeder betaling bedankende.

Op 15 juni 1606 Joost van Reidt, schepen, tuigende over hem zelf en Johan Buddingh, beide als overhuismeesters en Willem van Ratingen, onderhuismeester van St. Catharinen gasthuis alhier, sub et re ea qualitate de erfgenamen van zaliger Evert Tulleken, met name Arnt en Rutger Tulleken, gebroeders, Willem Sluisken, griffier van den Hove van Gelderland, als vader zijner kinderen geteeld bij zijn zaliger voorhuisvrouw Heesken Tullekens, en Reiner Everwijn als man en momber van Ermgardt Tullekens, in den eersten een kempken van derdehalve morgen weilands, gelegen in Arnhemmerbroek te Isseloort, oostwaarts de gemene straat, westwaarts Ketelslach, zuidwaarts Engelens erfgenamen en noordwaarts naast Lubbert Gaemans kempken, met nog een morgen lands in de naaste Ketelslach gelegen, voor vrij eigen erf en goed met de dijk van de wetering, daartoe gehorende nog een schaar weiden in Lubbert Gaemans kempken gelegen beleend van Henrick en Johan Bongardt gebroeders zaliger met 100 Carolus gulden, item 2 schaar weiden gelegen in dat naaste Ketelslach waarvan de een beleend is door Sijbert van Manen met 65 Carolus gulden en de ander door Goessen Roeters met 60 Carolus gulden, nog een schaar weiden in het korte kempken gelegen beleend door Frans Sadelmaecker met 52 daler, daartoe nog een rentebrief van 9 daler jaarlijks sprekende op Jasper van Brienen uit zijn goed te Enschoten op Veluwe, gelijk en in aller gestalt deze voorbeschreven percelen op 22 december 1579 bij contract van permutatie aan Evert Tulleken overgezet en door hem en zijn erfgenamen in possessie genomen zijn tegen zekere 6 morgen weilands, gelegen in de kerspel van Elst in de buurschap op Rijckerwoort, tegenwoordig door deze kinderen en erfgenamen van zaliger Evert Tulleken aan de comparanten voor erfpachters van Overbetuwe getransporteerd en opgedragen.

Uit dit huwelijk:

1  Christina Tollekens, begraven 11 augustus 1599 te Arnhem. Gehuwd met Gisbert Sprutz. Ondertrouwd op 15 januari 1598 en gehuwd op 12 mei 1598 te Nijmegen met Arnth Sweers, burger te Nijmegen

2  Arnt Tulleken, student aan de Universiteit van Heidelberg (1574), schepen van Arnhem (1593, 1597), huismeester van het St. Catharina gasthuis te Arnhem (1603), begraven 4 mei 1630 te Arnhem. Gehuwd op 1 november 1579 met Frenske Louwen, begraven 8 februari 1636 te Arnhem

3  Rutger Tulleken, rentmeester van de heer van Bredevoort, schepen van Arnhem (1585), begraven 16 september 1636 te Arnhem. Gehuwd op 25 juni 1587 te Arnhem met Christina Potouw, begraven 6 juni 1642 te Arnhem

Heesken Tullekens

5  Ermgardt Tullekens, geboren palmzondag 1569, begraven 26 juni 1641 te Arnhem. Gehuwd met Reiner Everwijn, burgemeester van Arnhem, overleden 30 mei 1635, begraven 4 juni 1635 in de Grootekerk te Arnhem

6  Wilhelm Tulleken


26048  Reijer Roelofsz van Wijckersloot, richter (1526) en schout van Nederlangbroek (1526-1541), zoon van Roelof Reijersz van Wijckersloot, geboren ca. 1480, overleden 1541-1545

Gehuwd met

26049  Hendrica van Wijck

Op 6 november 1526 neemt Reijer Roelofsz van Wijckersloot voor 26 jaren het schoutambt van Nederlangbroek aan, verleend door de Domproost, om jaarlijks 20 Rijnsche Guldens en 1 vetten ram.

Op 1 mei 1535 Jr. Emmerentiane Pauw Lambert Snoijen weduwe scheldt quijt Jan de Ridder gehuwd met Juffrouw Marie alsulcke voorhuer, beterschap op de halve hoeve voerscreven, ten overstaan van Jacob Spaen schout, Reijer Roelofsz van Wijckersloot en Gerrit van Bemmel, landgenoten en bueren.

In 1545 attesteert zijn zoon Roelof voor schout en gerechtsluiden van Nederlangbroek inzake de uitoefening van het schoutambt van Nederlangbroek door Reijer Roelofsz van Wijckersloot.

Uit dit huwelijk:

Roelof Reiersz van Wijckersloot

2  Jan Reijersz van Wijckersloot, smid, overleden > 14 februari 1566. Gehuwd met Catrijn NN

3  Daniël Reijersz van Wijckersloot, koster te Langbroek. Gehuwd met Anna Henricks

4  Anna Reijers van Wijckersloot. Gehuwd met Adriaen van Couwenhoven

5  Cornelis Reijersz van Wijckersloot


26056  Willem van Voorst, lid van de raad van Utrecht (1511), ouderling (1514), zoon van (?) Joost van Voorst, geboren ca. 1470, overleden 1525, begraven in de St. Janskerk te Utrecht

Gehuwd met

26057  Joostgen Willems van Velpen, dochter van Willem van Velpen, geboren ca.1475, overleden 1556

Zij wonen in St. Joosten achter het ‘Vleijshuijs’ in het huis genaamd St. Joris. Het huis wordt in 1563 door de erfgenamen verkocht.

Op 10 juni 1525 erfpacht voor Joostgen Willem van Velpensdr weduwe Willem van Voerst, van een hof buiten Wittevrouwenpoert die een heer van Leeuwen int lest van zijn leven gebruikt en na hem Lucije Jans weduwe …

Joostje stelt op 12 maart 1532 haar testament ten gunste van haar zonen Joost en Willem. Zij verkoopt op 7 mei 1532 ‘alinge huijsinge ende hoffstede’ aan de oostzijde Leech Jacopijnenstraet aan Hermen Dirckss. Hermen sluit hiervoor bij Joostje een plecht af met een losrente van f 5. Op het pand rust een oudteijgen van 6 stuijvers ten behoeve van de erffgenamen van Dirck van Gruenenberch. De plecht die ten laste van Joostje op het pand rust, gaat op 19 maart 1534 over op Egbert Jacbosz en diens vrouw Margriet.

Op 13 november 1538 losst Goesen Janss een plecht af aan Joostje waarop een losrente rustte van ‘2 gouden overlantsche koervorsten Rijnche gulden’.

Uit dit huwelijk:

Joost van Voorst

2  Willem van Voorst, overleden 1564 (in een put gevallen en verdronken). Gehuwd met Jannichgen NN, overleden 1566

3  Aeltgen van Voorst, overleden februari 1603. Gehuwd met Willem Berntsz van Generdingh

4  Anna van Voorst

5  Meijns van Voorst

6  Beernt van Voorst. Gehuwd met (?) Baefgen NN

7  Hillegond van Voorst, overleden 1563


26058  Sander Hendricksz van Scherpenzeel, bakker, geboren ca. 1480 te Scherpenzeel, overleden 1560 te Utrecht. Gehuwd met Claesgen Henricks, geboren ca. 1480, overleden < 11 juli 1553

Gehuwd met

26059  Margriet NN

Op 2 september 1522 Eecht Wouter Gerijtsz van de Velde’s weduwe, verplach haar kinderen Ghijsbert, Jan, Gherijt, Margriet en Belije van de erfenis van hun vader. Voogden Gerijt Claes Koenraetsz en Zander Hendrickx die backer.

In 1527 di opte Meijavont Johan Willemsz, Sander Heijnricksz, Wouter van Weede en Steven van Weede tonen huwelijkse voorwaarden van Gijsbert van Noirt en Peternel Heijnrick Stevensdr van Suijlen.

Op 7 juni 1537 Gerichgen Geerloff Jansz Wttewaels weduwe met Anna haar dochter, geeft en maakt Sander Hendrickx en Dirck Hendrickx schoenmaker al wat zij nu heeft of nog krijgt.

Op 26 februari 1540 koopt Sander de ‘helfte van der alinge huijsinge ende hoffstede’ aan de westzijde Overste Massegast. ‘De andere helfte heeft Sander Henrickss reeds in bezit’. Die heeft hij waarschijnlijk verkregen op 7 juni 1537 van Gerrichgen, weduwe van Geerloff Janss Uute Wael, betreffende ‘roerende ende onroerende goederen’. Op 9 september 1540 Claesgen Zander Henrickx van Scerpenzeels wijf gaf aan Cornelis Henrickx, haar zoon, Marie gehuwd met Jan Bloem die boeckbinder, en Arijaen gehuwd met Cornelis Zandersz, haar dochters bij Henrick Jansz zaliger haar voorman … Op 9 december verteech zij ten behoeve van Geertruijt Henrick Henrickx weduwe van de erfenis van Henrick Henrickx haar zoon.

Op 21 juni 1541 Sander Hendrickx van Scherpenseel testeert op Gerijt Sandersz, zijn zoons kinderen en op Weijntgen Joest van Voorsten wijf, zijn dochters kinderen. Op 17 mei 1543 Gerijt Zanders, nu wonend Engelant, gehuwd met Eelsgen, transporteert aan Zander Henricksz van Scherpenseel, zijn vader, ¼e gedeelte van een huis hem aangekomen van dode van Margriet, zijn moeder.

Op 11 juli 1553 Cornelis Henrickx, houtcoper en borger van Utrecht, gehuwd met Gerborch, verteeg ten behoeve van Jan Blom en Cornelis Zandersz, zijn zwagers, van de erfenis van zaliger Claesgen Henrick Jansz weduwe, die nae Sander Hendrickx van Scherpenseels wijf was, zijn moeder.

Na de dood van Sander, wordt op 24 oktober 1560 uit de boedel aan Roeloff Joestenss van Roij verkocht een ‘huijsinge ende hoffstede’ bewoond door Cornelis Sanders gelegen aan de oostzijde Corte Minrebroedersstraet’ en een ‘huijsinge ende hoffstede gelegen in de Corte Massegast achter het Schoonhuijs’. Op het pand aan de Corte Minrebroedersstraet rust een plecht van f 100 Philippus gulden en f 7 losrente ten behoeve van de Noothulp.

Uit dit huwelijk:

1  Cornelis Sandersz van Rodenburch

Wendelmoet Zanders van Rodenburch

3  Gerrit Sandersz van Rodenburch, overleden < 1560. Gehuwd met Eelsgen NN


26060  Gerrit Claesz van Overmeer, overleden < 10 juni 1529

Gehuwd met

26061  Celij Aerts van Bueren, overleden > 10 juni 1529

Op 10 juni 1529 Celij Aert van Buerensdr, Gherijt Claes van Overmeersweduwe, Henrick en Claes Gerijt Claeskinderen en Lambert Cornelisz, tonen hijlicxbrief. Genoemd Peter Gerijtss hun broer en zwager.

Uit dit huwelijk:

Claes Gerritsz van Overmeer

2  Henrick Gerritsz van Overmeer

3  Peter Gerritsz van Overmeer

4  NN Gerrits van Overmeer. Gehuwd met Lambert Cornelisz

5  Jan Gerritsz van Overmeer, overleden < 16 april 1551. Gehuwd met Ermbrecht NN


26062  Peter Robbertsz, overleden 1530

Gehuwd met

26063  Janna NN, overleden > 23 augustus 1530

In 1502 dinsdach na St. Michielsdach transporteren Reijer Jacobsz en Anthonia een erfpacht aan Peter Robbertsz.

Op 7 november 1528 heeft Peter Robbertsz den keizer en den bisschop oorvrede gedaan blijkens het raadsboek. Op 23 augustus 1530 verkoopt Janna, weduwe van Peter Robertss, ‘alinge huijsinge ende hoffstede Die Bruijnvisch op de zuijthoeck van die Vuijlsteech, voor drie gouden overlantsche koervorsten gulden en drie oert losrenten’ aan Reijer Jacopss van Beecker, borduerwercker. Zij woont zelf ten oosten van het pand met haar dochter Oedel en dier man Claes Gherits van Overmeer. Aan de zuidkant van het verkochte pand loopt de ‘straet van ‘t gevange vleeshuijs naar Gansmerckt’ en aan de noordkant ‘die Vuijlsteech’.

Peter heeft voor zijn dood ruzie over een wantaccijns. Op 11 oktober 1530 wordt goedgevonden dat zijn weduwe voor de raad volstaan kan met te bewijzen dat zij aan Venrode voor den wantaccijns 65 gulden betaald heeft.

Uit dit huwelijk:

Oedel Peter Robberts

2  (?) Robbert Petersz, borduerwercker


26064  Peter Vosch, geboren ca. 1485

Gehuwd ca. 1510 met

26065  Christina van Rolinxweert, geboren ca. 1490

Uit dit huwelijk:

Balthasar Vosch


26068  Jan Jansz Utenwael, schrijver (notaris), zoon van Jan Jansz Utenwael en Marijcken Jan Wouters van de Pol, geboren ca. 1500, overleden 1563 te Utrecht

Gehuwd ca. 1525 met

26069  Marie Dircks Schaijck, geboren ca. 1505, overleden 1593

Links het zegel van Jan Janssoen Vuijtewaell Scrijver. Het wapen is een beurtelings gekanteelde dwarsbalk, de bovenste vier kantelen bestoken met een veer. Een griffioen naast het schild. HHet getoonde zegel is van 4 januari 1560 en komt uit het archief van de Ridderlijke Duitsche Orde, Balije van Utrecht, 1200-1800.

Op 25 april 1533 verkrijgt Jan Janss Utenwael, scrijver, een huijsinge ende hoffstede op Oude Kerckhoff dat Lambert Janss in eigendom heeft. Op 23 juni 1534 transporteert Jan Janss Uuten Waelt aan de Stadt van Utrecht ‘de helft en de dat achtendeel van de andere helft van de alinge huijsinge ende hofstede Die Vleermuijs aan de noordzijde van ‘t Oude Kerckhoff bij de Vischmerct”. Op 19 oktober 1535 leent Jan Janss ’80 gouden Hertoch Philips gulden van Oestenrijck van Christoffel Janss van den Bosch en Adriaen Jan van Malssensdr.

Op 30 december 1541 leent Jan Janss een onbekend bedrag tegen f 4 ende 16 stuvers losrente van Joest Heijnrick Zuermontsdr ende van Lijsbeth Ghijsbert van Loenensdr. Op 26 maart 1545 ontvangt Jan Janss van Jacob Dirckss, wonende tot Werckhoven, f 4 en 1 stuiver nakomende van geleverd weijt aan Hermen Janss, backer.

Op 25 augustus 1559 Jan Maertensz van Sneeck, hospes in Montfoort, transporteert een hortus buiten Wittevrouwen aan Jan Jansz scriba wten Waell.

Op 17 juli 1563 wordt een acte van afstand getekend van de ‘erffenisse ende besterffenisse’ van de boedel van Jan Janss Uutewael aan Marie. Op 3 juli 1564 transporteert Marie, weduwe Jan Janss Uutenwael, de ‘helfte van alinge huijsinge en de hoffstede Die Munt ende achterhuijsinge aan de westzijde onder die Lakensnijders aan haar zoon Marten Janss Uute Wael. Op dezelfde dag transporteert zij ‘alinge huijsingen ende hoffstede mitten kelre ende plaetse Cleijn Stegenbergen aan de westzijde onder die Lakensnijders, aan haar zoon Anthonis Janss Uute Wael. Hij woont dan al in het huis. “Uuijtganck van een pandt: zes schellinge ende acht penninge straatpaijementen ten behoeve van den Heijligen Geest.

Op 6 oktober 1578 Willem Ghijsbertss van Armborsteijn en Marijchgen Dirck van Cranenburchsweduwe zijn zuster, constitueren om int gerecht Achthoven te transporteren aan Jan, Maerten en Anthonis Janssonen Wte Waell, gebroerders 2 morgen in 6 morgen hen aangekomen van hun vader.

Rekening van den kanunnik Johannes van Grovesteijn, aanvangende 1593, remigii (in Overluidingen 1562-1614): Item in obitu et funere Marie Theodorice Schaijck, vidue Joannes Wtem Waell, bis Maria, VIII fl.

Uit dit huwelijk:

Jan Jansz Utenwael

2  Marten Jansz Uute Wael, overleden > 11 september 1592

3  Anthonis Jansz Uute Wael, glasschilder, overleden > 8 september 1580. Gehuwd met Antonia Joachims van Schaijck


26070  Aelbert Foecken

In 1516 donderdach na Joannis: Heijnrick van Beesdt, Aelbert Foeck en Lambert Bolle tonen huwelijkse voorwaarden van Jan van Malsen en Gerborch Willem van Herdeveltsdr.

Kinderen:

Anna Aelbert Foecken


26080  Jacob Hugensz, gegoed onder Amerongen, zoon van Hugo van der Weije en Cornelia NN, geboren ca. 1460, overleden < 29 april 1523

Gehuwd met

26081  Cornelia NN, geboren ca. 1475, overleden > 29 april 1523

Op 13 augustus 1483 is Jacob van der Weide Hugensz beleend met een halve hoeve in Outena. Op 30 november 1507 Hugo Jansz bij overdracht door Jacob Hugensz na verzuim voor f 22,50.

Op 24 maart 1507 te Utrecht worden Jacob Hugoesz en zijn erfgenamen door de Proostdij van de Dom beleend met 1½ morgen land genaamd de Ruijngenpool, gelegen in het kerspel van Amerongen in de Koornwaard, strekkende van de Lekdijk tot aan de Rijn, bij opdracht door Aernt Jansz van Oemeren en Maria, zijn huisvrouw.

Op 29 april 1523 huren Cornelia Jacob Huijgen weduwe en haar kinderen 8 morgen land, toebehorend aan het 10000-martelarenaltaar in de Domkerk, tot nu toe bezeten door Heer Henrick Gores, gelegen te Amerongen, bij de hoeve van Jacob Bernts Proijs Aelbertsz.

Uit dit huwelijk:

Hugo Jacobsz


26084  Dirck van Hattem, pachter van de rijsweert (1502-1503), zoon van Roelof van Hattem en NN van der Mehr, geboren (?) ca. 1475, overleden ca. 1526

Gehuwd met

26085  Dirckje Jan Arnts, dochter van Jan Arntsz, overleden > 22 februari 1533

Op 22 februari 1533 verkoopt Dirck Jan Arntzdochter, wed. Dirckz van Hattem, aan haar zoon Arnt van Hattem 1/2 van 2 mergen in die Grote Kamp onder Eck en stelt tot borgen Walraven van Hattem en Dirck Roeloffz. Zegel Dirck Jan Arntzdochter 3 vogels 2,1.

Uit dit huwelijk:

1  Arndt van Hattem, bezit goederen te Eck, overleden 1544-1548. Gehuwd met Roelofke NN, overleden 1572-1579

2  Jan van Hattem, overleden 1548-1558. Gehuwd met Cornelia NN, overleden > 1557

Roelof Dirksz van Hattem

4  (?) Cornelia van Hattem, overleden < 8 juni 1603. Gehuwd met Cornelis van Meteren, overleden < 8 juni 1603


26088  Aelbert van Amerongen

Gehuwd met

26089  Willemtge van Amerongen

Uit dit huwelijk:

Gosen Aelbertsz van Amerongen

2  (?) Gerrit Aelbertsz van Amerongen, overleden > 19 augustus 1588 te Wijk bij Duurstede

3  (?) Jacob Aelbertsz van Amerongen, overleden > 3 maart 1587 te Wijk bij Duurstede

4  (?) Cornelis Aelbertsz van Amerongen, overleden > 22 april 1591 te Wijk bij Duurstede

5  (?) Judith Aelberts van Amerongen, overleden > 10 januari 1601 te Wijk bij Duurstede. Gehuwd met Johan van Amstel, overleden < 10 januari 1601


26090  Gerrit Verhaer, smid, overleden > 16 januari 1565

Gehuwd met

26091  Janna NN

In 1523 donderdach na St. Agnietendach Evert Heijmerickx die Greeff gehuwd met Arijaen, en Gherijt Verhaer die Jonghe die smit gehuwd met Janna vertegen ten behoeve van Corstijna Jan Hermanswedue van Jan Hermansz voorschreven erfenis.

Op 16 januari 1565 Gerrit Verhaer en Joachim Goijertsz als grootvader en neef van de onmondige kinderen van zaliger Mr. Floris Reijersz en zaliger Margriet Gerrit Verhaersdr, te weten Herman, Heijnrick, Gheridt, Janneke, Anna, Margriet, Beatris en Stephanie Floris zonen en dochters.

Uit dit huwelijk:

Janneke Gerrits Verhaer

2  Margriet Gerrits Verhaer. Gehuwd met Floris Reijersz

3  Anna Gerrits Verhaer


26624  Tonis Cornelisz, geboren ca. 1510, overleden < 1585

Gehuwd met

26625  Mari Thonis, geboren ca. 1510, overleden > 1585. Gehuwd met Henrick Jan Pauwelsz

Tonis bezit landerijen onder Kortgericht aan de Diefdijk. Hij heeft een zoon Theunis Theunisz, mogelijk is dit Theunis Theunisz Cool.

Uit dit huwelijk:

1  (?) Thonis Thonisz Cool


26626  Anthoenis Melis Cool, gasthuismeester van het St Elisabethsgasthuis op de Havendijck te Culemborg (1543-1561), zoon van Melis Henricks Cool en Catharina Jan Gerrits de Brouwer, geboren ca. 1500, overleden > 1562

Gehuwd met

26627  Ariaantje Steenis, dochter van Jan van Steenhuizen en Janneken Aert Hermans, geboren te Culemborg, overleden > 1566 te Culemborg

Frederic de Coninc, richter, Henric van Cuijck, Joost Corneliszoon, Herberen Simonszoon en Cornelis van Aken, schepenen te Culemborch, oorkonden op 5 juni 1543, dat Henric Roes overgedragen heeft aan Anthoenis Cool, huismeester van het St Elisabethsgasthuis, vier morgen land aan het Zandtvoerdt.

Op 25 mei 1544 oorkonden Gerrit van Culemborch Melchiorszoon, richter, Gerrit van Culemborch Hubertszoon, Herberen Sijmonszoon, Cornelis van Aken en Gerrit Deijs, schepenen te Culemborch, dat Cornelis Claeszoon als voogd van Cornelis en Goesen, onmondige kinderen wijlen Goesen Alartszoon, en Agnes diens weduwe, overgedragen hebben aan Thoenis Cool Meliszoon ten behoeve van het St Elisabethsgasthuis een huis aan de Achterstraet. Op 19 juni 1544 oorkonden Cornelis van Aken en Gerrit Deijs, schepenen te Culemborch, dat Gerrit Caudenhoeven toegezegd heeft aan Thoenis Cool Meliszoon ten behoeve van de St Elisabethskapel op den Havendijck, een rente van twee philipsguldens ‘s jaars, gaande uit zijn boomgaard op die Lantweer.

Joost Corneliszoon en Hubert van Baden, schepen te Culemborch, oorkonden op 28 maart 1545, dat Gerrit Cock toegezegd heeft aan Thoenis Cool Melszoon ten behoeve van het St Elisabethsgasthuis, een rente van drie hollandsche guldens ‘s jaars, gaande uit een huisje op den Havendijck, dat hij van den genoemden huismeester had gekocht. Op 22 april 1545 oorkonden Gerrit van Culemborch Hubertszoon en Joost Corneliszoon, schepenen te Culemborch, dat de executeurs-testamentair van Mr Johan Hackert, priester en vicaris van St Barbara aldaar, overgedragen hebben aan Anthoenis Cool Meliszoon ten behoeve van het St Elisabethsgasthuis een brief van 22 januari 1544 en de rente van 1,5 gulden ‘s jaars, omschreven in den brief van 18 januari 1534. Cornelis van Aken en Aernt Goerdt Willemszoon, schepenen te Culemborch, oorkonden op 3 mei 1545 dat Wijllem Suirmont Willemszoon toegezegd heeft aan Anthoenis Cool ten behoeve van de huisarmen op den Havendijck, een rente van eenen gulden ‘s jaars, gaande uit zijn huis aan de Vorderstraet. Op 26 oktober 1545 oorkonden Cornelis van Aken en Hubert van Baden, schepenen te Culemborch, dat Dirck van Everdingen toegezegd heeft aan Thoenis Cool Meliszoon, ten behoeve van het St Elijsabethsgasthuis, een rente van zes hollandsche guldens ‘s jaars, gaande uit zijn huis aan het kerkhof der St Barbarakerk. Op 4 november 1545 oorkonden Jan Meeuszoon en Cornelis Adriaenszoon, schepenen in de kerspelen Everdingen, Sijdervelt en Honswijck, dat Tijman Goesenszoon overgedragen heeft aan Thoenis Cool en Hubert Janszoon van Baden, gasthuismeesters van het St Elijsabethsgasthuis te Culemborch, een rente van zes carolusguldens ‘s jaars, gaande uit landerijen onder Goilberdingen aan de Prijschen weg. Op 18 november 1545 oorkonden Adriaen de Moilre, richter der dorpen Boesinchem en Selmondt, Jan van Dalem Henricxzoon en Herman Janszoon, schepenen, dat Goesen Otten verkocht heeft aan Anthoenis Cool Meliszoon ten behoeve van het St Elisabethsgasthuis te Culemborch, eene rente van drie hollandsche guldens ‘s jaars, gaande uit twee morgen land onder Selmond, geheeten dat Koepat, en Hubert Aertszoon eene rente van 4,5 gulden ‘s jaars gaande uit zijn huis te Selmondt. Op 29 november 1545 oorkonden Aernt Goirdt Willemszoon en Gerrit Smit Gerrijtszoon, schepenen te Culemborch, dat Aefken, vrouw van Herberen Sijmonszoon, toegezegd heeft aan Anthoenis Cool Meliszoon en Hubrecht Janszoon van Baden, ten behoeve van het St Elijsabethsgasthuis, een rente van negen hollandsche gulden ‘s jaars, gaande uit de helft van twee morgen land achter dat Sant. Op 30 november 1545, opten lesten dach in Novembri, oorkonden Adriaen de Moilre, richter der dorpen Boesinchem en Selmondt, Willem Henricxzoon en … Suirmont Gieliszoon, schepenen, dat Aernt Verkerck verkocht heeft aan Thoenis Cool Meliszoon, ten behoeve van het St Elijsabethgasthuis te Culemborch, een rente van zes carolusguldens ‘s jaars gaande uit zeven morgen land in de Voircopen in het gericht van Boesinchem aan de Voircoipstege.

Op 16 maart 1546 oorkonden Gerrit Deijs en Aernt die Goeijer, schepenen te Culemborch, dat Magdalena van Buchel, weduwe van Gijsbert van Doirn, toegezegd heeft aan Anthoenis Cool Meliszoon ten behoeve van het St Elisabethsgasthuis, eene rente van zes hollandsche guldens ‘s jaars, gaande uit een stuk land, genaamd dat Hoenre campken, in het schependom van Culemborch aan den Diefdijck. Op 9 augustus 1546 oorkonden Gerrit Deijs en Aert die Goeijer, schepenen te Culemborch, dat Anthoenis Bartgenszoon, de metselaar, overgedragen heeft aan Anthoenis Cool ten behoeve van de huisarmen op den Havendijck, een rente van twee hollandsche guldens ‘s jaars, gaande uit zijn huis aan de Voerstraet.

Gerrit van Culemborch Hubertszoon en Aernt die Man, schepenen te Culemborch, oorkonden op 18 januari 1547 dat Thoenis die Veer toegezegd heeft aan Thoenis Cool, huismeester, ten behoeve van de St Elijsabethskapel op den Havendijck, eene rente van twee gulden ‘s jaars, gaande uit een huisje op den Havendijck naast de Vismarckt. Aernt die Man en Ghijsbert Thoeniszoon, schepenen te Culemborch, oorkonden op 13 maart 1547, dat Stees, de mandemaker, toegezegd heeft aan Thoenis Cool ten behoeve van het Elijsabethsgasthuis, eene rente van twee guldens ‘s jaars, gaande uit zijn boomgaard op Redinchem. Aernt die Man en Gosen van Cuijck, schepenen te Culemborch, oorkonden op 10 maart 1548 dat Jan die Moelre toegezegd heeft aan Anthonis Coel, huismeester van het St Elisabethsgasthuis, 128 guldens hollandsch, waarvoor hij jaarlijks 8 guldens rente zal betalen.

Op 12 januari 1550 oorkonden Gerijt van Culemborch Hubertzoon en Bauwen Adriaenszoon, schepenen te Culemborch, dat Gisbert Willemszoon die Coster en Alart Maessen, toegezegd hebben aan Thonis Cooll ten behoeve van de St Elisabethskapel opten Havendijck, eene rente van twee gulden ‘s jaars, gaande uit Gisberts huis aan de Kerckstrait en Alarts huis aan de Moelenstrait. Op 15 maart 1550 oorkonden Jan van Hardenbrouck en Alardt die Goijer, schepenen te Culemborch, dat Gisbert Aelbertzoon, genaamd Vlaenderen, toegezegd heeft aan Thonis Cooll ten behoeve van de twaalf proveniers opten Havendijck, eene rente van vier guldens ‘s jaars gaande uit zijn huis aan de Muelenstraet. Op 22 maart 1550 oorkonden Gerijt van Culemborch Hubertzoon en Alart die Goijer, schepenen te Culemborch, dat Griet Philipsdochter overgedragen heeft aan Thonis Cooll Meliszoon ten behoeve van de twaalf proveniers op den Havendijck, haar rechten op een huis aan de Prijssche strait, op voorwaarde van behoud van haar lijftocht. Op 5 juni 1551 oorkonden Hanrick van Tuijll en Peter van Maren, schepenen in Deijl, dat Gherit Zaren namens zijne vrouw, alsmede Toenis Cooll en Ghijsbert van der Horst namens de andere kinderen van Jan van Steenhuijss toegezegd hebben aan de huismeesters der twaalf proveniers op den Havendijck te Culenborch, eene rente van zes guldens ‘s jaars gaande uit 6,5 morgen land in het gericht van Dromt.

Op 22 januari 1552 oorkonden Aernt Henricxzoon en Hubert van Baden, schepenen te Culemborch, dat Pelgrom Gerijtszoon toegezegd heeft aan Thonis Cooll Meliszoon ten behoeve van de twaalf proveniers van de St ELisabethskapel, eene rente van drie gulden ‘s jaars, gaande uit zijn boomgaard op Redinchem. Op 30 januari 1553 oorkonden Peter van Zuijren, abt van St Marienweerde, dat Goirdt Cornelis Beerntzoon met zijne toestemming toegezegd heeft aan Thonis Cooll Meliszoon ten behoeve van de twaalf proveniers op den Havendijck te Culemborch, eene rente van negen carolusguldens ‘s jaars, gaande uit drie morgen aan de abdij leenroerig land in het kerspel Boesinchem op Weijthuijservelde. Op 22 november 1553 oorkonden Gerijt van Culemborch Hubertzoon en Peter Cooll, schepenen te Culemborch, dat Thonis Bartgenszoon, de metselaar, toegezegd heeft aan Thonis Cooll ten behoeve van de twaalf proveniers op den Havendijck, eene rente van een gulden ‘s jaars, gaande uit zijn huis aan de Vorderstrait.

Op 25 februari 1554 oorkonden Hubert van Balen en Aernt Goirdt Willemszoon, schepenen te Culemborch, dat Lambertken Cornelis Gijsbertszoon, weduwe van Lambert Cock, toegezegd heeft aan Thonis Cooll ten behoeve van de twaalf proveniers op den Havendijck, eene rente van twee philipsguldens ‘s jaars, gaande uit een door haar van de stichting gekocht huisje naast den stadswal. Op 9 mei 1554 oorkonden Hubert van Baden en Cornelis van Aken, schepenen te Culemborch, dat Dirck Corneliszoon toegezegd heeft aan Thonis Cooll Meliszoon ten behoeve van de twaalf arme proveniers opren Havendijck, een rente van twee gulden ‘s jaars, gaande uit een huisje op den Havendijck aan den Langendijck. Op 26 mei 1554 oorkonden Cornelis van Aken en Peter Cooll, schepenen te Culemborch, dat Thoenis Willem Henricxzoon toegezegd heeft aan Thoenis Cooll Meliszoon ten behoeve van de twaalf proveniers op den Havendijck, eene rente van twee gulden ‘s jaars, gaande uit een huisje op den Havendijck op den Langendijck. Op 1 mei 1555 oorkonden Cornelis van Aken en Peter Cooll, schepenen te Culemborch, dat Thonis Gerijtzoon toegezegd heeft aan Thonis Cooll Meliszoon ten behoeve van de twaalf arme proveniers op den Havendijck, een rente van een gulden ‘s jaars, gaande uit zijn huis aan de Prijssche straat.

In 1562 is een rentebrief opgesteld, groot 4 gulden ‘s jaars, gaande uit een huis aan de Achterstraat te Culemborg, voor den Poth, ten laste van Anthoenis Cool Meliszoon.

Uit dit huwelijk:

1  Gerijt Anthoenisz Cool

2  Willem Teunisz Cool

Mari Theunis Cool


26628  Willem Claes Deventer (de Jonge), alias Wijntgen van Deventer, bouwman in het Laageind van Middelkoop, zoon van Claes Willem Ottensz en Margriet Cornelis van Aefferen, geboren 1517-1519 te Middelkoop, overleden 1575-1576

Gehuwd met

26629  Willemke Ghijsbrechts

Zij wonen in ‘t Leecheijndt van Middelkoop in een huis op de “21 mergen” (erfgoed van zijn vader).

Bij de boedelscheiding van zijn vader op 3 februari 1540 wordt bepaald dat ‘Willem Claess die Jonge sall alleen hebben ende behouden dat rechte vierendeell van die geheelle hoeve lants van 21 mergen ende al soe groot ende cleijn als die gelegen sijn in Middelcoop daer Claes Willemsen sijn vaeder up woende int leste van sijn leven, belent inde oosten sijde van deselve hoeff, streckende vanden Leerbroeckschen lande aff totter Hubertscher weteringe toe; ende noch de huer off bruijckweer van Jan Jacobsz vierendeell inden voirs. hoeve lants dat welck hij mede gebruijcken sall inden oosten sijden vanden selven hoeve lants beheltlijcken (behalve) dat nijemant van sijn broeders off Susteren nu noch tot gelegener tijden hem geen hijnder off schade en sullen moeten doen aende huer van Jan Jacopsz vierendeell vanden voirs. landen; ook moet Willem samen met Anthonis en Marijken aan al hun broers 3 pond grote Vlaams uitreiken’.

Op 9 januari 1543 geeft Willem Claes de Jonge aan zijn broer Willem Claes de Oude als natuurlijke voogd en ‘momboir’ van Cornelia Claesdr 3 karolus gulden en 2$ stuver jaarlijks te betalen ‘op der heijligen drije Codghen dach.’ Dat is de rente van de verschenen landpachten, het hoofdgeld bedraagt 16 karolus gulden. Als borg is te ‘nemen ende te heffen op ende uuijt 5 mergen ende 1 hont lants gelegen op Middelcoop in een weer landts van 21 mergen gemeen ende onverdeelt met Jan Jacopssen t Oudewater ende Claes Willemsen kinderen, daer boven naestgelant is Jan Willemsen met zijn medewerckende ende beneden gelegen die Vijfvierdel, streckende vanden Leerbroeckse landt aff tot die Hubertsche weteringe toe.’ Kennelijk werd het omgeslagen over alle erfgenamen. Op 13 maart 1543 verkoopt Willem Claessen uit Middelkoop een vijfde deel van 7$ mergen land genaamd het Breeweer, gelegen op Leerbroek, aan Lijsbet Dirck Goverts weduwe. Jenneke, de weduwe van Jacob Willem Ottens heeft 4 mergen van het Breeweer in bezit. Ook verkoopt hij een vijfde deel van 1 mergen van Claerkens Hoecht op Leerbroek aan Henrick Dirck Geritsen en Beert Dirck Govertsen, beiden wonende te Leerbroek.

Bij de boedelverdeling van Claes Willem Ottens is door loting bepaald dat Jan Jacopsz. van Oudewater ‘off sijnen erven ende nacomelinghen souden mogen begeren alsoe den voirs. Jan Jacopsz. daer mede ingeerft is, dat syluyden inden gevallen hem sullen moegen verhalen inde oisten syden vant voirs. land’. Als ze het land wilden, verkopen of iets dergelijks, dan moest dat verhaald worden op d’eze oostzijde van de 21 mergen land. Willem was daardoor de pineut.  De eerste gebeurtenis rondom de erfloting is een feit als op 5 september 1544 blijkt dat Willem Claes Willem Ottensen volgens de huurcedulle pacht schuldig is aan Jan Jacobssen baljuw van Oudewater over een vierde deel van de 21 mergen. Maar (volgens deugdelijk bewijs) ‘ter causse van die laeste oirloge van Gelre opt voors. lant van oncosten en schade geleden ende gehadt te hebben’ zal Jan Jacobsen deze schade moeten betalen en wel als korting op de betaling voor het huren van het land, dat Willem gebruikt heeft en nog gebruikt. Dat Willem niet de enige was die last van oorlogsvoering en dergelijke heeft gehad blijkt uit een akte van 2 april 1543 waarin vermeld is dat ‘het huijs, schuer en berg’ van Adriaen Pauwelsen, wonende in ‘t Leecheindt van Middelkoop, in de laatste winter door de Geldersen is afgebrand. Ook blijkt op 5 november 1544 dat de schepenen van Gorinchem overwogen hebben, gelet op de ‘zwarigheden gevallen in die dorpen vanden Lande van Arckel, naementlick Leerbroeck, Middelcoep, Nulandt, Oosterwijck ende Kekum opgecomen ende geresen zijnde ter cause vande laeste oirloghe ende het water inden jaeren van 1543 gevallen ende inden jaeren 1544 verschenen, waarbij die gebruicker oft landpachter groote tosten schaden ende interesten aenden grootheeren ofte priestarijs gehadt hebben,’ om dan ‘die landpachten aenden groitheeren cortten sal mogen, die een helft vanden pachter vervallen ende verschenen en de andere helft door de grootheeren te betalen.

Op 11 oktober 1557 erven Gerit Jansen, Jacob Jansen Pauw en Frans Willemsen de 6 mergen in de 21 mergen land. Vijf jaar later, op 13 januari 1563, willen zij weten hoe groot hun erfgoed precies is. De landmeter van het land van Vianen, Aerdt Jans van Zuijlen, wordt erbij gehaald. Weer drie maanden later, op 16 april 1563, wordt bepaald wie welk gedeelte heeft. Bepaald is dat ‘Thonis Claessen ende Sebastiaen Claessen gebroederen hebben zullen de westeijnde van het land, naest aengelandt is Willemke Jacob Willem Ottensen mit seker landt genaamd de Vijffvierdel’ en dat Willem Claessen met ‘die van der Goude’ (Frans Willems en Jacop Jans Pauw) gemeen hebben en behouden de oostzijde van het land. Maar ‘indijen die van der Goude bij lotinge tussen hen ende Willem Claessen vallen ende gelooth worden inde huijsinge die Willem Claessen nu ter tijt daerop staende heeft met berghen ende andere zijnen toebehooren. Dat insulcke gevalle dezelve Willem nijettemin behouden sal sijn helft dair de huisinge mette berghen op staende zijn midts daer jegens die van der Goude recompenseren ende vergoeijende, zoe wel erffen als zij Willem daer bij winnen sal ende dat inden d’andere zijde van zijn vrs. erff gelegen, desen sullen die van der Goude zijde zoe veel hebben als bevonden sal worden heurlieder daerin te compenteren.’  Willem Claessen accepteert dat echter niet en gaat in hoger beroep bij het Hof van Holland ‘zee zijnde Hoch Raidt gedragen sal worden.’ Vijf dagen daarna, op 21 april 1563, is iedereen akkoord met het uitgesproken vonnis, maar Willem Claessen verliest wel 2 hond van zijn land. Zijn werf zal echter gelijk blijven. Hiermee is de zaak afgesloten.

Op 23 augustus 1550 belooft Willem Claessen in Middelkoop aan Thonis Hermans en Lijsbeth Adriaen Dircx weduwe, de moeder van zijn huisvrouw, wonende in het Hoocheijndt van Middelkoop, de koop van de helft van 7 mergen land in Middelkoop, onverdeeld met Mr. Marten van Os Goverdts (later burgemeester van Gorinchem) tussen de Leerbroeksche lande en de Hubertse weteringe, oostwaarts Willem Huijgen en westwaarts de ‘zwarte mannekens’ van Dordrecht, en dat met alle betelinge op die helft, uitgezonderd het huisje met de appelbomen. De koopsom is 480 karolus gulden. Negen jaar later, op 15 april 1559, is het Adriaentgen Jorisdr, weduwe van Jan Adriaensen, met als gemachtigde Cornelis Jan Gerritsen, die belooft aan Willem Claessen te betalen, maar nu een bedrag van 555 karolus gulden, van welk bedrag Jan Calff Petersen nog 250 karolus gulden moet betalen.

Op 11 mei 1548 blijkt bij een getuigenverklaring van de verkoop van 10.000 hoepen, dat Willem Claessen 29 jaar oud is. Op 7 oktober 1557 verklaren Cornelis Jan Gerits, oud circa 50 jaren, Willem Huijgen, oud circa 40 jaren, beiden ingezetenen en gezworenen of heemraden van Middelkoop en de parochie van Leerbroek, en Willem Claessen, oud circa 40 jaren, en Cornelis Henricxs, oud circa 44 jaren, beiden ook ingezetenen en geërfden van Middelkoop, op verzoek van Jan Willems gehuwd met Marijke Jan Gheritsdr. dat Sebastiaen Cornelis zaliger aan zijn huisvrouw de voornoemde Marijke drie jaar geleden in het huwelijk gebracht heeft de som van 275 karolus gulden en ook 220 Philips gulden en nog 225 karolus guldens, te betalen aan de erfgenamen; kort daarna is hij gestorven. Volgens de vier getuigen hebben ze de laatste twee jaar zeer veel last van water gehad, zowel van boven als anders. Daarom is de opbrengst zeer slecht geweest, zodat Marijke de pacht niet kan betalen.

Willem Claessen Deventer verkoopt op 11 augustus 1554 aan Cornelis Loenen van 6 mergen en 1 hond land op Middelkoop, noordwaarts gelegen Theunis Thymansen en zuidwaarts Cornelis Loenen, strekkende van Cornelis Janssen tot de Hubertswetering toe. Op 11 augustus 1554 moet Splinter van Voorn als gemachtigde van Cornelis Loeffsen van Lackervelt, Willem Claessen vervolgen voor alle verlossing van het ongemak (inhoudende 50 karolus gulden), die zijn broer Adriaen heeft op het land dat de kinderen van Cornelis Dirk Pauwelsen gekocht hebben van Willem Claessen. Ruim een half jaar later, 10 mei 1555, vervolgt Willem Claessen in Middelkoop de borgen Dirk en Cornelis Herberens van de nagelaten weeskinderen van wijlen Cornelis Dirck Pauwels tot Amstelredam, namelijk Dirk, Marie en Geertruijt Cornelisdr voor een rentebrief van 20 karolus gulden, die rust op de 6 mergen en 1 hond land in ‘t Leecheijndt van Middelkoop. Dat hij nogal wat moeite heeft met het krijgen van deze rentebrief blijkt op 31 maart 1556, wanneer hij drie ‘besettinge’ laat doen op het land en op 15 mei 1556, wanneer hij wederom de voogden van de weeskinderen vervolgt voor de levering van een zekere rentebrief. Kennelijk is de zaak daarmee niet afgelopen, want op 17 mei 1558 getuigen Mr. Jacob Doel, oud 60 jaar, en Splinter van Voorn, oud 34 jaar, voor het gerecht dat ze ten huize van Anthoenis Neijenszoon geweest zijn, ‘alwaer Geertgen Cornelis Loeffs weduwe ende Willem Claessen uit Middelcoop tsamen rekening hielden, van de penningen die Cornelis Loeffs betaelt hadde opt lant dewelck hij tot behoeff van zekere luijden van Amsterdam gecoft had van Willem Claessen’ en waarvan hij Willem ondersteunde dat hij nog enige penningen moest krijgen, maar ‘de voors. weduwe seggende dat hij daervan betaelt was.’ Een andere getuige, Cornelis Thoenissen van Lexmond, ontkent tot viermaal toe dat Willem nog geld moest ontvangen. Maar Willen zweert bij ede dat het niet zo is. Cornelis Thoenissen heeft echter een ‘corffken’, waar hij ‘verscheiden cedullen in hadde ende bracht voort een certificatie daarbij ter contrarie blijkt, als dat Willem Claessen alsdaer ter plaetse bleek ghelt had ontvangen, eyntelick, dat doen ter tijt bevonden worde naerde rekening vande voors. weduwe.’ Willem laat het er niet bij zitten. Op 11 februari 1559, een klein jaar later, doet hij ‘bij advies ende deliberatie van den Schout ende gesworens van Leerbroeck ende Middelkoop’ hem rechtelijk toewijzen 7 hond land in Middelkoop, toebehorende aan de weeskinderen van wijlen Dirck Pauwels te Amsterdam. Weer ruim vier jaar later, op 27 oktober 1563, maakt Pieter Bicker Willemsen, burger te Amsterdam, als wettig man en voogd van Marij Cornelisdr, voor hemzelf en als curator van de goederen van wijlen Dirck Pauwels, broer van de genoemde Marij, Willem van der Wouwen machtig om alle schulden te innen. Drie dagen later wordt Willem Claessen in Middelkoop vervolgd door deze Willem van der Wouwen voor een rentebrief van 7 karolus gulden rente per jaar voor de hoofdsom van 100 karolus gulden, die Willem Claessen verzwegen zou hebben bij de verkoop van 6 mergen en 1 hond land aan de weeskinderen. Op 6 november 1563, zeven dagen later, wordt Willem Claessen vervolgd door Willem van der Wouwen, maar nu voor 108 karolus gulden voor landpacht. De zaak wordt nog ingewikkelder. Op 24 november 1563, twee weken later, probeert Anneken Willemsdr, poorteresse van Gorinchem, als eiseres, op Willem van der Wouwen, gedaagde (gemachtigde van Peter Bicker Willemsen), de hoofdsom van 100 karolus gulden met de rente van 7 karolus gulden te verhalen op de eigenaar van de 6 mergen en 1 hond land, die als onderpand gelden. De schepenen bepalen dat Peter Bicker 100 karolus gulden en de rente aan haar moet betalen. Ze moeten Willem Claessen maar zoeken (kennelijk is hij weg). Op 4 februari 1564 bekent Willem Claessen echter deugdelijk schuldig te zijn aan Peter Bicker Willemsen, wonende te Amsterdam, de som van 106 karolus gulden. Willem stelt als onderpand 2 mergen in Middelkoop, boven belendend Aentgen Floris Jans weduwe en beneden Thonis Claessen, strekkende van het land van Frans Willems en Jacob Jans Pauw tot de dwarssloot toe. Zijn broers Thonis en Sebastiaen Claessen stellen zich als borg. Vier maanden later, 19 juni 1564, moet Willem 107 karolus gulden betalen, maar nu binnen drie jaar. Hij stelt dan als onderpand 3 mergen land genaamd de Kaecamp gelegen in Middelkoop tussen het land van Aentgen Floris aan de oostzijde en Thonis Claessen aan de westzijde, strekkende van Willem Claessen weteringscamp tot de Hubertse wetering toe. Op 11 november 1565 zegt Willem Claessen nog 36 karolus gulden van landpacht aan Mr. Peter Bicker toe. Het gaat niet goed met de betalingen van Willem aan Peter Bicker, want op 14 mei 1566 vraagt Splinter van Voorn als volkomen gemachtigde van Mr. Peter Bicker de toestemming van het gerecht om de 2 mergen in Middelkoop te schatten, elke mergen voor 145 karolus gulden, om de twee rentebrieven daarmee te verhalen; de ene van 106 karolus gulden en de andere van 47 karolus gulden. Op 20 november 1568 vraagt Splinter van Voorn weer in dezelfde hoedanigheid de toestemming van het gerecht op de 33 mergen land, genaamd de Kaecamp, te schatten, die gelegen zijn in ‘t Leecheijndt van Middelkoop in het huisweer van Willem Claess alias Deventer en die deze Willem toebehoren. Elke mergen wordt geschat op 180 karolus gulden, makende bij elkaar 630 karolus gulden. Hij verhaalt hiermee alle proceskosten en eveneens de brief van Anneken Willemsdr. van te zamen 107 karolus gulden. Willem krijgt nog de tijd tot Sinte Peters dach ad Cathedram anno 1569 om te betalen, zo niet, dan zal hij het gerechtelijk weten. Dan zal zijn land verkocht worden. De nagelaten kinderen van Mr. Peter Bicker krijgen op 27 juli 1587 van de erfgenamen van Willem Claessen hun aandeel in een hofstad, waar belendend zijn Alardts weer en westwaarts de kinderen van Thonis Claessen, strekkende van de Leerbroekse keelspit af, achter tot de kinderen van Mr. Peter Bicker toe. De in deze akte genoemde erfgenamen van Willem Claessen zijn Claes Willemsen, Gijsbert Willemsen, Adriaen Willemsen, Adriaen Cornelissen als man en voogd van Anneke Willemsdr, Jan Henricxs wonende in Schelluinen als man en voogd van Marijke Willem Claesdr. (hij wordt op 19-3-1588 ook aangesproken als mede-erfgenaam in de nagelaten goederen van Willem Claessen Deventer voor de opdracht van zijn ‘lynoote’ (?) in een hennepwerf gelegen in Middelkoop. Jan Henricxs betaalt op 20-5-1588 de kinderen van Mr. Peter Bicker met zijn erfdeel in het ouderlijk huis in Middelkoop).

Op 13 mei 1567 moet Willem Claessen alias Wyntqen van Deventer in handen van Dirck de Heer Jacobsen, poorter van Gorinchem, stellen zijn huis en hofstad en alles wat daar bij hoort met het land, gelegen in Middelkoop oostwaarts belendend IJcken Hijpolitus in de Haech en westwaarts Anthonis Claessen, strekkende van de Leerbroexse kijlspit af tot de Hubertse weteringe toe, mitsgaders alle beesten, zowel paarden, koeien als de andere roerende en onroerende goederen die hij bezit. Willem moet beloven dat hij het niet zal bezwaren, noch zal verkopen, voordat hij 126 karolus gulden en 2 stuvers betaald heeft. Twee jaar later geeft Willem Claessen alias Deventer aan Dirck de Heer Jacopsen de vruchten en het gewas van 6 merqen land, gelegen in Middelkoop, waarvan l1 mergen bezaaid zijn en de andere 5 mergen nog bezaaid zullen worden. De vruchten daarvan mag Dirck behouden en verkopen. ‘Dit tot minderinge ende loscortinge van alsulcke penningen’ die hij bij Dirck heeft staan.

Op 31 mei 1566 compareert Willem Claessen, wonende in Middelkoop als principaal en Mels Florissen wonende op Rietvelt als borg. Zij geven te zamen aan Margriete Mels Florisdr, geprocureerd bij Janneken Gijsbertsdr zaliger, de som van 5 karolus gulden ‘erfelijck ende ewelick jaerlicx’ te betalen en te nemen op Willems hofstad en de 5 mergen met huis en hofstad in ‘t Leecheijndt van Middelkoop (zijn huis), Mels Floriss stelt zijn 6 mergen land met huis en hofstad op Rietvelt (oostwaarts belendend aan Willem Pauwelsen van Amsterdam). Dit voor de hoofdsom van 72 karolus gulden. en 13 stuvers betreffende de pacht die Willem Claessen heeft gehad op 13 hond land, die hij van het voornoemde weeskind huurde. Het is betaald op 29 april 1580.

Vanaf oktober 1571 tot 14 december 1573 ruziën Gijsbert Claessen en Willem Claessen Deventer over de beesten, die Willem heeft op de Otterpoel op Leerdam. Op 1 maart 1575 procedeert Heer Willem van Beeck, pastoor te Leerdam, ook over vier koeien, staande in het sterfhuis van Peeter Aarts Rouck en toebehorende aan Willem Claessen alias Deventer, wegens de penningen die Willem achter is volgens een obligatie. Op 9 november 1575 getuigen Willem Claessen Deventer, Claes van Duven Loijensen, Anthonis Jansen van der Meij en Hubert Jansen de Weerdt op verzoek van Willem Jacobsen over een arrestatie binnen Leerdam. Vier maanden later, op 29 maart 1576 komt Claes Willemsen voor als erfgenaam van zijn vader Willem Claessen en draagt aan Willem Dirksen (de Haen) enkele brieven op. Op 10 mei 1576 vervolgt Hubert Jansen de weduwe van Willem Claessen den Deventer voor 2 gulden.

Uit dit huwelijk:

Claes Willemsz Deventer

2  Anna Willems Deventer, overleden < 8 december 1602. Gehuwd op 27 juli 1587 met Adriaen Cornelissen. Gehuwd met Frans Thonisz, overleden > 8 december 1602

3  Gijsbert Willemsz Deventer, overleden 1612-1614. Gehuwd met Mariken Jans Verhups, overleden 1623-1627

Arien Willemsz Deventer

5  Mariken Willems Deventer, overleden < 8 december 1602. Gehuwd met Jan Hendricks, overleden < 8 december 1602


26630  Joost Cornelisz, geboren ca. 1520, overleden < 26 september 1571

Gehuwd met

26631  Peterke NN, geboren ca. 1525, overleden < 26 september 1571

Zij wonen in Leerdam.

Uit dit huwelijk:

Adriana Joosten


26728  Cornelis Heijmensz, schepen van Everdingen en Zijderveld (1539, 1541, 1544), zoon van Heijmen Roelofsz en Hanneke NN, overleden 1560-1561

Links de zegel van Cornelis Heijmensz.

In 1534 is Cornelis vermeld als eigenaar van een perceel op Lang-Bolgerijen. Hij geeft zijn dochter Johanna bij haar huwelijk in 1538 (huw. voorw. 9 okt. 1538) een huis in de “Vorderstraet” (Voorstraat, thans Markt) te Culemborg. In 1540 is Heijmen eigenaar en gebruiker van 9½ morgen 1½ hont land op (Lang)-Bolgerijen, waaronder een perceel leengoed van 5 morgen, en hij is vermoedelijk ook nog eigenaar van een perceel leengoed, groot 4 morgen, op Over-Boeicop. Op 11 januari 1542 machtigt hij samen met zijn broer Jan Heijmensz Jan Ruijsch en Cornelis Joosten.

Op een onbekende datum geeft hij 7 gulden jaarlijks aan de kerk van Zijderveld uit een stuk land “waer van die kerck weder hande moet zijn jaergetyt en moet deylen den armen 25 st. aen scoen en 25 st. aen linnen laken en 15 st. aen broot en den pastoor 5 st. en den coster en den ouden pryster elck 3 st. en te lichten met 9 was kerssen”.

Kinderen:

Heijmen Cornelisz

2  Johanna Cornelis Heijmens, geboren 1515-1520, overleden 1604. Gehuwd in 1538 (huwelijkse voorwaarden 9 oktober 1538) met Cornelis Joosten, overleden tussen 1560-1561

3  Roelof Cornelis Heijmensz, pachter van grove thienden van Over- en Neder-Zijderveld, pachter van de raep en gerstthiendt van Over- en Neder-Zijderveld en Over- en Neder-Tienhoven (1557-1558), geboren ca. 1520, overleden 1564-1567. Gehuwd < 21 mei 1549 met Marie Aerdt Jansen, overleden ca. 1603


26802  Peter van Calcar

Kinderen:

NN Peters van Calcar

2  Christina Peters van Calcar. Gehuwd met Anthonis de Roij, stads meester chirurgijn te Utrecht

3  Cornelia Peters van Calcar. Gehuwd met Herman Gerritsz van Roijen, overleden < 25 februari 1584


26804  Herman van Blijenborch, zoon van (?) Melchior Hermensz van Blijenborch en Marijgen Herman Goesens

Overluidingen Domtoren 1562-1614: 1593. Rekening van den kanunnik Johannes van Grovesteijn, aanvangende 1593, remigii. “Item in funere Marie Hermannij de Blijenborch semel pulsatus Martinus, III flor.”

Op 21 november 1628 Aeltgen Gerritsdr te Utrecht, oud 78 jaar, vtvv Balthasar van Putten, chirurgijn, dat zij kende IJda en Marichgen Hermansdrs van Blijenburch, moeijen van Elisabeth Jacobsdr van Blijenburch des producents moeder zaliger, bij wie zij getuige 58 jaar terug woonde.

Kinderen:

Jacob Hemansz van Blijenborch

2  IJda Hermans van Blijenburch

3  Marichgen Hermans van Blijenburch, geboren 1515-1516, begraven 1593


26856  Peter Hermansz Pijl, smid

Op 25 augustus 1596 Herman Petersz Pijl, Adriaen Petersz Pijl, Jan Petersz Pijl, Frederick Adriaensz Pijl, Cornelis Dirckx gehuwd met Geertgen Peters Pijl, broers, zusters en naaste erfgenamen van zaliger Cornelis Petersz Pijl, vhz en vervangende Henrickgen Pijls weduwe zaliger Joris Eewoutsz en Maria Peter Pijlsdr, hun zusters, mede-erfgenamen van Mr. Claes Streng hun neef, constitueren. Op 4 november 1596 Herman Petersz Pijl, Adriaen Petersz Pijl, Jan Petersz Pijl, Cornelis Dirckx gehuwd met Geertgen Peters Pijll, vervangende Peter Thonisz gehuwd met Marichgen Peter Pijlsdr en Henrickgen Peter Pijlsdr, allen erfgenamen van zaliger Mr. Cornelis, voorschreven hun broer, zien af van erfenis.

Kinderen:

1  Cornelis Petersz Pijl, overleden < 25 augustus 1596. Gehuwd met Cornelia Claes

Herman Pietersz Pijl

3  Adriaen Petersz Pijl

4  Jan Petersz Pijl

5  Geertgen Peters Pijl. Gehuwd met Cornelis Dirckx

6  Henrickgen Peters Pijl. Gehuwd met Joris Eewoutsz, overleden < 25 augustus 1596

7  Maria Peters Pijl


26864  Dirck Jansz Stout, schout van Lexmond en Achthoven, geboren ca. 1500, overleden < 24 januari 1558

Gehuwd met

26865  Beertgen Aernouts, overleden > 1587

Op 14 maart 1539 wordt Gijsbert Arnoutsz beleend met 6 morgen land in Achthoven, waarna overdracht aan Dirk Stout Jansz. Op 24 januari 1558 Rudolf Stout bij dode van Dirk, zijn vader. Op 19 maart 1539 wordt Dirk Stout Jansz beleend met viertel land in Lexmond op Spinhoven in het gezaat waar Herman Brandsz woonde. Op 20 januari 1563 Rudolf Stout bij dode van Dirk, zijn vader, waarna overdracht aan Adriaan Hendriksz na verzuim, bevestigd door Berta weduwe Dirk Stout. Op 10 juni 1539 wordt Dirk Jansz Stout door de heer van Vianen beleend met een halve hoeve in Achthoven bij overdracht door Cors Nikolaasz van der Maat, waarna overdracht aan Anton Jacobsz.

Op 29 juni 1555 laat Reinoud van Brederode bekendmaken dat de toegang in het Land van Vianen en Ameide voor landlopers en bedelaars verboden is. Drossaard en schouten krijgen de opdracht ze op te maken en naar Vianen te brengen. In Lexmond wordt de verordening van Reinoud in de kerk door de pastoor afgelezen voor de katholieke gelovigen. Dirck Jansz Stout, die in die tijd schout is, neemt er kennis van en draagt Gerrit Willemsz van Neck “de geswoeren gerechtsboode tot Lecksmonde ende Laeckervelt” op het placcaat op 10 augustus 1555 in de kerk voor te lezen (bron: In het land van Brederode, 5e jaargang nr 4, 1980).

In 1558 en 1587 is Berta Arnoutsdr, weduwe Dirk Stout, belendend ten noorden aan een buitendijkse hofstede strekkende van de uiterste kant van de dijk tot de halve kil.

Uit dit huwelijk:

1  Robert Dircksz Stout

2  Rudolf Dircksz Stout, geboren ca. 1525, overleden < 14 november 1565 te Lexmond. Gehuwd met NN Cornelis Antonisse Brouwer

Cornelis Dircksz Stout


27626  Cornelis NN

Gehuwd met

27627  Elijsabeth Rijcken, overleden > 15 maart 1592. Gehuwd met Coenraet Laurensz Spruijt

Op 15 maart 1592 Testament van Elijsabeth Rijcken, weduwe van Cornelis …, nu gehuwd met Coenraet Laurensz Spruijt, op haar kinderen Peter Cornelisz en Laurens Coenraetsz Spruijt haar zoons en de kinderen van Jacob Cornelisz Ram en Joostgen Cornelisdr haar dochter.

Uit dit huwelijk:

1  Peter Cornelisz

Joosgen Cornelis


27628  Aert Dircksz Vereem (de oude), zoon van Dirck Aertsz Vereem en Henrickgen NN, overleden > 27 december 1594

Gehuwd 1541 met

27629  Janna Jans Cruven, dochter van Jan Jansz Cruven, geboren ca. 1520, overleden > 27 december 1594. Gehuwd met Aert Brantsz, overleden < 1541

In 1541 worden de huwelijkse voorwaarden opgesteld voor het huwelijk tussen Aert Dircksz van der Eem en Janna Jan Janssoen die Cruven dochter. In 1542 worden de voorkinderen van Aert Brantsz door Aert Dircksz van der Eem en zijn vrouw Janna, weduwe van Aert Brantsz voornoemd, uitgekocht uit hun vaders erfenis.

In 1558 is als nieuwe burger van Utrecht ingeschreven Aernt Vereem.

In 1577 stelt Aert Dircksz Vereem voor het gerecht van Werckhoven enige personen aan om de administratie te voeren van de goederen van een vicarie te Acquoy, waarvan zijn uitlandige zoon Cornelis bezitter is.

Quotisatie 1584/85 Aert Vereem 24 pont tot live van Jannichgen Cornelis Vereemsdr 4 jaar oud.

In 1586 vrijwaren Aert Vereem en zijn vrouw Cecilia Peter Jacobsz hun broeder Aert Dirxz Vereem de oude voor een som van fl 400,- waarvoor hij borg gebleven is. Op 1 april 1589 Gijsbert Willemsz Pauw constitueert Aert Vereem.

Op 20 december 1594 Aert Vereem borger Utrecht versus Dierick van Hatthum over de betaling van f 150 ivm koop van paarden.

Uit dit huwelijk:

1  Dirck Vereem, koster te Maurik (1575)

2  Elijsabeth Vereem. Gehuwd met Jan van Merten Willemsz, overleden < 16 april 1575

Cornelis Aertsz Vereem

4  Aernt Vereem, weerdt in ‘t Witte Peert aan de Peerdemerckt te Utrecht, overleden 1592-1594. Gehuwd met Heijltgen Willems, overleden > 30 november 1594

5  Adriaen Aertsz Vereem, kerkmeester te Odijk (1573), overleden 1573-1576. Gehuwd met Adriana NN

6  Jan Aertsz Vereem, schepen (1577, 1587) en buurman te Odijk (1578-1581). Gehuwd in 1576 met Metgen Hubert Jansz. Gehuwd < 19 oktober 1588 met Jannigje NN


27630  Jan Cornelisz van Roijen

Op 15 januari 1591 Crijntje Cornelisdr, 26 jaar, Huijch Willemsz a/d Hoochweijde, 33 jaar, en Cornelis Cornelisz opde Oude Hofstede, 26 jaar, leggen verklaringen af evenals op 21 januari 1591 Adriaen Cornelisz, 25 jaar. Gaat over Cornelis Jansz van Roijen, die ten huize van Huijch Willemsz en Weijndelmoet was, alwaar ook Claes Petersz uijte Oudenrijn was alias Lamme Claes. Ook was er volgens Sebastiaentgen Evert Thijsdr Adriaen Willem Adriaensz.

Kinderen:

1  (?) Cornelis Jansz van Roijen, coorncoper, overleden > 8 mei 1611. Gehuwd met Claertgen Joosten

Elisabeth Jans van Roijen


28496  Willem Pelgrimsz van Zijl van Arnefeld, secretaris van Vianen (vanaf 1554), leenman van land in Helsdingen (1558-1584), griffier van de lenen van Vianen (1584), rentmeester van Geertruid van Bronkhorst-Batenburg, vrouwe van Vianen en Ameide, burggravin van Utrecht (1584-1587), zoon van Pelgrim Willemsz van Zijl van Arnefeld en NN van Gemert, geboren ca. 1518, overleden < 10 mei 1596

Gehuwd ca. 1550 met

28497  Maria van Zijll, geboren ca. 1520

Op 17 augustus 1558 wordt Willem Pelgrimsz beleend met 3 morgen land in Helsdingen bij dode van Pelgrim Willemsz zijn vader, met lijftocht van Frans Pelgrimsz, waarna hij versterving zal doen. Op 11 februari 1569 Willem Pelgrimsz. Op 22 december 1584 Cornelis van Zijl bij ovedracht door Willem Pelgrimsz, griffier van de lenen van Vianen, zijn vader.

Op 10 mei 1596 wordt Cornelis van Zijl beleend met 3 morgen land in Helsdingen bij dode van Willem Pelgrimsz, zijn vader. 

Willem Pelgrimsz wordt als secretaris meerdere malen genoemd in een overdracht van leengoederen van de heer van Vianen (1569-1571).

Uit dit huwelijk:

Cornelis Willemsz van Zijl


28498  Joost Joostensz ‘de bastaard’ van Brederode, graaf, rentmeester van de Bredero’s, zoon van (?) Joost bastaardzoon van Brederode en Maria Dever van Minden, geboren ca. 1525, overleden > 9 oktober 1575

Gehuwd met

28499  Anna Joosten tot den Rijsenborch, dochter van Joost Hendriksz van Rijsenburg, geboren ca. 1535, overleden (?) 24 september 1580

Op 21 april 1564 wordt Joost Joostenz, de bastaard van Brederode, beleend met de helft van een halve hoeve op de Mijl in het land van Vianen, voor Judith, dochter van Hendrik van Rijsenburg, bij dode van Abraham Hendriksz van Rijsenburg, haar broer. In 1569 Joost Joostenz de bastaard van Brederode voor Judith van Rijsenburg. Op 9 oktober 1575 wordt Joost Joostenz, bastaard van Brederode, beleend met de andere helft, voor Judith, dochter van Hendrik van Rijsenburg, bij dode van Elisabeth, dochter van Gerard van Rossum, die van Jacob haar broer.

Op 9 oktober 1575 is Joost Joostenz bastaard van Brederode, beleend met een viertel land in Hagestein in de Biesen, voor Judith, dochter van Hendrik van Rijsenburg, bij dode van Elisabeth, dochter van Gerard van Rossum, die aankwam van Jacob, haar broer, die aankwam van Margaretha van Rijsenburg, diens moeder, waarna overdracht aan Ana, dochter van Joost van Rijsenburg, gehuwd met hulder.

Op 24 september 1580 De helft van een halve hoeve op de Mijl in het land van Vianen voor Heilwig, dochter van Joost van Brederode en Anna, dochter van Joost van Rijsenburg, voor haar huwelijk met Cornelis van Zijl, zoon van Willem Pelgrimsz, bij overdracht door Judith van Rijsenburg, gehuwd met Andries Crol van der Mast, haar tante, met haar lijftocht.

Uit dit huwelijk:

Heilwig van Brederode


28500  Cornelis Evertsz Crieck, zoon van Evert Creeck en Ermgardt NN, overleden 1579-1581

Gehuwd met

28501  Evertje Jans van Wee, dochter van Jan van Wede en Corstine Ghijsbert Jacobs, overleden > 29 maart 1579

In 1529 een akte van belening door Matheus van Goch, abt van Sint Paulus te Utrecht, ten overstaan van twee van zijn leenmannen van Reijer, Willem, Dirck, Henrick en Cornelis Crieck, zonen van Evert Creeck en Ermgairdt, met de helft van 3 morgen onafgegraven veen in het Hezerveen, nadat het leen van Ermgairdt uit handen van haar voogd, Jan van Hattem, is terugontvangen. Willem van Braekel heeft voor de vijf broers hulde, eed en manschap gedaan.

In 1556 een akte van arbritrage voor het stadsbestuur van Amersfoort door Ghijsbrecht Spruijt, schepen, en Lodewijck Botter, secretaris van de stad Amersfoort, tussen Cornelis Creeck en Reijer Creeck, broers, over het beheer van Reijer als voogd van hun broer Willem, inzake de venen in het Soester- en Hezerveen, nagelaten door hun ouders Evert en Ermgert.

In 1557 een proces verbaal van het indienen van dupliek door Adriaen van Mierlo, als procureur van Reijer en Cornelis Crieck, gedaagden, met verklaring dat Willem van Muijden, procureur van Gerrit Gerritss Crieck, eiser, uitstel vraagt. Vervolgens een proces verbaal van het indienen van de processtukken bij het Hof van Utrecht door Willem van Muijden, procureur van Gerrit Gerritss Crieck, eiser, en Adriaen van Mierlo, procureur van Reijer en Cornelis Crieck, gedaagden, met aantekening van het protest van de laatste partij. In 1560 een akte van het Hof van Utrecht met registratie van de nieuwe eis van de procureur Aert Ram in de zaak van Reijer en Cornelis Crieck tegen Gerrit Crieck. In 1560 een tussenvonnis van het Hof van Utrecht in de zaak van Reijer en Cornelis Crieck tegen Gerrit Crieck.

Op 26 november 1568 verkopen Reijer Creeck en zijn vrouw Petertgen Henricxdochter, Cornelis Creeck en zijn vrouw Evertgen dochter van Jan van Ween, aan Jannitgen weduwe van Willem van Liener, een huis, hof en hofstede met het land daartoe behorende, gekomen van de oude Evert Creeck en nu gebruikt door Adriaen van Gijnckel en Gerijt Rijcxzoon. Belast met 8 keijser gulden en 10 stuiver jaarlijks aan het Convent van Sinte Berbera in Amersfoort, die de weduwe van Liener bij deze overneemt. Af te lossen met 170 keijser gulden.

Op 5 januari 1576 wordt Cornelis Crieck Evertszone te Amersfoort beleend met zes morgen veenland van de hoeve Hoick en Hijncken achter de Eng te Soest.

In 1577 en 1579 een akte van transport ten overstaan van schout en schepenen van Bunschoten door Cornelis Evertsz Creeck en Evertgen van Wee, zijn vrouw, aan Rijcout van Boechoven namens het convent van Marienborch van de orde van Sint Brigitta te Soest, van de helft van 20 dammaten land te Velde, gemeenschappelijk met de erfgenamen van Rutger Poijt, strekkende van de stadsgracht westwaarts tot aan de Eem. Met akte van machtiging door abdis, pater en convent voor Rijcout van Boechoven en akte van transport ten overstaan van plaatsvervangd schout en schepenen van Bunschoten aan Cornelis Anthonis, gasthuismeester, van deze helft, belast met een jaarlijkse rente van 6 Philippusguldens ten gunste van Willemtgen Voncken, weduwe van Gerrit Benninck, en haar kinderen. Op 28 en 29 maart 1579 Gerrit Petersz, schout, Volcken Dommesz, Volcken Jansz Proot, Wolbert Martsz, Ariaen Jacobsz, Arnt Dircxz en Ariaen Heijnricxz, schepenen van Bunschoten, oorkonden dat Cornelis Evertsz Creeck en Evertgen van Wee, dochter van (?) Guert van Wee, zijn vrouw, hebben overgedragen aan Rijcout van Boechoven, namens het convent van Marienburg van de orde van Sint Brigitta te Soest, de helft van 20 dammaten land te Velde, gemeenschappelijk met de erfgenamen van Rutger Poijt, strekkende van de stadsgracht westwaarts tot aan de Eem.

Op 8 augustus 1581 verkoopt Anthonia Evert Perckendochter, met Cornelis Anthonisz haar momber, mede voor haar kinderen Jan, Toentgen, Belij, Grijtgen, van haar en haar man Peter Verhulst aan Aeltgen Lubbert Geeritsz dochter, twee losrentebrieven van een gulden per jaar elk door zaliger Cornelis Creeck haar oom beleden bij de Regeerder van Amersfoort.

Uit dit huwelijk:

1  (?) Gerrit Cornelisz Crieck


28504  Aert Gerritsz de Lange, zoon van Gerrit Aertsz de Lange, geboren ca. 1535

Kinderen:

Willem Aertsz de Lange


28506  Gerrit Barten Rietveld, geboren ca. 1530, overleden < 28 januari 1586

Kinderen:

1  Aert Gerritsz Rietveldt

2  Marichen Gerits. Gehuwd met Jan Aertsz

3  Lijntgen Gerit Berten. Gehuwd met Jan Dircksz

4  Trijntgen Gerits. Gehuwd met Ghijsbert Anthonisz van Meerlant

5  Anneken Gerits. Gehuwd met Thonis Joris Jansz Lange

6  Luijchjen Gerit Berten. Gehuwd met Peter Cornelisz

Bart Gerritsz Rietveldt

8  Jan Gerrits Bartenz, geboren ca. 1556

9  Adriana Gerrits, geboren ca. 1558. Gehuwd met Adrian Harmen Dircksz


28524  Marten Dircksz van Andel

Kinderen:

Matthijs Martensz van Andel


28546  Cornelis Diercxz

Kinderen:

NN Cornelis


29120  Mattheus Gerritsz van Langelaar, zoon van Gerrit Rijersz van Langelaar, geboren ca. 1500

Gehuwd ca. 1525 met

29121  Hendrikje Jansz van Zijl, dochter van Jan Cornelisz van Zijl, geboren ca. 1505

Op St. Agneten in 1536 worden burgerrechten van de stad Amersfoort verleend aan Matheus van Langelair Geritsz.

In 1537 op St. Lebuijnendag in de winter ontvangt Matheus van Langelaer de thinsweer van Dashorst int gerecht Renswoude en lijftocht zijn vrouw Henrickgen Jan van Sijlsdochter hierin op 15 gouden Filips guldens.

Op 15 juli 1554 Matthijs van Langelaar, gehuwd met Hendrikje, dochter van Jan van Zijl, die aankwam van zijn vader, f 1000,- Karolus te delen tussen hun kinderen.

Uit dit huwelijk:

1  Adriaan Matthijsz van Langelaer

Gerrit Matheusz van Langelaer

3  Hendrick Mattheusz van Langelaer, geboren ca. 1550. Gehuwd ca. 1575 met Engel Egbert Floris van der Erve, overleden < 20 mei 1580. Gehuwd in 1580 met NN (weduwe Cornelis Peters)

4  Crijn Mattheusz van Langelaer. Gehuwd < 1580 te Overlangbroek met NN Sebastiaens de Cruijff, overleden < 1614


29128  Peter Adriaensz van Triest, schout van Woudenberg (1557), zoon van Adriaen van Trijst en Mechteld Gerrits van Atteveld, geboren ca. 1500, overleden > 1560

Links het zegel van Peter van Triest op een oorkonde van 28 december 1557, helmteken een klimmende leeuw (bron: Archief Eemland. Stichting Armen de Poth te Amersfoort, 1342-1999, regestnummer 535).

Kinderen:

Adriaen van Triest


30464  Willem Jacobsz van Snellenberch, stadsdienaar, korenkoper (1546), busschutmeester (1542), lid van de Kleine Kalende broederschap, zoon van Jacob van Snellenberch, geboren ca. 1490, overleden 26 november 1554 te Utrecht

Gehuwd met

30465  Otgen Gerrits, overleden ca. 1574

Willem van Snellenberch komt met overlijdensdatum voor op de lijst van de leden der Kleine Kalende-broederschap. Op de afbeelding links het wapen van Willem van Snellenberch als onderdeel van de anonieme tekening van de afbeelding van de wapens van de leden van de Kleine Kalende broederschap in een venster aan de noorzijde van de Buurkerk te Utrecht. Het doel van de broederschap was de bediening van kapellen en altaren (welke kaland of kalend kapellen worden genoemd), het houden van missen voor de zielen van de gestorven leden, het uitdelen van aalmoezen en het houden feesttijden. De kalende broederschap had statuten die voor alle leden bindend waren.

In 1523-1524 is als nieuwe burger van Utrecht ingeschreven Willem Jacobsz van Snelleberch.

Op 6 december 1529 is Willem van Snellenberg beleend met 8 morgen land in de Achtersloot in het gerecht van de heren ten Dom, bij dode van Jacob zijn vader. Op 19 september 1547 draagt hij hiervan 4 morgen in het Broek over de nieuwe weg, strekkend van de nieuwe weg tot de Bloklandse kade over aan Gerard Joostensz, schout van IJsselstein, voor Marietje dochter van Jan Pel Jansz, weduwe van Adriaan Gerardsz, voor wie belast wordt met f 15 karolus 15 stuivers hollands. De andere helft, te weten 4 morgen, strekkend van de voorwetreing tot de nieuwe weg, draagt hij over aan Arnout van Roijen voor Geertruida, weduwe van Gent Eelgisz, zijn moeder, voor wie belast wordt met f 9 karolus 15 stuivers hollands, te lossen met f 162 10 stuivers. Op 17 november 1555 Nikolaas van Oostrum voor Margaretha, dochter van Willem van Snellenberg, met de rente zoals haar vader.

Willem wordt genoemd in het raadsboek van Utrecht op 16 oktober 1540, 6 oktober 1541, 7 januari 1544, 17 november 1544, 4 februari 1546 en 2 november 1548.

Op 23 januari 1542 wordt Willem benoemd tot stadsdienaar. Op 2 augustus 1542 komen de voorwaarden ter sprake voor het in dienst treden als bus(schut)meester. In 1546-1547 renten: Corencoper Willem van Snellenberch, bastert, 12 p.

Op 12 maart 1547 verkoopt Elias van Winssen, oudste zoon en erfgenaam van zijn overleden vader Gerrit van Winssen, aan Jan van Tiel, zoon van Bertn van Tiel en Joostge van Wissen, heer Jacob van Winssens natuurlijke dochter, voor de 300 gulden, die zij van Gerrit van Winssen in 1524 als haar deel van 24 morgen land had gekregen, een rente van 18 gulden, te betalen op 22 augustus en 22 februari, onder voorwaarde dat Elias, of dienst efgenamen, de erfrente kunnen afkopen voor de somma van 300 gulden, ‘desen brief onderteijckent ende daer toe ghebeden Willem van Snellenberch, mijnen neve, desen brief over mij te besegelen, want ick op dese tijt selver geen segel en hebbe’.

Op 22 september 1550 is Willem van Snellenberg voor de gasthuizen van St. Bartholomeus en Laurens te Utrecht beleend met 18 morgen land bij de brug in Bodegraven, strekkend zuid tot de Rijn en noord tot ‘t Nijveld, bij overdracht door Gerard Laurensz.

In 1553 renten te Utrecht: Otgen Gerijtsdr 180 p ten laste van Anthonis Willemsz van Snellenberch, 15 jaar, Lijsbet Pouwels van der Moelen, 12 jaar.

Op 6 oktober 1557 stelt Otgen Gerritsdochter haar testament op waarin zij haar goederen vermaakt aan haar zoon Anthonis van Snellenberch, onder bepaling dat zij diens kinderloos overlijden aan de Noodhulp zullen komen. In 1574 wordt het testament ten uitvoer gebracht.

Uit dit huwelijk:

Anthonis Willemsz van Snellenberch

2  Margriet Willems van Snellenberch, overleden > 1565. Gehuwd met Claes van Oostrum. Gehuwd met Michiel Jansz van Bovinia, overleden > 1565

3  Herman Willemsz van Snellenberch, overleden > 1565. Gehuwd met Jannegen Jans van Vreelandt, overleden > 1565

4  Aeltgen Willems van Snellenberch, overleden > 1563. Gehuwd met Goesen Corssen van Stralen, mesmaeker, overleden > 1563

5  Merrichgen Willems van Snellenberch, overleden 1580 te Utrecht. Gehuwd met Willem Lambertsz, cruijtmaecker


30470  Jacob Hendricksz Nobel, schilder (?), kerkmeester van de Nicolaikerk te Utrecht (1570), geboren ca. 1510, overleden > 3 maart 1570

Gehuwd met

30471  Catharina Peters, geboren ca. 1515, overleden 1585-1586 te Utrecht

Jacob wordt op 18 januari 1546 genoemd in het raadsboek, waarbij hij verlof geeft aan B. Uuijten Eng om den arbiters in hun geschil aan te zeggen binnen acht dagen uitspraak te doen. Op 26 augustus 1547 wordt een, door Jacob Nobel, afgegeven koopmansbrief in handen van den raad gesteld. Op 23 december 1547 krijgt hij machtiging tot behandeling van zijn zaken voor de raad.

Op 22 september 1550 Cornelis Nobel, Laurijs Nobel, Aert Nobel, Hieronijmus Nobel, Geritgen, Haesgen en Geertruijt Nobel, al kinderen van Jacob Nobel, roerende gewelt gedaan aan Lijsken Jacobsdr Nobel.

Op 3 maart 1570 wordt Jacob Nobel aangesteld als kerkmeester van St. Nicolaas.

Op 24 november 1585 passeert de acte van ratificatie, waarbij Willemtgen Jansdr van Nijkerck eigenaar wordt van (een deel van) de boedel van de overleden Catharina Petersdr, weduwe van Jacob Nobel, tegen betaling van een plecht van f 200 met 6¼ % rente. Op 20 januari 1586 gaat de boedel van de overleden Jacob Nobel en Catharina Petersdr naar de ‘armen noothulp van de drie gasthuijzen Barbara, Bartholomeus en ‘t Heijlig Cruijs’. De boedel betreft een huis met de naam Nobel of Clein Schonenburg, aan de Oude Gracht oostzijde bij de St. Geertruijdenbrug, een plecht van f 60 met 5% rente en een plecht van fl 200,- ten behoeve van Willemtge Jansdr van den Nijkerck.

Uit dit huwelijk:

1  Laurens Jacobsz Nobel, overleden 1560 te Utrecht. Gehuwd met Cors Cornelisz

2  Cornelis Jacobsz Nobel. Gehuwd met Jannichgen Lamberts

3  Haesgen Jacobs Nobel

Marrichgen Jacobs Nobel

5  Gerrigen Jacobs Nobel, overleden 18 november 1610 te Utrecht. Gehuwd met Marten Schippers, medicus, overleden 19 februari 1603 te Utrecht

6  Geertruijt Jacobs Nobel. Gehuwd met Johan van Noijen. Gehuwd met Jan van den Burch

7  Anneke Jacobs Nobel, overleden 1595-1599. Gehuwd met Jan de Bruijn, schepen van Leerdam (1551). Gehuwd met Jan ter Leck van Boecholt, snijder, overleden > 1 september 1573

8  Aert Jacobsz Nobel

9  Hieronijmus Jacobsz Nobel

10  Lijsbeth Jacobs Nobel


30496  Cornelis Jansz de Clerck, lakenkoper, kerkmeester (1551), weesmeester (1553-1565), burgemeester binnen de bank (1555, 1560), burgemeester buiten de bank (1561), schepen (1564), zoon van Cornelis de Clerck en Maeijcken Peters Spronck, geboren ca. 1510 te Bergen op Zoom, overleden < 1586. Gehuwd ca. 1572 met Pierinne Vincents Diemen, geboren ca. 1520, overleden > 1598

Gehuwd ca. 1538 met

30497  Kathelijne Buijens van Vosbergen, dochter van Jasper Buijens en Maeijcken Sanders, geboren ca. 1515, overleden 1569-1572

In Bergen op Zoom is Cornelis Jansz de Clerck, samen met zijn zwager Jaspar (Biyens) van Vosbergen, één der belangrijke voormannen van de reformatie. ‘Die luijden in den Moijses ende hun geslacht’ waren de spil waar omheen de hervormde beweging in de stad draaide. Zij heten zo naar het huijs In den Moijses in Bergen op Zoom, gelegen aan de westzijde der huidige Fortuinstraat, alwaar Cornelis de Clerck woont. ‘Deze cremere oft zijdelakencooper dreef grooten treijn van coopmanschappe’. Hij mag daarbij de Markies van Bergen en diens hof onder zijn gewone klanten rekenen. Kort voor maart 1567 is, na nogal ernstige godsdienstrellen, Cornelis de Clerck, die als leider ervan werd aangezien, gevangen ende gespannen geweest. Op 17 en 18 mei 1567 wordt door de markiezin en haar Raad beraadslaagd en de volgende dag wordt een door hen vastgestelde ordonnantie publiek gemaakt, waarin de sectarissen eenvoudig vogelvrij worden verklaard in het gebied van de markiezin. Binnen drie dagen na de publicatie hebben alle Ministers, leeraers, predicanten ende meer andere personen van der nieuwe ende valsche religie ‘t gebied der markiezin verlaten. Op 26 maart 1568 kreeg Franchois Hinckaert van den hertog van Alva instructie om te Bergen op Zoom te procederen tot annotatie ende inventarisatie van den absenten, fugitiven ende Zatitanten personen. Hij arriveert 7 april 1568 en besluit 10 april met zijn taak aan te vangen. Enkele dagen tevoren heeft Cornelis de Clerck, gebruikmakende van het schemerduister, haastig zijn biezen gepakt. Op 9 april verklaart Kathelijne dat haar echtgenoot uijt vreeze van gevangenisse is vertrokken en niet wil terugkeren. De volgende dag vertrekt ook zij, niet bekend waarheen.

Uit dit huwelijk:

1  NN de Clerck, geboren ca. 1538, overleden februari 1560

2  Frans de Clerck, wijnacciser (1562), geboren ca. 1540 te Bergen op Zoom, overleden < 1570. Gehuwd met Anna Manteau

3  Gillis de Clerck, geboren ca. 1545 te Bergen op Zoom

Johan Cornelisz de Clercq

5  Maeijcken (?) de Clerck

6  NN de Clerck


30498  Dirck Dircksz Keijser

Kinderen:

Cornelia Dirks Keijser

2  (?) Jan Diricksen Keijser. Ondertrouwd op 6 maart 1588 en gehuwd op 20 maart 1588 te Rotterdam met Aeltgen Martens