Generatie 23
4430852. Jan Coppaerdsz van Schipliede (alias Jan van Dorp), zoon van Coppaert NN, geboren ca. 1280, overleden 1350-1351
Gehuwd op 10
augustus 1322 (donderdag na St Laurens) met
4430853. Sophia Boudewijns van Naeldwijc, dochter van Boudijn van Naeldwijc, geboren ca. 1290, overleden > 1333
Op 22 januari 1306 wordt Jan Coppaertsz beleend met 10 morgen land in Maasland (leen nr 27) bij dode van zijn broer Jacob Coppaertsz. In 1319 worden Jan Coppaertsz en Heijnric van Coudenhove benoemd tot voogd over Kerstant Kerstantsz. Op 12 augustus 1322 wordt Sophie Boudijns van Naaldwijk getocht aan 10 morgen land in Schipluiden tussen de Ghaweg en Tandhooft.
Op 30 december 1323 doet de graaf uitspraak tussen Arnoud van Hodenpijl en zijn broers enerzijds en Jan Coppaerdsz anderzijds, over de voorrang tijdens de dienst in de kerk te Sciplede. De vrouw van Arnoud van den Dorpe zal het eerst offeren en de paes naemen, daarna die van Arnoud van Hodenpijl, dan die van Jan Coppaerdsz, vervolgens die van de oudste broer van Hodenpijl en zo verder.
In 1327 heeft Jan Coppaertsz in Maasland 13 morgen land bezeten die nu Willen van Duvenvoorde toebehoren. Op 19 augustus 1340 wordt Jan Coppaertsz beleend met 14 morgen land genaamd Steenhuijsland met 8 hond land ernaast na opdracht door zijn zuster Ver Katerine, weduwe van Willem van Coudenhove. Op 10 december 1350 doet Jan Coppaertsz hulde. Op 12 februari 1401 worden de erfgenamen van Jan Coppaertsz vermeld als belenders van 7 morgen land onder Naaldwijk.
Uit dit huwelijk:
2. Boudijn Jan Coppaertsz (alias Boudijn van Naaldwijk), overleden 1369-1380
3. Jacob Jan Coppaertsz (alias Jacob van Dorp), overleden > 1388
4. Claijs Coppaerdsz
5. Geertruud Jan Coppaerts. Gehuwd met Heijn Bogghe Hughensz
5481056. Hubert Schenck van Bosinchem, knape (1271), ridder (1296), heer van Culemborch (1281), erfschenker van het Sticht en het kapittel van Oudmunster te Utrecht (1281), zoon van Hubert Schenck van Bosinchem en NN van Ruwiel, geboren ca. 1250, overleden 1300-1303. Gehuwd met Clemence van Woerden, overleden 1312-1316
Gehuwd met
5481057. Margaretha van Arkel, dochter van Johan van Arkel en Bertha van Ochten
Op 11 februari 1271 'feria quarta post Agathe' erkent Gijselbertus de Scalcviick, ridder, zoon van wijlen Arnoldus Scalcwiick, ridder, verkocht te hebben aan Hubertus de Buesinchem, zoon van heer Hubertus, schenker, de grote en smalle tienden in Weijthuijserbroick en elders in het kerspel Boesinchem, leengoed van de proost van St Jan te Traicentum. Op 25 juni 1271 'in crastino Nativitatis sancti Johannis Baptiste' beleent Balduinus, abt van het convent van Beata Maria in Insula, Hubertus de Bosinchem, knape, zoon van wijlen heer Hubertus den schenker, met de jurisdictie van het convent in Vulcop en in Weterinchusen behalve de hof te Sconowen, op voorwaarde dat Hubertus van de goederen van deze hof geen lasten zal heffen.
Op
4 juli 1281 'in translatione beati Martini' draagt Theodericus de Altena, proost
en aartsdiaken van de kerk van St Salvator te Traiectum, met toestemming van het
kapittel, over aan Hubertus de Bosinchem, schenker van Traiectum, hun vrije
hoeve in Kulenborg, waarop het kasteel van genoemde Hubertus is gesticht, en die
hij vroeger van hen in leen hield, waartegenover Hubertus aan hen overdraagt een
hoeve gelegen naast de gracht van de bisschop en nog een halve hoeve in de
Bodelstrate, beide gelegen onder het gericht van Langmere, die hem daarna weder
als leen worden uitgegeven. Op 21 november 1281 'apud Noviomagum' 'feria sexta
que fuitvigilia beate Cecilie virginis' erkent Hubertus genaamd de Bosinchem,
met toestemming van zijn oom Swederus de Bosichem, ridder, en zijn broeder
Theodoricus Splinter, verkocht te hebben aan Reijnaldus graaf van Gelria, zijn
kasteel Culenborch, en ontvangt het van deze weder ten Zutphensche recht.
Op de afbeelding kasteel Culemborg in 1646-1647 naar een tekening van Roelant Roghman. De aanzet tot de bouw van het kasteel is gegeven door Gerrit's broer Johan van Culemborg tussen 1347 en 1377. Het kasteel is in de 17e eeuw in verval geraakt en aan het eind van de 18e eeuw gesloopt.
Op 15 oktober 1296 'feria secunda post festum beati Victoris' erkent Hubertus de Boesichem, schenker en ridder, verkocht te hebben aan deken en kapittel der kerk van de Dom te Traiectum, 11 morgen land in Werthuijserbrouck, 15 morgen land beneden de Huefgrave, 7 morgen en 5 morgen aldaar, en ontvangt deze goederen van het kapittel in erfpacht. Op 2 november 1296 'des vridaghes na Alreheiligendach' erkennen deken en kapittel te Dom tUtrecht, gekocht te hebben van heer Hubert Scenck van Bosinchem, ridder, 10½ morgen land in Weerthuzerbroeck, 15 morgen land beneden de Huufgrave, 7 morgen en 5 morgen aldaar, welke landerijen zij hem weder in erfpacht geven. Op 5 november 1296 'feria secunda post Omnium sanctorum' verklaren deken en kapittel te Dom tUtrecht, dat zij de landerijen vermeld in de brief van 1296 november 2, in erfpacht hebben gegeven aan heer Hubrecht Scheinck van Buesinchem, ridder.
Op 18 maart 1300 draagt Hubertus genaamd Sceijncke de Culenbroch, ridder, aan Reijnaldus graaf van Gelria, een door hem en zijn voorouders zonder voldoende titel bezeten polder in leen op, gelegen tussen Lanxmere en Insula Sancte Marie, en verzoekt de graaf, aan de aanspraken van het klooster Insula Sancte Marie op tienden te Paveija en Rietvelth aandacht te schenken.
Op 21 maart 1303 'des naesten donresdaghes nae Mijdsvasten' beleent Johan, abt van Sinte Pouwels te Utrecht, vrouwe Clemence, weduwe van heer Hubrecht van Boesinghem, ridder, met de halve tiend te Kesteren. Op 17 juli 1312 'des manendaghes na sinte Margrietendach' beleent Henric van Rick, abt van St Pauwels tUtrecht, vrouwe Clementie, weduwe van heer Hubrecht van Bosinchem, met het goed en de tienden te Kesteren, zoals zij daarmee beleend was door de overleden abt Johan. Op 1 mei 1316 'in aula nostra claustrali' beleent Henricus, abt van St Paulus te Traiectum, Hubertus de Bozinchem, broeder van Johannes de Bozinchem, met de helft van de tiend in Kesteren, zoals zijn moeder vrouwe Clemencia deze bezeten had. Op 10 november 1317 'op sinte Martiinsavont in den winter' beleent Henric van Riele, abt van St Pouwels tUtrecht, jonkvrouwe Lijsebette, dochter van wijlen heer Hubrecht van Bosinchem, ridder, en wijlen vrouwe Clemence, met de halve tiend te Kesteren c.a.
Uit dit huwelijk:
2. Margriet van Bosinchem, overleden 24 september. Gehuwd met Ghisebrecht Uten Goije, knape (1312), burggraaf van Utrecht (1314), geboren ca. 1275, overleden 1316-1317 te Utrecht
3. Jutte van Bosinchem, overleden > 19 december 1314. Gehuwd met Ernst Albertsz van Wulven, heer van Wulven (1296), overleden ca. 1303
4. (?) Gerard van Bosinchem
5481216. Wessel II van den Boetzelaer, knape (1282), ridder (1289), drost van de Graaf van Kleef, zoon van Rutger I van den Boetzelaer, geboren ca. 1255, overleden 1316
Gehuwd < 27 september 1282 met
5481217. Lise van Kervenheim, dochter van Steven van Wisschel en Helwig NN, geboren ca. 1255, overleden < 1316
Op 26 juli 1289 wordt in de villa Honepel de strijd bijgelegd tussen de abdij Camp aan de enerzijds, en Wessel von Butseler, ridder, Gotfried von Honepel en de lieden van het kapittel van Xanten anderzijds, over het weiderecht aan de gemeenteweiden. Wessel, ridder (dapifer) van Dirk graaf van Kleef, treedt in 1297 op als diens getuige. In 1297 bemiddelen Diedrich von Veen, Otto von Veen en Wessel von Buzelar, ridders, een compromis tussen Otto advocaat van Xanten en zijn broeders en zusters. Op 13 juli 1300 is Wessel borg voor Otto von Veen, vroeger advocaat van Xanten, aan Bedbur.
Op 5 mei 1307 is Wessel getuige over het verdrag tussen Kleef en Xanten. Op 26 april 1311 is hij getuige van de graaf van Kleef bij de privilegiën aan Wesel. Op 2 juni 1311 staat Wessel borg voor de graaf van Kleef bij een geldlening aan de graaf van Gelre.
Uit dit huwelijk:
1. Rutger II van den Boetzelaer
2. Wessel van den Boetzelaer, geboren 1280, overleden 1316
3. Godfried van den Boetzelaer, geboren 1280, overleden 1357. Gehuwd met Katharina van Hönepel
4. Otto van den Boetzelaer, geboren ca. 1284
5. Helewigis van den Boetzelaer, geboren ca. 1286
6. Dirk van den Boetzelaer, geboren ca. 1288
7. Sweder van den Boetzelaer, geboren 1290, overleden 1360
8. Johannes van den Boetzelaer, geboren ca. 1292
9. Lijsbeth van den Boetzelaer, geboren 1294, overleden 1360. Gehuwd met Otto van der Halt. Gehuwd met Hendrik van der Leck
10. Petronella van den Boetzelaer, geboren ca. 1296
11. Hendrik van den Boetzelaer, geboren ca. 1299
5481280. Roelof de Moll, gouverneur van Brussel (B), geboren < 1290
Kinderen:
5481344. Herbaren II van der Lede, ridder (1227), heer van Lede, erfgenaam van de heerlijkheid Arkel (1234), heer van Arkel (1243-1253), zoon van Floris Herbarensz van der Lede en NN Hugo Botters van Schoonhoven, geboren ca. 1205 te Langerak, overleden < 1258. Gehuwd ca. 1215 met NN Sweersdr van Zuijlen. Gehuwd ca. 1220 met Alverade (Aleijd) van Heusden, geboren ca. 1185 te Heusden, overleden 1276
In
1234 overlijdt Jan VII van Arkel, de laatste telg van het huis van Arkels
(eerste tak), zonder nageslacht en Herbaren wordt tot erfgenaam gekozen. Hij
moet daarbij zijn toekomstige zoon ook Jan gaan noemen en het landgoed
betrekken. Herbaren laat zijn domein Lede na aan zijn jongere broer Jan en gaat
zich tussen 1243 en 1253 heer van Arkel noemen. In 1227 wordt Herbaren
geridderd, en neemt met de Utrechtse bisschop Otto II van der Lippe deel aan de
Slag bij Ane, op 28 juli 1228 (zie afbeelding links). De slag is een veldslag
tussen de bisschop en de troepen van burggraaf van Coevorden, Rudolf II van
Coevorden. Rudolf wordt daarbij gesteund door Drentse boeren. De Drenten weten
het leger van de bisschop te verslaan, waarbij de bisschop zelf sneuvelt.
Herbaren weet te ontkomen. In 1230 krijgt hij het leengoed Heukelom toegewezen.
Gehuwd ca. 1230 met
5481345. Bertha van Wickerode, dochter van Otto II van Wickerode en Margaretha van Altena
Uit dit huwelijk:
5481352. Willem III van Horn, heer van Horn en Altena, Weert, Nederweert, Wessem enz (1264-1304), erfelijke opperjagermeester van het Duitse rijk, zoon van Willem II van Horn en Edwige van Wickerode, geboren ca. 1250, overleden 10 augustus 1304 bij Zierikzee, begraven in het klooster van Keizerbosch. Gehuwd met (?) Agnes van Perwijs
Gehuwd met
5481353. Margaretha van Loon, vrouwe van Saffenberg, dochter van Arnold van Loon en Joanna van Chiny
In 1270 neemt Willem neemt deel aan de Achtste kruistocht
(zie afbeelding links), aangevoerd door Lodewijk IX van Frankrijk. De tocht voert
vanuit Sicilië naar Tunis. Tijdens de belegering van Tunis, wordt een deel van
het leger ziek als gevolg van het slechte drinkwater. Op 25 augustus 1270
overlijdt Lodewijk IX. De broer van Lodewijk, Karel van Anjou, neemt de leiding
over de kruistocht over. Hij slaagt er echter niet in om Tunis te doen vallen.
Op 30 oktober 1270 wordt een overeenkomst gesloten met de sultan van Tunis,
waarbij de christenen handelsrechten krijgen met de stad.
Op 17 augustus 1275 bevestigen Arnold graaf van Loon en Reinald graaf van Gelre met afzonderlijke transfixen dat de hof te Asselt leenroerig is aan Willem van Horn. De hof heeft hoog en laag gerecht, visrecht in de Maas aan beide zijden, akkers, tol, etc. Op 4 mei 1277 verklaren Willem van Horne en Altena en zijn oudste zoon Willem aan het kapittel van Kortessem, dat zij de heerlijkheid van Kortessem en het patronaatsrecht en het begevingsrecht van de prebenden voor de tijd van diens leven hebben verkocht aan Raso van Houte, ridder. Willem van Horne, oudste zoon van Willem heer van Horn en Altena, verklaart te verkopen aan Raso van Houte, ridder, een rente van 24½ mud rogge en gerst en 20½ kapoenen en 8 solidi cijns, die deze tot verdere beschikking voorlopg ten dienste stelt van de abt van Villers. Jan graaf van Loon verklaart dat Willem heer van Horne, Altena en Kortessem en diens oudste zoon Willem verkopen aan Raso van Houte, ridder, het vruchtgebruik van al hun goederen en cijnzen binnen de heerlijkheid Kortessem.
Op 4 april 1279 deelt Willem van Horne en Altena, ridder, Arnold V graaf van Loon mede dat Diederik van Wickerode, kanunnik van Luik, vonnis heeft gewezen tussen Willem en het domkapittel van Luik inzake wederzijdse rechten in het dorp Ittrene (Neeritter). Voor de uitspraak van een doodvonnis moeten de schepenen van Neeritter zich vervoegen met die van Kessenich en die van Thorn. Op 20 maart 1280 getuigen Wilhelmus de Hurne en Goswinus de Born bij de inbeschermingneming van de stad Duisburg door Reinald graaf van Gelre en hertog van Limburg en Irmingardis, hertogin en gravin. Op 10 januari 1281 is Willem edelheer van Horn borg bij de schuldbekentenis van Reinald graaf van Gelre en hertog van Limburg aan Thadeus Willaume, lombaard te 's Hertogenbosch. Op 17 maart 1282 is Willem medezegelaar van de overeenkomst en vrede tussen Willelmus van Borne, investitus van Geertruidenberg, en het klooster van Thorn.
In 1282 is Willem getuige van Mathilde vrouwe van Holte, weduwe van Gerard burggraaf van Arberg, als Mathilde de verkoop van de hof van Laere aan het klooster van Starckrade bevestigt. De oudste voogden van het stift Thorn zijn de graven van Gelre. Zij verkopen het ambt aan de heer van Horn, onder voorwaarde dat iedere opvolger in deze heerlijkheid het bij hen moet verheffen. Op 12 december 1282 verkopen Willem heer van Horn en zijn oudste zoon Willem, ten overstaan van Reinoud graaf van Gelre en vele leenmannen van de graaf, voor 200 luiker marken de contributiën, afpersingen en beden, die zij krachtens het voogdijambt jaarlijks van de ingezeten van het stift heffen.
Op 8 maart 1285 oorkondt Wilhelmus de Horn, heer van Kortessem, de goederen van de hof van Houte, vroeger in bezit van Raso de Houte, broeder van de Duitse Orde, en de goederen behoren tot de kapel van Kortessem, vroeger in bezit van Gerardus de Dipereide, en de goederen afkomstig van Wilhelmus de Printhagen, alle door Raso geschonken aan de kommanderij van Biezen, te maken tot cijnsgoederen tegen 12 denarii Luiks 's jaars. Deze oorkonde wordt bevestigd door Arnold graaf van Loon en Wilhelmus heer van Horn, vader der oorkonder. In 1285 draagt Willem het patronaatsrecht van de kerken van Heeze en Leende op aan de Abdij van Keizerbosch.
In mei 1286 te Namur is Wilhelmus heer van Horne een van de 19 edelen die zich borg stellen voor de huwelijkse voorwaarden tussen Reinald graaf van Gelre, hertog van Limburg, en Margaretha, dochter van Guij graaf van Vlaanderen. Willem is een van de heren die in februari 1290 toestemt als Reinald I graaf van Gelre voor 5 jaar afstand doet van de graafschappen Gelre, Zutphen en Kessel c.a. ten behoeve van zijn schoonvader Guij graaf van Vlaanderen.
Op
29 maart 1288 oorkondt Walram heer van Valkenburg en Monschou dat de edelheer
Willem van Horn en Altena hem tot wederoproepens heeft toegestaan in diens
gebied tol te heffen. Op 12 februari 1290 beslissen Walram heer van Monschou en
Valkenburg en Johan heer van Kuik als scheidsrechters in het geschil tussen
Arnold graaf van Loon en Willem van Horn en Altena, dat de graaf de oorkonden
van zijn overleden grootvader graaf Arnold van Loon, die de heer van Horn in
handen heeft, in diens handen moet laten.
Op 5 juni 1288 neemt Willem deel aan Slag bij Woeringen (zie afbeelding rechts). Deze slag betekent het einde van de Limburgse Successieoorlog. De oorlog, tussen Hertog Jan I van Brabant en Graaf Otto II van Gelre, gaat om aanspraak om het hertogdom Limburg. Bij de Slag van Woeringen staan de troepen van Jan I met 1500 ridders, gesteund door Arnold V van Loon en burgers van de vrije rijksstad Keulen, tegenover de troepen van de Luxemburgers, Geldersen, de aartsbisschop van Keulen, Siegfriedvan Westerburg en Limburgers met 2200 ridders. Brabant wint de slag waardoor Limburg bij Brabant wordt gevoegd.
Op 21 mei 1294 zegt Willem heer van Horn, dat de heerlijkheid Weert eigendom was van drie heren, de graaf van der Mark, de heer van Altena en Hendrik van Asselt, ridder. Op 21 mei 1294 doet de officiaal van Luik uitspraak in een proces tussen het kapittel van St Servaas te Maastricht en de heer van Horn, over rechten en bezittingen van het kapittel te Weert. Op 17 juni 1296 verklaart Aert graaf van Loon, dat Goessen van Born, heer tot Elsloo, zijn 'dienre' aan diens neef Willem heer tot Horn gegeven heeft 'eijn biecaer' water uit een beek, lopende bij de Nedermolen in de heerlijkheid Boechout (ofwel dat Willem gemachtigd is het water van de beek van Bocholt in een kanaal te laten uitvloeien).
Op 27 juni 1296 is aangeduid dat Willem II heer van Horn en Altena en zijn zonen Willem, ridder, Dirk, proost van Oudmunster te Utrecht, Engelbert, kanunnik van St Lambert te Luik, en Gerard, ridder, worden verdacht van medeplichtigheid bij de moord op graaf Floris V van Holland. Op 12 februari 1299 verklaren Willem heer van Horn en Altena, Diederic, proost van St Salvator te Utrecht, zijn zoon, Willem, ridder, zijn oudste zoon, Gerard, zijn jongste zoon, en Engelbrecht, domkanunnik te Luik, ook zoon van Willem, verklaren onschuldig te zijn en dat te willen bewijzen, aan de dood van Floris V, graaf van Holland, Indien het tegendeel bewezen wordt, willen zij lijf en goed verbeuren. Zij beloven naar de plaats te gaan en niet vandaar te vertrekken die Jan, graaf van Henegouwen en Holland, hen in Holland zal wijzen. Bij nalatigheid verbeuren zij lijf en goed.
Op 9 september 1300 verklaren Willem heer van Horn en Altena en zijn zoon Willem dat zij Jan van Heusden schadeloos zullen houden wegens diens borgtocht aan lombarden in het land van Horn. Op 23 november 1300 maakt Willem heer van Horn en Altena, in zijn huis te Weert, zijn testament. Executeurs zijn Jan heer Cuijk, Arnold heer van Steijn, en zijn zoon Dirk, proost van Oudmunster te Utrecht. Zijn vier zonen zijn aanwezig en stemmen er mee in. Hij stelt een bedrag vast dat uitgekeerd moet worden aan degenen van wie hij geld heeft afgeperst, £ 200 zwarte tournooisen 's jaars is voor een altaar in Keijsersbosch waar hij begraven wil worden. De som wordt genomen uit de tienden bij Rijswijc, die Tilman de Campo had.
Op 11 juli 1302 neemt Willem deel aan de Guldensporenslag. De slag vindt plaats op het Groeningheslagveld te Kortrijk tussen de milities van het graafschap Vlaanderen en het leger van de koning van Frankrijk. De Brabanders, waaronder Willem, strijden aan de Franse kant. De Fransen verloren de strijd.
Op 10 en 11 augustus 1304 vindt de Slag bij Zierikzee plaats, ook wel de Slag op de Gouwe. Het is een zeeslag tussen een Frans-Hollandse vloot en een Vlaamse vloot, die plaatsvindt op de Gouwe bij Zierikzee. De slag gaat tussen Vlaanderen en Holland om de heerschappij over Zeeland en is de ontknoping van een strijd die begint in 1303. De Frans-Hollandse vloot weet de Vlamingen, die gesteund werden Jan II van Babant, te verslaan. Willem sneuvelt in deze strijd samen met zijn zoon Engelbert van Horne.
Uit dit huwelijk:
1. Willem van Horn, heer van Kortessem en Saffenberg, overleden 28 januari 1301. Gehuwd < 1294 met Sophia van Heusden, overleden 23 april 1336
2. Odilia van Horn. Gehuwd (huwelijkscontract 7 september 1294) met Arnold van Wachtendonck, ridder, heer van Wachtendonck, overleden > 20 april 1305
3. Dirk van Horn, proost van de St Laurent te Luik (1291), van de Heilige Verlosser te Utrecht (1293), van de Oudmunster te Utrecht (1296) en van St Salvator te Utrecht (1299)
4. Engelbert van Horn, kanunnik van St Lambert te Luik, overleden 10 augustus 1304 bij Zierikzee
5481728. Cornelis Gerardsz Booth, knape op Duijvesteijn, schepen van Dordrecht (1310), zoon van Gerard Aarndsz Booth, geboren ca. 1250, overleden > 1310
'Ende Cornelis Booth knape heeren Gerards soon was noch inden jare 1310 schepen in Dordrecht. Wiens nacomelingen gebijnaemd sijn geweest van Barendrecht ende van Almonde als mede-gerechtichde in beijde die ambachten ende besitters van de huijsen ter Nood ende Duijvesteijn bij Dordrecht. In welcke stadt oock eenige van Henluijden voortijts tot regenten vercoren, ende aen mede-regenten geallieerd sijn geweest en daerom genaemd de Dordtsche Boothen' (uit: Van Beverwijck - Memorien uijt de Beschrijvinge der stadt Utrecht).
Gehuwd met
5481729. Geertruijd Cornelia Daniëls van der Merwede, dochter van Daniël III van der Merwede en Beatrix van Alkemade, geboren ca. 1270
Uit dit huwelijk:
1. Gerard Booth, knape, gestorven zonder oir
2. Daniël Booth
3. Jan Cornelisz Booth, decaan en provisor in den lande van Putten (ca. 1352)
4. Maria Booth. Gehuwd met Rijcout Willemsz van Brakel, schepen van Dordrecht (1369)
5. Pieter Booth, kanunnik van Oud-Munster te Utrecht, overleden 1376
5482288. Johan van Broekhuizen, heer van Broekhuizen, zoon van Willem van Broekhuizen, geboren ca. 1270, overleden > 1 november 1321
Op 31 oktober 1314 verklaren een grote schare edelen, waaronder de graaf van Kleef, de graaf van Gulik, de graaf van Berg, de graaf van Mark, de heren van Valkenburg, Heinsberg, Horn, Giselbert van Kerken, Jacob van Mirlaer, Johan van Kesel, Willem van Swalmen, Reinald oudste zoon van de graaf van Gelre, Willem van Millen, Johan van Broekhuizen en zoon Johan en de steden en gemeenten Wesel, Kalkar, Kleve, Huissen, Kranenburg, Woudrichem, Wessem en Weert, van de lombardische kooplieden de gebroeders Benedictus, Roter, Johan en Simon van Mirabello en van Gilbaudo van Jaffa cum suis 30.000 pond tournooisen der koning van Frankrijk geleend te hebben en zullen die som binnen 4 jaar lossen in Mechelen. Bij verzuim geldt boete van 3 solidi per dag voor 100 lb. en desgewenst gaan ze in 's Hertogenbosch in leisting.
Op 6 juli 1320 zijn Johannes de oude, heer van Bruchusen, en diens zoon Johannes, medezegelaars bij de verkoop door Arnoldus, advocatus van Straelen, van al zijn goederen en hoge en lage rechtspraak, mannen, patronaatsrecht, onder de parochies Well en Bergen, strekkende van de Rodebeek bij Arcen tot aan de jurisdictie van Afferden, aan Siger de Barle, zijn verwant.
Op 6 juli 1321 is Johan van Bruchusen medezegelaar bij het in leen opdragen door zijn broer Siger van Bruchusen van zijn huis ther Gonne bij Swolgen met 20 morgen land aan de edelheer van Heinsberg. Op 1 november 1321 draagt Sijger van Barle de heer van Heinsberg, de 30 morgen land in leen op aan de heer van Heinsberg. Medezegelaars zijn Johan heer te Bruchusen en Siger van Bruchusen, zijn broer.
Kinderen:
1. Johan van Broekhuizen, heer van Broekhuizen, ambtman van Rheinberg, geboren ca. 1295, overleden 1363-1364. Gehuwd met Sophie van Loe, overleden > 1364
Kinderen:
2. Nese van Engelstorp, overleden > 1353. Gehuwd met Johan van Rheijdt, ridder, overleden > 1366
5482296. Gerard de Cock van Waardenburg, knape (1314), heer van Waardenburg (1317), heer van Puiflik, dienstman van Gelre (1318), dochter van Rudolf de Cock van Weerdenburg en NN Gerrits van Rossem, geboren ca. 1280, overleden 1320
Gehuwd met
5482297. Johanna van Buren, dochter van Allard van Buren en Adelisse de Vriese
Gerard de Cock van Waardenburg is genoemd in het conflict tussen Reijnald I, graaf van Gelre, en zijn zoon Reijnald II in de periode rond 1318. Tijdens het conflict heeft Reijnald II van Gelre in de Bommelerwaard de steun van onder meer Johan de Cock, ridder, Gerard van Weerdenburg en Staes van Brakel. Op 6 april 1318 verklaren Reinald graaf van Gelre en zijn zoon Reinald, zich te zullen houden aan de uitspraak der heeren van Valkenburg, van Mechelen, van Voorne en van Arkel in de tussen hen beiden gerezen geschillen, stellende de graaf van Holland en nog een tweede, nader te verkiezen, tot overzegslieden. Op 16 juni 1318 doen de heeren van Voorne en van Arkel uitspraak in de geschillen. Op 15 juli 1318 belooft Reinald zoon des graven van Gelre, met zijne vijanden geenen zoen te zullen treffen zonder Jan de Kok, Gerard van Weerdenberg, Eustatius van Brakel en derzelver medestanders daarin te begrijpen. Op 13 oktober 1319 'ter Hurst bi Rienen des zaterdaghes na S. Dijonijs dach' verklaren Bisschop en Willem, graaf van Heijnnegouwe enz, in hun twist met heer Reijnnaud van Ghelre en die van Lienden en in den twist van Reijnnaud eenerzijds en Walraven van Benthem, Jan van der Nordeloes, Gerard van Wardenburgh en Stasekin van Brakel anderzijds, aangewezen te hebben als scheidslieden Jan van Heijnnegouwe, heer van Bemond, en Heinric van Vlaenderen, graaf van Loden. Zij beloven zich aan hun uitspraak of aan die van een van hen met een door beiden gekozen scheidsman te zullen houden.
Op 22 januari 1320 'toit Utrecht des diinsdaghes na St Agnieten dach' doen Jan van Heijnnegouwe, heer van Bijamond, en Heijnric van Vlaendren, graaf van Loijden, uitspraak tussen bisschop en Willaem, graaf van Heijnnegouwe enz, eenerzijds en die van Lienden anderzijds, tusschen bisschop en graaf Willaem eenerzijds en Reijnoud van Ghelre anderzijds en tusschen Reijnoud voorn. en die van Lienden eenerzijds en Walraven van Benthem, Janne van der Noerdeloes, Gherarde van Waerdenborch en Stesekiin van Brakel anderzijds en bepalen dat onder andere aan een aantal personen zoengeld zal worden uitgekeerd in Tornooisen tot 16 penningen te Tiele in drie termijnen voor de scheidslieden, voor heer Gheraerd Tenghenaghel of voor Otte van Buren. Onder andere Walraven van Benthem, Jan van der Noerdeloes, Gheraerd van Waerdenborch en de hunnen moeten betalen te Zuoelen voor Hotte, zoon van heer Hillin 250 Tournooise, voor Raes van Maeren 250 Tournooise, voor Coen Vredericszoon 150 Tournooise, voor Godevaerd Immenzoon 100 Tournooise, aan Steven Duijs, Jan uten Elsenwaerde en Willaem Mettenzoon resp. 50, 100 en 60 Tournooisen voor verminking en aan Jan, zoon van Steven van Lienden, 30 Tournooisen voor verlies van drie vingers. Gheraerd van Waerdenborch moet betalen aan Jan Eghenszoon 50 Tournooisen voor verminking en aan Fighaerde, knaap van Steven van Hiirden, Ghisebrecht, zoon van Harman Ulle, Baers van Koeninghen en Heijnric, als Jacob van Mirlaer en Gherart van Raporst, ridders, Gheraerd schuldig achten. Daarnaast moeten Walraven van Benthem, Jan van der Noerdeloes, Gheraerd van Waerdenborch en Stasekiin van Brakel het graafschap Gelre 3000 Tournooisen betalen voor 13 februari a.s. te Dordrecht voor hun misdrijven te Zuoelen.
De schadevergoedingen zijn dermate hoog en dienen op zo korte termijn voldaan te worden, dat het hen in grote problemen brengt. Op 17 september 1320 'Wij Willem, grave van Henegou, van Hollant enzovoort ontbieden U, Jan van Bergen onsen baillu van Zuijthollant, dat ghij Reijnout van Gelre overlevert 't huijs te Weerdenburg, 't huijs te Zoulen ende 't huijs te Niewerlede, over de borgtogte die wij ende onse borgen hem gedaen hebben voor Walraven van Benthem, Jan van der Noordeloos, Gijsbrecht (!) van Waerdenburgh ende voor heur helpen. Ende soo wat ghij hiertoe doet, die sullen wij in gewaert houden. Gegeven tot Dordregt op Sint Lambrengtsdagh in 't jaer ons heeren duijsent driehonden en twintig'. Op 24 april 1327 belooft Reinald graaf van Gelre, Nicolaas van Malsen en Ricoud (Gijsbertsz) Kok schadeloos te zullen houden, wegens datzelve aangenomen hadden, ter oorzake der kinderen van Weerdenberg, aan Gooswijn van Rossem zekere som te zullen betalen in twee termijnen invallende Pascha 1328 en Pascha 1329. Op 17 september 1320 is dus Gijsbert, de broer van Gerard, heer van Waardenburg. Het is dus aannemelijk dat Gerard tussen de laatste vermelding op 22 januari 1320 en 17 september 1320 is overleden.
Uit dit huwelijk:
1. Johan de Cock van Waardenburg
2. Alart van Vuren. Gehuwd met NN van der Eem
3. Mechteld de Cock van Weerdenburg. Gehuwd ca. 1330 met Arnoud van Heukelum, overleden 1343
5482304. Daniël I van Ghoor, heer van Ghoor, zoon van Engelbert van Horne en Agnes van Wickerode, geboren ca. 1250, overleden > 20 april 1303. Gehuwd met Margaretha NN
Daniel hertrouwt met Margaretha, weduwe van Willem heer van Onderthens, en moeder van Jutta van Onderthens.
Op 2 november 1302 is Daniel de Gore getuige in scheidsrechterlijke uitspraak van Arnold V graaf van Loon en Chiny, tussen de kommanderij van Biezen en Daniel de Herka. Op 20 april 1303 is Daniel de Ghore getuige bij de verkoop van 2 bunder weide door Theodericus heer van Monschau en Valkenburg aan de kommanderij Biezen.
Kinderen:
2. Erard van Ghoor
3. Robrecht van Ghoor tot Werrenberch, ridder, overleden > 27 september 1312. Gehuwd in 1306 met Jutta van Eekeren
4. Agnes van Ghoor, overleden > 28 september 1344
5. Willem van Ghoor, ridder, heer van Meijel (1325), overleden > 1330
5482336. Godfried Berck, kastelein van de burcht van Kessel onder graaf Hendrik V van Kessel (1271), erfelijk kastelein van het kasteel van Kessel onder hertog Reinald I van Gelre (1279), overleden < 1338
Op
24 augustus 1271 stelt Hendrik V, graaf van Kessel, vier borgen als garantie
voor de verkoop van het houtgraafschap en de voogdij over Neuss, te weten Walram
zijn broer, Van Wevelinghoven en zijn beide kasteleins Birt (Godfried Berck) en
Van Niederhoven.
Hendrik V van Kessel raakt door de vele oorlogen steeds meer in financiële moeilijkheden en ziet zich gedwongen om het graafschap met de burcht van Kessel, haar leen- en dienstmannen, wastijnzigen, horigen, de hoge en lage rechtspraak, de visserijen, bebouwde en onbebouwde akkers, weilanden, bossen, inkomsten, rechten en alle allodia te verkopen. De verkoop vindt plaats op 29 september 1279. In 1279 's daags voor St Simon en Judas, benoemt Reinald I, hertog van Gelre, Godfried Berck aan als erfelijk kastelein van het kasteel van Kessel. Hij en zijn nazaten gaan zich vanaf dat moment Heren van Kessel noemen. Op St Luciadag 1338 wordt Godfrieds zoon Mathijs van Kessel beleend met de burcht en de goederen van Kessel. De burcht blijft in het bezit van de familie tot 1541, als het slot overgaat aan de famlie Van Merwijk.
Op de afbeelding links het Kasteel Kessel in 1729 door Jan de Beijer.
Kinderen:
1. Mathijs van Kessel, ridder, kastelein van het kasteel van Kessel (1338), overleden ca. 1368
2. (?) Johan van Kessel