Generatie 20
552960. Willem van der Specke, geboren ca. 1290 te Lisse, overleden > 1344
Willem woont te Lisse. Op 19 oktober 1325 verkoopt hij met grafelijke toestemming, 6 morgen leenland in het ambacht Alkemade ten vrij eigen aan Jan van Polanen. Hij draagt op 13 mei1329 2 morgen land te Lisse op aan de graaf ten behoeve van zijn zoon Dirk. Willem is op 24 juni 1331 vermeld als belender te Oegstgeest. In 1333-1334 wordt hij met zijn zoon Dirk beboet wegens vechten. Hij houdt in 1343-1344 land te Abdissenbroek in lijfhuur van de graaf. Tot zijn generatie behoort mogelijk ook Femmesse van der Specken, woonachtig te Lisse, en in 1342-1343 huurster van gras van de grafelijkheid.
Kinderen:
Op 29 juni 1342 hebben Dirk, Claas en Boudewijn, kinderen van Arnoud van Waterland, 7 morgen land in Maasland in leen van Jan Persijn, heer van Waterland. In 1343-1344 huren Aernds kinderen van Waterland land te Hillegom van de graaf.
Kinderen:
1. Bartrarde Arnts van Waterlant
2. Boudewijn van Waterland
3. Claas van Waterland
4. Dirk van Waterland
553728. 'Oude' Arent de Oude, leenman, begraven te Delft
Op 6 november 1299 wordt Arent de Oude beleend met 11 hond land afkomstig van de graaf van Benthem, in Pennincxcamp, leenroerig aan de hofstad Van der Wateringe. Op 8 augustus 1333 krijgt Arnd de Oude 4 morgen land te Ruijvene in de Vrijenban in de hoeve van Wermonde, leenroerig aan de grafelijkheid, overgedragen door Bokel Gheritsz van Wermonde.
Kinderen:
1. Aernt Toude, overleden > 1380
3. Jan Doude
4. Jacob Toude
5. NN Toude. Gehuwd met Jan Vlederman
553730. Heijn Allertsz, geboren ca. 1310, overleden > 1370
Hij heeft land in het Ambacht Maaslaand. HIj wordt op 25 september 1341 vermeld in het archief van het Duitse Huis.
Kinderen:
1. Allaert Heinensz, overleden < 1397
553856. Coppaert Meijnsensz, zoon van Meijns NN en NN Coppaers, geboren ca. 1360
Gehuwd met
Coppaert is ingezetene van Monster in 1369 (?). Hij testeert op St Katrienavond in 1380.
Uit dit huwelijk:
685120.
Tijdeman Soudenbalch, schepen en
burgemeester van Utrecht (1350-1378), lid van de Kleine Kalende broederschap, zoon van Gerrit II Soudenbalch en Alverade
van Langerak, geboren
ca. 1316, overleden 17 mei 1393
Gehuwd met
685121. Petronella van Langeraeck, dochter van Hendrik van Langerak en NN Proeijs, overleden ca. 1413
Tijmen Soudenbalch en verschillende van zijn nakomelingen komen met overlijdensdatum voor op de lijst van de leden der Kleine Kalende-broederschap. Op de afbeelding links het wapen van de Soudenbalchs als onderdeel van de anonieme tekening van de afbeelding van de wapens van de leden van de Kleine Kalende broederschap in een venster aan de noorzijde van de Buurkerk te Utrecht. Het doel van de broederschap was de bediening van kapellen en altaren (welke kaland of kalend kapellen wrden genoemd), het houden van missen voor de zielen van de gestorven leden, het uitdelen van aalmoezen en het houden feesttijden. De kalende broederschap had statuten die voor alle leden bindend waren.
Uit dit huwelijk:
2. Hendrick Soudenbalch, kanunnik St. Marie te Utrecht, lid van de Kleine Kalende broederschap, geboren < 1370, overleden 27 oktober 1425, begraven in de St. Marie te Utrecht
3. Haze Soudenbalch (van Damassche)
685122. Floris van Pallaes, raad van Utrecht (1380), schepen van Utrecht (1358-1367), zoon van Herbert van Pallaes den Oudenrijn en Christina Floris van Pallaert, overleden ca. 1448
Gehuwd met
685123. Engeltje Huberts van Wulven, dochter van Hubert van Wulven en NN van Woerden
Uit dit huwelijk:
685128. Jan Wouterz van Zuijlen van Natewisch, ridder, heer van Zuijlensteijn en Natewisch, zoon van Wouter van Zuijlen en Hadewich (Hase) van Montfoort, geboren ca. 1350, overleden 1417
Gehuwd met
685129. Oeda Floris van Broekhuizen, dochter van Floris van Broekhuizen
Op 1 april 1376 hecht Jan van Sulen Wouterssoen zijne goedkeuring aan de koop door Henric, heer van Montfoort, van gerecht, tijns en tien van Cattenbroeck en de leenmannen van Henric Soudens, gelijks zijne moeder Hase van IJsendoren en van Huelensteijn die had bezeten.
Op 29 januari 1384 'des eersten vrijdages na sinte Pouwels dach convercio' draagt Hase van Montfooft, vrouw van IJsendoren, terzijde gestaand door haren zoon Johan van Sulen, en met goedvinden van haren momber Wouter van IJsendoren, den heer van Montfoort voor diens leenhof op eene hoeve land, geheeten Heijmanscamp, in den Aftersloet.
Op 4 juni 1392 wordt Jan van Zuilen van Natewisch door het kapittel van St Jan beleend met de tiend van Achttienhoven 'buijtenweghes', onder voorwaarde dat hij jaarlijks 6 mud haver levert aan de bakker van het kapittel.
In 1403 wordt Jan van Zuijlen, ridder, heer van Zuijlenstein, Holestein en Natewisch, beleend met tienden in Barneveld.
In 1416 belooft de hertog van Gelre aan de heer van Culemborg om het huis Natewisch alleen heer Johan van Zuijlen te zullen belenen, en bij verkoop aan de heer van Culemborg met het reeds betaalde rekening te zullen houden.
Uit dit huwelijk:
1. Henrick van Zuijlen, overleden 1420
2. Gerrit van Zuijlen van Natewisch
3. Wouter van Zuijlen
4. Hase van Zuijlen. Gehuwd met Vrederic Utenham van Baersel
5. Mechtelt van Zuijlen
685130. Mattheus Pott van Pottenburch, schepen van Utrecht (1403-1427), overleden > 1427
Gehuwd met
685131. Elsaba Mouwer. Gehuwd met Jan Proeijs van Lichtenberg
Uit dit huwelijk:
685132. Gerrit van Culenborch, leenman, knape (1340), ridder (1372), heer van Culemborg van der Leck, Werth en Werterbruch (1377), zoon van Hubert Schenck van Culemborch en Jutte van der Lecke, geboren ca. 1335, overleden 28 mei 1394 te Culemborg
Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 6 juli 1371) te Egmond met
685133. Baerte van Egmond, dochter van Jan I van Egmond en Guijote van Amstel, geboren ca. 1340 op Slot Op den Hoef te Egmond, overleden 1413. Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 13 december 1360) met Walraven van Brederode, geboren ca. 1340 op Slot Brederode te Santpoort, overleden juli 1369 te Haarlem, begraven in de Carmelietenkerk te Haarlem
Op 20 juli 1340 'des donredaghes voer sinte Marien
Magdalenendach' verhuren deken en kapittel van St Johan tUtrecht, aan heer
Hubrecht Sceijnk, heer van Culenborch, ridder, en zijn twee kinderen Johan en
Gherijd, een halve hoeve land te Scalcwiic in de Gheer.
Op 6 maart 1360 'des vrijdaechs voer sente Gregorius dach' belooft Alaert, heer van Bueren, knaap, Gherijt van Culenborch schadeloos te houden voor de medebezegeling van den brief waarin hij zijn vrouw Elisabet lijftocht. Op 31 maart 1362 'des donredaghes na onser Vrouwendach annunciacio' beloven Johan, bisschop tUtrecht, en Gherijt van den Vene, proost van Aernhem, Gherijt van Culenborch, knaap, schadeloos te houden voor een borgstelling bij Wouter Coevoet. Op 2 september 1363 'des saterdaechs na sente Johansdach decollatio' erkent Gherijt van Culenborch, knaap, van zijn broeder den heer van Culenborch en van der Leck, voor zijn versterf ontvangen te hebben het gericht van Jaersvelt, een aantal goederen in de maalschap van Mouderic en 2 waarden in het land van Cleve, alle welke goederen leengoed van Culenborch zullen zijn. Op dezelfde dag erkent Jan, heer van Culenborch en van der Lecke, aan zijn broeder Gherijt van Culenborch de goederen te hebben gegeven, vermeld in den brief van denzelfden datum.
Op de afbeelding kasteel Culemborg in 1646-1647 naar een tekening van Roelant Roghman. De aanzet tot de bouw van het kasteel is gegeven door Gerrit's broer Johan van Culemborg tussen 1347 en 1377. Het kasteel is in de 17e eeuw in verval geraakt en aan het eind van de 18e eeuw gesloopt.
Op 1 april 1366 'des woensdaechs na Palmdach' belooft Peter van Culenborch, om Gherijt van Culenborch schadeloos te zullen houden wegens een borgtocht bij Heinric van Keken. Op 24 februari 1367 'op sente Mathiis dach des apostels' belooft Peter van Culenborch, heer van Meere, zijn broeder Gherijt van Culenborg schadeloos te houden voor een borgtocht bij Jan Codken van Sellaer. Op 4 februari 1370 'des manendaghes na onser Vrouwendach te Lichtmisse' beloven Peter van Culenborch, ridder, en Johan, heer en vrouwe van Meer, om Gherijt van Culenborch schadeloos te houden voor zijn borgstelling tegenover Peter van Steenberghen bij den verkoop aan dezen van goederen op de Velue.
Op 6 juli 1371 'des sonnendaghes na sinte Martiinsdach translacio' maken Ghijote, vrouwe van IJselsteijn en van Egmond, Aernt, heer van Egmond, en Gherijt van Culenborch, knapen, huwelijksvoorwaarden op tusschen Gherijt voornoemd en Berte van Egmond, dochter van Ghijote en zuster van Aernt.
Op 31 mei 1372 'des manendaghes na des heijlighen Sacramentsdach' belooft Johan, heer van Lienden, ridder, om heer Gherit van Culenborch, ridder, schadeloos te houden voor diens medebezegeling van den brief waarin hij aan zijn vrouw Margriete van Ghenep een lijftocht toezegt. Op 15 augustus 1374 'op onser Vrouwendach assumptio' belooft Vrouwe Marie van den Vliet, haar broeder heer Gherijt van Culenborg schadeloos te houden voor de medebezegeling van een schadeloosbrief voor Ghisebert, bastaard van Culenborg, en Willem van Rumelaer. Op 24 september 1376 belooft Gherijd van den Vliet, knaap, zijn oom heer Gherijd van Culenborch, ridder, schadeloos te houden voor een borgtocht bij heer Danel, heer van der Merwede, wegens den lijftocht van diens dochter Mechteld. Op 12 december 1376 'des vrijdaghes na onser Vrouwendach conceptio' beloven Heinric van Mauderic, ridder, en zijn broeder Steven van Mauderic, om heer Gherijt van Culenborch, ridder, schadeloos te houden wegens een borgtocht bij heer Johan van Groenenvelt en heer Reijnaer den Ever, ridders. Op 10 april 1377 beloven Ghisebrecht, heer van Vijanen en van den Goeije, en Henric van Vianen, heer van de Ameijde, om heer Gherijt van Culenborch schadeloos te houden voor de medebezegeling van een schuldbekentenis.
Op 29 september 1377 'op sinte Michielsdach' bepalen deken en kapittel der kerk van St Marie tUtrecht, dat voortaan heer Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck, ridder, voor den tol te Smijthusen, thans te Emmeric gelegen, en de hoven Ewiic en Malberghen een pacht van 20 en 12 mark zilver 's jaars, en bij een nieuwe ontvangst 16 pond zilver zal betalen. Op dezelfde dag belooft Gherijt, heer van Culenburch en van der Leck, ridder, zich aan de voorwaarden, vermeld in den brief van 1377 september 29, te zullen houden. Op 16 maart 1378 'des dinxdaghes na sente Gregorius dach pape' belooft Wouter, heer van Miinden en van Ruweel, om Gherijt, heer van Culenborch en van der Lecke, schadeloos te houden wegens medebezegeling van een brief.
Op 10 oktober 1378 verklaart Mechtelt van Culenborch, vrouwe van Montfoert, met haar broeder heer Gherijt, heer van Culenbroch en van der Leck, een scheiding gemaakt te hebben over de nalatenschap van hun broeder heer Johan, heer van Culenborch en van der Leck. Op 25 maart 1379 'des vridaechs op onser Vrouwendach annunciatio' beleent Willem van Gulijc, hertog van Gelre en graaf van Zutphen, heer Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck, met de goederen waarmede diens broeder beleend was. Op 2 januari 1381 'des woensdaghes nae Jaersdach gheheijten Circumcisio domini' erkent Vrouwe Marije van Culenbroch, vrouwe van den Vlijet, door haar broeder heer Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck, voldaan te zijn van haar aandeel in de nalatenschap van hun broeder Johan, heer van Culenbroch en van der Leck. Op dezelfde dag erkent zij tevens dat zij aan haar broer Gherijt, heer van Culenbroch en van de Leck, beloofd heeft om op zijn eerste aanmaning gerichtelijk afstand te zullen doen van hetgeen haar aanbestorven is van haar broeder heer Johan, heer van Culenborch en van der Leck. Dit wordt op 3 januari 1381 bevestigd door de richters van de gebieden die onder dit aanbestorven goed vallen, te weten door Dijrc Borrenz, richter van Lanxmeer, en door Vranc die Blote, richter te Culenborch. Op 4 januari 1381 'des vridaghes na dertiendage' geeft Vrederic van Hekeren, ridder, kwijtschelding aan heer Gherart, heer van Culenborch en van der Leck, van de verbintenis van wijlen heer Johan, heer van Culenborgh en van der Leck, met een aantal andere heeren, bij heer Elbrecht van Eijl, ridder, en diens vrouw Jutte, ten behoeve van heer Johan van Arkel, bisschop tUtrecht.
Op 4 februari 1381 'des manendaghes na onser Vrouwen Lichtmissedach' verklaart Henric Doijs van Mauderic, knaap, aan Gherijt, heer van Culenborg en van der Leck, den halven wind te Mauderic gegeven te hebben. Op 22 juli 1381 'op sente Marien Magdalenendach' erkent WIllem van Gulic, hertog van Gelre etc, verzoend te zijn met heer Gherit, heer van Culenborgh en van der Leck. Op 27 maart 1384 'des sundages na halffasten' erkent Gerart, heer zu Culenburgh en zu der Leck, trouw gezworen te hebben aan den aartsbisschop van Colne als leenheer.
Op 17 april 1386 'des dijnsdages na Palmedach' oorkondt Gherit, heer van Culenborch, dat zijn neve Hubert van Mauderic opdraagt ten behoeve van zijn broeder Heinric van Mauderic 13 morgen land met hofstede, gelegen op Pariservelt, en beleent Heinric daarmede. Op 17 september 1388 'op sente Lambertsdach' erkent Hubrecht van Culenborch, heer van Meer, van zijn oom en gewezen voogd heer Gerijt, heer van Culenborch en van der Leck, ontvangen te hebben wat hem aanbestorven is van zijn vader Peter van Culenborch, heer van Meer, en doet afstand van al zijn rechten op de heerlijkheden Culenborch, de Leck, Mauderic en de Weerd, den tol te Embrick en de nalatenschap van zijn oom heer Johan, heer van Culenborch en van der Leck, behoudens hetgeen aan zijn vader was toebedeeld.
Op 15 november 1388 'des sonnendages na sente Mertinsdach episcopi hiemalis' geeft Willem van Gulich, hertog van Gelre etc, aan heer Gherit, heer van Culenborch en van der Leck, het recht dat diens poorters van Culenborch vrijdom van tol in zijn landen zullen genieten. Op 30 juli 1389 'des vridaghes nae sente Jacobsdach' oorkondt Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck, dat hij aan een door hem ter eere van de geboorte Christi gesticht altaar in de kerk te Culenborch een vierdel land in Culenborgherbroeck, 11 hont op Zijdervelt, 10 hont te Everdinghen, een vierdel land te Scalcwiic en 12 morgen te Scalcwiic schenkt, en verzoekt aan den bisschop van Utrecht confirmatie van den door hem geprestenteerden vicaris heer Aelbert Zuurmont, priester.
Op 21 januari 1390 'op sente Agnietendach' erkent Herman van Wulven, knaap, verkocht te hebben aan heer Gerijt, heer van Culenborch en van der Leck, al zijn rechten op de Steenweert in het gericht van Honswiic, die hij in leen houdt van den bisschop van Utrecht, en waarmede hij Sweder van Voern beleend heeft. Op 20 juni 1390 'des manendages nae Viti et Modesti' erkent Herman van Wulven, knaap, ontvangen te hebben van heer Gerijt, heer van Culenborg en van der Lecke, 125 gulden in afkorting van den koopprijs van 250 gulden van de Steenweerd.
Op 27 februari 1390 verklaart Gerijt, heer van Culenborch en van der Lecke, dat zijn zusters de vrouwe van Montfoorde, wijlen de vrouwe van den Vlijet, de vrouwe van Miinden en de vrouwe van Weerdenberch met hemzelf erfgenamen zijn van hun broeder heer Johan. Op dezelfde dag verklaart Gerijt, heer van Culenborch en van der Lecke, mede namens de erfgenamen van zijn zuster de vrouwe van der Vliet, een accoord aangegaan te hebben met Johan Heldebol c.s. voor aan zijn overleden broeder heer Johan voorgeschoten gelden.
Op 12 september 1391 'des dinxdaghes nae onser Liever Vrouwendach nativitas' geeft Gerijt van Beesde, knaap, aan heer Gerijt, heer van Culenborch en van der Leck, kwijtschelding van alle grieven die hij of zijn vader hadden. Op 8 november 1391 oorkondt de officiaal van den choorbisschop van Traiectum dat Florentius de Jutfaes, knaap, die zijn geschillen met Gerardus, heer van Culenborch en van Lecka, ridder, over het patronaatschap van Schalcwick heeft bijgelegd, zijn rechten daarop aan heer Gerardus overdraagt. Op 4 januari 1392 'des donredages post circumcisionem domini geheiten Jairsdach' verzoekt Gerit, heer van Culemborch, aan den bisschop van Utrecht om confirmatie op de schenking door de broederschap en zusterschap van Onze Lieve Vrouw van Hemelrick voor het Heilige Kruis altaar in de kerk te Culemborch.
Op 7 april 1392 'opten heiligen Palmdach' erkent Willem van Gulich, hertog van Gelre etc. schuldig te zijn aan heer Gherait, heer van Culenborgh en van der Leck, een som van 1000 rijnsche guldens, en stelt tot borgen voor de terugbetaling heer Johan van Hoentselaer genaamd van den Velde, heer Robbert van Apelteren, ridders, Herman van Wij, ambtman van Tiel en in Nederbetuwe, Gadert van Stampraide, opperrentmeester, Arndt ten Boickoep, ambtman in Veluwe, en Johan van der Capellen, rentmeester van het land van Zutphen. Op 24 februari 1393 'op sente Mathiis dach apostel' belooft Gherijt van Heerler, heer van Poderoijen, om heer Gherijt, heer van Culenborch en van der Leck, schadeloos te houden wegens een borgtocht van eenige van diens onderdanen.
Op 4 maart 1393 gaan Willem Sluter, abt van St Marijenweerde, en Gerijt, heer van Culenborg en van der Leck, een overeenkomst aan ter beslechting van hun geschillen. Op dezelfde dag geeft Willem Sluter aan Gherit het losrecht gedurende 6 jaar van de hofsteden en land in de Nijerpoirt. Op 21 maart 1393 komen burgemeester, schepenen en raad van Nijmeghen overeen met heer Gherit, heer van Cuijlenborgh en van der Lecke, dat hun burgers vrijdom van den tol te Embnc zullen genieten, doch gehouden zijn deze stad aan te doen om de herkomst der goederen en schepen te beëdigen. Op 1 december 1393 'des manendaghes nae sente Andries dach apostel' belooft Gerit, heer van Culenborch en van der Lecke, Johan van Vijanen 400 Geldersche guldens te zullen betalen, zodra de bisschop van Utrecht hem zal hebben beleend met de hofstede van Bloemensteijn met 3 morgen land, gelegen te Honswiick.
Uit dit huwelijk:
1. Hubert III van Culenborch, heer van Culemborg, van der Lecke en van den Werde (1394-1409), ambtman van Zaltbommel, Bommeler- en Tielerwaarden, Beesd, Renoij en Heerewaarden, drost van Ter Lede en Schoonderwoert (1418), kastelein van Leerdam, thesorier en kanselier van Holland (1418), geboren ca. 1375, overleden 1422. Gehuwd in 1405 met Jolenthe van Gaesbeeck
3. Zweder van Culemborch, bisschop van Utrecht (1425-1433), overleden 21 september 1433 te Basel (CH)
4. Arnt van Culemborch, pastoor te Schalkwijk
5. Peter van Culemborch, overleden 1438
6. Gerrit Gerritsz van Culenborch
7. Jutte van Culenborgh. Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 23 september 1399) met Johan van Rijperscheijt, heer van Rijperscheijt, Beedber en Dijcke
685134. Claes Oem van Zevender van Bochoven, knape (1365), ridder, hofmeester van de bisschop van Luik (1372), schepen van Luik, baljuw van Altena (1375), heer van Renswoude (1383), zoon van Nicolaes Oem van Arkel en Lisabeth Heijnricx van Emmecoven, geboren ca. 1350, overleden > 20 januari 1416
Gehuwd met
685135. Machtelt Wouters van Isendoorn, vrouwe van half Vlooswijk, dochter van Wouter van Isendoorn en Hadewich (Hase) van Montfoort
Claes komt voor in leenakten van het graafschap Loon van 1369 tot 1374. In 1365 wordt hij als knape, samen met Paulus van Haestrecht, eveneens knape, genoemd als getuige in een oorkonde van Jan van Arkel, bisschop van Luik. Hij is beleend met een halve molen in Brusteijm. In 1373 wordt hij met zijn broer Jan Oem gevangen genomen in de slag van Baestwilre.
In 1383 draagt Jan van Rijnesteijn het 'dagelix gerichte ende tiende tot Immichusen' over ten behoeve van Claes Oem van Sevender. In 1389 wordt bepaald dat de vrouw van Willem van Haestrecht niet voor de vrouw van Claes Oem van Sevender de kerk van Haastrecht in mag gaan. In 1393 wordt Roelof van Haestrecht Pouwelszoon beleend met 14 morgen land in de Roggenbroec in de parochie van Sluipwijk na opdracht van Claes Oem van Sevender.
In 1409 wordt Otto van Heukelom beleend met verschillende tienden door opdracht van Claes Oem van Sevender, met toestemming van diens zoon en leenvolger Willem. Op 20 januari 1416 'op sante Agneten avent' oorkondt Frederik van Blankenheim, bisschop van Utrecht, dat Ernst Johanssoen afstand heeft gedaan van het pachtrecht dat hij bezat van Claes Oem, anders geheten vander Sevender, van het stuk land van het goed te Renswoude, genoemd in de brief van 17 september 1392 waar deze door is gestoken, ten overstaan van Jacob van Zulen, leenman.
Uit dit huwelijk:
1. Willem Oem van Sevender, heer van Renswoude (1414)
685152.
Rutger III van den Boetzelaer, ridder,
heer van den Boetzelaer, ambtman van Aspel en Rees, zoon van Wessel
III van den Boetzelaer en Treziana van
Apeltern, geboren ca. 1330, overleden > 1397
Gehuwd ca. 1360 met
685153. Elisabeth van Bijlant, dochter van Dirk van Bijlant en NN Willems van Doornik, geboren 1331 te Utrecht, overleden > 1395
Links het zegel van Rutger van 11 november 1386. Het is een wapenschild met een omgewende helm met zeer lange vogelkop in een gerekte vierpas. Randschrift "S'RVT.... DE BO....". Grootte 29 mm, bron Gelders Archief, hertogelijke archief chartverzameling.
Rutger is een der edelen die van 1372 tot 1379 met de
graaf van Cleve de rechten van Jan Blois op dit hertogdom ondersteunen. Alle
tekenen uit zijn bibliografie wijzen op een rusteloze en woelzieke aard. Niet
alleen zijn vijanden, maar ook zijn eigen partijgenoten en familieleden
ondervinden de onaangename gevolgen van zijn twistzieke geest. Hij heeft in 1361
onenigheid met de Calcar en hierin doet Johan graaf van Cleve uitspraak. Later
is hij betrokken in een kwestie met de aartsbisschop van Keulen, die hem
gevangen neemt en uit het ambtmanschap van Aspel en Rees ontzet, waartoe hij
naar het schijnt door de aartsbisscop was benoemd. Cuno, aartsbisschop van
Trier, verzoent in 1381 Keulen en Cleve. De vete wordt opgeheven, de gevangen
wederzijds gelost, maar Rutger is hiervan uitgesloten en de graaf van Cleve
handelt over zijn loslating. Niet geheel duidelijk is hier Rutger's houding. Hij
zou aan de zijde van de graaf staan, terwijl het archief van Wissel en Grieth
bericht dat op 8 juli 1376 Johan van Grieth, namens de graaf, oerveede moet
zweren aan de aartsbisschop, aan het aartsstift, aan de toenmalige ambtman van
Aspel, Rutger van Boetzelaar, aan diens zoon Wessel en aan de stad Rees. Rutger
schrijft een 'clagschriff' aan de aartsbisschop over zijn ontzetting uit het
ambtmanschap en over de toegebrachte schade aan zijn kasteel. Links
kasteel Boetzelaer bij Kalkar in 1746 door Jan de Beijer.
Hij leeft in onmin met zijn zoon Wessel en de graaf moet hem bijstaan. De uitspraak uit 1395 luidt dat Wessel en zijn moeder de goederen in de Betuwe zullen houden, de drie hoeven aan de Clapheck bij Roederbroek, alles wat ligt aan gene zijde van het wald, dat Udem is, de tienden van Keijst en goed Langendonck dat Sander van Eijl gewonnen heeft. Wanneer de zoon op den Boetzelaer komt, zal de vader hem eten en drinken geven met twee knechten en drie paartden. Zij zullen elkaar geen schade toebrengen. Ten slotte krijgt Rutger het aan de stok met de graaf zelf en deze twist loopt slecht voorhem af. In 1393 heeft Willem van Diepenbroick Adolf van Zuijdkammen, raad en rentmeester van de graaf van Cleve, verslagen. Hierbij heeft heer Rutger van Boetzelaer 'paard en zwaard' geleend. Graaf Adolf laat Rutger dagen voor het hooggerecht te Aldencalkar om zich te 'purgeeren'. Rutger verschijnt echter niet en wordt bij verstek veroordeeld en 'citirt in 14 nachen als ein gefangen to Cleve komen'. Het vonnis bevalt heer Rutger niet, hij verzet zich tegen de handdadigen en rantsoeneert het platteland. Graaf Adolf laat nu den Boetzelaar door Adolf van Wijlich belegeren, die de veste in 1396 innneemt en heer Rutger gevangen zet. Deze moet bij verdrag den Boetzelaer met het geschut, dat daarop was, de graaf in eigendom geven en zich als een gevangene van deze beschouwen.
De gevangenschap duurt niet lang, al in 1397 noemt de graaf hem vriend en goeman, bij het verdrag dat hij met zijn broer Diderick graaf van de Marck wegens de wederzijdse krijgsgevangenen sluit. Ook als Rutger niet langer in gevangenschap, zijn kasteel krijgt hij niet terug. Dit wordt op zondag in de vasten 1397 aan zijn zoon Wessel geschonken.
Uit dit huwelijk:
1. Wessel IV van den Boetzelaer
2. Wessela van den Boetzelaer, geboren 1362 te Pruissen, overleden 20 oktober 1421. Gehuwd op 29 mei 1389 met Johan van Alpen van Hönepel
3. Diederik van den Boetzelaer, geboren 1366 te Pruissen
4. Mechteld van den Boetzelaer, geboren 1367 te Pruissen. Gehuwd met Jan Victor (?) van Cuijck van Hoogstraten, geboren ca. 1360
685154. Sweder van Heeckeren genaamd van Rechteren, heer tot Rechteren, ambtman van Coevorden, zoon van Frederick van Heeckeren van der Eze en Lutgard van Voorst, geboren ca. 1355, overleden 31 juli 1404
Gehuwd in 1387 (huwelijkse voorwaarden 17 mei 1387) met
685155. Sophia van Groesbeek, dochter van Zeger van Groesbeek en Margaretha van Bijlandt, geboren ca. 1365, overleden ca. 1429
Op 15 juni 1382 'up sinte Vites dach' verkopen Frederic van Heker en Sweder van Rechter, zijn zoon, aan Herman van den Tweenhusen den Reefkamp met het daarbij behorende Madeken.
Op 17 mei 1387 'des nasten vrijgedages na onsen heren Hemelvardesdaghe' verklaart Sweder van Rechteren huwelijkse voorwaarden te maken met Zeger van Gruijsbeke, heer tot Hoemen, voor het huwelijk met diens dochter Fije. Daarbij wordt bepaald dat zij 2800 guldens zal inbrengen en daarbij afstand doet van haar recht op de nalatenschap van wijlen haar moeder en dat hij haar een levenslang vruchtgebruik zal geven van 280 guldens per jaar, waarvoor hij als borgen stelt Wolter, heer van Vorst en Keppele, Herman van Vorst de olde, Frederic van Rechter, Dideric van Vorst Roderikessone, Winolt van Arnhem, Herman van Vorst de junge, Johan van Vorst Diderikessone, Frederic van der Eze Jacobssone, Dideric van Haccvorde en Evert de Rode van Heker. Op dezelfde dag verklaart Zegher van Gruijsbeke, heer van Hoemen, ridder, huwelijkse voorwaarden te maken met Sweder van Rechteren voor het huwelijk van zijn dochter Fije met Van Rechteren, waarbij wordt bepaald dat hij haar 2800 guldens zal meegeven en dat zij daarbij afstand doet van haar rechten op de nalatenschap van wijlen haar moeder, en dat Van Rechteren dit geld zal beleggen in goederen die door Deric van Apeltaren, Henric van der Straten, Wijnand van Aernhem en Jan Mompelijer van Overhage voldoende worden geacht, terwijl van Rechteren haar een jaarlijks levenslang vruchtgebruik zal geven van 280 guldens, waarbij Van Gruijsbeke, naast zijn zoon Johan van Gruijsbeke als medeverbondene, tot borgen stelt Deric en Henric van Apeltaren, broers, Henric van Straten, ridders, Jorden van Wijlre, scholaster te Zeeflic, Herben van Gruijsbeke, Werenbrecht en Johan van Ubbergen, broers, Rutgher en Deric van Gruijsbeke, broers en Johan van Wijlre.
Op 16 mei 1388 'op den Pijnxteravond' bekennen Zweder van Rechter en zijn vrouw Fije, verkocht te hebben aan Diric Esschinge 7 morgen land in de Hackmaet in de buurschap Leute in het kerspel Dalfsen.
Op 29 november 1393 'op sante Andreesavond des apostels' verklaart Rolof van Ittersem dat hij van Zweder van Rechter twee bezegelde akten heeft ontvangen betrekking hebbende op het goed te Ittersem, dat eertijds van Willem van Ittersem was geweest, welk goed hij had gekocht van Zweder van Rechter. De ene akte heeft betrekking op de lossing van de erfcijns van abdis en kapittel van Essende over dit goed en de andere op de huwelijkse voorwaarden tussen de zuster van Zweder (Margarete van Hekeren) en Robert van Verneborch, waarin dit goed ook een rol speelt, welke akten hij te allen tijde op verzoek zal laten zien. Op 5 april 1394 'ghegeven in den jare uns Heren drichondert vier ende tneghentich des Sonnendaghes up Judica' verklaren Herman van Eijle en zijne vrouw Heijlewich verkocht te hebben aan Willem, heer van Bronchurst, ridder, het goed te Hekeren dat een leengoed is van Zweder van Rechteren.
Op 31 december 1402 'gegeven tot Deventer up nijejaersavent' verklaart Everd Freijse, namens zijn zoon Bernde, dat Sweder van Rechteren, ambtman van Koevorden, niet gehouden zal zijn aan zijn belofte gedaan aan Bernde wanneer heer Bertolt, pastoor te Groninghen, op de dagvaarding van Van Rechteren te Covorden zal verschijnen.
Op 27 september 1404 'des saterdaghes na sente Matheusdaghe apostols ende ewangelisten' verklaren Gherd ter Maed, Heijne Hammens, Berneer ten Peerbome en Johan die Plinnenstriker, dat zij de akte waarbij wijlen Sweder van Rechter een erf in het kerspel van Covorde kocht van Henrick van Zwelart, welke erve nu door Sweders weduwe, jonkvrouwe van Rechter, aan hen is verkocht, van haar hebben ontvangen en dat zij haar deze akte zullen teruggeven alvorens zij haar voor de vrijwaring van dit erve zullen aanspreken. Ter medebezegeling zijn verzocht Frederic van der Eze, ambtman van Covorde, en Wolter van den Laer. Op 3 maart 1405 'op den dinxedach tot vastellavent' verklaart Hughe van Vlederinghen ontvangen te hebben van Frederic van der Eeze 40 guldens in mindering van hetgeen de kinderen van wijlen Zweder van Rechteren aan hem schuldig waren. Op 17 november 1405 'des dinxdaghes na sente Martinsdach in den winter' verklaart Hughe van Vlederinghen van de erfgenamen van wijlen Zweder van Rechteren 218 guldens te hebben ontvangen en daarmee het gehele bedrag te hebben ontvangen dat wijlen Zweder hem, vanwege de bisschop van Utrecht schuldig was. Op 11 maart 1407 'op sente Gregorijusavent' verklaart Herman van den Bugenberghe ontvangen te hebben van Arent Hulsman en Johan to Hoenhorst 100 guldens, die wijlen Zweder van Rechter hem schuldig was.
Op 20 januari 1422 'op sunte Agnetenavent' verklaart Juffer Sophia van Rechter, bijgestaan door Herman van Cuenre, Jacob van der Eze en Herman van Rechter, als familieleden en scheidslieden, een boedelscheiding te hebben gemaakt met haar zoons Frederick, Seijgher en Derick van Heker geheten van Rechter, waarbij wordt bepaald dat zij zal overdragen haar huwelijksgift die zij heeft gekregen van wijlen haar man Sweder van Rechter, dat de broers elkaar wederzijdse universele erfgenamen zullen zijn, terwijl verder over de goederen is bepaald dat '1) Seijgher zal krijgen de hof tot Eghenen, in de buurschap Eghenen, kerspel Helendoren, het goed dat Ghert van den Goije nu pacht, gelegen in de marke Wechterholt in het kerspel Wije en het erve Cattenbelt in het kerspel Heijne'. Derick zal krijgen het goed waar Ghert van den Dijke woont, gelegen in de marke Wechterholt in het kerspel Wije en het erve ten Duveler met Bollerdesguedt en Seghelersguet; 2) de drie broers gezamenlijk en onverdeeld alle vorderingen die wijlen hun vader had, onder andere op de graaf van Bentheim, zullen verkrijgen; 3) Frederick zal verkrijgen het huis te Rechter, met alle erven, tienden, goederen, de molen, horigen, lenen en kerkgiften, terwijl bij overlijden van juffer Van Coverden (Lutgard van Hekeren genaamd van Rechteren) de jaarlijkse rente van 25 schilden die zij heeft uit Hoenhorst aan hem zullen vervallen, waarnaast hij ook het goed Holthusen en de hof te Millingen mag lossen.
Op 18 augustus 1423 'des wondesdages na onser Vrouwen assumpcio' verklaart Frederic van Heker geheten van Rechter da, nadat al eerder een scheiding was gemaakt tussen de goederen van hem en zijn broers Seijgher en Derick aangestoren van zijn vader en de goederen die zijn moeder tot op de dag van de akte bezat, hij op dezelfde wijze, met scheidslieden, een vrijwillige overeenkomst zal maken met zijn broers over de goederen die zijn moeder na die akte zijn aanbestorven, waarbij hij tevens enkele regelingen treft voor de lossing van bezwaarde goederen.
Op 4 mei 1428 'des dinxdages na des heiligen Cruijsdaighe invencionis' verklaart Johan van Gruesbeke, heer tot Hoemen, Malden en Beke, nu zijn moeie juffer Johanna van Wije, weduwe van heer Jorden van Wije, ridder, bij testament haar tienden te Hoesden en Hijen, met uitzondering van de rechten die Goesen van Lijenden daar op heeft, aan hem, Johan, heeft vermaakt, en de tienden te Werken in het land van Altenae en die te Slierecht in Alsblasserweert in Holland aan zijn moeie Van Rechteren (Sophia van Groesbeek) heeft vermaakt, op deze laatste tienden, na het overlijden van zijn moeie Johanna, geen rechten meer te zullen hebben, terwijl hij toezegt dat hij deze laatste tienden, waarmij hij als hulder voor Johanna van Wije was beleend, in leen zal opdragen.
Uit dit huwelijk:
1. Lutgard van Heeckeren genaamd van Rechteren
2. Frederik van Heeckeren genaamd van Rechteren, ridder (1411), heer van Rechteren, Bredenhorst, Egede en Rhaan, drost van Coevorden en Drenthe, kastelein van Coevorden (1420-1437), lid van de Ridderschap van Salland, overleden 1 februari 1462 te Dalfsen. Gehuwd met Cunegonda van Polanen, vrouwe van Voorst en Keppel, overleden 19 december 1439
3. Margaretha van Heeckeren genaamd van Rechteren, non in het klooster te Weerselo
4. Aleid van Heeckeren genaamd van Rechteren, non in het klooster te Ter Hunnepe
5. Seger van Heeckeren genaamd van Rechteren, heer tot Rhaan en Egede, overleden 24 januari 1457
6. Diederick van Heeckeren genaamd van Rechteren, proost te Oldenzaal
7. Sofia van Heeckeren genaamd van Rechteren, overleden > 1464. Gehuwd met Alef van Haren, kastelein van Coevorden, ambtman van Drenthe (1442-1450)
8. Johanna van Heeckeren genaamd van Rechteren, non te Diepenveen, overleden 1451
685160. Dierick de Mol van Ledebergen, burgemeester van Brussel (B), zoon van Yvain de Mol en Isabeau Boote, overleden > 1406
Gehuwd met
Uit dit huwelijk:
1. Iwain de Mol
2. Jan de Mol van Ledebergen
3. Dierck de Mol van Ledebergen
685164. Arnt Hermansz Pieck,
schildknape, heer van Tuijl, dijkgraaf van de Over-Betuwe, rentmeester (1400),
raad van hertog Willem I van Gelre (1401, 1408), raad- en rentmeester-generaal van
Gelre (1408-1410, 1412-1413), zoon van
Herman Arnoldsz Pieck, geboren ca. 1350, overleden 1424 te Beesd
Gehuwd < 1386 met
685165. Ida Alards van Buren, dochter van Alard van Buren en NN Both van der Eem
Links een afbeelding van het zegel van Arnt Pieck uit 1395.
Arnt is in 1402 beleend met het Hooge Huis te Beesd. In 1423 draagt hij voor de schepenen van Zuilichem land over.
Uit dit huwelijk:
1. Gijsbrecht Arntsz Pieck 'de Goede'
2. Franck Arntsz Pieck 'de Vroede', schildknape, heer van Gameren, ambtman van Zaltbommel, Tieler- en Bommelerwaard, geboren ca. 1385, overleden ca. 1471. Gehuwd met Geertruijd Alards van Isendoorn
3. Herman Arntsz Pieck 'de Felle', heer van Enspijk, overleden < 1459. Gehuwd met Johanna van Meeckeren, overleden > 1459
4. Otto Arntsz Pieck, overleden ca. 1436
5. Bartholomeus Arntsz Pieck 'de Goede Teergezelle', schepen van Tuil (1436-1455), overleden > 1460. Gehuwd met Agnes Adriaens van Brakell
685168. Jan II van Heukelum, zoon van Otto van Heukelum van Asperen en Agatha van der Lecke, geboren ca. 1322, overleden <1373, begraven te Arkel. Gehuwd in 1359 met Clasina van Houwingen
Gehuwd (pauselijke dispensatie 20 november 1353) met
685169. Elisabeth van Horn, dochter van Willem IV van Horn en Elisabeth van Kleef-Hüchrath, geboren ca. 1335, overleden ca. 1359
De paus verleent op 20 november 1353 dispensatie wegens 4e graad verwantschap in het huwelijk tussen Elisabeth, dochter van Willem IV van Horn en Oda van Putten, weduwe van Willem IV van Horn, en Jan II heer van Heukelom.
Uit dit huwelijk:
2. Elisabeth van Heukelum, geboren ca. 1355 te Heukelom. Gehuwd op 22 mei 1372 te Heukelom met Johan V van Renesse, geboren ca. 1348 te Utrecht, overleden 6 maart 1415 te Utrecht
685176. Johan van Broeckhuijsen 'de Oudere', ridder, heer van Broekhuizen (1415), heer van Waardenburg (1428), heer van Ammerzoden (1424), heer van Well, heer van Brakel, lid van de raad voor bestuur van Gelre en Zutphen (1427), zoon van Willem van Broekhuizen en Agnes de Cock van Waardenburg, geboren ca. 1385, overleden 1442
Gehuwd ca. 1407 met
685177. Adriana van Brakel, dochter van Staes van Brakel en Catharina van Polanen, geboren ca. 1390, overleden > 1441
In de Kroniek Werken Gelre uit 1904 is beschreven: 'Johan van Weerdenburg her Willems oudste soen van Broechusen was seer groot ende vet ende was die zevende heer van Weerdenberch, dat hi ontfinc van hertog Willem van Gelre etc. na inhout sijns vaders testaments waarbij als leesmannen her Hubert heer van Culemborg en her Robert van Appeltern, rittere, int jaar 1401'.
Op 7 september 1404 is Johan van Broichusen medezegelaar bij de verzoening van Johan van Bueren, heer te Arcen, met de stad Venlo.
Op 22 juli 1415 vindt de erfscheiding plaats tussen Agnes van Broichusen en te Wardenbergh en haar kinderen Johan, Willem, Johan, Hubert, Sweder, Alart en Henrica, over de nalatenschap van man respectievelijk vader Willem, heer te Broichusen. Johan krijgt Broichusen en Wardenberg, Willem het hofmeesterambt van Gelre, Geijsteren, Oorlo en Oostrum, Johan II Loe, Hubert huis Culenborg en Henrica Grubbenvorst en Velden.
Op 20 juni 1420 'des dijnxdages na Viti et Modesti martirum' belooft Hubrecht heer van Culenborg etc., om Johan van Broechusen heer van Weerdenberch, schadeloos te houden voor diens borgtocht tegenover de heer van Arkel bij de verkoop van Langbolgrije.
In 1424 verkoopt Willem bastaard van Reinald IV, hertog
van Gulik en Gelre, aan Johan heer van Broikhusen en Werdenberg, het slot
Amersoijen (zie afbeelding links). Op 17 september 1424 beleent Willem, heer tot
Wachtendonck, Johan, heer tot Broechuijssen, Waerdemborch en Ammerzoijen, met
het slot en de heerlijkheid van Ammerzoijen ca, en met de tienden te Drijell,
Rossem en Harwarden, zooals hijzelf deze bezittingen in leenweer heeft bezeten.
Op 21 maart 1424 is Johan heer te Broekhuizen en Werdenberg, borg voor (zijn neef ?) Johan van Broekhuizen, heer te Wickrath, en zijn vrouw Aleijt van Merode. Op 28 november 1426 'des woensdages na sente Katherinendach der Joncfrouwen' oorkonden Goessen van Aken, Roeloff Riicwiinszoon, Roeloff Lemmenzoon en Gherit Brant Jordenszoon, heemraden in Amersoijen, dat Lambert Heijnricxzoon een deel der goederen, vermeld in de oorkonde van 13 oktober 1422 aan Johan heer tot Broechusen, tot Weerdenborch en tot Amersoijen, verkocht heeft.
In oktober 1427 zijn onder andere lid van de raad van 16 voor (mede)bestuur van Gelre en Zutphen: Roelman van Arendale, heer te Well, ridder, Jan heer van Broekhuizen, Weerdenberg en Amersooi, ridder, Jan heer van Wickrath en Rutger van Vlodorp.
Op 5 juni 1430 'des 's Maenendachs naer der heijlighe Pijnxterdach' oorkonden Jan van Brakell Steeskensz en Aernt de Kock van Delwijnen, schepenen in Zulichem, dat Aernt van Herier van Zulichem belooft aan Jan van Broechuijssen, heer tot Waerdemburch, op diens wens de brieven te lossen, die hij heeft op de tienden te Rossem, toebehorende aan de heerlijkheid van Ammerzoijen.
Op 10 april 1434 verklaart Willem heer to Bueren en Bosijnckhem, dat hij, ten verzoeke van heer Johan heer to Culenborch, afstand doet van zijn rechtsvordering tegen de abt van St Marienweerde, en dat hij de onderzaten van Culenborch niet verder zal schatten dan bepaald zal worden door Johan heer to Broickhusen, Weerdenberg etc, en heer Sweder Kobbijnck, commandeur te Tijele. Op 6 juni 1435 zal Johan van Broichusen, heer te Loe en Gheijsteren, erfhofmeester van Gelre, Henrick van Berenbroick schadeloos houden wegens borg staan met Johan van Broichusen, heer te Weerdenberg en Amerzoijen, zijn broer, bij Goeswijn Steck voor 3500 overlandse rijnsguldens.
In 1441 is een boedelscheiding opgemaakt van Johan van Broekhuizen en Adriana van Brakel. Niet alle goederen zijn daarin opgenomen, hun oudste zoon Gerrit is dan al heer van Broekhuizen en heeft mogelijk zijn deel al ontvangen. De tweede zoon Steesken zal het huis en heerlijkheid Brakel ontvangen met alle bijbehorende grond, renten, uiterwaarden, visserijen en patronaatsrechten. Bovendien krijgt hij ook enkele goederen die zijn moeder nog onder zich houdt waaronder enkele uiterwaarden, de molen te Waardenburg en een goed te Geldermalsen. Het derde kind Hendrika is mogelijk al eerder uitgeboedeld bij haar huwelijk, want zij wordt in de boedelscheiding niet genoemd. Het vierde kind, de nog ongetrouwde dochter Agnes, verkrijgt bij haar vaders versterf slechts een geldbedrag, namelijk 1500 franse schilden, te betalen door haar broer Gerrit.
Op 9 augustus 1441 instrumenteert Lubbertus Sprakelaar, priester en notaris, dat Johannes de Broechusen, heer van Werdenborch en van Amerzoij, een altaar ter ere van de heilige Maria, St. George en andere heiligen op het kasteel Amerzoij sticht, dit begiftigt met goederen te Well, terwijl de pastoor van Amerzoij belast wordt met de bediening ervan.
Uit dit huwelijk:
1. Gerrit van Broeckhuijsen van Weerdenburg
2. Staes van Broeckhuijsen
3. Henrika van Broeckhuijsen
4. Agnes van Broeckhuijsen, overleden ca. 1490. Gehuwd met Frederik van den Ruitenberg
685216. Arent Booth van Barendrecht, knape en heer van Barendrecht, zoon van Cornelis Aertsz Booth van Barendrecht en Beatrix van Ratingen, geboren ca. 1375, overleden 18 november 1421 (verdronken bij de Sint Elizabethsvloed)
Gehuwd ca. 1395 met
685217. Machtild Jans van Slingeland, dochter van Jan van Slingeland en Catharina van Drongelen
Zij wonen in 1421 in het Huis Duivestein in de Hollandse Waard. Het kasteel wordt op 18 november 1421 door de Sint Elizabethsvloed verwoest waarbij Arent verdrinkt.
Uit dit huwelijk:
2. Jan Aertsz Booth van Barendrecht, rentmeester van de Baron van Gaasbeek, van Putten en van Strijen (1434), geboren ca. 1400, overleden 3 februari 1449 te Utrecht. Gehuwd ca. 1418 te Delft met Lijsbeth Jans van Almonde
3. Beatrix Booth, non te Marienborn in Dordrecht, geboren ca. 1408, overleden 13 februari 1505 te Dordrecht
4. Elizabeth Booth, geboren ca. 1410. Gehuwd met Godschalk Oem van Papendrecht, burgemeester van Dordrecht (1440, 1449)
685220. Willem Aernt Lecmansz de Jonge, raad (1409), schepen (1410-1413), burgemeester van Dordrecht (1423), zoon van Aernt Lecmansz, overleden 1423 te Dordrecht
Kinderen:
685222. Gijsbrecht Bernairdsz Quekel, koopman in haring te Dordrecht, poorter van Dordrecht (1420), schepen (1422-1429), burgemeester (1426-1428), gasthuismeester van het Heilig Sacramentsgasthuis (1427), kerkmeester van de Grote Kerk te Dordrecht (1429), zoon van Barend Quekel en Margriet NN, geboren ca. 1390, overleden > 16 april 1439
Gehuwd met
685223. Christine NN, overleden > 1429
Uit dit huwelijk:
685224. Gijsbert van Diemen, thesaurier te Dordrecht (1400), schepen (1399, 1400-1402), raad (1406), kerkmeester van de Groote Kerk (1398), zoon van Franck van Diemen, overleden > 13 januari 1426
Gehuwd met
Gijsbert van Diemen is op 13 januari 1426 getuige bij 't verlij van den grooten korentiend te Borchmalsen enz ten behoeve van Jan van Heukelem en Ackoij.
Uit dit huwelijk:
1. Adriaan van Diemen, priester (1465)
2. Vrank Gijsbertsz van Diemen
3. Maarten van Diemen
4. NN van Diemen. Gehuwd met Marten Duijk
685248. Hendrik van Baerle, zoon van (?) Hendrik van Baerle, geboren ca. 1300, overleden (?) ca. 1345
In 1326 is opgetekend: 'Dit siin de ghene de her Reijnaut, greve van Gelren, verleent hevet na sijns vader doijt, de begraven waert in 't jaer ons heren MCCCXXVI opter heijliger elfdusent magededach te Nijencloester ende bi egelijc stet gescreven alsulc guet als hi van hem haut te leene'. Henric van Barle houdt van de graaf de hof te Barlo en de molen c.a.. Peter Pleijs houdt van de graaf 2/3 deel van het goed van Seger van Barle van de hof te Bercl 'in Henrix behoef te Borle'. Hij wordt in 1345 opgevolgd door Johan van Baerle, ridder (zijn broer ?).
Kinderen:
685256. Brant van Bree, ridder, buitenburger van Roermond, overleden 1401-1410
Rond 1360 neemt de stad Roermond aan als buitenburger, de heer Brant van Brede, ridder, van Maasbree.
Op 2 juli 1379 'des tweiden dachs in den braemaent' is Brant van Brede als ridder van Gelre getuige bij het verzoek om vonnis tussen de dorpen en kerspels van Swalmen en Asselt, aanleggers, contra de kerspels en dorpen van Echt, Besel en Vlodrop, verweerders, over de vraag of de dorpen van Swalmen en Asselt schatplichtig zijn zoals de andere dorpen.
Op 30 april 1380 'des lesten dages in den aprille' is opgetekend: 'Wij Willem van Broichusen, Johan heer tot Wickrade, Jacob here tot Meirlaer, Otte van Bellichaven, Sander van Kodichaven, ridders, Dieric van IJlvervelde, Aloff van Elver, Johan Mompelier, Herman van Mekeren, Herman van Boetbergh, Rost van Verken, Otte van Houtmolen, Gerrit van Waembeec, Goetsen Cluet, Johan van Wijenhorst, Reinken van Holthusen, Johan van der Steigen, Eijlias van Vossem, Kaerle van Honslaer, Loeff van Berenbroec, Gerrit Schardenberg, Brant van Brede, Mathijs van Kessel, Heinric van Merwijc, Gerit Kovoet, Johan van Broichusen, Herman van IJessem, Philips van Steinhorst, Dieric Spoelre, Bernt van Tigelen doen kont allen luden over mitz desen apenen brieff want wij onsen lieve genedigen here den hertoch van Brabant toe dienste gereden sijn, soe bekenne wij dat hi ons guetlic ende wael heet doen betalen allen alsulkenen zolt al wij ende ons gezellen die wij mit ons gevort hebben, oem op dese tijt aff verdient hebben ende schelden oem sijne landen luden ende ondersaten daer aff quijt los ende ledich voer ons ende onse gezellen vors. ende dancken oem sere alle argelist hier inne vijt gescheiden ende wij alle samen vors. bidde u heren Willem van Broichusen, heren Johanne, here tot Wickrade, Johan Mompelier ende Herman van Mekeren dat ghi u zegele toe getuge deser saken vor ons allen an desen brieff wilt hangen ende wij Willen van Broichusen, Johan here tot Wickrade ridders, Johan Mompelier, Herman van Mekeren vors. knapen bekenne dat wij om beide wil all deser guden lude vors. onse zegele toe getuge deser vurs. punten voer oen allen ende voer ons selven an desen brieff hebben gehangen. Gegeven int jaer ons heren dusent drihondert tachtentich des lesten dages in den aprille'.
Op 4 april 1396 verklaart Wilhelm Brant van Brede met toestemming van zijn broer Zeetse, dat hij een erftijns van 36 oude groten Tournoois, die zij te vorderen hebben uit Holtappels goed en erf gelegen te Holtblerijck in het kerspel Blerijck, heeft verkocht aan Johan Greveraede den Kremer en zijn vrouw Katherijna. Met zegels van Willem Brant van Brede, Zeetse van Brede en Rutger van Brede.
Op 24 februari 1398 'up sint Mathijs dage apostels' oorkondt Wilhm van Tiegelen dat hij een overeenkomst heeft gesloten met zijn zoon Dederic en Geraerd van Meerwijc en diens echtgenote Weerne, zijn schoonzoon en dochter, ten overstaan van ridder Mathijs van Kessel, Godaert Pastoor van Kessel en Rutger van Brede, als dingslieden van Dederic, Geraet en Werne voornoemd en Brandt van Brede, Rutger van Boemel en Mertijn Mertijns zoon van Venloe als dingslieden van zijn eigen zijde. Wilhm zal zijn zoon Dederic gedurende de rest van zijn leven jaarlijks op St Andries 10 'par' koren Arcense maat geven, half rogge half haver, en aan Geraerd van Merwijc en diens vrouw jaarlijks op St Andries 12 'par' koren Arcense maat, eveneens half rogge half even. Met deze regeling zal Wilhm gedurende de rest van zijn leven zijn gevrijwaard van andere aanspraken. Wilhm zal daarnaast geen goederen vervreemden waarop zij als erfgenamen recht hebben. De regeling wordt ontbonden door zijn overlijden. Op verzoek van Wilhm van Tiegel wordt de oorkonde mede bezegeld door Brand van Brede en Rutger van Boemel. Ook Dederic van Tiegelen, Gerart van Meerwijc en diens echtgenote Weerne, oorkonden hetzelfde. Op verzoek van de oorkonders wordt deze akte mede bezegeld door ridder Mathijs van Kessel en Godart Pastoor van Kessel.
Kinderen:
1. Willem Brant van Bree. Gehuwd < 4 december 1401 met Aleit van Barsdonk
2. Griet van Bree. Gehuwd < 7 juni 1401 met Johan de Roever, richter, ridder, overleden > 13 november 1429
4. Katerijn van Brede. Gehuwd < 17 januari 1403 met Heijnrich van Wijschel, leenman van de Schei te Reuver-Leuwen

685286.
Willem van Broekhuizen, ridder
(sinds 1377), heer van Broekhuizen, Loe en Ingher Walacken (1382-1412), heer van Spraland en Oostrum
(1384),
heer van Geijsteren, heer van Grebben (1407-1415), heer van Wickrath (1388),
heer van Waardenburg (1401-1415), erfhofmeester van Gelre
(1390-1415), zoon van (?) Johan van Broekhuizen
en Bele van Engelstorp, geboren ca.
1350, overleden 1412-1415
Gehuwd met
685287. Agnes de Cock van Waardenburg, dochter van Gerard de Cock van Waardenburg en Henrica van Culemborg, geboren ca. 1360, overleden > 8 maart 1429
Afbeelding boven het zegel van Willem van Broekhuizen op 30 april 1380. Schildhoofd 5:4 hermelijnstaartjes, schildvoet leeg. Diameter 25 mm. Bron: Algemeen Rijksarchief Brussel, Charters Brabant nr 5653. Afbeelding recht het zegel van Agnes de Cock van Waardenburg op 22 juli 1415. Diameter 25 mm. Bron: Archiv Schloss Haag, Urk.
Links
Kasteel Broekhuizen rond 1936. Het is niet bekend hoe het kasteel er in de
Middeleeuwen uit heeft gezien, wel dat er rond 1473 een woontoren is gebouwd. In
de loop der eeuwen werd het huis uitgebreid, onder andere met een woonvleugel.
De woonvleugel is in de 18e eeuw vervangen door een nieuw herenhuis. De toren
bleef daarbij behouden. Door leegstand raakte het kasteel in verval, tot het in
1936 is gerestaureerd. Het huis en de andere gebouwen zijn in 1944 grotendeels
verwoest, maar een deel van de toren stond nog overeind. Het huis is vervolgens
grotendeels gesloopt en in 1990 zijn de laatste resten omgetrokken.
Op 4 oktober 1371 'saterdages nae sente remeijssdach' oorkonden Seger van der Egeren, zoon van Heinrick van den Egeren, ridder, Johan van Broichhuijsen Segerszoon, ridder, Sijbrecht van Blijtterswick en Seger van Broichusen Wilhelmszoon, schuldig te zijn aan Wilhelm van Broechusen, ridder, 91 gouden dubbel brabantse moutons op Vastenavond eerstkomend te betalen. Bij verzuim op manen van schuldeiser in Venlo in herberg in leisting te gaan of een knecht met een paard in hun plaats. De schuldeiser mag ook een knecht en paard op kosten der schuldenaars in die herberg laten teren. Bij niet betaling na 4 nachten na de termijn mag de schuldeiser het geld winnen bij de lombard op kosten van schuldenaars zonder dat schuldenaars uit leisting mogen gaan. De schuldenaars zegelen.
Op 11 juni 1374 oorkonden Willem van Broijchusen, ridder, en Loef van Issem, knape,schuldig te zijn aan Scijlling van Kessel 24 brabantse dubbele gouden mottoenen. Bij nalatigheid in betaling zullen zij in Kessel in herberg in leisting gaan. Scijlling mag dan het geld opnemen bij de lombard op kosten van de oorkonders.
Op 23 augustus 1375 'op bartholomeusavond' belooft Daniel van Apelteren, ridder, het Huis Spralant of de hof waar het Huis op staat aan Willem van Broichuijsen, ridder, over te geven voor Allerheiligen. Op 8 december 1375 verpanden Daniel van Apeltern en diens echtgenote Wilhelmina, Spraland en Oostrum aan Willem van Broekhuizen voor de som van 1200 oude schilden. Aanvankelijk zou het pandschap binnen elf jaar worden afgelost, maar daar dient, geleten op de bronnen van na 1374, getwijfeld te worden. Pas op 21 februari 1384 verkoopt Daniel de heerlijkheid voor 2600 oude schilden aan Willem, inmiddels heer van Broekhuizen. Kennelijk zien Daniel en Wilhelmina geen kans meer om het pandschap in te lossen. Op 15 maart 1402 beleent Reinoud, hertog van Gelre, met 'dat hoigericht tot Bruchusen ende die heerlicheiden van Spralant ende van Oestrom'. Rond 1406 is er een misverstand ontstaan tussen de heer Willem van Broekhuizen en Reinoud, hertog van Gelre, over de heerlijkheid en het hoge gericht van Spraland en Oostrum. Op welke gronden hertog Reinoud bepaalde rechten en aanspraken kan doen gelden, is niet duidelijk. Maar hertog Reinoud bevestigt op 8 september 1406, na wijs beraad met zijn Raad, ridders, knechten en andere onderdanen, dat de heerlijkheid en het hoge gericht aan heer Willem van Broekhuizen toekomt, met uitzondering van 'manschap, clockenslag ende bede' die de hertogen van Gelre van ouds toebehoort.
Op 25 november 1377 beleent Willem van Gulik, hertog van Gelre, Willem van Bruchhusen, ridder, erfdrost, hofmeester en raad, met de Gelderse weerd in het kerspel Gendt wegens 100 pond kleine penningen, die Bruchhusen wegens het ambt van erfdrost en hofmeester van Gelre in leen houdt, losbaar door de hertog met 100 pond. Getuigen is onder andere Arndt van den Gruijthuijs. Op 2 juli 1379 'des tweiden dachs in den braemaent' is Wilhelm van Broeckhusen als ridder van Gelre getuige bij het verzoek om vonnis tussen de dorpen en kerspels van Swalmen en Asselt, aanleggers, contra de kerspels en dorpen van Echt, Besel en Vlodrop, verweerders, over de vraag of de dorpen van Swalmen en Asselt schatplichtig zijn zoals de andere dorpen. Op 3 januari 1380 sluiten Aartsbisschop Frederik van Keulen en Willem, oudste zoon van Gulik, hertog van Gelre, een vriendschapsverdrag dat zal duren tot Pasen over 4 jaren. Geschillen worden beslecht door Arnold van Alpen, ambtman te Rheinberg, en Engelbert van Orsbeck, ambtman te Kempen, en Sander van Vossem, ambtman van Straelen, en Willem van Broekhuizen, ambtman van Geldern. Op 5 september 1380 is Willem van Broekhuizen aanwezig te Ravenstein bij de overeenkomst tussen Wenceslas van Bohemen, hertog van Brabant, en Willem van Gulik, hertog van Gelre, inzake tolrechten en de weduwegift van Maria van Brabant, hertogin-weduwe van Reinald III, hertog van Gelre.
Op 13 augustus 1381 oorkondt Bernd van Egher, kanunnik te Luik, dat hij Willem heer van Broekhuizen, ridder, uit bijzondere vriendschap, het erf en goed Wallach met hoge en lage justitie heeft overgedragen. Berndt houdt levenslang daaruit een rente verworven van de vrouwe van Loe. Bernd vraagt de graaf van Kleef om Willem met het goed te belenen.
Op 15 november 1385 is Willem van Gulik, hertog van Gelre, tot overeenstemming gekomen met Willem, heer van Broichusen, raad en hofmeester, over 700 oude gouden schilden, die de hertog hem nog schuldig is. Willem zal de verschrijving op de tol te Zaltbommel terug geven en de hertog zal Willem en diens vrouw Agnes jaarlijks een lijfrente betalen van 70 oude gouden schilden op beider leven, gaande uit de tol te Nijmegen. In 1385 voor 24 november, verklaart Willem van Gulik, hertog te Gelre, dat Karle van Hontseler Goessensoen hem de brieven heeft gegeven, die Willem van Bruechusen, eertijds ambtman te Geldern, had wegens Kerstiaen Moerlants. Hij zal hem deswege schadeloos houden. Op 19 augustus 1388, bij de kapel van St Nicolaas in het land van Kempen, is Willem, heer van Broekhuizen, getuige van belening van Willem van Gulik met de Keulse lenen door Frederik, aartsbisschop van Keulen. Op 25 september 1388 wordt Willem van Broekhuizen beleent met Wickrath.
Op 7 november 1390 koopt Willem, heer van Broekhuizen, van Jacob heer van Mierlar en Mijlendonk en diens vrouw Johanna van Broekhuizen, zuster van Willem, het erfhofmeesterambt van Gelre. In 1397 oorkonden Wilhem, heer te Breuchusen, ridder, Heijnrijck, heer te Wickeraede, ridder, Johan van Kessel, ridder, Mathijs van Kessel, ridder, Zibrecht heer te Blitterswijck, Johan Wilhelmsz van Bruechusen, als scheidslieden dat zij gescheiden hebben de nalatenschap van Dirck van der Donck tussen Nese, zijn weduwe, en hun kinderen Claes, Johan, Dirck, Lijsbette en Griete.
Op 21 februari 1402 beleent Reijnolt, hertog van Gulik en Gelre, Wilhelm van Broechusen, ridder, raad, met het erfdrost en erfhofmeesterambt van Gelre, met de rente van de weerd genaamd de Gelderse Weerd in het kerspel Gendt groot f 100 kleine penningen 's jaars volgens de brief van hertog Willem van Gelre. Op 16 augustus 1402 schrijft Sander Vinck Sanderszoon de stad Keulen, dat hij niet met hulp van Willem heer te Broekhuizen, goederen van Keulse burgers heeft afgenomen.
Op 9 juni 1403 'des neesten manendages vor sunte margaretendach' oorkondt Willem, ridder, heer te Bruijchusen, dat Derick van der Donck, zoon van Wijlen Derick, overdraagt aan zijn broer Claes van der Donck, al zijn erfenis van hun vader Derick en de komende erfenis van hun moeder Nese, gelegen in de parochie Zevenhem, leenroerig van de oorkonder. De oorkonder beleent Claes. Aanwezig en medezegelaars de leenmannen van Willem: Johan van Bruijchusen genaamd van der Gonden en Johan van den Bulck.
Het is niet duidelijk op welke wijze de heerlijkheid Geijsteren in bezit van de familie Van Broekhuizen is gekomen. Het vermoeden bestaat dat het kasteel door Willem, heer van Broekhuizen, tussen 1360 en 1398 gekocht is van de Van Boetzelaers. Op 1 april 1404 regelt Johan van Broekhuizen, pastoor van Geijsteren, in opdracht van heer Willem van Broekhuizen, een schenking aan het klooster van de Regulieren orde te Goch. Het is aannemelijk dat de heerlijkheid Geijsteren dan al aan de familie Van Broekhuizen toebehoort.
Op 13 juli 1407 verpandt Willem van Wevelinhoven de heerlijkheid Grebben voor 3000 rijnsguldens aan Willem heer van Broekhuizen. Dit pandschap vererft na de dood van Willem van Broekhuizen in 1415, aan diens dochter Henrica van Broekhuizen. Op 11 september 1409 'des woensdages na onser vrouwendach nativitas' erkennen Willem, heer tot Broechusen, en Agnese, vrouwe tot Broechusen en Werdenberch, door Heer Hubrecht, heer van Culenborch etc, voldaan te zijn van hetgeen hun moeder Henric van Culenborch, vrouwe van Weerdenberch, aanbestorven was van haar broeder heer Jan, heer van Culenborch etc.
Op 16 april 1410 oorkonden Johan van Broeckhuijsen, Johan van den Vonderen, Geraert Duvell, Johan Huben, Johan Gochman, Johan Boens en Johan van den Heijthoeven, schepenen te Oostrum, dat hun Heijnrick Henselman van Venraede, priester, overgedragen heeft aan abdis en convent van Onze Lieve Vrouw te Roermond 4 malder rogge 's jaars Venlose maat, waarvan hij 1 malder kocht gaande uit Jacop Ruele 's land etc. Namens de schepenen die geen zegel hebben zegelt Willem heer te Broekhuizen en Oostrum.
Op 17 maart 1412 heeft Reinald IV, hertog van Gelre, 75 oude schilden wegens de gruit te Venlo verpand aan Willem, heer te Broekhuizen. Hij spreekt de stad Venlo vrij van hetgeen zij aan Willem zullen betalen en vergunt de stad het pand te lossen, indien de hertog dat binnen zekere tijd niet zelf doet. De hertog mag de gruit weer van de stad inlossen. Getuigen zijn Johan Schellart van Obbendorp en Engelbert van Oirsbeeck, ridders.
Op 22 juli 1415 vindt de boedelscheiding plaats tussen de kinderen van Willem, heer van Broekhuizen, en hun moeder Agnes van Waardenburg. Zijn zoon Willem van Broekhuizen erft het 'haefmeijsterampt des lands van Gelre mit sijnen toebehoeren. Ende dairtoe sal hebben die voirgenoemde Willem dat huijs ende slot tot Geijsteren mitter heerlicheit Orle, Oestem mitten heerlicheden ende kijrcgiften nijet uitgescheijden dan die gudijnge die sijnen bruderen dair an bewesen sijn in deze maechgesceijt. Voirt is gevoirwert dat Willem vurscreven hebben sal alle leen, leenman, kormede die tot desen vurscreven heerlicheden gehoren'. Sweder Willemszoon van Broekhuizen, in 1415 meerderjarig, ontvangt uit de erfenis van zijn vader de korentienden van Swolgen en Broekhuizenvorst, de hof Op ter Stockt te Broekhuizen, de hof Op ter Holl te Well, de halve tol te Venlo, 4 malder rogge 's jaars te Blitterswijk. De tienden en de hof Op ter Stockt worden leenroerig aan Huis en heerlijkheid Broekhuizen.
Uit dit huwelijk:
1. Elisabeth van Broekhuizen, abdis van het klooster 's Grafenthal, overleden 8 april 1469
2. Johan van Broeckhuijsen 'de Oudere'
3. Gerarda van Broekhuizen. Gehuwd in 1411 met Willem van Kessel, heer van Kessel
4. Willem van Broekhuizen, heer van Geijsteren, Oirlo en Oostrum (1415), heer van Waardenburg (1415-1428), erfhofmeester van Gelre, drost van het ambt Kessel en Horst (1424), overleden 1428
5. Henrica van Broekhuizen. Gehuwd in 1418 met Godart van Harff, landdrost van Gulick (1418-1468), heer van half Geijsteren (1451-1465)
6. Johan van Broekhuizen, heer van Loë (1405), heer van Geijsteren, Spraland en Oostrum (1429), erfhofmeester van Gelre (1427), drost van het ambt Kessel en Ter Horst (1431), overleden 17 december 1450 in het Heilige Land. Gehuwd ca. 1430 met Anna van der Straeten, vrouwe van Wissen, overleden 1468
7. Hubrecht van Broekhuizen, overleden 1443-1451. Gehuwd in 1405 met Mechtelt van Brempt
8. Sweder van Broekhuizen, plaatsvervangend ambtman van Kessel (1428-1431), overleden 1437-1451. Gehuwd met Bela van Walhusen
685288. Arnold van Ghoor, ridder, heer van Ghoor, Aldenghoor, Poll, Panheel, Meijel en Mierlo, zoon van Daniël III van Ghoor en Catharina van Amstel, geboren ca. 1350, overleden 1416-1417
Gehuwd met
685289. Catharina van de Weijer, dochter van Gilles van de Weijer en Lette van Lissingen, overleden < 9 februari 1433
Afbeelding
links Kasteel Aldenghoor in 1893.
Arnold strijdt in 1371 in de slag van Baesweiler aan de zijde van de Brabanders. De slag gaat tussen de hertogen van Gelre en Gulik enerzijds en het hertogdom Brabant gesteund door Namen anderzijds. In 1371, ten tijde van de Honderdjarige oorlog, zwerven in het gebied tussen Rijn en Maas grote groepen huurlingen rond die het land onveilig maken. Nadat Franse huurlingen Brabantse kooplieden op Guliks grondgebied beroofd hebben, weigert Willem, hertog van Gulik, een schadevergoeding te betalen aan Wenceslaus, hertog van Brabant. De hertog van Gulik beschermt de huurlingen en neemt er zelfs enkelen in dienst. Hierop besluit de hertog van Brabant zijn gram te halen. Gesteund door Willem I, graaf van Namen, trekt hij ten strijde tegen Gulik. De hertog van Gulik roept daarbij de steun in van zijn zwager Eduard I, hertog van Gelre. De troepen treffen elkaar in augustus 1371 bij Baesweiler, iets ten noorden van Aken. Aanvankelijk zijn de Brabanders aan de winnende hand, totdat op 22 augustus de Geldersen op het slagveld verschijnen. De Brabanders kunnen niet tegen de Geldersen op en worden teruggedreven. De slag eindigt met het gevangennemen van de hertog van Brabant en de graaf van Namen. De hertog van Gelre sneuvelt in de strijd. Ook Arnold wordt gevangen genomen en ontvangt in 1374 een schadeloosstelling van 972 moetoenen.
In 1387 doet Arnoud van Ghoor afstand van zijn rechten in Altena ten behoeve van zijn broer Jan van Ghoor. Arnold zegelt met drie jachthoorns, zonder barensteel, in het hart van het schild gebroken door een ster.
Op 23 juni 1405 is Arnold, heer te Goor, medezegelaar bij de verkoop door Jacob van Leute van de bezittingen in de heerlijkheid Leut en Mesewijck aan de zonen van de overleden Willem van Vlodrop. Op 15 juni 1408 is Arnolt, heer te Goer, als leenman aanwezig bij de overdracht van de hof zer Voirt met 18 bunder land en 16 malder rogge erfpacht uit het goed van Saen van Oerle te Kelpen, van Willem, heer van Horn en Altena, aan Johan van Osen en Lijsbeth, echtelieden, wegens trouwe dienst.
Op 18 oktober 1408 oorkonden Lambrecht van Goer, bastaard, richter, en schepenen van Poll, dat Arnold, heer te Goer, ridder, aan Goderd van Vlodrop, ridder, voogd te Roermond, en Sophie van der Nuwerstat, echtelieden, overdraagt ten behoeve van de kinderen van wijlen hun zoon Willem van Vlodrop, een erfrente van 10 malder rogge Wessemer maat ten laste van de molen van Panheel, genaamd tot Aerwinckell. De laten van de molen blijven maalplichtig. Zegelaars zijn de richten en namens schepenen die geen zegel hebben, Arnold heer van Goer, ridder, en diens zoon Johan van Goer. Op 24 juni 1411 verklaart Arnold heer van Ghoor, borg te zullen staan voor de abdis van Munsterbilzen wegens eventuele schade door erfgenamen van Aleijde van Roede, weduwe van Gerard van Doerne genaamd van den Bonghart.
Op 2 februari 1417 delen Johan, Willem en Daniël van Goor, gebroeders, en Kathrijne van de Wijer, vrouwe te Goor, hun moeder, en Kathrijne en Aleide van Goor, gezusters, nonnen te Bilsen, en Johanna van Goor, hun zuster, de ouderlijke erfenis. De vrouwe behoudt levenslang Huis en hof ten Wijer met molen, panhuis, cijns, keurmeden. De hof te Lotbroek zal men verkopen en uit de opbrengst wordt de schuld van 2400 rijnsguldens aan Johan van Hoekirken betaald die op Wijer rust. Verder ontvangt Johanna 500 rijnsguldens voor haar kindsdeel. Johan krijgt Huis te Goor in het Maasland en de heerlijkheid Pol en Meijel. Het zal daaruit aan zijn tante, de vrouwe van Asten 1500 rijnsguldens schuld betalen. Willem erft het riddergoed ter Weijer onder Heerlen, na de dood van zijn moeder, de hoeve Lotbroek onder Hoensbroek en die van Mooker Oe. Hij betaalt daaruit 500 rijnsguldens. Willem is na de dood van zijn broer Jan heer van Ghoor, Vronenbroeck en Meijel. Daniël krijgt de hof te Ophaven in het land van Borne, de goederen te Sittard, Geleen en Susterseel en de renten en cijnsen van Poll en Panheel. Katherina en Aleijt een lijfrente van 17 malder rogge uit de hof te Hulhave en in het land van Wassenberg 15 malder en uit het goed the Gleene 9 rijnse guldens. Na de dood van de moeder ontvang Willem de hof te Wijer en zal daaruit zijn broers betalen. De-dingslieden zijn Gerard van Vlodorp, ridder, erfvoogd te Roermond, Lizabette van de Wijer, vrouwe te Leute, Claes van der Donck en Lamken van Goor, bastaard. Op 9 februari 1433 'des neesten maendagh nae onser liever vrouwenlichtach' verklaren Johan en Daniël van Ghoer, gebroeders, bij transfix dat hun broer Willem van Ghoer hun 1500 rijnsguldens heeft betaald die hij schuldig was na de dood van hun moeder. Medezegelaar is hun neef Johan van Ghoer Lambrechtzoon.
Uit dit huwelijk:
1. Johan van Ghoor, heer van Ghoor, Poll, Panheel en Meijel
2. Willem van Ghoor, ridder, heer van Vronenbroeck en Meijel, drossaard van het land van Horn (1417), overleden > 24 juli 1457. Gehuwd met Beatrix Schellart van Obbendorp, overleden > 24 juli 1457
4. Katharina van Ghoor, non te Munsterbilsen, overleden > 1462. Gehuwd met Godhard Dobbelstein van Doenrade, overleden > 1462
5. Aleijt van Ghoor, non te Munsterbilsen, overleden > 10 juni 1428. Gehuwd met (huwelijkse voorwaarden 15 september 1419) met Goswin Begijn, ridder, overleden < 23 juni 1427
6. Johanna van Ghoor, overleden > 12 mei 1455. Gehuwd met Godhard van Bocholtz, overleden > 12 mei 1455
685290. Alard Vlecke van Caldenbroeck, heer van Caldenbroeck (1394), zoon van (?) Vlecke van Beke, overleden < 15 juni 1414
Gehuwd met
Op 11 januari 1394 ontvangt Alart Vleck 'dat huijs tot Caldenbroick' in leen van Willem van Gulik, hertog van Gelre. Gertrudis is op 15 juni 1414 beleend met het Huis Kaldenbroek en de hof te Lomm, als erfgename van haar vader, behoudens haar moeder Lijsbeth den lijftocht.
Op 4 december 1401 'de sonnendage na Sente Andries dach' draagt Aleit van Baersdonck, echtgenote van Willem Brant van Brede, damen met de door haar gekozen voogd, de hof te Lomme met de laten en pachten tussen de twee beken te Arssen op aan de hertog van Gelre, die hierna Alart Vlecke van Kaldenbroike en zijn erfgenamen ten overstaan van de getuigende leenmannen Herbaren van Lewen en Sander van Kondichoven, ridders, hiermee beleent ten Zutphense rechten, met 1 pond te verheergewaden. Na de dood van Alart verkrijgt zijn echtegenote Elisabeth het vruchtgebruik.
Uit dit huwelijk:
685292. Sibert van Kessel, ridder, zoon van Mathijs van Kessel op 't Oever en Catharina NN, geboren ca. 1375, overleden > 25 januari 1416
Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 12 december 1395) met
685293. Bela van Groesbeek, dochter van Dederick van Groesbeek
Op 12 december 1395 'zondag voor St Lucia' zijn de huwelijkse voorwaarden opgesteld tussen Sibrecht, zoon van Mathijs van Kessel op 't Over, ridder, en Catharina, en Bela van Groesbeek, oudste dochter van Dederick. Sibrecht krijgt een hoeve te Hinsbeck, een hoeve te Grefrath en 25 paar koren uit de tiend te Kessel. Bela ontvangt 2600 Gelderse guldens. Magen en huwelijksvrienden zijn Johan van Broeckhuijsen, Jan heer van Kessel, neef van de bruidegom, Seger van Groesbeek, ridder, heer te Hoemen, Werenbrecht, heer te Ubbergen. Op dezelfde 'sonnendachs voer sencte luciendach' verklaart Dederick van Groesbeck dat hij Sijbert van Kessel binnen een jaar na voltrekking van het huwelijk met zijn dochter Bela van Groesbeck, 2600 Gelderse guldens zal geven. Mathijs van Kessel zal zijn zoon Sijbert in bezit stellen van de hof te Hijnsbeck en die te Grefrath en van de goederen van Mathijs' moeder zijn hij Sijbert en Bele voorzien van 25 paar koren 's jaars uit de tiend te Kessel.
Op 5 mei 1403 stellen Zibert van Krikenbeke en Jutte, echtelieden, als borgen voor de verkoopt op 6 april 1403 van het Brabanssche goed te Vissel, Zibert van Kessel, zoon van Mathijs, ridder, Zibert van Sprinckenhave en Peter Meel, bijzonder ter verzekering van afstand later door de minderjarige Reijnalt van Krikenbeke. Op 12 juli 1414 staat Siwert van Kessel borg bij de pacht van de hof te Niederarmern door Johan van Boicholt Gerritzoon.
Op 25 januari 1416 'up sent pauwelsdach conversionis' oorkondt Egbert van Montfort, leenheer, dat voor zijn leenmannen Tijlman van Eijle, en Willem, bastaard van Johan van Krieckenbeck, ridder, door Mathijs van Kessel, ridder, en Sijbrecht van Kessel, diens zoon, verkopen aan Johan van Wijlre en Bertte, echtelieden, de scholastertiend te Kessel, leenroerig aan Egbert Pelgrim van der Kuijlen als man van Margrijete, dochter van Mathijs van Kessel, die met verkoop instemt. Vervolgens verklaren Mathijs van Kessel, ridder, en zijn zoon Sijbrecht van Kessel, aan Johan van Wijlre en Bertte, echtelieden, te verkopen de scholastertiend te Kessel, waarvan de hertog ook een helft bezit en de roodtiend, die als geheel hertogelijk goed is en waarvan Mathijs en Sijbrecht slechts 6 paar koren 's jaars mogen heffen. Hun neef Willem van Kessel heeft de scholastertiend en de 6 paar koren in blijvende pacht tegen 25 paar koren 's jaars. Mathijs en Sijbrecht dragen dat recht over aan Johan.
Uit dit huwelijk:
1. Hillegonda van Kessel, kloosterlinge te Munsterabdij
2. Wilhelma van Kessel, abdis in de Munsterabdij
3. Christina van Kessel
4. Bela van Kessel, kloosterlinge in Keiserbos
5. Mechtildis van Kessel, priorin in Burscheid
6. Margaretha van Kessel van Wambeeck
7. Catharina van Kessel
8. Theodora van Kessel. Gehuwd met Johan van Dript
9. Fredericus van Kessel
707198. Gerijt Jansz Paert, geboren te Scheveningen, overleden < 1486
Gerijt behoorde tot de notabelen van Scheveningen. Hij bezat landerijen te Zuidwijk.
Gehuwd met
707199. Adriana Gerrits, dochter van Gerrit Andries, geboren te Scheveningen, overleden > 1486
Uit dit huwelijk:
Kinderen:
852046. Gozewijn van Pothuijsen, geboren ca. 1360 te Culemborg, overleden < 1438
Gehuwd met
852047.
Bartraet NN
Uit dit huwelijk:
1. Geertruijt
Gosen van Pothuijsen
Kinderen:
911872. Willem Foijtkensz van Zijll, zoon van (?) Jan Claes Renghersz van Zijll en Catharina van Berendrecht, geboren ca. 1420 te Leiderdorp, overleden 15 juli 1473
Gehuwd met
911873. Alijt Jans van der Graft, dochter van Jan Splintersz van der Graft en Katrijn NN
Op 29 januari 1465 wordt Willem Foeijtkensz van Zijll door de Domproostdij te Utrecht beleend met de helft van 12 morgen land en de helft van 2 morgen land in De Acht Hoeven onder Leiderdorp na overdracht door Claes Robbrechtsz, behoudens de lijftocht van Clemeijns Bouwendochter. Op 26 augustus 1466 draagt Claes Robbrechtsz de andere helft van de 12 morgen land en opnieuw 2 morgen land over aan Willem. Op 31 augustus 1473 gaan de lenen over op zijn zoon Gherti van Zijl.
Uit dit huwelijk:
2. Gerrit Willemsz van Zijll, schutter te Leiden
3. Jan Willem Foijtgenz van Zijl
4. Catharina Willems van Zijl
5. Catharina van der Graft