Generatie 19

276480. Dirck van der Specke, bezitter van Ter Specke, schout van Lisse (1353), schepen van Haarlem (1355-1356), schout van Noordwijkerhout (1357), schout van Haarlem (1357), zoon van Willem van der Specke, geboren ca. 1320, overleden > 1365

Gehuwd met

276481. Bartrarde Arnts van Waterlant, dochter van Arnoud van Waterland, overleden > 1365

Dirck wordt na opdracht door zijn vader beleend met 2 morgen land te Lisse. Na opdracht door Floris Sijmonsz van der Specke ontvangt hij 1 september 1345 al diens leengoed Ter Specke. Hij koopt tussen 1342 en 1345 regelmatig hout van de grafelijkheid.

Dirck zit op 8 november 1346 gevangen in het Leidse Gravensteen als hij op die datum wordt bevrijd door Haarlemse poorters. Hij wordt op 22 november 1357 door de graaf van Holland aangesteld tot schout van Haarlem, op welk ambt hij van de graaf 200 Franse schilden leent, die hij aan zijn voorganger Willem van Zaenden betaalt.

Hij heeft land te Abdissenbroek in lijfhuur van de graaf. Op 22 mei 1359 verkoopt hij een rente van 31 schellingen aan de abdij te Egmond, gevestigd op een huis te Haarlem. Als in 1364-1365 een zoen tot stand komt tussen de partijen die betrokken zijn bij de dood van Willem Heijnenz, wordt nadrukkelijk vermeld dat de kwesties waar Dirck van der Specke en zijn vrouw bij betrokken zijn, hierbij nog niet geregeld zijn.

Uit dit huwelijk:

1.   Dirck van der Specke

2.   Willem van der Specke, Leids poorter (12 maart 1376), gegoed te Noordwijk en Warmond, geboren ca. 1355, overleden < 29 december 1399. Gehuwd met Jan Heinrixs, overleden < 14 juli 1371. Gehuwd met Alijt NN, begraven 1413 in de St Pieterskerk te Leiden

 

276736. Clais Ghijs Gherit Dijcksz, geboren ca. 1380

Kinderen:

1.   Dirck Claesz van Dijck

 

276744. Jan Casusz, overleden < 17 januari 1414

Gehuwd met

276745. Aernt Kalle, overleden < 10 november 1429. Gehuwd met Jan Hugensz, schout van Delft

Het klooster St. Agatha, het grootste der kloosters binnen Delft, is gesticht door Jacob Jan, vice-cureit van de Oude Kerk te Delft, om de vroomheid onder de parochianen te bevorderen. Omstreeks 1380 koopt hij samen met Jan Casus een houten huisje aan de Geerweg in Delft, waarin zij een aantal maagden laten wonen onder toezicht van de vlaamse weduwe Lodewijk Jansdochter als 'maerte'. Door het toenemen van het aantal bewoners, is het noodzakelijk een nieuw huis te kopen. Het huis wordt bekend als het Heilige Huis. Jacob Jan overlijdt op een terugtocht naar zijn bedevaart naar Rome in 1390 en draagt de verantwoordelijkheid voor zijn zusters over aan zijn neef en reisgezel Martijn Gijsbrechtszoon. Met het achtergelaten geld van Jacob Jan, heeft Jan Casus een huis gekocht 'achter den toirn', bij de Oude Kerk. Martijn Gijsbrechtszoon, pastoor van de Oude Kerk, wordt de geestelijk leidsman van de zuster.

Op 17 januari 1414 is Aernt Kalle, gehuwd met Jan Hugensz, schout van Delft, behoudens de lijftocht van haar moeder, beleend met de helft van een zate land, groot 22 morgen, genaamd Kallengeerd, waarvan pachter is Alijt Kerstants weduwe. Op 10 november 1429 gaat het leen naar Lijsbeth Jan Casusdochter, gehuwd met Pieter Aernt Woutersz, bij dode van haar moeder Aernt Kallen. Op 12 april 1432 Dirck Jan Casusz na koop, nadat het leen was afgestorven bij dode van Peter Aernt Woutersz.

Uit dit huwelijk:

1.   Lijsbeth Jan Casus. Gehuwd met Pieter Aernt Woutersz, overleden 1429-1432

2.   Dirck Jan Casusz

 

276864. Claes Toude Aerntsz, zoon van Oude Arent Toude, overleden > 14 februari 1392, begraven in de Oude Kerk te Delft (vermeld 1420-1470)

Gehuwd met

276865. Ane Heijn Allerts, dochter van Heijn Allertsz, geboren ca. 1350 te Maasland, overleden > 6 april 1390

Claes is samen Jan Doude vermeld als pachter van grafelijke goederen te Dixhorne (Dijkshoorn) en op Woutharnas (1354-1356). Hij wordt tussen 1367 en 1372 genoemd als inwoner van 't Woudt / Harnas. In 1367 betaalt hij als Claijs Toude voor een graf in de Grote Kerk van Delft. Op 10 januari 1385 oorkonden Buekel Arndsz en Jan Hughe Starkenz, schepenen te Delft, dat Heijnric Buekel en Heijnric Beijn Splintersz een rente uit 1349 ten behoeve van het gasthuis aldaar verkopen aan Clais Toude. Op 14 januari 1388 oorkonden Kerstant van Alcmade en Louwerijs Jansz, schepenen te Delft, dan Clais Toude Aerndsz, koopt van Zibrant Post een rente uit 1383. Claes is beleend in 1392.

Uit dit huwelijk:

1.   Aernt Touwe Claes Touwensz

2.   Adam Claes Touwensz, geboren 1350-1360, overleden 20 oktober 1431, begraven ’t Woudt. Gehuwd met Margriet Willems van Foreest

3.   Doe Claes Touwensz

 

276928. Kerstant Coppaertsz, heilige geestmeester te Naaldwijk (1492), zoon van Coppaert Meijnsensz en Lijsbeth NN, geboren ca. 1380 te De Lier, overleden 1424 te De Lier

Hij betaalt in 1424 als welgeborene in De Lier 1 gulden 100e penning.

Kinderen:

1.   Jan Kerstantsz

2.   Jacob Kerstantsz

 

276944. Thijeman Bertolomeusz van Dorp, geboren ca. 1330, overleden > 1376

Gehuwd met

276945. Katerijn NN, overleden > 15 mei 1376

Thijeman is op 27 juli 1364 beleend met 1½ morgen land te Rijswijk, leenroerig aan de hofstad Binckhorst.

Uit dit huwelijk:

1.   Bertelmeus Tijmansz van Dorp

 

276946. Heijnric Kerstantsz

Kinderen:

1.   Pieternelle Heijnric Kerstants

 

342560. Gerard V Soudenbalch, zoon van Tijdeman V Soudenbalch en Petronella van Langerack, huismeester van het St Bartholomeus Gasthuis te Utrecht (1416), lid van de Kleine Kalende broederschap, geboren ca. 1350, overleden 26 april 1418, begraven in de St. Marie te Utrecht

Gehuwd met

342561. Hadewich van Pallaes, dochter van Floris van Pallaes en Engeltje Huberts van Wulven, overleden 1433

Gerard Soudenbalch, zijn vader, zijn oom en verschillende van zijn nakomelingen komen met overlijdensdatum voor op de lijst van de leden der Kleine Kalende-broederschap. Op de afbeelding links het wapen van de Soudenbalchs als onderdeel van de anonieme tekening van de afbeelding van de wapens van de leden van de Kleine Kalende broederschap in een venster aan de noorzijde van de Buurkerk te Utrecht. Het doel van de broederschap was de bediening van kapellen en altaren (welke kaland of kalend kapellen wrden genoemd), het houden van missen voor de zielen van de gestorven leden, het uitdelen van aalmoezen en het houden feesttijden. De kalende broederschap had statuten die voor alle leden bindend waren.

Uit dit huwelijk:

1.   Hubert II Soudenbalch

2.   Gerrit VII Soudenbalch, tinsgenoot van de abt van Oostbroek (1424), geboren < 1400, overleden 1462

3.   Tijdeman VIII Soudenbalch, vicaris van de St. Marie te Utrecht (1445)

4.   Hadewich Soudenbalch, overleden 1453

 

342562. Evert Schouten van de Kelder, zoon van Gijsbert Schouten en NN Borre van Amerongen

Gehuwd met

342563. NN van Colenberg

Uit dit huwelijk:

1.   Waltera Everts Schouten van de Kelder

 

342564. Gerrit van Zuijlen van Natewisch, heer van Zuijlensteijn en Natewisch, zoon van Jan Wouterz van Zuijlen van Natewisch en Oeda Floris van Broekhuizen, geboren < 1400, overleden < september 1438

Gehuwd met

342565. Foijse Matheus Poth, dochter van Mattheus Pott van Pottenburch en Elsaba Mouwer

Links een afbeelding van kasteel Natewisch in de 17e eeuw, liggend tussen Wijk bij Duurstede en Amerongen. Het kasteel wordt in 1270 voor het eerst vermeld. De eerste leenheer is Gijsbert van Zuijlen. De Natewisch is tot 1689 in bezit van de familie Van Zuijlen van Natewisch. In 1663 sterft David III van Zuijlen van Natewisch en zijn dochter Emerentia erft Natewisch. Zij trouwt met Joost Taets van Amerongen, waarmee Natewisch in bezit komt van deze familie.

In 1424 belooft Gerrit van Zulen van Natewisch heer Jan van Montfoort 'te dienste te comen, als 't nodich is, met 4 peerden ende drie knechten'. Op 3 september 1426 wijzen de burgemeesters van Wijk bij Duurstede gerechtelijk toe aan Jacob Wonder, jaarlijks 15 hoenders uit 6 hofsteden in de Oeverstraat bij de Arkpoort te Wijk als beslaglegging wegens een vordering op Gerit van Zuijlen van Natewisch van een hoofdsom van 26 rijnse gulden.

Op 7 januari 1435 verklaart Gerijt van Zuijlen van Natewisse, ten overstaan van Gelmair van der Toll, IJewin Gijsbrechtszoen en Jan Airntszoen, leenmannen van Montfoirde, en met goedvinden van zijn oudsten zoon Jan van Zuijlen, over te dragen aan Jan heer van Montfoirde, de leenweer van 8 morgen land en van 12 morgen land, beide gelegen op die Velthusen.

Op 31 maart 1436 is Gherijt van Zulen van Natewische medezegelaar als de prelaten en kapittels van de kerken van de Doeme, Oudemunster, Sanct Peters, Sanct Johan en Sancte Marijen te Utrecht, de gemene ridders en knapen van het land en burgemeesters, schepenen, raden en gemene meente van de steden Utrecht en Amersfoerde oorkonden dat paus Eugenius, Sweder van Culenborch van Utrecht naar Cesarien heeft overgeplaatst en Roedolph van Diepholt tot bisschop van Utrecht heeft gemaakt, dat een kleine groep personen in strijd met het pauselijk gezag Walraven van Moerse heeft gekozen tot bisschop, die vervolgens steun heeft gekregen van het concilie van Baesel en dat zij zich verbinden om Roedolph van Diepholt in het bezit van het Utrechtse bisdom te handhaven.

Uit dit huwelijk:

1.   Jan van Zuijlen van Natewisch

 

342566. Gerrit Gerritsz van Culenborch, heer van Maurik, zoon van Gerrit van Culenborch en Baerte van Egmond, geboren 1381, overleden 1460-1466. Gehuwd met Gijsberta van Zuijlen van Nijevelt, overleden > 16 maart 1466

Op 5 juni 1403 verkrijgt Gerrit ondermeer het leengoed te Muijswinkel, groot 56 morgen. Op 30 maart 1459 heeft hij hierover een geschil met één van zijn zoons. Gerrit zegelt op 9 april 1415 namens zijn neef, de heer van Boxmeer, en deelt op 27 mei 1424 de bezittingen met zijn broers heer Johan III en Peter. Hij ziet op 14 oktober 1433 (met Peter) af van de rechten op het land van de Lek, hun aanbestorven van hun broer Zweder. Hij zegelt op 2 juni 1453 enige oorkonden en verklaart op 10 februari 1460 dat heer Johan III en heer Gerrit II zich hebben gehouden aan de scheidingsbepaling van 27 mei 1424.

Gehuwd met

342567. Arnolda Oem van Bockhoven, vrouwe van Renswoude en Akersloot (1417-1423), dochter van Claes Oem van Zevender van Bochoven en Machtelt Wouters van Isendoorn, overleden < februari 1423

Uit dit huwelijk:

1.   Gerrit Gerritsz van Culemborg, heer van Renswoude en Akersloot (1423-1459) en leenopvolger van zijn moeder, geboren ca. 1410, overleden 27 februari 1459. Gehuwd ca. 1440 met Margriet (Mabilia) Taets van Amerongen, geboren ca. 1410, overleden > juni 1481

2.   Jutte van Culemborg

3.   Zweder van Culemborg, geboren < 1425

 

342568. Henrick van Brienen, ridder, zoon van Henrick van Brienen en Gerardina van Wijnbergen

Gehuwd ca. 1360 met

342569. Bella van Essen van Swanenburgh, dochter van Gerrit van Essen en Fenne van Guldenstern

Uit dit huwelijk:

1.   Hendrik van Brienen

2.   NN van Brienen. Gehuwd met Herlaar van Amerongen

 

342570. Arent van Boecoop, knape (1392), ridder, richter van de Veluwe, overste rentmeester van Gelre (1425), geboren ca. 1370, overleden > 4 mei 1427

Gehuwd met

342571. (?) Bernadina (Manna) van Bronckhorst (van Haersolte)

Op 26 april 1392 verklaren Willem van Gulik, hertog van Gelre, Johan heer van Kuik, Emond van Endelsdorp, heer te Grijpinchaven en Rulant, Johan van Hoentsler genaamd van den Velde, Johan van den Bijlant, Robbrecht van Apeltern, ridders, Johan van den Bijlant heer Ottozoon, Gadert van Stamprade, landrentmeester van Gelre en Zutphen, Johan Mompelier van Overhage en Arnt ten Boecop, knapen, samen aan Heinrich van Hoerne heer van Perweis 1000 goede rijnsguldens schuldig te zijn, te betalen op St Jacobus te Aken in de rijkswissel. Bij verzuim zullen zij op die dag ongemaand in een herberg te Aken in leisting gaan: de hertog en 11 man met 12 paarden, Kuik en 3 man met 4 paarden, de ridders ieder met 2 man en 3 paarden en de knapen met 1 man en 2 paarden. Indien 14 dagen later nog geen betaling is geschied, mag Perweis de som doen winnen ten 'joeden woeker of ten lobarden schaden'. Oorkonders zullen dan steeds in leisting blijven.

Arent thoe Boecoop is de architect van het huidige Elburg. Elburg is in de 14e eeuw een belangrijke Hanzestad aan de Zuiderzee. In 1367 vindt er een grote watervloed plaats, die zoveel grond wegslaat dat de zee bedreiging vormt. Daarop geeft hertog Willem I van Gelre opdracht aan Arent thoe Boecoop d'wij willen dat gij onse stat versetten sullen op een andere stede'. De verplaatsing van de stad vindt plaats tussen 1392 en 1396.

Op 17 december 1399 zeggen Ude die Boese en 32 andere personen, waaronder Reijnken van Inkevaert en Arnt van Boechop, als partijgangers van Willem hertog van Gelre en Gulik, vete aan Johan van Buren.

Op 24 juli 1424 'op sent jacopsavent des heugen apostels' is Arnt te Boecopgetuige als Arnolt hertog van Gelre, de stad Roermond beleent met een erfrente van 20 florijnse guldens en 40 oude schilden. Op 10 mei 1425 'des donredaigs na cantate' is Arnt te Coecop, overste rentmeester 's lands van Gelre, medezegelaar als Arnolt hertog van Gelre ten behoeve van de stad Nijmegen, een jaarrente van 200 oude Fransche schilden vestigt op de tol aldaar. Op 4 mei 1427 'des sonnendaigs misericordia Domini' is Arnt the Boecop medezegelaar als Arnolt hertog van Gelre aan burgemeesteren, schepenen en raden der stad Zutphen voor 2000 reijnaldusgulden, de jaarlijks door hen uit hunnen watermolen verschuldigde 1000 pond was, verpandt.

Uit dit huwelijk:

1.   Anna van Boecoop

 

342576. Wessel IV van den Boetzelaer, heer van den Boetzelaer (1397), opperschenker van Kleef, zoon van Rutger III van den Boetzelaer en Elisabeth van Bijlant, geboren ca. 1360, overleden 1437-1439. Gehuwd met Beatrix (Bata) van Ghemen, overleden 1390

Gehuwd met

342577. Lutgard van Heeckeren genaamd van Rechteren, dochter van Sweder van Heeckeren en Sophia van Groesbeek, geboren ca. 1390, overleden < 1451

Op 8 juli 1376 moet Johan van Grieth namens de graaf van Kleef oerveede zweren aan de aartsbisschop van Keulen, aan het aartsstift, aan de ambtman van Aspel Rutger van den Boetzelaer en diens zoon Wessel, en aan de stad Rees. In 1395 heeft Wessel een twist met zijn vader. De uitspraak van de graaf van Kleef luidt dat Wessel en zijn moeder de goederen in de Betuwe zullen houden, de drie hoeven aan de Clapheck bij Roederbroek, alles wat ligt aan gene zijde van het wald, dat Udem is, de tienden van Keijst en goed Langendonck dat Sander van Eijl gewonnen heeft. Wanneer de zoon op den Boetzelaer komt, zal de vader hem eten en drinken geven met twee knechten en drie paartden. Zij zullen elkaar geen schade toebrengen. Als Wessels' vader Rutger ook met de graaf van Kleef in onmin raakt, wordt hem den Boetzelaer ontnomen. De graaf schenkt het kasteel in 1397 aan Wessel, onder de nadrukkelijke bepaling dat dit slechts uit genade van den hertog is.

Wessel verkrijgt van de graaf van Kleef het ambt van opperschenker van Cleve, waarvoor hij in 1417 de helft van twee hoeven land in leen krijgt. Dit ambt blijft nadien erfelijk in de familie. Dat Wessel het ook niet goed met de graaf kan vinden, blijkt uit een notitie waar wordt meegedeeld dat Wessel het ambt wel (in naam) verkregen heeft, maar dat hij uit onwil nooit daarvan in possessie gekomen is.

Wessel erft van zijn overgrootvader Robbert van Appeltern de kerkegift van Winssen. Op een niet vermelde tijd verzoekt Frederik van Hekeren geheeten van Rechteren zijn 'lieven en gemijnden zwager' Wessel van den Boetzelaer deze aan een zekere pastoor te vergeven.

Uit dit huwelijk:

1.   Rutger IV van den Boetzelaer

2.   Elisabeth van den Boetzelaer. Gehuwd ca. 1427 met Godert van der Reck

3.   Sophija van den Boetzelaer, overleden > 1500

4.   Agnes van den Boetzelaer, overleden < 1480

5.   Sweder van den Boetzelaer, overleden 1442

6.   Johan van den Boetzelaer, overleden 1442

7.   Dirk van den Boetzelaer, overleden 1486

8.   Hendrik van den Boetzelaer, kannunik van Xanten, proost van Kraneburg, overleden 1480

9.   Frederik van den Boetzelaer, overleden > 1439

10.   Zeger van den Boetzelaer, kannunik, overleden > 1481

 

342578. Johan Gijsbertsz van Langerak, ridder, heer van Langerak en Nijpoort, dijkgraaf van de Alblasserwaard (1409), drost van Altena (1410), kastelein van Loevestein (1418), baljuw van Schoonoven (1422), zoon van Gijsbrecht van Langerak en Bertha van Bloijs, geboren ca. 1375, overleden 1433-1439. Gehuwd met Agnes van Steinfurt, overleden 28 december 1467

Gehuwd met

342579. Elburg van Polanen van Asperen, dochter van Otto van Asperen en Johanna van Voorst en Keppel, overleden ca. 1425

Op beloken Pinksteren 1400 wordt Johan door zijn neef, de heer van Arkel, beleend met half Nijpoort en met andere goederen die zijn vader van hem hield. In maart 1405 wordt hij beloond met het huis Langerak en in 1409 met de tienden van Ammers na transport door zijn zuster Johanna.

Op 13 mei 1413 wordt Johan het drossaardschap en rentmeesterschap van de kleine tol te Woudrichem en de slootvoogdij van Loevestein door Willem van Beieren bevolen. Op 18 oktober 1415 bezit Johan nog steeds de kleine tol te Woudrichem, als de andere tollen in het openbaar verpacht worden. Johan bezit met Arend van Leijenburg de heerlijkheden en goederen van Giessen in leen, die zij op 25 juli 1413 aan de hertog overgeven, die vervolgs de heren en ambachtsheren in de Alblasserwaard, die de dijk hebben gemaakt, er mee beleent.

Op 15 augustus 1416 belooft Johan met andere edelen en steden van Zuid-Holland vrouwe Jacoba na de dood van haar vader als erfdochter en leenvervolgster te zullen ontvangen en huldigen. Zij geeft hem op 20 juli 1417 namens haar het bestuur over de goederen van de heren Jan en Willem van Egmond. In 1418 wordt Johan aangesteld als kastelein van Loevestein, waarover hij in 1419 een verschil heeft met Jacob bastaard van de Leck.

In 1420 wordt Johan van Langerak met Langestein, met half Nieuwpoort en met de goederen van zijn vader beleend. In 1424 verzoekt hij Walraven van Meurs om neutraliteit in de oorlog tussen Gelre en het Sticht. Hij strijdt in de veldslag bij Alphen aan de zijde van Jacoba en is daar tot ridder geslagen.

In 1430 tocht Johan zijn tweede vrouw Agnes aan tienden en aan de molen te Langerak en maakt in 1433 een magescheid met zijn schoonzoon en dochter over de nalatenschap van zijn eerste vrouw. Daarbij ontvangt zijn dochter 100 rijnsche guldens en wordt getocht. Voor het overige wordt zijn dochter Elburg zijn erfgename, alles voorbehoudens de tocht aan zijn moeder, vrouwe Bertha en aan zijn zusters Bertha, de abdis van Rijnsburg, en Johanna.

Uit dit huwelijk:

1.   Elburg van Langerak

 

342580. Iwain de Mol, burgemeester van Brussel (B), zoon van Dierick de Mol van Ledebergen en Elisabeth Goddeijns, geboren < 1380

Gehuwd met

342581. Marie van Pede, dochter van Arnoud van Pede

Uit dit huwelijk:

1.   Arnold de Moll. Gehuwd met Anna 't Serclaes van Kruikenberg

2.   Ywaen de Mol van Ledebergen

3.   Hendrik de Moll. Gehuwd met Alijde van Keldere

4.   Jeanne de Moll ter Kameren

5.   Marguerite de Moll

6.   Marie de Moll

 

342582. Gijsbrecht Aerntsz Pieck 'de Goede', heer van het Hoge, Lage en Blauwe Huis te Beesd, rentmeester van Gelre (1413), ambtman van Beesd en Rhenoy (1414), raad en overste rentmeester van Gelre (1414-1416), thesaurier van Holland (1420), zoon van Arnt Hermansz Pieck en Ida Alards van Buren, geboren ca. 1385, overleden 1439-1441. Gehuwd < 1419 met Idelard Alards de Swart, overleden < 1426

Gehuwd in 1426 met

342583. Wilhelmina van Heukelom van Acquoij, vrouwe van Tienhoven, dochter van Walraven van Heukelom van Acquoij en Johanna van de Merwede, geboren ca. 1395, overleden > 1458

Links een afbeelding van het zegel van Gijsbrecht Pieck uit 1414.

Op 19 juli 1414 'des donredages na der heilige apostelendach divisonis' stelt Reijnalt hertog van Gulick zijn raad en overste rentmeester van Gelre Giisbert Pieck aan tot ambtman te Beesde en Renoij, ter voldoening eener schuld van 1000 rijnsguldens, regelt uitvoerig zijn rechten en verplichtingen als zodanig en belooft hem tenminste acht jaar op deze voorwaarden als ambtman te zullen handhaven. Op 29 september 1420 'op sinte Michiels dach archangeli' erkent Reijnalt hertog van Gulich nog 600 rijnsguldens ontvangen te hebben van zijn ambtman te Beesde en Renoij Giisbert Pieck, volgens brief van 19 juli 1414, en maakt bepalingen omtrent de lossing van dit ambt en andere aan de ambtman verpande domeinen te Beesde en Renoij. Op 17 november 1422 'des dijnsdaeges na sinte Martijns dach in den wijnter' bevestigt Reijnald hertog van Gulich de verpanding aan Giisbert Pijeck van zijn tienden te Beesd, het land de Stapelacker, de gruit en bieraccijns aldaar, alsmede een tiend te Renoij, welke door hem als manieën ontvangen goederen hij tezamen met het ambt te Beesd en Renoij zal mogen behouden niettegenstaande de losbrief, die de hertog van hem heeft ontvangen.

Gijsbrecht koopt in 1424 het Lage Huis te Beesd van Willem van Buren. Hij krijgt in 1414 van hertog Reinald de ambtmannie van Beesd en Rhenoij in pandschap. In 1417 zit hij met zijn broeders te Gorinchem gevangen. In 1418 is hij met Otto Pieck in dienst van Jan van Beieren, wiens raad hij is in 1419. In 1420 nam hij, als thesaurier van Holland, deel aan het beleg van Leiden. In 1421 pacht hij de tol te Gorinchem.

Wilhelmina van Heukelom wordt getocht in 1429 en erft van haar neef Jan Herbarensz van Heukelom van Acquoij het Blauwe Huis (het Huis op den Wiel) te Beesd en wordt op 19 september 1428 door hertog Arnold van Gelre beleend met huis en hofstede te Beesd, diverse grondstukken aldaar, alsmede de grote tiend te Borchmolsen, de koppeltiend in het land van Buren en de wind te Enspijk. Ze wordt tevens beleend met de tienden te Everdingen en den Hage te Hagestein.

In 1433 is Gijsbrecht de magescheidsvriend van Johan van Langerack, ridder. Op 4 april 1434 'op den Sonnendach quasimodogeniti' verpandt Arnolt hertog van Gelre zijn raad Giisbert Pieck voor 1525 rijnsguldens zijn tiend te Romde.

Op 24 december 1437 'opten heiligen Korstavont' erkennen Jan van Arkel, heer tot Hoekelom, Jan van Culenborch en Willem van Dorschen hoofdelijk schuldig te zijn aan Giisbrecht Pieck van Beesde 100 goudguldens. Hij koopt in 1439 de visserij te Brakel.

In 1442 transporteert Wilhelmina de molen te Enspijk aan haar zoon Walraven en, met behoud van lijftocht, de uiterwaarden van Beesd 'daer Walravens huijs op staet' (het Blauwe Huis) en diverse andere stukken grond te Beesd op haar dan nog minderjarige zoon Otto. Op 29 december 1450 transporteert zij de tiende in Rumpt aan haar schoonzoon Godert van Erp.

Uit dit huwelijk:

1.   Arnt Gijsbertsz Pieck, ambtman van Beesd en Rhenoij, heer van half Asperen en het Hooge Huis te Beesd, geboren ca. 1426, overleden < 1474. Gehuwd in 1444 met Belia Ottens van Polanen, overleden 1478

2.   Walraven Gijsbertsz Pieck, ridder, heer van Wolfswaard en het Lage Huis te Beesd, geboren ca. 1430 te Beesd, overleden < 1493. Gehuwd met Catharina Costens van Berchem. Gehuwd in 1460 met Maria Hugemans van Strijen

3.   Johanna van Acquoij, begijn

4.   Otto Gijsbertsz Pieck, heer van Tienhoven en het Blauwe Huis te Beesd, schepen van Beesd, geboren ca. 1430, overleden < 1508. Gehuwd met Johanna Hendriks van Vianen, vrouwe van Jaarsveld, geboren ca. 1450, overleden ca. 1483

5.   Walravina Gijsberts Pieck. Gehuwd in 1452 met Johan van Blitterswijk, heer van Blitterswijk, overleden < 1470. Gehuwd > 1469 met Barthold van Baexen

6.   Adriana Gijsberts Pieck. Gehuwd met Govert van Erp, heer van Veghel, overleden ca. 1481

7.   Jutte Pieck

8.   Floris Gijsbertsz Pieck

 

342584. Otto III van Heukelum, zoon van Jan II van Heukelum en Maria van Horn, geboren ca. 1355

Gehuwd met

342585. Elisabeth Jans van Lienden, dochter van Johan van Lienden en Elisabeth van der Berghe, overleden < 1419

Uit dit huwelijk:

1.   Johan van Arkel van Heukelum

 

342586. Johan III van Culemborch, ridder (1409), heer van Werth en Wertherbruch (1409), heer van Acquoij (1417), heer van Culemborg en van de Leck (1422), zoon van Gerrit van Culenborch en Baerte van Egmond, geboren ca. 1380, overleden 1 april 1452. Gehuwd met (huwelijkse voorwaarden 30 mei 1409) met Barbara van Gemen, overleden 1409-1414

Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 18 juli 1415) met

342587. Adelheid van Gotterswick, dochter van Arnold van Gotterswick en Mechtilde van Reifferscheidt, geboren ca. 1395, overleden 3 juni 1448

Op 10 december 1394 'des donredages nae onser Liever Vrouwendach Conceptio' maakt Hubrecht heer van Culenborch en van der Leck, een scheiding met zijn broeder Johan van Culenborch van de hen aanbestorven goederen. Op 23 november 1396 'op sunte Clemensdach' oorkondt Jan van Leeuwen, hof van den heer van Culenborch, dat Deengen Lampenzoon en diens broeder Henrick Loef Lampenz, Hildewaer, vrouw van de laatstgenoemden en hun dochter Mechtelt, alsmede hun zoon Alaert Lamp Henricksz, hebben opgedragen ten behoeve van jonker Jan van Culenborch, 2 morgen 26 roeden land onder Riiswick. Op 12 januari 1397 verklaren Johan van Culenborch, Hubert van Miinden, Ghisbert van Culenborch, bastaard, Aernt Arntsz van Culenborch, Willem van Rumelair, Splinter Henricksz, Sweder van Voern, Dirck Coppier, Jacop Coppier, Wemmer Wmmersz, Gerit Scaep, Willem Zuermont, Wouter Henricsz en Willem Henricsz van der Mase, dat de heer van Culenborch in rechte eigenaar is geworden van de kerkgiften te Mauderich en Eck, de halve tienden te Eck en 10 morgen land aldaar, afkomstig van Gherit van Eck.

Op 30 mei 1409 'up den neijsten Donredach na Pijnxten' maakt heer Hinrik heer to Ghemen, ridder, voor zijn dochter Barbara huwelijksvoorwaarden met heer Johan van Culenborgh, heer then Werde, ridder. Op 8 juli 1414 'ipso die beati Kijliani martiris' erkent heer Henrich heer tho Ghemen, ontvangen te hebben van heer Johan van Kulenborg, heer then Werde, 1000 rhijnsche guldens in afkorting op hetgeen deze hem wegens den bruidschat van zijn overleden dochter Barbara moest terugbetalen.

Op 18 juli 1415 'ipso die beati Arnolfi confessoris' maakt Everwiin van Goterswich namens zijn zuster Alheijd van Goterswich huwelijksvoorwaarden met heer Johan van Culenborch, heer to Werde. Op 21 december 1415 'up dach sunte Thomas des helghen apostels' erkennen Everwiin van Goeterswiic, Ludolf heer the Stenvorden, en Dirck heer tho Wijssche, schuldig te zijn aan heer Johan van Kulenborg, heer tho Werde, ridder, ingevolgde dienst huwelijkscontract 1000 rijnsche guldens, te betalen binnen een jaar na de dood van heer Bernd, graaf tho Benthem. Op 13 juli 1416 'op sente Margrietendach der heiliger joncfrouw' belooft Wouter van Ghent, knaap, heer Johan van Culenborch, heer then Weerde, schadeloos te houden wegens een borgtocht tegenover graaf Adolph van Cleve. In 1417 wordt Johan heer van Acqoij door koop.

Op 22 februari 1420 'ipso die beati Petri apostoli ad cathedram' erkennen Everwiin van Goterswick en zijn vrouw Mechtilt van Steijnvorden, verkocht te hebben aan heer Johan van Kulenborgh en diens vrouw Aleijd, hun zuster, den hof te Hezehusen in het land van Murse en in het gericht van Barle. Op 22 februari 1420 'op sunte Petersdaige ad cathedram' verklaart Adolph hertog van Cleve etc, een brief gezien te hebben van een aartsbisschop van Coilne, waarin deze een heer van der Lecke, heer ten Weerde, beleent met Wederbruecke, geeft daarvan een uitreksel en verklaart heer Johan van Culenborch, heer ten Weerde, dit goed rustig te zullen laten gebruiken. Op 3 mei 1420 'ipso die Inventionis sante Crucis' belooft Everwiin van Guterswick, heer Johan van Kulenborch schadeloos te zullen houden wegens een borgtocht voor Johan van Besten alias de Pape. Op 14 november 1421 'op den Saterdach na sente Martiinsdage episcopi hijemalis' geeft Adolf hertog van Cleve, graaf van der Marck, kwijtschelding aan Jacob heer van Gaesbeeck en van Apkoude, heer Hubrecht heer van Culenborch en ter Lecke, heer Johan van Culenborg heer toe Weerde, heer Johan heer ten Vlijet, ridders, die hem met Wolter van Gent beloofd hebben 5000 schilden te betalen.

Johan is na het overlijden van zijn broer Hubert op 15 augustus 1422, heer van Culemborch en van der Leck. Op 31 augustus 1422 'des manendages nae sinte Johansdach decollatio' verklaren Frederick van Blanckenheim, bisschop to Utrecht, de stad Utrecht en de stad Amersfford, met heer Johan, heer tot Culenborch, een zoen gesloten te hebben. Op 10 december 1422 belooft Johan heer t'Egmond en tot Iisselsteijn, mede voor zijn zoons Aernt en Willem, zijn neve Johan heer tot Culenborch, ter Lecke en tAckoije, schadeloos te houden wegens een borgstelling bij den heer en vrouwe van Beijeren.

Op 17 januari 1423 'op sinte Anthonijs dach' geeft Johan heer tot Culenborg etc, zijn goedkeuring aan de statuten van het kapittel. Op 24 februari 1423 'ipso die beati Mathie apostoli' bekrachtigt Johannes heer van Culenborch etc, de statuten vermeld in de brief van 23 februari 1423 waar deze doorgestoken is. Op 3 mei 1423 'op 's heilichs Cruusdach inventio' belooft Diderick van Bronchorst, zoon tho Batenborch en tot Aenholt, om heer Johan heer tot Culenborch etc schadeloos te houden wegens een borgtocht met heer Johan van Aeswiin, ridder, Heinric heer tot Wissche, Johan van Gemen en Johan van Raesveld bij Johan van Asbeke en diens vrouw Grete van Culenborch. Op 28 mei 1423 'des vridages na den huigen Pijnxterdach' belooft Everwiin van Gueterswich, graaf van Benthem en heer tho Steijnvoirden, zijn zwager heer Johan heer tot Culenborg etc, schadeloos te zullen houden wegens diens borgtocht bij Everwiins moeder voor een jaarrente van 180 rijnsche guldens. Op 23 juni 1423 'op sente Johansavont baptista te Midsomer' erkent Beerte van Culenborch van haar broeder heer Johan heer tot Culenborch etc, ontvangen te hebben het haar toekomende uit de nalatenschap van haar ouders en van haar broeder Hubert.

Uit dit huwelijk:

1.   Arnolda van Culemborgh

2.   Gerrit van Culemborg

3.   Bertha van Culemborg

4.   Mechtilde van Culemborg

 

342588. Gerrit van Broeckhuijsen van Weerdenburg, heer van Broekhuizen, Waardenburg en Ammersoijen, erfhofmeester van Gelre (1442), zoon van Johan van Broekhuizen 'de Oudere' en Adriana van Brakel, geboren ca. 1415, overleden 3 november 1444 in de slag bij Linnich (D)

Gehuwd (huwelijkse voorwaarden 6 april 1434) met

342589. Walravina van Brederode, dochter van Walraven I van Brederode en Johanna van Vianen

Op 29 augustus 1443 'op Sinte Jansdach decollatio' oorkonden Johan van Hemert, Vranck Pijeck en Otte van Malsen, dat zij een akkoord tot stand gebracht hebben tusschen Gerrijdt, heer tho Broechuijssen tot Waerdemburch en Immerzoijden, en heer Jan Olm van Olmen, heer tot Bochoven, inzake hun geschil over een waard aan de Huesdensche zijde.

Diverse sites vermelden dat Gerrit sneuvelt in de slag bij Erkelenz op 5 november 1443. Ik volg vooralsnog de bronnen die vermelden dat hij sneuvelt in de slag bij Linnich op 3 november 1444. De slag bij Linnich ofwel 'den strijt bij Broeckelen inde Randelbroede' gaat tussen Gelre en Gulik. Aan de Gelderse zijde worden onder andere Willem van Egmond, broer van de hertog van Gelre, Jacob, heer van Horn, Jan van Broekhuizen, ridder, erfhofmeester van Gelre, Arnold van Blitterswijck, Goswin van Spee, Willem van Arkel, Evert van Wilp, Hendrik Bentinck, Steven van Lijnden en Hendrik van Meer, gevangen genomen. Als gesneuvelden zijn onder andere vermeld Gerrit van Broekhuizen, heer van Waardenburg, en Gerard van Culemborg.

Op 7 juli 1442 'des sater daiges na onser liever vrouwendage visitationis' verklaart Arnolt hertog van Gelre en Gulick, graaf van Zutphen, Gerit heer van Broickhusen, Werdenberg en Amersoijen, zoon van wijlen Johan, te hebben beleend met het erfhofmeesteramt van het hertogdom Gelre. Getuigen zijn Heijnrich soin tot Merr en Elbert van Eijll, drost te Gelre, leenmannen.

Uit dit huwelijk:

1.   Jan van Broeckhuijsen

2.   Reinholt van Broeckhuijsen, heer van Broekhuizen (1465)

3.   Walraven van Broeckhuijsen, heer van Ammersoijen (1457). Gehuwd met Elsken Sloijsen

 

342590. Walraven van Haeften, ridder, heer van Haeften, Herwijnen, Hellu en Varick, raad van hertog Arnold van Gelre, schepen van Tuil (1472), zoon van Otto van Haeften en Adelise van Herwijnen, overleden 1478

Gehuwd met

342591. Henrica van Varick, dochter van Hendrick van Varick en Sophia van Aller van Stoutenburch, geboren 1421, overleden 1478-1484

Op 25 maart 1447 'des saterdages op onser liever vrouwendage annuntiatio' verklaart Arnold hertog van Gelre dat hij Elbert van Eijll schadeloos zal houden en hem ontheffen wegens borg staan met Eduard heer te Haps, Johan van Boitberge, erfmaarschalk, Walraven van Haeften en Gelijs ingen Nuwelant, bij Johan heer te Ghemen, neef en raad van de hertog.

Volgens de Brederodekroniek van Johannes a Leijdis is Walraven van Haeften in 1452 door Reinout van Brederode tot ridder geslagen tijdens de oorlog tegen de rebellerende Gentenaren.

In 1464 vonnissen de schepenen van Tuil tussen Walraven van Haeften, als pachter van 's kapittels tienden te Varik en Hessel, en enige buren aldaar, beslissende dat onder de tienden ook raaptienden begrepen zijn. In 1464 en 1465 bevestigen de schepenen van Tuil en Deil het recht van Walraven van Haeften op de tienden van rapen, die hij heeft gepacht van het kapittel van St Marie te Utrecht.

Op 6 april 1478 'des manendages na Sinte Ambrosius dach' oorkonden Willem van Haiften en Alairt van Haeften, schepenen te Tuijll, dat Johan van Haeften en vrouwe Henrick van Vairrick, weduwe van heer Walraven Haeften ridder, overgedragen hebben aan heer Gerrit van Vloedorp, enige stukken uiterwaard, griend en inlaagdijk in het gericht van Haiften, vanwege een rente van 25 rijnse guldens, die niet waren uitgereikt aan wijlen Johan heer tot Weerdenborch, erfhofmeester van Gelre, als huwelijksgift voor zijn echtgenote, thans gehuwd met heer Gerit van Vloedorp, en verder onder lijftocht voor haar en voor Ermgart, vrouw van Thomas Collart.

Uit dit huwelijk:

1.   Elisabeth van Haeften

2.   Beatrix van Haeften, overleden < 1478. Gehuwd op 21 oktober 1468 met Johan Johansz van Rossem, raadsheer van Adolf van Gelre

3.   Johanna van Haeften

4.   Henrica van Haeften. Gehuwd in1 456 met Henrick van Ranse, heer van Kessel (1449), heer van Boxtel, hoogschout van Den Bosch (1485-1496), overleden > 1505, begraven in de kapittelkerk van Boxtel

5.   Johan van Haeften, heer van Haeften, schepen van Tuil (1485-1486), overleden 1494. Gehuwd met Theodora van Lijre. Gehuwd met Dierika Theodora van Immerseele

 

342608. Cornelis Aertsz Booth, schepen van Dordrecht (1441-1444), burgemeester (1445, 1451-1460), veertig (1456), tresorier (1457, 1458, 1459, 1461), zoon van Arent Booth van Barendrecht en Machtild Jans van Slingeland, geboren < 1400, overleden 18 mei 1466 te Dordrecht

Gehuwd met

342609. Soetgen van Diemen

Uit dit huwelijk:

1.   Adriaen Booth, overleden 16 september 1484 te Dordrecht. Gehuwd met Jacobje Jans Gerit, overleden > 22 januari 1499

2.   Jan Booth van Barendrecht, priester, kanunnik en collator van de Onze Lieve Vrouwekerk te Dordrecht, overleden 1496

3.   Dirk Booth, pensionaris van de stad Utrecht, overleden 1506

4.   Aernt Cornelisz Boot

 

342610. Reijer Willemsz de Jonge, wijnkoper te Dordrecht, pachter van de bieraccijns (1429), tresorier (1436-1454), raad van Dordrecht (1437), kerkmeester van de Grote Kerk te Dordrecht (1440, 1452), burgemeester van Dordrecht (1444,1447, 1455-1462), lootmeester (1446), schepen (1449-1456), havenmeester (1452), gasthuismeester (1456), zoon van Willem Aernt Lecmansz de Jonge, geboren ca. 1400, overleden 4 april 1465 te Dordrecht

Gehuwd met

342611. Janna Gijsberts Quekel, dochter van Gijsbrecht Bernairdsz Quekel en Christine NN, overleden 1465 te Dordrecht

Reijer koopt op 15 november 1463 land in Zwijndrecht.

Uit dit huwelijk:

1.   Reijner Reijersz de Jonge, raad (1467-1471), burgemeester van Dordrecht (1493-1500), schepen van Dordrecht (1497), dijkgraaf, tresorier (1486-1492). Gehuwd met Catharina Jans de Brouwer

2.   Willem Reijersz de Jonge, kanunnik van de Grote Kerk te Dordrecht

3.   Christina Reijers de Jonge. Gehuwd met Adriaen Jansz van Pallaes

4.   Lutgarda Reijers de Jonge, overleden 5 augustus 1498 te Dordrecht. Gehuwd met Jacob Thielmansz Oem, burgemeester, schepen van Dordrecht (1476), overleden 2 november 1485 te Dordrecht

5.   Geertruijd Reijers de Jonge. Gehuwd met Jakob Pietersz Pot

6.   Johanna Reijers de Jonge. Gehuwd met Hendrik Jakobsz van Overstege

7.   Machteld Reijers de Jonge

8.   Elisabet Reijers de Jonge

9.   Gijsberta Reijers de Jonge

10.   Kornelis Reijersz de Jonge

 

342612. Vrank Gijsbertsz van Diemen, (?) schepen te Gorinchem (1410), zoon van Gijsbert van Diemen en Ida van Doenen

Gehuwd met

342613. Margaretha Lambrechts de Haas

Vrank Ghijsbrechtsz bezit een schrootambacht te Dordrecht ten erfleen, 'ende na sijnre loot so hi gheen wittachtige kinderen after en liet, so waren heere Adaem ende martijn sijn breeders dair om tweedrachtig ende elc meijnde, dat hi daer toe gericht was'.

Uit dit huwelijk:

1.   Vrank van Diemen

2.   Catharina van Diemen

3.   Willem van Diemen

4.   Margaretha van Diemen. Gehuwd met Godschalk Tielmansz Oem, overleden 1499

5.   Geertrui van Diemen. Gehuwd met Jan Willemsz Sonk, schepen van Delft

6.   Gijsbert van Diemen. Gehuwd met Ermgard Arends van Goeren

7.   Cornelis van Diemen

8.   Adriana van Diemen. Gehuwd met Allard Suijs

9.   Christina van Diemen

10.   Agata van Diemen

 

342614. Huijgh Busschaert, overleden < 3 september 1451

Hij houdt grond in Boerdijk in Maasland. Zijn kinderen zijn op 3 september 1451 vermeld als belender.

Kinderen:

1.   Margareta Huijgens Busschaert

 

342624. Hendrik van Baerle, zoon van Hendrik van Baerle, geboren ca. 1335, overleden < 1404

Hendrik heeft met Arnold en Willem van Baerle een vete met de stad Aken gehad, gezoend in 1358. Op 24 januari 1360 'gudendaechs na sente agnetedach der jonfrouwen' verklaart Heijnric van Crikenbeke, ridder, dat hij Heijnric van Baerloe, zijn neef, 40 oude gouden schilden zal betalen.

In de herfst van 1387 zendt Philips hertog van Bourgondië 500 lansen te velde tegen de hertog van Gelre. Deze troepen bezetten Gangelt en Waldfeucht. De ambtman van Kriekenbeck roept zijn ridderschap op: Willem, Arnt en Johan van Kriekenbeck, Herman, Gijsbrecht en Johan van Bocholtz, Wolter en Sweder van Wachtendonk, Sweder van Vlein, Alart van Tisch, Sibrecht, Hendrik, Arnken en Goetsen Spede, Emont van Pardelaere, Sander en Tilman van Wevelinghoven, Dederik en Johan ingen Rode, Willem Budel, Hendrik van Baerle, Willem van Brede, Goessen op den Kelre, Vlecken, Peter Greve, Wolter van Nersdum, Goddart Ruffart, Henken van Heeswick, Jacob van Leisteren, Lemken van Roggel en Frederik de Grüter. Viersen en het land van Kriekenbeck trekken 600 gulden uit voor de verdediging (31 riddermatigen dan wel leenmannen tot krijgsdienst verplicht). Hendrik van Wickrath, ambtman van Kriekenbeck, ligt met 15 lansen en gezellen 4½ week te Caster. Zijn gezellen zijn Herman van Issem, Willem van Kriekenbeck, Erken en Goetsen Spede, Johan inghen Rade, Johan van Bocholz, Sweder van Vlein, Willem Budel, Emont van Pardelaer (woont te Wankum), Hendrik van Baerle, Dederik Spuelre, Willem van Brede, Tilman van Wevelinghoven, Henken van Heeswick, Wessel, Bouwer, Frederik de Grüter en Peter Greve.

Op 11 januari 1394 beleent Willem van Gulik, hertog van Gelre, Heinric van Baerle Heinricsoen met de hof tot Baerle c.a. Hij is opvolger van Johan van Baerle, ridder, mogelijk zijn oom. Opvolger van Hendrik in 1404 is zijn zoon Hendrik van Baerle.

Op 6 juli 1395 'op andach sent peters en de pauwelsdach apostelen' verklaren Johan van Kessel, ridder, Mathijs van Kessel zijn zoon, en Henric van Baerle, dat aangezien Johan van Kessel aan Arnold Neutken en zijn echtgenote Lise, burgers van Roermond, heeft overgedragen de hof genaamd groet Maris, gelegen in het kerspel van Helden, zij vrijwaring verlenen wegens aanspraken tot een jaar na de dood van Johan van Kessel.

Uit dit huwelijk:

1.   Hendrik van Baerle van Krieckenbeck, dedingsman, overleden < 22 februari 1451. Gehuwd met Elisabeth Krenkens, overleden < 22 februari 1451

2.   Willem van Krieckenbeck van Baerle

3.   Arnold van Baerle

 

342626. Emont van Pardelaer, ridder, overleden > 3 mei 1418

In de herfst van 1387 zendt Philips hertog van Bourgondië 500 lansen te velde tegen de hertog van Gelre. Deze troepen bezetten Gangelt en Waldfeucht. De ambtman van Kriekenbeck roept zijn ridderschap op: Willem, Arnt en Johan van Kriekenbeck, Herman, Gijsbrecht en Johan van Bocholtz, Wolter en Sweder van Wachtendonk, Sweder van Vlein, Alart van Tisch, Sibrecht, Hendrik, Arnken en Goetsen Spede, Emont van Pardelaere, Sander en Tilman van Wevelinghoven, Dederik en Johan ingen Rode, Willem Budel, Hendrik van Baerle, Willem van Brede, Goessen op den Kelre, Vlecken, Peter Greve, Wolter van Nersdum, Goddart Ruffart, Henken van Heeswick, Jacob van Leisteren, Lemken van Roggel en Frederik de Grüter. Viersen en het land van Kriekenbeck trekken 600 gulden uit voor de verdediging (31 riddermatigen dan wel leenmannen tot krijgsdienst verplicht). Hendrik van Wickrath, ambtman van Kriekenbeck, ligt met 15 lansen en gezellen 4½ week te Caster. Zijn gezellen zijn Herman van Issem, Willem van Kriekenbeck, Erken en Goetsen Spede, Johan inghen Rade, Johan van Bocholz, Sweder van Vlein, Willem Budel, Emont van Pardelaer (woont te Wankum), Hendrik van Baerle, Dederik Spuelre, Willem van Brede, Tilman van Wevelinghoven, Henken van Heeswick, Wessel, Bouwer, Frederik de Grüter en Peter Greve.

Op 3 mei 1418 sluiten Gerard van Vlodrop, ridder, erfvoogd van Roermond, Rabold van Brempt, ridder, Willem van Broekhuizen, erfhofmeester van Gelre, Willem van Kriekenbeek, Rutger van Vlodrop, Dirk van Wickrath, Johan van Oijst, Willem van Kessel, Johan Hermanszoon van Boedberg, Steven van Brempt, Gerard van IJshem, Arnold van Blitterswijk, Bernard van Eijle, Tilman van Eijle, Rutger van Brede, Winrick van Wijdrade, Johan van Wachtendonk, Johan van Boedberg, Johan van Boecholt, Hubrecht van Broekhuizen, Goswijn Spede, Karel van Boedberg, Heinric van Blitterswijk, Zander van Boedberg Hermanszoon, Reinard van Brempt, Seger van der Horst, Zietze van Brede, Willem van Elmpt, Johan van Vrijmershem, Gerard ingher Oe, Heinric van Baerle, Gadert van Bucholt, Zweder van Wachtendonk, Heinric van Wachtendonk, Emont van Pardelaer, Elbrecht Everarszoon van Eijle, Giselbert van Karken, Zeger Johanszoon van Kessel, Johan van Daswijlre, Arnolt Scriver van Kessel, Godert Roffaert van Kessel, Gerard Roffaert, Andries Heithuizen, Heinric Fransoijcs, en Willem van Kessel, bastaard, knapen des lands van Gelre van der Niersen opwaarts, en burgemeesteren, schepenen en raad der steden Roermond, Geldern, Goch, Venlo, Erkelenz, Nieuwstad, een verbond om een eendrachtig te blijven, ook met de andere drie kwartieren, de rechten te handhaven indien de hertog van Gulik en Gelre zonder wettige nakomelingen zal overlijden.

Kinderen:

1.   Elisabeth van Pardelaer

 

342628. Sijtze Sibrechtsz van Bree, zoon van (?) Brant van Brede, geboren ca. 1375, overleden < 16 juni 1451

Gehuwd < 9 maart 1407 met

342629. Heijlwich NN, overleden > 16 juni 1451

Op 4 april 1396 verklaart Wilhelm Brant van Brede met toestemming van zijn broer Zeetse, dat hij een erftijns van 36 oude groten Tournoois, die zij te vorderen hebben uit Holtappels goed en erf gelegen te Holtblerijck in het kerspel Blerijck, heeft verkocht aan Johan Greveraede den Kremer en zijn vrouw Katherijna. Met zegels van Willem Brant van Brede, Zeetse van Brede en Rutger van Brede.

Op 7 juni 1401 'octaaf van sacramentsdag' koopt Seetze van Brede van Johan die Roever en Griet, dochter van Brant van Brede, echtelieden, een erfpacht van een malder rogge. Op 10 juni 1401 'des achtendaghes na des heijligen sacramentsdach' verkopen Johan die Roever en Griet, dochter van Brand van Brede, echtelieden, aan Zeetse van Brede Zibrechtssoen, een jaarrente van 1 malder rogge erfpacht 'venscher maten', jaarlijks op St Andries te leveren door JOhan Stoter die voor deze levering een bunder heide achter zijn schuur te Maasbree als onderpand heeft gesteld, die laatgoed is van de verkopers. Namens de vrouw zegelt haar oom Rutger van Brede. Op 18 oktober 1403 'des derden dages nae sunte lenartsdage' verkopen Johan van Borla en Elisabeth, dochter van Johan van Lockum, echtelieden, aan Seijtze van Brede een erfrente van 6 malder rogge. Medezegelaar is Sander Vijnck. Op dezelfde dag 'des derden dages nae sunte lenartsdage des heiligen marsscalk' belooft Jan van Borla aan Setsse van Brede en diens erfgenamen te houden in een erfrente van 6 malder rogge te Holthusen. Medezegelaar is Jan van Dert.

Op 9 maart 1407 'derde dag voor st gregoriusdag' verklaart Egbert van Holthuijsen voor schepenen van Maasbree aan Seetze van Brede en diens vrouw Heijlwich 400 Gelderse guldens schuldig te zijn en stelt als onderpand de halve molen te Rijnkensvoert te Maasbree. Op 15 maart 1407 'des derden dachs nae gregoriusdach des confessoirs' verklaart Egbert van Holthuijsen aan Zeetse van Brede en Heijlwich, echtelieden, 400 Gelderse guldens schuldig te zijn en stelt als onderpand de halve molen te Rijnkensvoert. Oorkonders zijn de schepenen van Maasbree en medezegelaar is Rutgher van Brede. Op 3 juli 1415 verkoopt Egbert van Holthuijsen Geretssoen aan Seetze van Brede, een erfrente van 14 malder rogge venlose maat gaande uit zijn molen de Rijnkensvoert te Maasbree, die hij in erfpacht houdt van de hertog van Gelre. Dierick van der Heiden, schout, zegels namens de schepenen van Maasbree, die geen zegel hebben. Op 11 november 1415 verkoopt Mathijs van Holthuijsen Geretszoon aan Seetze van Brede 7 malder rogge venlose maat 's jaars uit zijn halve molen te Rijnkensvoert te Maasbree wegens 27 Gelderse guldens à 13 alde vlaams per malder betaalde hoofdsom. Mathijs van Holthuijsen, Goedert van der Voert en Gheraet van Honthuijsen, bastaard van Gherit van Honthuijsen, verklaren de hoofdsom aan Seetze te zullen lossen. Op 11 november 1415 'op sente mertijnsdach episcopus' verklaren Mathijs van Holthusen, Goedert van der Voert en Geraert van Honthusen Gheritzoon, aan Ziets van Brede 7 malder erfrogge schuldig te zijn. Op 20 december 1415 'op sente domaesavont' verkoopt Egbrecht van Honthusen Geretssoen aan Zietsen van Breij een erfrente van 14 malder rogge, gaande uit de halve windmolen te Maasbree toe Rinkensvoert. Oorkonders zijn Dierick van der Heiden, scholtis en schepenen van Maasbree.

Op 3 mei 1418 sluiten Gerard van Vlodrop, ridder, erfvoogd van Roermond, Rabold van Brempt, ridder, Willem van Broekhuizen, erfhofmeester van Gelre, Willem van Kriekenbeek, Rutger van Vlodrop, Dirk van Wickrath, Johan van Oijst, Willem van Kessel, Johan Hermanszoon van Boedberg, Steven van Brempt, Gerard van IJshem, Arnold van Blitterswijk, Bernard van Eijle, Tilman van Eijle, Rutger van Brede, Winrick van Wijdrade, Johan van Wachtendonk, Johan van Boedberg, Johan van Boecholt, Hubrecht van Broekhuizen, Goswijn Spede, Karel van Boedberg, Heinric van Blitterswijk, Zander van Boedberg Hermanszoon, Reinard van Brempt, Seger van der Horst, Zietze van Brede, Willem van Elmpt, Johan van Vrijmershem, Gerard ingher Oe, Heinric van Baerle, Gadert van Bucholt, Zweder van Wachtendonk, Heinric van Wachtendonk, Emont van Pardelaer, Elbrecht Everarszoon van Eijle, Giselbert van Karken, Zeger Johanszoon van Kessel, Johan van Daswijlre, Arnolt Scriver van Kessel, Godert Roffaert van Kessel, Gerard Roffaert, Andries Heithuizen, Heinric Fransoijcs, en Willem van Kessel, bastaard, knapen des lands van Gelre van der Niersen opwaarts, en burgemeesteren, schepenen en raad der steden Roermond, Geldern, Goch, Venlo, Erkelenz, Nieuwstad, een verbond om een eendrachtig te blijven, ook met de andere drie kwartieren, de rechten te handhaven indien de hertog van Gulik en Gelre zonder wettige nakomelingen zal overlijden.

Op 5 juni 1424 'op sent boenefaciidach confessoeris' verklaren Bernt inghen Hoef en Greijt, dochter van Zeitse van Breij, echtelieden, af te zien van goederen, die hun mochten toevallen van Zeitse van Breij en Heilwich, echtelieden. Oorkonders zijn de schepenen van Bree, zegelaar is Johan den Roever, richter.

Op 12 maart 1427 'op sint gredoriusdaech' beleent Jan de Roever, ridder, Seetse van Brede met 26 malder rogge die Jan in leen hield van het goed tgen Hoeve te Brede, in het dorp gelegen. Medezegelaars zijn Wilm van Kessel, neef, en Johan van Eijck, zwager, leenmannen van de oorkonder. Op 3 juli 1430 keurt Arnold, hertog van Gelre, goed dat Alert van Bueren en Fije, echtelieden, aan Sietze van Brede en Helwig, echtelieden, verkopen de windmolen van Rijnkensvoert te Maasbree, onder voorbehoud van de erfpacht die de hertog geniet. De molen is banmolen voor die van Helden onder boete van 5 mark voor de hertog en op verbeurte van het meel voor de molenaar. De banaliteit wordt bevestigd door getuigenverklaringen van 1429. De hertog zal niet toestaan dat er nog een molen gebouwd wordt tussen Sevenum en Kessel.

Op 16 juni 1451 'des guedensdaghs nae den heijlige pijnxtdage' delen Peter en Sijbrecht, zonen van wijlen Zeetze van Brede en Heijlwige, echtelieden, diens goederen. Peter verkrijgt het hof IJnkenvoirt te Baarlo en goederen te Oijen, Broekhuizenvorst, Blerick en Maasbree. Sijbrecht krijgt de hof op Westeringe (te Maasbree), een hof te Blitterswijck en goederen te Sevenum, Grubbenvorst, Kessel en Helden.

Uit dit huwelijk:

1.   Peter Zeetsesz van Bree

2.   Sijbrecht Zeetsesz van Bree, overleden 1474-1476. Gehuwd < 1416 met Margaretha van Krieckenbeck, overleden < 1 april 1476

3.   Greijte Zeestes van Bree. Gehuwd < 5 juni 1424 met Bernt inghen Hoeff

4.   Elisabeth Zeestes van Bree, overleden > 1479. Gehuwd met Gijelis van Horrich, overleden > 25 juli 1474

 

342632. Arnold van Dursdael, schepen van Roermond (1428), overleden > 1457

Gehuwd met

342633. Hillegunde NN, overleden > 22 april 1441

Op 12 juli 1428 'op sent margrietenavent virginis' verklaren Johan van Baexen, Dederick van Wessem, Mathijs van Gangelt en Aernolt van Dorsdale, schepenen te Roermond, dat twist is gewest tussen de abdij van Onze Lieve Vrouw Munster en Reijnart Smede en Else, echtelieden, en Griet, haar zuster, over een keurmede ten laste van Andrijesch Koufert van 7 bunder land, waarvan de abdij 2 bunder bezat. Iedere partij draagt voortaan zijn aandeel in de keurmede.

Op 25 juli 1435 is Arnold van Dursdoel getuige namens de bruidegom bij de huwelijkse voorwaarden tussen Johan Hillen en Mettele van Loeven, weduwe van Lambert van der Kraecken. Op 22 januari 1439 verkoopt Johan III van Broekhuizen, heer te Wickrath, een jaarrente van 25 malder haver uit het kerspel Süchteln, genaamd Voogdleen, half aan Arnold van Dorsdale en half aan Barbara, dochter van Reinald van Wachtendonk.

Sander van Asselt Goderdzoon verkoopt in 1457 aan Arnold van Dorsdale 25 malder haver erfpacht in Süchteln.

Uit dit huwelijk:

1.   Rabeth van Dursdael de oude

 

342640. (?) Sijbert van Eijll, overleden < 25 mei 1448

Uit 1406 dateert de Cijnsrol van het Huis Baerlo. Hierop komen onder andere goederen voor van Sijbert van Eijll, Rutger van Brede, Henrick van Kessel, Peter van Inckevoirt, Gubbel in den Stegen en Otto van Holtmolen.

Op 25 mei 1448 'op sente urbaensdage pape' verklaren Tilman, Johan en Willem van Eijll, broers, zonen van wijlen Tilman, Willem van Goer, heer te Vronenbroek, Willem en Thijs van Eijll, broers, wijlen Elbertzoons (Sijbertszoons ?), Johan Petruszoon van Eijl en Elbert van Eijll, drost te Geldern, aan Johan van Boidberg Karlszoon 500 overlandse rijnsguldens schuldig te zijn.

Op 6 januari 1458 verkoopt Wolter van Eijlle land zoals hij in leen had van Willem van Eijle heer Sijbertszoon, zijn neef. Wolter is vermoedelijk zoon van Diederik van Eijll en Hillegart. Diederik is dus de oom van Willem en Matthijs en de broer van Sijbert van Eijll. In 1399 is vermeld een Diederik van Eijll als bastaard van Elbert van Eijll.

Uit dit huwelijk:

1.   Willem Elbertsz van Eijll, overleden > 6 januari 1458

2.   Mathijs van Eijll

 

342642. Alard van Broekhuizen, zoon van Willem van Broekhuizen en Agnes de Cock van Waardenburg, overleden 1448-1451

Gehuwd > 1415 met

342643. Maria van Daert, overleden > 1482

In 1425 verpandt Willem Frederikzoon van Wevelinghoven slot en heerlijkheid Grebben aan Alard van Broeckhuijzen voor 6000 gulden, die Willem schuldig is aan Hendrik Schenk van Nijdeggen.

Op 10 december 1451 wordt de scheiding en deling der goederen gemaakt van wijlen Johan van Broeckhuijsen, ridder, heer te Geisteren en Loe, en diens weduwe Anna van der Straten. De kinderen Agnes en Margriet van wijlen Alart van Broeckhuijsen krijgen 3000 rijnsguldens uit Loe en 2000 rijnsguldens uit Geijsteren. Op 12 december 1452 zal Maria van Baere, weduwe van Alaert van Broichusen, Mathijs van Eijll schadeloos houden wegens borg staan bij Anne van Broichusen-van der Straten voor 300 overlandse rijnsguldens.

Uit dit huwelijk:

1.   Agnes van Broekhuizen

2.   Margriet van Broekhuizen, overleden < 1482. Gehuwd > 1451 met Johan van Boedberg, erfmaarschalk van Gelre, heer van kasteel Haag bij Geldern, overleden > 1482

 

342644. Daniël IV van Ghoor, heer van Aldenghoor, ambtman van Horn, zoon van Arnold van Ghoor en Catharina van de Weijer, geboren ca. 1390, overleden 7 april 1451, begraven in de kerk te Haelen

Gehuwd < 10 juni 1428 met

342645. Gertrudis van Caldenbroeck, dochter van Alard Vlecke van Caldenbroeck en Elisabeth van Tegelen, overleden 1472, begraven in de kerk te Haelen

Afbeelding links het zegel van Daniel van Ghoor in 1440. Diameter 29 mm. Randschrift: 'Sigillum Danel van Ghoer'. RAO, Archief kasteel Rechteren, inv.nr. 407.

Gertrudis is op 15 juni 1414 beleend met het Huis Kaldenbroek en de hof te Lomm, als erfgename van haar vader, behoudens haar moeder Lijsbeth den lijftocht.

Op 2 februari 1417 delen Johan, Willem en Daniël van Goor, gebroeders, en Kathrijne van de Wijer, vrouwe te Goor, hun moeder, en Kathrijne en Aleide van Goor, gezusters, nonnen te Bilsen, en Johanna van Goor, hun zuster, de ouderlijke erfenis. De vrouwe behoudt levenslang Huis en hof ten Wijer met molen, panhuis, cijns, keurmeden. De hof te Lotbroek zal men verkopen en uit de opbrengst wordt de schuld van 2400 rijnsguldens aan Johan van Hoekirken betaald die op Wijer rust. Verder ontvangt Johanna 500 rijnsguldens voor haar kindsdeel. Johan krijgt Huis te Goor in het Maasland en de heerlijkheid Pol en Meijel. Het zal daaruit aan zijn tante, de vrouwe van Asten 1500 rijnsguldens schuld betalen. Willem erft het riddergoed ter Weijer onder Heerlen, na de dood van zijn moeder, de hoeve Lotbroek onder Hoensbroek en die van Mooker Oe. Hij betaalt daaruit 500 rijnsguldens. Willem is na de dood van zijn broer Jan heer van Ghoor, Vronenbroeck en Meijel. Daniël krijgt de hof te Ophaven in het land van Borne, de goederen te Sittard, Geleen en Susterseel en de renten en cijnsen van Poll en Panheel. Katherina en Aleijt een lijfrente van 17 malder rogge uit de hof te Hulhave en in het land van Wassenberg 15 malder en uit het goed the Gleene 9 rijnse guldens. Na de dood van de moeder ontvang Willem de hof te Wijer en zal daaruit zijn broers betalen. De-dingslieden zijn Gerard van Vlodorp, ridder, erfvoogd te Roermond, Lizabette van de Wijer, vrouwe te Leute, Claes van der Donck en Lamken van Goor, bastaard. Op 9 februari 1433 'des neesten maendagh nae onser liever vrouwenlichtach' verklaren Johan en Daniël van Ghoer, gebroeders, bij transfix dat hun broer Willem van Ghoer hun 1500 rijnsguldens heeft betaald die hij schuldig was na de dood van hun moeder. Medezegelaar is hun neef Johan van Ghoer Lambrechtzoon.

Op 10 juni 1428 ruilen Daniël van Ghoere en Gertrude van Kaldenbroek, echtelieden, en Wilhem van den Bongart en Goetgin van Licke, echtelieden, van eigendom. Daniël en Gertrude verkrijgen de hof zen Alden Ghoere met land, cijns, pacht, keurmeden, kapoen en een erfpacht te Roggel. Wilem en Goetgin ontvangen hof, land, beemd enz in Ophoven bij Sittard. Zegelaars zijn Daniël en Willem en Johan van Ghoere, Willem van Ghoere, Aleit van Ghoere, Goedert Dobbelstein van Doenrade als man van Katharina van Ghoer, Goedart van Boeckhout als man van Johanna van Ghoer en verwanten van Willem van den Bongart. Op 4 september 1428 'op den neisten satersdagh na sent johansdach decollatio' beleent Frederik graaf van Meurs, heer van Born, momber van het land van Horn, Daniël van Goir met de hof tzen Alden Goir c.a. en 15 malder rogge erfpacht in het kerspel Roggel, verkegen na ruil met Willem van den Bongarde.

Op 24 maart 1432 'op onss liever vrouwenavent annuncionis' is Daniel van Ghoer medezegelaar bij de ruil van het hof c.a. op de Vijsscher Oe met abdis en convent van Onze Lieve Vrouw te Roermond door Willem van Ghoer en Arnolt zijn zoon, tegen de Kloosterhof te Heel. Op 22 augustus 1435 wordt Daniël van Ghoor namens zijn echtgenote Geertruid beleend met de Kaldenbroekse goederen. Op 7 juni 1440 maken Dierick van Hetterscheit, Dierick van Eijll, Sander van den Eger, Wolter van Eijl, Danell van Goer, Gerart Vaeck, Tielman van Eijll en Johan van Dart huwelijkse voorwaarden tussen Johan van Eijll Berntszoon en Agnes van Drijpt Johansdochter.

Uit dit huwelijk:

1.   Alart van Goor van Caldenbroeck

2.   Arnold van Goor van Caldenbroeck, landrentmeester van de hertog van Gelre (1435-1438), heer van Aldenghoor, overleden < 1500. Gehuwd met Alverta van Oost, overleden 1531

3.   Johanna van Goor van Caldenbroeck

4.   Catharina van Goor van Caldenbroeck, overleden > 9 april 1472. Gehuwd met Gerard Haex in der Heggen, overleden < 9 april 1472

5.   Elisabeth van Goor van Caldenbroeck, priorin der Munsterabdij te Roermond

 

342646. Mathijs van Kessel, zoon van Sibert van Kessel en Bela van Groesbeek, geboren ca. 1400, overleden < 22 september 1445

Gehuwd met

342647. Merte van Brempt, overleden > 22 september 1445

Op 8 april 1440 verklaren Gerat Haeck en Reijner van Breempt, voogden van Sibrecht, IJrmgard en Bele van Kessel, dat Katherijne van Krekenbeck, weduwe van Heijnrick van Kessel en haar zwager Gerat van Kessel, het vruchtgebruik en andere rechten van haar hoeve Nederhoeven te Offenbeck hebben overgedragen aan het klooster in Genooij. Als onderpand voor de goede gang van zaken stellen zij hun boerderij te Bunneshoeve in de heerlijkheid Wickerath. De opbrengst van de boerderij, in totaal 850 rijnse gulden, wordt door het klooster rechtstreeks uitbetaald aan diverse schuldeisers.

Op 22 september 1445 oorkondt Gerard Haeck van Thorn, als momber van Sibrecht, Irmgard en Bele van Kessel, kinderen van wijlen Mathijs en Merte van Breempt, echtelieden, dat voor hem en de leenmannen Derick van Raede, burger van Venlo, en Thijs van ghen Hoeve van Hinsbeck, Margrete van Kessel genaamd Rofferts en Seger van der Horst, haar momber, overdraagt aan het kruisherenklooster St Cornelis te Roermond een chirograaf inzake de helft van de hof en leengoed te Nederhoven te Offenbeek in het kerspel Beesel en Tegelen, die wijlen Heijnric van Kessel genaamd Roffart had. Medezegelaar Gerard van Kessel genaamd Roffart. De andere helft van de boerderij, namens het klooster 'Sent Katherijnen in Marijen Daile geheiten Inghen Oijden in den gericht van Venlo' in leen gehouden door Gerat van Menss uit Venlo, wordt rond 1449 overgedragen aan de Kruisheren. Van Menss wordt door Gerard Haeck ditmaal met het volledige leengoed beleend.

Uit dit huwelijk:

1.   Sibrecht van Kessel, overleden < 16 oktober 1473

2.   Irmgard van Kessel

3.   Bela van Kessel

 

353598. Hubrecht NN

Gehuwd met

353599. Machteld Gerrits Paert, dochter van Gerijt Jansz Paert en Adriana Gerrits, geboren te Scheveningen, overleden 2 juli 1526 te Scheveningen

Machteld vererft het collatierechts en de rente van de vicarie van Ursula, Hubertus, Maria, Petrus en alle Heiligen en dat van St. Anthonius te Scheveningen van haar broer Adriaen Gerrits, de kinderloos overleden schepen van 's Gravenhage.

Uit dit huwelijk:

1.   Pleuntje Hubrechts

 

416768. (?) Har Zuermont

Kinderen:

1.   Roelof Zuermond van Wijckersloot

2.   Steven Zuermont van Wijckersloot. Gehuwd met Lutgard NN. Gehuwd met Geertruijd Roelof Goes

 

416896. Korstiaen van Voerst, zoon van Johan van Voerst, geboren ca. 1330 te Rhenen, overleden > 1393, begraven in de St. Pauluskerk te Utrecht

Gehuwd < 1370 met

416897. Alijt Gerrits van Isselstein

Korstiaen is in 1360 vermeld als 'Korstiaen van Voerst Johannes soen van Renen borger tUtrecht'. 'Ontrent den jaere 1380 leefden Christiaen van Voorst borger tUtrecht als men can speuren uuijt seeckeren gerechtsbrieff ende hadde drie soonen. Ick meene dat sijn vader Christiaen was genaempt ende sijn huijsfrou Alijt Gerrisdochter van Isselstein ao. 1397 nisi ad filium huius Christianum haec sint referenda'. In 1393 is vermeld 'Korstiaen van Voerst ende Alijt sijn wijf ende haere husinge tusschen de Niegraft ende Nustraet bij S. Pauwelsstege'.

Uit dit huwelijk:

1.   Christiaen van Voerst, overleden 1421

2.   Gerrit van Voerst

3.   Johan van Voerst

4.   Borwicht van Voerst. Gehuwd met Gerard Bogaert

 

417524. Reinald II 'de zwarte' van Gelre, graaf van Gelre (1326-1339), hertog van Gelre (1339-1343), zoon van Reinoud I van Gelre en Margaretha van Dampierre, geboren 1295, overleden 12 oktober 1343 te Arnhem. Gehuwd op 11 januari 1311 te Roermond met Sophia Berthout van Mechelen, geboren ca. 1305, overleden 6 mei 1329, begraven in het klooster 's Gravendaal

Gehuwd op 22 mei 1332 in de Sint Stevenskerk te Nijmegen met

417525. Eleonora van Engeland, dochter van Edward II van Engeland en Isabella van Frankrijk, geboren 8 juni 1318 te Woodstock (GB), overleden 22 april 1355 te Deventer, begraven in de Broerenkerk te Deventer

Links een afbeelding van Reinald's zegel van 6 januari 1322. Het zegel komt voor het eerst voor op een stuk van 4 november 1316 en voor het laatst op 20 mei 1323. De voorstelling op het zegel is een jonggraaf te paard, naar rechts rijdende, met een vogel op de linkerhand en een hond tussen de benen van het paard. Het randschrift is "SIGILLUM: REINALDI 1. PRIMOGENITI 1. COMITIS : GHELRIE'.

In september 1331 organiseert Eleonora's broer Edward III, die in 1330 de macht had gegrepen, een riddertoermooi om Eleonora's volwassenheid te vieren. Zij is dertien jaar oud geworden. Zij krijgt haar eigen hofhouding en er wordt naarstig naar huwelijkskandidaten gezocht. Nadat een aantal koninklijke gegadigden zijn afgevallen, schuiven de graaf van Holland en de Duitse keizer de bijna 40-jarige weduwenaar Reinald II van Gelre naar voren. Deze maakt net als zij deel uit van een bondgenootschap met Engeland. In het huwelijkscontract belooft koning Edward vrije overtocht, een geheel ameublement voor haar woning en 10.000 pond sterling. Graaf Reinald verzekert haar een jaarlijks inkomen van 14.000 vlaamse ponden uit de belastingen van de Veluwe, om haar staat als gravin op te houden, plus een weduwegoed mocht hij voor haar komen te overlijden. Verder wordt bepaald dat de vier dochters uit Reinald's eerste huwelijk, bij erfopvolging worden gepasseerd door Eleonora's kinderen.

Eleonora vertrekt met alle mogelijke pracht en praal op 28 april 1332 naar Gelre. Ze arriveert op 17 mei in Nijmegen en vijf dagen later wordt het huwelijk ingezegend door Jan van Diest, bisschop van Utrecht. Alle edelen uit Gelre en Zutphen zijn aanwezig. Ter ere van de jonge gravin, wordt een groot steekspel georganiseerd. Een menigte zangers en speellieden zijn in Nijmegen aangekomen en vermaken het volk met hun luiten, vedels, tamboerijnen en trompetten. Ook zijn er kamerspelers die gebeurtenissen uit de bijbelse of wereldlijke geschiedenis naspelen. Het feest duurt enkele dagen. Rechts een afbeelding van Eleonora.

Het paar neemt zijn intrek op kasteel Rozendael (zie afbeelding links uit 1577). Vanwege zijn steun aan Engeland, wordt Reinald in 1339 door de keizer begiftigd met de hertogstitel van Gelre.

Na de geboorte van hun tweede zoon, Eduart, ontstaan er grote problemen in het huwelijk van Reinald en Eleonora. Dit kan herleid worden uit het verslag van de Duitse kroniekschrijver Hendrik van Herford. Hij beschrijft hoe Reinald verwarder wordt en steeds zwaarder gaat leunen op zijn voornaamste raadgever, de Arnhemse proost Jan Moliart. Om de hertog te beschermen, sluit Moliart hem op in zijn eigen vertrekken en zorgt dat er niemand meer in zijn buurt kan komen. Eleonora wordt in 1336 van het hof verbannen, omdat Moliart beweert dat zij aan melaatsheid lijdt. Mogelijk verblijft Eleonora tijdens haar verbanning in Deventer, waar zij uit haar eigen middelen de bouw van de kloosterkerk van de Franciscanen bevordert.

Om te trachten een eind te maken aan haar verbanning, gaat ze te voet naar Nijmegen. Ze weet dat Reinald daar de voornaamste raden ter vergadering bijeen heeft geroepen. Met aan iedere hand een zoon, komt Eleonora plotsklaps de vergaderzaal van het Valkhof binnenvallen. Eleonora werpt haar mantel af en vervolgens haar fijne zijden onderkleed. Met blote boezem staat ze fier rechtop voor de hertog en zegt: "Mijn heer, hier ben ick, deemoedelijk en vorderende, dat over 't gebreck van mijn lichaam mij aengestreden kennisgenoomen werde, en oogenschijn of ick eenigh quaed zeer ofte vuijligheijd op en onder de leeden hebbe, dan eer gaef en fris ben, gelijk een vrouw behoord te weesen. Dier haer aen mijn zijd staen zijn onse kinderen, die van gestaltenis en zeeden hun vader niet en zijn te ontkennen. Zulke vruchten hadden wij buijten twijffel meer bijeen verweckt, indien de klappers tusschen beijde niet waren gelopen. Daer sal een tijd koemen, dat Gelderland, ziende hare vorsten met ons zaed uitgestorven, dese scheijdinge sal betraenen'. Reinald en de raden zijn diep getroffen. Na deze affaire verzoent Reinald zich met Eleonora, en op kasteel Rosendael wordt een groot verzoeningsfeest gegeven.

Na de dood van Reinald, in 1343, klaagt Eleonora Moliart aan. Tijdens de zitting van het gerechtshof verschijnt ze met haar beide zonen. Zij beschuldigt de proost van zelfverrijking en van het wederrechtelijk gebruik van het hertogelijk zegel. Om Moliarts verhaal over haar vermeende melaatsheid te ontkrachten, ontbloot zij haar arm voor de rechters en alle andere aanwezigen en roept: "Zie of mijn lichaam rein is ! Deze zoon der boosheidm heeft mijn man voorgelogen dat het onrein zou zijn". En wijzend op haar zonen zegt ze: "Ziedaar twee knapen van buitengewone schoonheid. Als dit schandelijk schepsel er niet geweest was, zouden er nog drie of vier geweest zijn". Eleonora eist de doodstraf voor de proost, maar moet zich schikken in het vonnis van gevangenschap voor Moliart.

Vanaf 1343 treedt Eleonora op als regentes voor haar nog minderjarige zoon. Hoewel haar regentschap officieel wordt aanvaard, ontstaan er toch moeilijkheden als een achterneef van haar overleden echtgenoot, Jan van Valkenburg, als mederegent wil optreden. Al in 1344 gaat de dan elfjarige Reinald III in naam zelfstandig handelen. Eleonora trekt zich na 1344 terug uit het openbare leven. Zij gebruikt voortaan de titel 'Vrouwe van de Veluwe' naar het gebied dat zij als weduwengoed heeft gekregen. Zij doet vooral van zich horen als begunstiger van de verschillende kloostergemeenschappen binnen en buiten Gelre. Zij heeft een grote sympathie voor de orde van de clarissen, en op het einde van haar leven reist ze langs de verschillende clarissenkloosters. Haar laatste jaren woont ze in Deventer.

Eleonora komt voor in een mirakelverhaal van de heilige Cunera van Rhenen. Bij een bezoek aan de relieken van deze heilige wil de hertogin een aantal draden van de wurgdoek ('dwale') hebben waarmee Cunera vermoord zou zijn. De heilige was volgens de legende een Engelse prinses, en dus een 'nicht' van haar. Ze krijgt de draden mee, maar op het moment dat Eleonora met de relieken wil vertrekken, weigeren de paarden in beweging te komen. Zo realiseert zij zich dat dit het werk van God en Cunera is. Eleonora brengt de draden met groot eerbetoon en met geschenken terug naar de kerk, waarna zij in vrede met haar gezelschap verder kan reizen.

Uit dit huwelijk:

1.   Reinald III 'de dikke' van Gelre

2.   Eduart van Gelre, hertog van Gelre (1361-1371), geboren 1336, overleden 22 augustus 1371 te Baesweiler. Gehuwd in 1371 met Catharina van Beieren

 

426016. Otto Nikolaasz Koel

Op 7 februari 1420 is Otto Koel Nikolaasz beleend met 2 morgen in Culemborgerbroek op Rietveld, strekkend van de nieuwe wetering tot de Rietveldse weg, boven erven Willem van Rumelaer, beneden een hoeve waarvan de helft behoort aan een altaar in de kerk van Culemborg, dat de heer Jan Spronck bezit, en de andere helft broeder Jan Spronck met leen van Culemborg. Op 4 februari 1422 wordt Nikolaas Koel beleend. Tussen 1423 en 1453 wordt Otto Nikolaasz beleend met 2½ morgen in het Nieuwe Slag, genaamd Geren, enerzijds Nikolaas Ottenz en een altaar in de kerk van Eck, beneden de hoofdgraaf van Huismaat.

Op onbekende datum wordt Gijsbert, bastaard van Culemborg, beleend met 4 morgen 2 hont 14 roeden, die Gerard Pieter Koksz en Otto Nikolaasz verbouwden.

Kinderen:

1.   Nikolaas Koel

2.   (?) Gerijt Koel

 

426020. Peter van Dichteren, gasthuismeester van het St. Petersgasthuis te Culemborg (1392-1400), geboren ca. 1370, overleden > 1415

Uit dit huwelijk:

1.   Wouter van Dichteren

2.   Arnout van Dichteren. Gehuwd met Janna NN

 

426022. Jan Gijsbertsz Hack, schepen en burgemeester te Culemborg, stichter van de H. Geestvicarie in de St. Barbarakerk te Culemborg, geboren ca. 1385 te Culemborg, overleden 1466-1470

Gehuwd met

426023. Geertruijt Gosen van Pothuijsen, dochter van Gozewijn van Pothuijsen en Bartraet NN, geboren ca. 1390 te Culemborg, overleden > 1468

Op 18 september 1466 wordt Johan Gijsbertsz beleend met een viertel in Goilberdingen met 11 morgen door Gerard Coel, bij opdracht uit eigen, te komen op Hendrik, zoon van Wouter van Dichteren en Geertruida, zijn dochter, of Gijsberts, diens broer, met lijftocht van Geertruida, dochter van Gozewijn van Pothuizen, zijn vrouw, Wouter van Dichteren en diens vrouw. Op 14 mei 1470 gaat het leen op Aleid, dochter van Wouter van Dichteren, gehuwd met Gerard Coppier, eventueel te komen op Hendrik, haar broer, of Jutte, hun zuster, met lijftocht van haar man.

Op 18 september 1466 is Johan Gijsbertsz beleend met twee strepen in Goilberdingen, strekkend van de Parijse straat tot de leenheer met zijn waard, vermeerderd met de helft van 4 strepen aldaar, gemeen met Wouter van Dichteren. Op 12 november 1470 gaat het leen naar Hendrik Cool voor Elisabeth, dochter van Wouter van Dichteren, zijn vrouw, bij dode van Johan Gijsbertsz.

Op 18 september 1466 is Johan Gijsbertsz beleend met de helft van vier strepen land op Goilberdingen, gemeen met 2 strepen die Jan Gijsbertsz houdt van Culemborg, strekkend van de Diefdijk tot de Lek, boven de Capellenakker te Goilberdingen, beneden de Diefdijk. Het leen te komen op Hendrik, zoon van Wouter van Dichteren en Geertruida, zijn dochter, of Gijsbert, diens broer, met lijftocht van Geertruida, dochter van Gozewijn van Pothuizen, zijn vrouw, Wouter van Dichteren en diens vrouw.

Op 18 september 1466 wordt Jan Gijsbertsz beleend met een huizing en hofstede, tuin en getimmerte met het voorste huis aan de Voorstraat en het achterste aan de Achterstraat in Culemborg, bij opdracht uit eigen met lijftocht van Geertruida, vrouw van Wouter van Dichteren, zijn dochter.

Uit dit huwelijk:

1.   Geertruijt Jan Gijsberts

 

427628. Boijkin Gerard Boijkinsz, zoon van Gerard Boijkinsz

Kinderen:

1.   Gerard Boijen (Gerard Boijkin Gerard Boijkinsz), overleden (?) < 13 juli 1411

2.   Heijmen Boudewijnsz

 

455936. Pieter Willemsz van Zijll, zoon van Willem Foijtkensz van Zijll en Alijt Jans van der Graft, geboren ca. 1440, overleden 6 augustus 1516 te Leiden

Gehuwd met

455937. Alijd Bartholomeus van Swieten, dochter van Bartholomeus van Tetrode en Clementia Gillis van Swieten, overleden 7 april 1529

Op 17 augustus 1493 wordt Peter van Zijl Willem Foeijtkensz van Zijll door de Domproostdij te Utrecht beleend met de helft van 12 morgen land en de helft van 8 morgen land in De Acht Hoeven onder Leiderdorp, gemeen met Jacob van Sonnevelt, na overdracht door zijn broer Gherit van Zijl. Op 19 mei 1517 gaan de lenen over op Willem van Zijll bij dode van zijn vader Peter van Zijll.

Uit dit huwelijk:

1.   Willem Petersz van Zijl, clericus

2.   Claes Pietersz van Zijl

3.   Foij Pietersz van Zijl

4.   Gerrit Pietersz van Zijl

5.   Maria Pieters van Zijl

 

455938. Gerijt Heije

Kinderen:

1.   Margriet Gerijt Heijes

 

465920. Reijnier van Langelaar, geboren ca. 1380

Kinderen:

1.   Jacob Reijniersz van Langelaar

2.   Gerrit Reijniersz van Langelaar, geboren ca. 1410, overleden 1456. Gehuwd met Alijt Jan Herman Henrickz

 

487424. (?) Willem van Snellenberch, knaap (1361), geboren ca. 1330, overleden > 1368

Op 1 maart 1361 getuigt Willem van Snellenberch, knaap, dat heer Otte van IJsselstein als vergoeding voor krijgsdienst, de heer van Voorne bewezen te Vollenhove in diens tocht tegen de hertog van Gelre, een stuk land in Asperen gekregen heeft en dat daarna de heer van Valkenborch hem in Dordrecht er mede beleend heeft om het te houden, zoals hij het van de heer van Voorne hield.

Kinderen:

1.   Peter van Snellenberch