Na aanvankelijk als brouwersknecht
te hebben gewerkt, wordt Pieter in 1800 genoemd als meester brouwer. Hij
gebruikt vanaf dat moment ook Brouwer als achternaam. Hij is opgenomen in
de 'registres civiques', een lijst met stemgerechtigden voor het kiezen
van leden van de municipaliteit (soort gemeenteraad).
Pieter
en Antje zijn redelijk vermogend, wat blijkt uit verschillende aankopen
van onroerend goed tussen 1800 en 1807. In 1800 kopen ze 'één en een
vierden morgen kostelijk guardeniers land, gelegen aan de Noorderweg onder
St. Anna ' voor en bedrag van 600 Carolus guldens
(foto, Noorderweg begin
20e eeuw).
In 1806 kopen ze van Baukje Claes een 'huijsinge waar in
twee kamers en een gang, een ruime schure en verder gerijflijkheden,
mitsgarens een bleekveld, een agter erve met bomen en plantagie, en zulks
met alle losse en vaste goederen, daar bij en aan de huijsinge behoorende'
voor een bedrag van eenduizend en vijfendertig Carolus guldens. Ze
verhuren het huis nog tot mei 1807 aan Baukje Claes voor 5½ stuiver per
jaar
Ergens tussen 1807 en 1818 verruilt Pieter het brouwerschap voor
het beroep van gardenier.
In 1825 overlijdt Antje op 61-jarige
leeftijd. Kort daarna overlijden hun kinderen Ytje en Arjen. Pieter
overlijdt in 1828 op 63-jarige leeftijd. Uit de memorie van nalatenschap,
opgemaakt na zijn dood, blijkt Pieter na te laten 'een huijsinge No. 109,
bestaande uit eene kamer' en 'bouwland groot een bunden en ruim veertig
roeden' allen staande aan de Noorderweg onder Sint Annaparochie. De erfenis
wordt verdeeld onder Coenraad en Hendrikje en kleindochter :Lijsbet
Arjens.