| Coenraad Pieters Brouwer
Geboren 28 juli 1797 te Sint Annaparochie Overleden 31 juli 1849 te Utrecht |
Maria van der Kleij Gedoopt 13 februari 1807 te Wateringen Overleden 20 april 1858 te Utrecht
|
| Coenraad wordt geboren als derde van vier kinderen van Pieter Coenraads Brouwer en Antje Arjens Keijzer. Zijn vader is meester brouwer en naamgever van de familie. De laatste jaren van zijn leven werkt zijn vader als tuinman, samen met Coenraad. | Maria wordt geboren als jongste van zes kinderen van Jillis van der Kleij en Catharina de Brabander. Vier kinderen zijn al vroegtijdig overleden zodat alleen Maria en haar oudere zus Jannetje overblijven. |
|
Tussen 1825 en 1828 sterven Coenraad's vader, moeder, broer en een van twee zussen. Coenraad vertrekt naar het zuiden en sluit zich aan bij het leger van koning Willem I van Oranje. Coenraad heeft zijn grootvader als voorbeeld. Die had de prins van Oranje gediend in Sluis in Zeeland. Uit ontzag voor zijn grootvader, noemt Coenraad zich net als zijn grootvader Coenraad Coenraads. In die jaren is onvrede ontstaan in het katholieke franstalige zuiden van het Koninkrijk der Nederlanden, het tegenwoordige België, tegen het beleid van de protestantse koning Willem I. In de zomer van 1830 groeit de onrust uit tot een ware opstand. Op 4 oktober 1830 wordt de onafhankelijkheid van België uitgeroepen. Grote delen van Vlaanderen tot Limburg vergeten hun twisten met de franstaligen en scharen zich achter de opstand tegen Holland en koning Willem I. Ontsteld over de gebeurtenissen, besluit de koning zijn volk te wapen te roepen. In een proclamatie, die op 5 oktober 1830 wordt aangeplakt, laat koning Willem I weten hoezeer hij de hulp van zijn trouwe onderdanen nodig heeft om het koninkrijk te redden: Uwe krachten, bewoners der getrouwe gewesten ! worden in deze oogenblikken tot bescherming van uw geboortegrond vereischt (...). De grondwet schrijft, in omstandigheden gelijk die waarin wij thans zijn geplaatst, het dragen van wapenen voor als een der eerste plichten van alle ingezetenen van het rijk. Dit voorschrift komt met uwe wenschen overeen. Welnu ! Te wapen op de dringende bede van uwen vorst. Te wapen, voor de zaakan orde en van recht. Te wapen, onder ootmoedig en biddend opzien tot den almachtigen God, die Nederland en Oranje zoo dikwijls uit de grootste gevaren heeft gered.
Na het bombardement van Antwerpen door de Hollanders, op 27 oktober 1830, en de inname van Venlo door de Belgen, op 11 november 1830, wordt het voorlopig stil aan het militaire front. Het is tijd voor internationale diplomatie. Door een grote halsstarrigheid van koning Willem I, levert dit echter weinig op. Ondertussen blijft de situatie in het Zuiden uiterst gespannen. De matelaarsdood van Jan van Speijk, op 5 februari 1831, leidt tot een grote golf van nationalistische euforie en schenkt de Nederlandse bevolking weer enig vertrouwen in de toekomst. De bereidheid om het land te dienen en het 'muitend gespuis' in het Zuiden een lesje te leren, neemt sterk toe. Op 2 augustus 1831 geeft koning Willem I zijn 37.000 manschappen met een krachtig 'Voorwaarts !' opdracht het Zuiden aan te vallen; het begin van de Tiendaagse Veldtocht (zie tekening rechts). Coenraad bevindt zich dan, sinds 21 februari 1831, bij de 2e Afdeling Infanterie.
De Prins van Oranje Willem II vermoedt het plan van de Belgische generaal Daine om Hasselt hardnekkig te verdedigen met zijn Maasleger. De Prins bedenkt daarop een concentrische aanval op Hasselt ter vernietiging van het Maasleger. De 2e Afdeling Infanterie krijgt daarop op 8 augustus 1831 de opdracht om de plaatsen Wmmertingen en Herk St. Lambrecht te bezetten. Het doel van deze opstelling is het Maasleger te beletten om naar Tongeren uit te wijken. Helaas worden de bevelen aan de 2e Afdelingen Infanterie te laat ontvangen, waardoor een groot deel van het Maasleger de lijn Wimmertingen-Herk St. Lambrecht reeds is gepasseerd voordat de brigades Infanterie ter plaatse zijn aangekomen. De voorhoede van de brigades komt in gevecht met afdelingen en treinen die het Maaslegerniet zo snel kunnen volgen. Bij Herk St. Lambrecht wordt een vijandelijke afdeling onder vuur genomen door de infanterieen vervolgens door een achtervolgend Eskardon Lansiers totaal verstrooid, waarbij een aantal krijgsgevangenen wordt gemaakt. Het Maasleger trekt zich vervolgens terug en wordt door de Nederlanders verder buiten gevecht gesteld Alle aandacht is nu gericht op het Scheldeleger. De Prins van Oranje besluit om het Scheldeleger in te sluiten, waarna het van drie zijden door het Nederlandse leger kan worden aangevallen. Na de vernietiging van het Scheldeleger kan het Nederlandse leger vervolgens ten westen van Leuven verzamelen om tot bekroning van de veldtocht Brussel binnen te rukken. De 2e Afdelingen Infanterie trekt daartoe westwaarts met als opdracht het omtrekken van Leuven.
Een ruitergroep met een witte vlag geleid overhandigt de Prins een brief van de Engelse Gezant te Brussel. In deze brief wordt de wens van Engeland en Frankrijk tot uiting gebracht dat de vijandelijkheden worden gestaakt. Tevens is vermeldt dat ieder schot dat na onvangst van de brief wordt afgegeven, door beide mogendheden wordt beschouwt als een oorlogsverklaring en dat het Franse leger tot nabij Wavre is opgerukt. De Prins eist op zijn beurt dat zijn troepen de voor deze dag gestelde marsdoelen kunnen innemen en Leuven zich zal overgeven. De Belgen accepteren deze voorwaarden. Op 14 augustus 1831 aanvaart het Nederlandse leger de terugmars naar Nederland.
Op 9 juli 1837 ontvangt Coenraad 'als vrijwillig geëngageerd voor 6 jaar en 13 dagen met twintig gulden handgeld zijnde deszelfs vorige Diensten, bekomen Wonden, gedane Veldtogten en bijzondere Daden' een paspoort waarmee 'alle Civiele en Militaire Autoriteiten worden verzocht den gemelden Brouwer, Coenraad Pieters vrij en onverhinderd te laten passeren, en, desnoodig, hulp en bijstand te verleenen'. Coenraad wordt op het paspoort als volgt omschreven: 'lang 1 ellen, 7 palmen, 3 duimen en 4 strepen (ca. 148 cm), aangezigt ovaal, voorhoofd hoog, oogen blauw, neus ordinair, kin spits, haar bruin, wenkbrauwen bruin, hebben geene merkbare teekenen.' |
|
|
Coenraad belandt in Delft, waar hij Maria van der Kleij leert kennen. Ze wonen in 1838 aan de Gasthuislaan wijk N 275 en in 1841 aan de Bastiaansteeg wijk N 176 in Delft. In 1842 trekken ze naar Utrecht, waar ze gaan wonen aan 't Zand 307 in Wijk C. Hier leven ze in armoede. Coenraad verdient zijn brood als venter, werkman en boutenmaker. Ze leven een losbandig leven, want ze krijgen maar liefst vier van hun vijf kinderen buitenechtelijk: 1. Pieter Coenraad Brouwer, geboren 8 september 1838 te Delft 2. Antje Brouwer, geboren 18 maart 1841 te Delft, overleden 19 april 1927 te Oudewater. Gehuwd op 16 maart 1866 te Rietveld met Nicolaas Hogenboom, geboren 1834-1835 te Oudewater, overleden 12 februari 1899 te Oudewater 3. Jillis Brouwer, geboren 16 december 1843 te Utrecht, overleden 1 september 1917 te Utrecht 4. Willem Brouwer, geboren 29 januari 1846 te Utrecht, overleden 26 juli 1849 te Utrecht 5. Arjen Brouwer, geboren 26 november 1848 te Utrecht Coenraad en Maria trouwen op 4 maart 1846 in Utrecht. Ze zijn 'onvermogend tot het betalen der bewijzen en schrifturen, welke gerequireerd worden bij het aangaan van het voorgenomen huwelijk'. Wijk C wordt in die tijd gekenmerkt door zeer kleine en ongezonde huizen. Als in 1848-1849 een cholera epidemie uitbreekt in Utrecht, kan de ziekte zich in wijk C gemakkelijk verspreiden. Coenraad en zijn zoon Willem zijn slachtoffer. Coenraad overlijdt op 31 juli 1849 op 52-jarige leeftijd. Maria verhuist met haar kinderen naar de Lange Nieuwstraat 60 waar ze werkt als werkster. Ze overlijdt op 20 april 1858 op 51-jarige leeftijd. |
|